Commissie voor Onderwijs, Vorming en Wetenschapsbeleid Vergadering van 08/01/2004

Interpellatie van de heer Luc Martens tot mevrouw Marleen Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, over de toekomst van de voortgezette lerarenopleidingen

De voorzitter : Aan de orde is de interpellatie van de heer Martens tot mevrouw Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming, over de toekomst van de voortgezette lerarenopleidingen.

De heer Martens heeft het woord.

De heer Luc Martens : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, ik zou graag duidelijkheid krijgen over de plaats van de voortgezette lerarenopleidingen in het geheel van de hervorming van het hoger onderwijs in uitvoering van de Bolognaverklaring. In een aantal voortgezette lerarenopleidingen, onder meer de voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs VOBO, de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren VOZO, en het intercultureel onderwijs ICO, bestaat ongerustheid over hun positie.

In het voorontwerp van decreet op de lerarenopleiding kunnen ze lezen dat van voortgezette lerarenopleidingen alleen nog sprake zou zijn in termen van postgraduaten. Volgens artikel 17, paragraaf 1 van het voorontwerp worden die postgraduaten beperkt tot een minimale studieduur van 20 studiepunten, en leiden ze niet tot een diploma, maar slechts tot een getuigschrift.

De bestaande voortgezette lerarenopleidingen zijn wel degelijk vragende partij om het statuut van bachelor-na- bachelor te kunnen uitreiken. Ze kwamen echter in eerste instantie niet in aanmerking voor een omvormingsdossier. Daar is wat verwarring over ontstaan, die mee werd gevoed door uw diensten, zo niet door het kabinet dan toch door de administratie. Bijvoorbeeld in een nota van mei 2003 lees ik onder punt 1h : 'Voor de initiële lerarenopleiding van academisch niveau en de voortgezette lerarenopleiding is geen omvormingsdossier nodig, aangezien zij momenteel nog niet ingepast zijn in de bachelor-masterstructuur.' De initiële lerarenopleiding voor het secundair onderwijs daarentegen komt - voor de duidelijkheid - wel in aanmerking.

Die groep heeft dus op een bepaald moment het signaal gekregen dat ze geen omvormingsdossier hoefden in te dienen. Sommigen hebben het echter toch gedaan, bijvoorbeeld de Katholieke Hogeschool Limburg en de Karel de Grote-Hogeschool, maar anderen hebben het niet gedaan, bijvoorbeeld de Katholieke Hogeschool Mechelen, de Katholieke Hogeschool Leuven, de Katholieke Hogeschool Kempen, KHBO, KATHO, EHSAL, en de Arteveldehogeschool.

Er is nu verwarring ontstaan omtrent de vraag of degenen die geen dossier hebben ingediend, daar niet het slachtoffer van dreigen te worden omdat ze daardoor niet in de BaMa-structuur, en specifiek in het BaNaBa-systeem, kunnen worden opgenomen. Ze menen dat ze nochtans heel wat goede argumenten hebben om als volwaardige bachelor-nabacheloropleiding te worden beschouwd.

De VOBO- en VOZO-opleidingen hebben een erkende studieduur van minimum 60 studiepunten, zoals vereist is voor de toelating als BaNaBa. Ook de ICO-opleiding had oorspronkelijk een erkende studieduur van 60 studiepunten, en ICO heeft een aanvraag ingediend om die 60 studiepunten te mogen behouden.

De opleidingen zijn gericht op de uitbreiding van de inhoudelijke vakkennis en op de ontwikkeling van vaardigheden en attitudes. De aanzet daartoe wordt al gegeven in de initiële opleiding. Het uitdiepen daarvan vraagt echter tijd, en die is er pas in een voldoende langlopende opleiding, met name van minimaal 60 studiepunten, zoals ze vandaag bestaat.

In die opleidingen worden gespecialiseerde leerkrachten gevormd met een beroepsprofiel dat de jongste jaren steeds meer maatschappelijk relevant is gebleken. Er is gelukkig een toenemende aandacht voor kinderen met speciale noden, voor kinderen met een diverse socio-culturele afkomst, en voor het algemeen welzijn. U steunt dat ook. Precies het GOK, het inclusief onderwijs en het geïntegreerd onderwijs zijn gericht op de noden van die mensen. Veel directies stellen dan ook het behalen van zo'n diploma als voorwaarde voor een aanstelling of benoeming als zorgcoördinator in het gewoon onderwijs of als personeelslid in het buitengewoon onderwijs.

Die opleidingen zijn ook geworteld in een jarenlange traditie. De VOBO-opleiding bestaat als sinds 1924, en de VOZO-opleiding sinds 1974. Ze leveren erkende diploma's af. Het VOBO-diploma heeft ook een zogenaamd civiel effect, in de zin dat het tot een weddeverhoging leidt.

Met het oog op de herwaardering van het lerarenambt achten we het noodzakelijk deze voortgezette opleidingen als bacheloropleiding of zelfs als masteropleiding te erkennen. Op die manier kan de verworven expertise van de cursisten-leerkrachten worden erkend. Zo niet zou een gediplomeerde van de geïntegreerde lerarenopleiding geen enkele kans maken op een bijkomend bachelordiploma, terwijl dat voor alle andere bachelors wel degelijk kan.

Ik verwijs ook naar de Europese context. Met het oog op de Europese eenvormigheid, waar die BaMa-structuur juist voor bedoeld is, is het noodzakelijk deze opleidingen als vervolgopleidingen te bewaren en als BaNaBa te erkennen. Ook in andere Europese opleidingen kent men opleidingen tot leerkracht, bijvoorbeeld voor 'special educational needs' SEN, en vaak als vervolgopleiding na een basisopleiding tot leerkracht. Dat zou wel eens kunnen zorgen voor een uitstroom van Vlaamse studenten naar buitenlandse universiteiten, vooral dan naar Nederland.

Ten slotte is er ook een belangrijk financieel argument, want zonder erkenning valt ook de huidige uitstroomsubsidie weg, en kunnen de hogescholen deze opleidingen niet langer aanbieden. Een verhoging van de inschrijvingsgelden is niet wenselijk, en wellicht ook niet haalbaar, gezien de situatie van cursisten en van schoolbesturen.

Mevrouw de minister, bent u bereid om de voortgezette lerarenopleidingen die aan de vereisten voldoen, alsnog te erkennen als bachelor-na-bachelor? Als dat niet geval is, en er geen nieuw decreet op de lerarenopleiding komt, wat is dan het statuut van de voortgezette lerarenopleidingen? Wat zijn dan de gevolgen qua civiel effect voor wie die opleiding heeft gevolgd?

Is het volgens u verantwoord, in het licht van de herwaardering van de leraar, dat de voortgezette lerarenopleidingen gewoon postgraduaten worden, waaraan geen diploma meer verbonden is?

De voorzitter : De heer Vandenbroeke heeft het woord.

De heer Chris Vandenbroeke : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, ik sluit me aan bij de interpellatie van de heer Martens. Zijn uitgangspunt is het probleem van de voortgezette lerarenopleidingen, maar in zijn slotbeschouwing heeft hij het toch ook over de lerarenopleiding in het algemeen. Daarover wil ik het volgende opnieuw in de aandacht brengen.

Er is altijd geschermd met het argument dat de Bolognaverklaring onder meer zou leiden tot een grotere openheid van het onderwijsveld. Er zou meer transparantie zijn, wat ook garanties zou bieden voor de mobiliteit van leerlingen en studenten, maar ook van docenten.

Daar wringt echter het schoentje. Overal in de buurlanden wordt sinds jaar en dag gewerkt aan een opwaardering van het lerarenkorps. Als dat bij ons niet gebeurt, althans niet met een volwaardige opleiding van 60 studiepunten maar slechts op het niveau van een certificaat, dan wordt meteen ook het uitgangspunt van de Bolognaverklaring, dat behalve met kwaliteit ook te maken heeft met openheid, transparantie en evenwaardigheid, gehypothekeerd.

De voorzitter : De heer Ramon heeft het woord.

De heer Frans Ramon : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, ook ik steun de interpellatie van de heer Martens, want er heerst inderdaad onrust bij de mensen van de voortgezette lerarenopleidingen. U kunt niet a zeggen zonder b. Als we vinden dat het voor de zorgcoördinatie belangrijk is dat mensen een extra opleiding krijgen, dan kunnen we geen onduidelijkheid laten bestaan over hun certificering en hun statuut. Ik weet nog niet of het nu zo is, en ik wacht het antwoord van de minister af, maar ik meen dat die onduidelijkheid er niet mag zijn. Die opleidingen zijn belangrijk, en ze hebben inderdaad een lange traditie.

De voorzitter : Minister Vanderpoorten heeft het woord.

Minister Marleen Vanderpoorten : Mijnheer Martens, ik heb nog geen beslissing genomen over de toekomst van de voortgezette lerarenopleidingen. Er zijn twee scenario's mogelijk. Men kan ze aanbieden als een postgraduaat, of men kan sommige voortgezette lerarenopleidingen de mogelijkheid geven zich om te vormen tot een bachelor-na-bachelor of BaNaBa. Beide scenario's hebben plus- en minpunten.

Het eerste scenario - het postgraduaat - sluit volledig aan bij de flexibiliseringsgedachte, die is opgenomen in het betreffende ontwerp van decreet. Daarbij moet niet het volledige pakket maar een aantal modules worden gevolgd. Dat lijkt me vooral interessant voor een aantal leerkrachten die de initiële opleiding hebben gevolgd maar die op bepaalde terreinen toch nog tekortkomen.

Het tweede scenario is dat van BaNaBa. Daarbij is vooral de psychologische component een pluspunt. Een omvorming naar BaNaBa lijkt voor de opleiders zelf een mentale opsteker. Zij ervaren en benadrukken dat een dergelijke omvorming de volwaardige erkenning zou betekenen van hun voortgezette opleidingen. Anderzijds is er het verschil met de honorering van een 'vervolgopleiding tot leraar' zoals door de universiteiten en centra voor volwassenenonderwijs georganiseerd. Het gaat met andere woorden om het toekennen van een bachelordiploma voor een voortgezette lerarenopleiding versus een lerarendiploma voor een initiële lerarenopleiding.

Een minpunt is uiteraard ook dat elementen uit de basisopleidingen moeilijk voor EVC of EVK in aanmerking kunnen komen, want een BaNaBa moet juist een uitdieping van deze elementen zijn.

In heel deze problematiek moeten we oog hebben voor drie elementen : de hogeschool, de cursist en de onderwijsinstelling waar de leraar terechtkomt. Uw vraag gaat in sterke mate uit van de opleidingsverstrekkers zelf, zijnde de hogeschool. Even belangrijk wordt op termijn echter de mate waarin een cursist zijn opleiding kan vervolledigen en de mate waarin de onderwijsinstelling waar iemand al functioneert, hierop kan inspelen.

Uw tweede vraag betreft eigenlijk de stand van zaken van de lerarenopleiding. Het voorontwerp heeft een lange en bedachtzame voorbereidingsperiode gekend. Dit was ook nodig want de sector zelf is soms vrij verdeeld over de verwachtingen en aspiraties inzake de opleidingen. Naast de verschillende opleidingsverstrekkers, zijn er ook de vaak uiteenlopende belangen van de opleidingsverstrekkers, van het afnemend veld en van de studenten. Een breed draagvlak is dan ook belangrijk.

Het structuurdecreet op het hoger onderwijs omvat weinig of geen bepalingen over de lerarenopleiding. Het is de bedoeling met het lerarendecreet dit verhaal te vervolledigen. Het voorontwerp van decreet zal ook enkele nieuwigheden bevatten die voor de lerarenopleiding op zich zeer interessant zijn of waarvoor de opleidingsinstituten vragende partij zijn. Het voorontwerp van decreet betreffende de lerarenopleiding zal dan ook, als een soort van minidecreet, enkel de meest wezenlijke, nuttige en ook duidelijk gunstige aangelegenheden voor de lerarenopleiding regelen.

De herwaardering van het lerarenambt en de zorg om kwaliteitsvolle initiële en voortgezette lerarenopleidingen mogelijk te maken, lijken mij in principe twee te onderscheiden opdrachten, evenwel met onderlinge verbanden. Mijn hoofdbekommernis blijft het bestendigen of verbeteren van de randvoorwaarden om de opleidingskwaliteit te garanderen. Ik ben ervan overtuigd dat via flexibele leerwegen en postgraduaten heel veel kan worden bereikt. De kwaliteit van een opleiding hangt niet per se samen met het aantal studiepunten, maar met de zinvolle invulling en opbouw van het leertraject.

Het civiel effect is veel belangrijker dan de bekroning met een diploma, dan wel met een getuigschrift. Het enige wat telt, is de toegevoegde waarde van de voortgezette opleiding voor de onderwijspraktijk. Ik heb het dan ook over de leerkrachten die daarvoor een hoger loon kunnen krijgen. Zoals de heer Ramon zei, is de waardering van de zorgcoördinaten en het belang dat we daaraan hechten, zeker een argument pro. We zullen hier de volgende maanden nog verder over discussiëren in deze commissie.

De voorzitter : De heer Martens heeft het woord.

De heer Luc Martens : Mevrouw de minister, we worden hier geconfronteerd met de onaangename gevolgen van het feit dat de discussie over de lerarenopleiding gekoppeld is aan de discussie over het structuurdecreet. Daardoor krijgen we twee verschillende snelheden. De groep die eigenlijk centraal moet staan in het onderwijsbeleid en die de hefboom is om onze projecten te realiseren, blijft op zijn honger zitten. Dat is geen goede zaak wanneer het gaat over de motivatie en waardering van het veld.

Daarnaast wil ik erop wijzen dat de door u geschetste scenario's niet tegenover elkaar staan. De vraag is wat we nodig hebben om een leraar in een voortgezette opleiding bij te brengen wat nodig is om te beantwoorden aan de steeds hogere verwachtingen die aan het onderwijs worden gesteld. Men kan langs modulaire weg werken in blokjes van 20 uur. Met drie blokjes van 20 uur komt men ook aan 60 uur. De getuigschriften zijn met andere woorden tussenstappen die de mogelijkheid tot het verwerven van een BaNaBa niet verhinderen. De opsplitsing tussen het eerste en tweede scenario is kunstmatig, tenzij de zaken worden geplafonneerd op een niveau van modules van 20 uur. Dat betekent echter een kwalitatieve achteruitgang ten opzichte van wat vandaag bestaat. Bovendien zouden de leerkrachten in een voortgezette opleiding in een minder interessante positie worden geplaatst tegenover de opleidingen die in het buitenland worden aangeboden. Dat zou ik ten zeerste betreuren. Die hogescholen hebben immers heel wat expertise opgebouwd tijdens de laatste jaren. De vraag is dan ook of u niet de dynamiek moet volgen die vanuit de centra wordt bepleit

De voorzitter :Minister Vanderpoorten heeft het woord.

Minister Marleen Vanderpoorten : Ik betwist niet dat de hogescholen terzake een heel grote expertise hebben ontwikkeld. De vraag is echter of het wenselijk of nodig is daar een bachelortitel aan te koppelen. Het gaat, zoals u zelf zegt, in eerste instantie over de inhoud. Ik ben ervan overtuigd dat meer leerkrachten hun gading zullen vinden wanneer er een opsplitsing wordt gemaakt in modules waaruit een keuze kan worden gemaakt, dan wanneer de zaken blijven zoals ze nu zijn. De inhoud staat los van de titel. Men moet niet denken dat men alleen geapprecieerd wordt wanneer daar een bachelortitel aan wordt gekoppeld.

De heer Luc Martens : Mevrouw de minister, ik denk dat u een beetje naïef reageert. Op zich is het al kwetsend dat dit niet in een master is voorzien. Dat wordt ervaren als een desavouering en ik heb daar veel begrip voor. De lerarenopleiding wordt hiermee eens te meer naar de tweede rang verschoven en dat is bijzonder jammer. Net in een kennissamenleving heeft die een rol te vervullen.

Minister Marleen Vanderpoorten : Mijnheer de voorzitter, ik benadruk dat ik niet heb gezegd dat het ene of het andere zou worden uitgesloten. Ik heb een aantal argumenten naar voren proberen te brengen waar ik in kan komen. Dat maakt het net zo moeilijk. Er is geen eenduidige oplossing. Ik wil vermijden dat er mij woorden in de mond worden gelegd die ik niet heb uitgesproken. Ik zeg niet dat ze niet in aanmerking komen voor een voortgezette opleiding. Ik zeg alleen dat de discussie nog niet is uitgeklaard. Ik wil mijn consultatieronde eerst voortzetten. Ik heb tot nog toe vooral de instellingen gehoord. Nu zal ik de leerkrachten en 'afnemers' consulteren.

De voorzitter : Het incident is gesloten.