Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed
Vergadering van 13/10/2010

Vraag om uitleg van mevrouw Sonja Claes tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over het geplande nieuwe afwegingskader voor windturbines - 2456 (2009-2010)

Vraag om uitleg van mevrouw Valerie Taeldeman tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de omzendbrief inzake het inplanten van grootschalige windturbines - 2473 (2009-2010)

Vraag om uitleg van mevrouw Mercedes Van Volcem tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over een afwegingskader voor windmolens - 185 (2010-2011)

De voorzitter : Mevrouw Claes heeft het woord.

Mevrouw Sonja Claes : Voorzitter, minister, dames en heren, op 12 mei 2006 werd een afwegingskader voor windturbines opgesteld. Dat bepaalt de vergunningsvoorwaarden voor windmolens. Sinds vorig jaar zien we dat het afwegingskader niet meer voldoet. De drie vragen om uitleg over dat thema tonen dat wel aan.

Dat brengt problemen mee in de sector. Het enorme aantal aanvragen zorgt voor een heuse strijd tussen de bedrijven om een vergunning te bemachtigen. De gemeentebesturen worden geconfronteerd met die ongecoördineerde initiatieven. De omwoners worden geconfronteerd met een massa aanvragen, waardoor het draagvlak voor windturbines natuurlijk niet stijgt. Het Vlaams Parlement staat klaar en duidelijk achter de bouw van windturbines en wil dat draagvlak vergroten. Dat gebeurt niet zolang we geen nieuw afwegingskader maken.

Wat is de stand van zaken van het nieuwe afwegingskader? Wat zijn de belangrijkste elementen uit dit afwegingskader? Hoe wordt de betrokkenheid van mensen uit de omgeving gegarandeerd in het afwegingskader? Dat vind ik heel belangrijk.

De voorzitter : Mevrouw Taeldeman heeft het woord.

Mevrouw Valerie Taeldeman: Voorzitter, minister, dames en heren, bijna exact een jaar geleden hadden we in deze commissie ongeveer exact dezelfde discussie en vraagstelling. Diverse collega’s maakten toen duidelijk dat er door de inwerkingtreding van de codex geen planningsinitiatief meer vereist is voor het bouwen van windturbines in agrarisch gebied.

Sindsdien worden veel lokale besturen gecontacteerd door elektriciteitsproducenten en bouwers van turbines. Er worden duizenden contracten met grondeigenaars afgesloten. Minister, ik kan u verzekeren dat de onrust en onzekerheid groot zijn op het terrein omwille van het gebrek aan een duidelijk juridisch kader. Veel lokale besturen worden overspoeld door aanvragen die her en der verspreid over de gemeente worden ingediend. Lokale bestuurders en bewoners vrezen voor een aantasting van het open landschap. Veel plattelandsbewoners zijn bang, want elke dag kan in de weide naast hen zo’n geel bord verschijnen dat een openbaar onderzoek aankondigt voor de inplanting van grootschalige turbines.

Ik weet niet of mevrouw Van Volcem zich nog bij ons zal voegen. In de tekst van haar vraag om uitleg verwijst ze in elk geval naar de situatie in Maldegem. Ik woon in Maldegem. Begin dit jaar is Electrawinds gestart met de bouw van zeven grootschalige turbines langs de expresweg. Die turbines zijn destijds, voor de invoering van de codex, op basis van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan vergund. Dit zeer goed afgewogen planningsinitiatief is met veel overleg en inspraak gepaard gegaan en kan op steun van het gemeentebestuur van Maldegem rekenen. Ik kan zelfs melden dat tijdens de Open Wervendag begin september 2010 ongeveer 1500 bezoekers zijn langsgekomen. De mensen staan hiervoor open. Ze zijn trots op dit project. Het gemeentebestuur van Maldegem is ook trots op deze verwezenlijking.

Dit project volstaat voor onze gemeente. Ondanks de duidelijke communicatie van het gemeentebestuur worden we overrompeld met bijkomende aanvragen voor het agrarisch gebied. Het is onze collectieve verantwoordelijkheid aan de doelstellingen inzake hernieuwbare energie te voldoen. Deze manier van werken biedt echter geen oplossing. Iedereen wacht op duidelijke regels. Zolang die regels uitblijven, blijft het agrarisch gebied onder druk staan en blijven de bewoners van het platteland in rechtsonzekerheid. Indien een gemeente met tien projecten op tien verschillende locaties wordt overspoeld, daalt het draagvlak tot onder het vriespunt.

In de loop van het afgelopen voorjaar heb ik minister Schauvliege een vraag om uitleg over het principe ‘wie eerst komt, eerst maalt’ in de vergunningsprocedure voor windturbines gesteld. Ze heeft toen een aantal interessante denksporen naar voren geschoven. Ik wil de minister een drietal van deze denksporen meegeven.

Ten eerste, omzendbrieven hebben in principe geen verordenend karakter en kunnen bijgevolg geen nieuwe, dwingende rechtsregels creëren. De omzendbrief betreffende het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines bevat slechts richtlijnen die de Vlaamse overheid zich voorneemt bij het onderzoek van de aanvragen voor windturbines te volgen.

Ten tweede, om de rechtszekerheid bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen te verhogen, is het opportuun eens te onderzoeken of voor de inplanting en de exploitatie van windmolens met een concessiesysteem kan worden gewerkt.

Ten derde, een andere mogelijkheid om meer rechtszekerheid te bieden, is bij de beoordeling van de vergunningsaanvragen voorrang te geven aan coöperatieve structuren van windmolenexploitanten of deze vormen van samenwerking tenminste aan te moedigen.

Ik wou de minister deze denksporen toch nog even meedelen. Ik kan hem misschien ook het verslag van de behandeling van mijn vraag om uitleg nog overhandigen. Er staan interessante zaken in.

Minister, de tijd dringt echt. Iedereen vraagt een duidelijke regelgeving. U hebt in deze commissie meermaals aangekondigd dat afgelopen zomer een omzendbrief zou worden verstuurd. Wat is de stand van zaken in verband met de omzendbrief over de inplanting van grootschalige windturbines? Wanneer zou de omzendbrief over de inplanting van grootschalige windturbines in werking treden?

De voorzitter : De heer Peeters heeft het woord.

De heer Dirk Peeters : Voorzitter, ik onderschrijf natuurlijk de vragen van de vraagstellers. Deze problematiek interesseert me in sterke mate. Als ik me niet vergis, is dit onderwerp trouwens gisteren ook in de commissie Leefmilieu besproken.

In ons negatief advies over de herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) hebben we overigens aangeklaagd dat het gebrek aan toekomstige ontwikkelingen in het landbouwgebied nog niet helemaal is uitgeklaard en er op dit vlak zeker nog geen rechtszekerheid wordt geboden.

De minister had ons beloofd dat we hier voor de zomer meer over zouden weten. Aangezien dat blijkbaar niet is gelukt, kijk ik uit naar zijn antwoord.

De heer Bart Martens : Ik wil hier nog even aan toevoegen dat we hier gisteren, naar aanleiding van een vraag om uitleg van de heer Vandaele, een discussie met minister Schauvliege hebben gevoerd. Net omdat de omzendbrief en daarin vermelde normen inzake slagschaduw, geluid en dergelijke een beperkte juridische draagwijdte hebben, stelt zij voor op basis van Vlarem II sectorale milieuvergunningsvoorwaarden op stellen. Die sectorale milieuvergunningsvoorwaarden zouden de rechtszekerheid van de kandidaat-exploitanten en van de omgeving ten goede komen.

Mevrouw Taeldeman heeft voorgesteld coöperatieven voorrang te geven. Volgens mij heeft mevrouw Claes dit ook al verschillende malen geopperd. Hoewel we hier allicht allemaal veel sympathie voor kunnen opbrengen, vrees ik dat het juridisch bijzonder moeilijk zou zijn de ene vennootschapsvorm voorrang op andere vennootschapsvormen te geven. Ik vrees dat we daar op een juridische muur zouden botsen.

Minister, wat is uw mening hierover? In welke mate lijkt een bevoordeling van een vennootschapsvorm, namelijk de coöperatieve vennootschap, u mogelijk of wenselijk? Bent u misschien van mening dat we dit denkspoor al onmiddellijk kunnen vergeten?

De voorzitter : Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters : Voorzitter, ik begrijp heel goed dat dit leeft. De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die op 1 september 2009 van kracht is geworden, laat de plaatsing van windturbines net vrij. Dit is een keuze die het Vlaams Parlement toen heeft gemaakt. Ik kan enkel vaststellen dat ongeveer een jaar geleden is besloten de bouw van windturbines op het vlak van de ruimtelijke ordening niet te veel aan banden te leggen. Het lijkt me moeilijk dit nu snel te veranderen. Het Vlaams Parlement had dit in de codex anders moeten bekijken.

De omzendbrief betreffende de grootschalige windturbines is opgesteld en rondgestuurd. Ik kan hier melden dat die omzendbrief effectief richtinggevend is. Dat is niet dwingend. Het is zoals minister Schauvliege heeft gezegd.

Concessies geven is een bevoegdheid van Energie. De VLAREM II-wetgeving aanpassen is een bevoegdheid van Leefmilieu. Coöperatieven voorrang verlenen lijkt me onmogelijk. Dit bewijst dat dit een bevoegdheid is die we gezamenlijk moeten aanpakken. Vanuit Ruimtelijke Ordening kan ik dat niet alleen.

Zoals ik had aangekondigd, heb ik net voor de zomer een discussienota ‘Voorontwerp ruimtelijk beleidskader hernieuwbare energie: aanbevelingen vanuit het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening’ gemaakt. Omdat het niet alleen over ruimtelijke ordening gaat, heb ik die nota onmiddellijk aan de ministers van Energie en Leefmilieu overgemaakt. De nota kan de discussie over de gevolgen voor Ruimtelijke Ordening van de opties van het Vlaams actieplan hernieuwbare energie op gang trekken.

De discussie over hernieuwbare energie is vandaag in belangrijke mate toegespitst op windenergie. Op onze vraag en met het akkoord van de minister van Energie werd de nota op 24 september 2010 ook al voor bespreking voorgelegd aan de i nterdepartementale windwerkgroep. Het is de taak van de werkgroep om het beleid te adviseren aangaande het windenergiebeleid.

De werking van de windwerkgroep valt onder de bevoegdheid van de minister van Energie. Ze ging onmiddellijk akkoord om de discussienota daar voor te leggen. Er zijn verschillende redenen waarom wij voor deze aanpak gekozen hebben. Ten eerste heeft Vlaanderen het engagement aangegaan om 13 percent van zijn energie in 2020 via alternatieve energiebronnen op te wekken. Er zijn vandaag geen beleidskeuzes gemaakt over hoeveel de verschillende alternatieve energiebronnen – biomassa, windenergie en zonnepanelen – moeten opbrengen. Die keuze is echter van fundamenteel belang aangezien dit de taakstelling inzake windenergie inhoudt. Ik vind het belangrijk dat in het bepalen van die taakstelling rekening wordt gehouden met de ruimtelijke kenmerken van Vlaanderen en de ruimtelijke doelstellingen die kunnen worden gehanteerd als we een keuze maken hoeveel windenergie we willen hebben en hoeveel de alternatieve energiebronnen moeten invullen.

Ik illustreer dit met twee plannetjes, die ik bij het antwoord zal voegen. De kleur zal duidelijk maken waarover het gaat. Als we een straal trekken van 250 meter rond iedere woonkern, dan ziet u duidelijk dat er niet veel plaatsen overblijven die voor windmolens in aanmerking kunnen komen. Het grootste deel van dat plaatje is rood. Bovendien zit men dan meestal in wat grootschaliger open ruimtes, en die hebben als landschap ook hun waarde. Als we in die oefening nog eens rekening zouden houden met de verspreide, soms zonevreemde woningen, dan ziet de figuur er anders uit. Als we rond alle woningen een straal van 250 meter trekken, dan is de ruimte voor windmolens helemaal beperkt.

Samen met de taakstelling inzake windenergie – hoeveel moet dat opbrengen? – moet de vraag worden beantwoord waar deze turbines kunnen worden neergezet. De vraag is of we verder gaan op de manier waarop we bezig zijn, met de gespreide inplanting her en der in Vlaanderen, of dat we gaan inplanten in bepaalde concentratiezones, waarschijnlijk op plaatsen waar dat nu grootschaliger open is. Dat is een heel moeilijke afweging, alleen al vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening.

De keuze moet ook worden gemaakt hoeveel alternatieve energie we via windmolens willen hebben. Als we die keuze voor Energie maken, heeft dat gevolgen voor Ruimtelijke Ordening. We hebben de oefening gemaakt en aangeduid waar het kan. Het is indrukwekkend hoe weinig plaatsen er zijn. Er blijft zo goed als niets over.

Dit was de eerste reden waarom we de discussienota hebben opgesteld. Als Energie en Leefmilieu bepalingen gaan vaststellen, en als we zoveel percent windturbines willen, dan moeten we goed beseffen dat we die ook ergens moeten kunnen plaatsen.

Een tweede reden is dat door de toevloed van nieuwe windturbineprojecten, voor eenzelfde gebied vaak verschillende ontwikkelaars projectvoorstellen indienen. Ze zijn op geen enkele manier op elkaar afgestemd. Dit komt de ruimtelijke en landschappelijke ontwikkeling van die locaties niet ten goede. Bovendien is het voor de vergunningverlener niet eenvoudig vast te stellen wat de beste invulling van een site is. Ten slotte zijn dergelijke praktijken ook nefast voor het draagvlak bij de bevolking.

Mevrouw Van Volcem, u hebt uw vraag niet kunnen stellen, maar ik zal ze opnemen in mijn antwoord. U haalt een voorbeeld aan dat als omwonenden de mogelijkheid krijgen om mee te investeren, de draagvlakvorming veel vlotter gaat. We stellen deze problemen vast, maar het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium kan daar geen pasklare oplossing voor bieden. Dit heeft weinig te maken met Ruimtelijke Ordening. Dit moet samen met het beleidsveld Energie in een breder kader worden bekeken. Daarom hebben we onze discussienota naar de interdepartementale windwerkgroep gestuurd. De interdepartementale windwerkgroep kan momenteel onvoldoende op de toevloed aan dossiers inspelen.

De windwerkgroep is samengesteld uit experts van verschillende beleidsvelden. Hun taak is om naast het adviseren van vergunningsaanvragen, proactief locaties voor windturbineprojecten te bepalen en het windenergiebeleid te begeleiden en te adviseren. Het uitstippelen van een flankerend beleid, het begeleiden van verschillende projecten op één site, gebeurt momenteel niet of veel te weinig omdat men vooral bezig is met de vergunningen.

Uit de eerste bespreking van de discussienota in de windwerkgroep bleek alvast dat er over een groot aantal principes eensgezindheid bestaat. Wat ik hier vooral wil aangeven, is dat de discussie over de inplanting van verschillende vormen van hernieuwbare energie in het algemeen en windturbines in het bijzonder, een integraal verhaal moet zijn dat niet kan worden opgelost door het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening alleen. De discussie over het geluid, over de slagschaduw, over de ongecoördineerde aanvragen en het afkalvend draagvlak bewijzen dit meer dan voldoende.

Met de huidige nota willen we ons deel in de discussie duidelijk naar voren brengen. We willen hiermee in de windwerkgroep de discussie zelfs aanzwengelen. Ik ben alleszins bereid om samen met mijn collega’s van Energie en van Leefmilieu de nodige stappen te zetten wanneer de conclusies van de windwerkgroep worden voorgelegd.

Ik heb aangedrongen op een spoedige behandeling, en mijn kabinet en administratie volgen dit strikt op, zodat zo snel mogelijk concrete beleidsaanbevelingen op tafel kunnen liggen. Ten slotte wens ik specifiek aan mevrouw Taeldeman te melden dat er reeds twee omzendbrieven bestaan. De krachtlijnen en uitgangspunten van beide omzendbrieven zijn nog steeds actueel en geven de vergunningverlener een kader waarbinnen de turbines kunnen worden beoordeeld.

De voorzitter : Mevrouw Taeldeman heeft het woord.

Mevrouw Valerie Taeldeman : Minister, ik dank u voor uw antwoord. U toont twee kaartjes die uw administratie blijkbaar deze zomer heeft gemaakt. Ik wil u ter illustratie ook een kaartje tonen. Dit is een kaartje van het windplan Oost-Vlaanderen. U ziet hier mijn gemeente Maldegem. Wat gearceerd is, zijn volgens de provincie potentiële locaties om windmolens in te planten. Zoals u ziet, is de hele gemeente Maldegem gearceerd. Vandaar dat er heel veel aanvragen worden ingediend.

Ik wil beklemtonen dat de situatie echt onhoudbaar aan het worden is. Er worden her en der aanvragen ingediend. Er is geen structuur meer in. Het draagvlak kalft af. Via de codex is er inderdaad, zoals u zegt, een versoepeling ingevoerd, maar ik denk dat niemand heeft kunnen inschatten dat dat tot dergelijke situaties zou leiden.

Ik heb wel begrip voor wat u zegt, namelijk dat een gemeenschappelijke aanpak noodzakelijk is. U trekt Energie en Leefmilieu mee in het bad. Ik vind dat geen slecht idee, maar het is natuurlijk wel een verandering in aanpak in vergelijking met vorig jaar. Vorig jaar kondigde u in de commissie aan dat er een nieuwe omzendbrief zou komen. De visie is nu blijkbaar veranderd. Er zou een gemeenschappelijke aanpak komen met de departementen Energie en Leefmilieu. Als ik het goed begrijp, komt het er eigenlijk op neer dat er een soort visie wordt uitgeschreven waarbij het geen doel op zich is om extra windturbines te bouwen, maar wel om de doelstellingen voor hernieuwbare energie te halen. Het gaat dus niet over hoeveel turbines er moeten bijkomen, maar wel over de mogelijk andere manieren om de doelstellingen van hernieuwbare energie te halen. We concentreren ons nu alleen op de windturbines, maar er kunnen ook zonneparken worden gebouwd, waterkrachtcentrales enzovoort. Er zijn dus verschillende mogelijkheden om de doelstellingen te behalen.

Minister, ik ga niet op mijn knieën zitten, maar ik wil u toch met aandrang vragen om heel nauwgezet tewerk te gaan. Geen enkel probleem met wie er moet worden overlegd, maar kom alstublieft tot een conclusie en kom met een eindnota naar hier zodat de rechtsonzekerheid wegvalt, zowel voor de lokale besturen als voor de inwoners.

De voorzitter : Mevrouw Claes heeft het woord.

Mevrouw Sonja Claes : Minister, ik ben aan de ene kant erg blij met uw antwoord. Zeker inhoudelijk vind ik dat u de juiste toon zet, maar het is heel erg spijtig dat het nu pas gebeurt. U hebt vorig jaar een heel jaar aangekondigd dat u zou komen met een omzendbrief. Nu verandert u het geweer van schouder door te zeggen dat er overleg nodig is. Dat is uiteraard zo. Ik ben blij dat men via overleg met de minister van Energie en met de minister van Leefmilieu tot één voorstel moet komen. Ik heb alleszins de indruk dat men een jaar heeft uitgekeken naar de nieuwe omzendbrief, die u toch wel zelf hebt aangekondigd.

Naar aanleiding van de omzendbrief van 2006 is de hele discussie ontstaan. Op basis van die omzendbrief heeft men de criteria vastgelegd. U hebt vorig jaar aangekondigd dat er een nieuw afwegingskader zou komen. Ik kan fout zijn, maar ik had alleszins de indruk dat het nieuwe afwegingskader een bijstelling zou zijn van het vorige waardoor er nieuwe criteria zouden komen en waarbij er een betere afweging van de verschillende projecten kon gebeuren.

Ik vraag me af of de discussienota die u nu hebt voorgelegd aan de windwerkgroep, een discussienota is die beschikbaar is voor het parlement. Het zou ons erg vooruit kunnen helpen om tot een juiste afweging tussen de verschillende sectoren te komen. Ik ben erg geïnteresseerd in die discussienota.

Gisteren is er in de commissie Leefmilieu een discussie geweest. We zullen dezelfde vragen ook stellen aan minister Van den Bossche, want uiteindelijk moeten drie ministers samen tot één voorstel komen om op het terrein makkelijker de juiste afweging te maken.

De voorzitter : Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Mevrouw Mercedes Van Volcem : Voorzitter, minister, collega’s, gelieve mij te excuseren dat ik te laat ben waardoor ik mijn vraag niet heb kunnen stellen. Ze lag wel in de lijn van mijn andere vragen die ik eerder dit jaar heb gesteld.

Minister, u hebt een discussienota klaar, en dat is een heel goede zaak. Ik zou de suggestie willen doen om die niet alleen in de regering te bespreken, maar er hier bijvoorbeeld een hoorzitting over te houden omdat het toch wel een zeer moeilijke problematiek is.

U hebt deze zomer uw nota aangekondigd. Ik had wel gedacht dat ze een klein beetje vertraging zou oplopen. Ik vind het ook niet erg: ruimtelijke ordening en zeker de problematiek van de windmolens is een zeer moeilijke en complexe materie.

Minister, ruimtelijke ordening is ook keuzes maken en ruimte geven aan maatschappelijke belangen. Ik wil niet in herhaling vallen, maar als schepen van Ruimtelijke Ordening wil ik u toch nog het een en ander zeggen. Het is inderdaad zo dat het nu aanvragen regent, meestal voor twee windmolens. Als men er twee aanvraagt, staan die altijd op één lijn waardoor de visuele impact beperkt is. Ik denk niet dat men ruimtelijk naar zoiets moet streven. Ik denk dat de meeste gebieden om windmolens te zetten, ook deze gebieden moeten zijn waar er rendement kan worden gehaald, dus waar er de meeste wind is. Waar is er de meeste wind? In de havengebieden en op zee. Minister, ik wil u vragen dat u daar oog voor hebt. De windmolens worden meestal geplaatst tussen industrie en op de bedrijventerreinen. Dat komt goed uit omdat men daar gemeenschappelijk kan investeren via coöperatieven. U moet weten dat de energieprijs voor de bedrijven zeker met 20 percent is gestegen. Nu willen de bedrijven investeren in windmolens om zo de groenestroomcertificaten binnen te rijven zodat hun energiefactuur een beetje wordt gecompenseerd.

Ik wil vooral vragen om goed te kijken naar de keuzes met betrekking tot energie. U noemt windmolens, zonnepanelen en zo meer. Ik vind ook dat een minister van Ruimtelijke Ordening zich niet mag laten doen. Er mag geen primaat zijn van windmolens of gelijk welke andere materie op de Ruimtelijke Ordening. U hebt uw kaartjes gemaakt. Wij hebben daar al kennis van. U moet ook met nog meer rekening houden.

Mag ik een suggestie doen? Als men een massa windmolens gaat bouwen in de havengebieden en op zee, dan is er niet alleen de visuele impact van de molen op zich, maar zal er een visuele impact zijn op heel Vlaanderen omdat deze stroom niet meer op het distributienet kan en er extra hoogspanningskabels moeten worden geplaatst. Dat zal meestal bovengronds zijn. Als alle projecten die men beoogt, ook op zee en op langere termijn, worden uitgevoerd, vrees ik dat we een elektrische Lange Wapper door Vlaanderen zullen krijgen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ik pleit ervoor om dat goed in ogenschouw te nemen.

Ik stel voor om straks met deze commissie en de commissie Energie een gemeenschappelijke commissievergadering te laten plaatsvinden om daar de verschillende spelers vanuit ruimtelijke ordening, leefmilieu en energie aan het woord te laten zodat wij een zeer genuanceerd en gefundeerd standpunt kunnen innemen.

De voorzitter : De heer Sintobin heeft het woord.

De heer Stefaan Sintobin : Voorzitter, mijn excuses omdat ik te laat was. Ik heb niet het volledige antwoord gehoord, maar toch de essentie. Ik heb ook wat informatie gekregen van collega Peeters over het antwoord.

Ik treed vooral de eerste twee sprekers bij. Minister, ik heb de indruk dat er tijd is verloren. Er werd een afwegingskader aangekondigd waar de gemeenten en provincies op zitten te wachten. Ik word in mijn gemeente geconfronteerd met aanvragen en met actiegroepen. Wie moet er omgaan met die actiegroepen? Het gemeentebestuur en het provinciebestuur. Als we dan vragen stellen, verwijst men telkens naar het Vlaamse niveau. Het wordt een pingpongspel. Het is ook een pingpongspel tussen de departementen, want gisteren werden in deze commissie aan de minister van Leefmilieu ook vragen gesteld over de inplanting van grote windturbines en daar werd verwezen naar Ruimtelijke Ordening. Ik hoor hier ook verwijzen naar Ruimtelijke Ordening en Energie, terecht natuurlijk, maar men wist dat een tijd geleden toch ook al? Nu komt men blijkbaar plots tot het besef dat er moet worden samengewerkt tussen de departementen.

Ik zal u de coördinaten geven van dat kaartje en de perimeter van 250 meter. In mijn gemeente staan er ook windmolens op 250 meter afstand van een woonwijk. Er zijn filmpjes van gemaakt die op het internet staan. Misschien moet u die eens bekijken, het is waanzinnig. De mensen sluiten zich op in hun huizen omdat ze worden geconfronteerd met slagschaduw, geluidsoverlast en alle gevolgen van dien, zoals een daling van de verkoopswaarde van de huizen en dergelijke.

Ik heb vandaag vooral een theoretisch antwoord gehoord en ik hoop dat de discussie die hier wordt aangekondigd, ertoe kan bijdragen dat er met bekwame spoed duidelijkheid wordt verschaft over de richtlijnen voor de inplanting van windturbines. Nu nogmaals afkomen met het bijstellen van de sensoren en dergelijke, brengt weinig zoden aan de dijk. Ik zou zeggen: bekwame spoed om de gemeenten en provincies een goed kader te geven om te vergunnen.

Mevrouw Van Volcem heeft gelijk. Wij gaan overal windturbines bijplaatsen. Ik heb onlangs nog in de commissie Energie aan minister Van den Bossche een vraag gesteld over vergunde windturbines waarvoor onvoldoende capaciteit is op het net. Hoeveel waanzinniger kan het nog?

De voorzitter : De heer Peeters heeft het woord.

De heer Dirk Peeters : Minister, ik kom nog even terug op de afstand van 250 meter. In de eerste omzendbrief is die afstand aangehouden en is ze richtinggevend. Die dingen worden almaar groter en ik kan wel begrijpen dat er soms weerstand groeit tegen het inplanten van windmolens. De problematiek van geluidsoverlast, slagschaduw en dergelijke, die hier wordt aangehaald, is terecht. Langs de andere kant – dat stemt me wel hoopvol – is er een onderzoek geweest waarbij de appreciatie voor windmolens achteraf groter leek dan de weerstand vooraf.

Mevrouw Valerie Taeldeman : Er is een studie van Electrawinds waaruit blijkt dat wanneer een windmolenpark met veel inspraak en met goede communicatie goed wordt ingeplant, daar een heel groot draagvlak voor bestaat.

De heer Dirk Peeters : Daar wilde ik toe komen, collega. Coöperatie is wettelijk bijna onmogelijk, maar men kan in de toewijzingsvoorwaarden de vorm van coöperatie en medewerking van bewoners wel voorrang geven op de gewone vrije markt tout court. Nu is de windmarkt vrij. Dat staat in de codex. We regelen de windmarkt eigenlijk niet. Als de Vlaamse overheid de windmarkt zou regelen en daarin de coöperatie een voordeel zou toekennen, dan kunnen we dat wel bij voorrang doen. (Opmerking van minister Philippe Muyters)

Dat moet dan blijken uit uw discussienota en dan moeten we dat verbreden. Dan is die aanpak wel mogelijk en kunnen we daarop wel sturen. Het gewoon vrij laten zoals vandaag het geval is – ik herken de problematiek zoals mevrouw Claes hem aanbrengt –, is een echte cowboystijl. Ik denk dat we op dat vlak moeten ingrijpen en daar zijn volgens mij wel mogelijkheden toe.

De heer Bart Martens : Minister, misschien kan ik het nog even samenvatten. Ik denk dat de slinger wat van de ene kant naar de andere kant is geslagen. Voor de wijziging in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening was het zo dat bijna nergens windmolens kwamen omdat altijd een planningsinitiatief vereist was. Een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat in overdruk windmolengebied voorzag op agrarisch gebied, moest drie keer de Vlaamse Regering passeren. Dat betekende dus een enorme bottleneck bij de realisering.

We hebben in de codex gebracht dat we windturbines niet langer als zonevreemd beschouwen in landbouwgebied. Per definitie moet het mogelijk zijn om overal in landbouwgebied, mits wordt voldaan aan een aantal eisen van goede ruimtelijke ordening, een goede lokalisatienota en dies meer, molens vergund te krijgen. Alleen moeten we vaststellen dat er een rush is gebeurd door de projectontwikkelaars op bijna elke vierkante meter landbouwgebied die zich daartoe leent, en dat niet altijd dezelfde zorgvuldigheid aan de dag wordt gelegd voor de opmaak van de lokalisatienota’s en dies meer. Daarom is een ruimtelijk afwegingskader dringend noodzakelijk.

Ik heb begrepen dat de discussienota er nu is en dat die werd overgemaakt aan de andere betrokken ministers, minister Schauvliege van Leefmilieu en minister Van den Bossche van Energie. Misschien is de suggestie van mevrouw Claes niet slecht om die discussienota ook aan deze commissie over te maken.

We kijken met veel interesse uit naar het advies en de conclusies van de interdepartementale windwerkgroep, want daar zijn alle betrokken overheden in vertegenwoordigd: Ruimtelijke Planning, Natuur en Bos, en Monumenten en Landschappen. Die kunnen tot een afgewogen conclusie komen. Op het moment dat die conclusie rond is, kunnen we die binnen deze commissie bespreken. We kunnen desgevallend de suggestie van mevrouw Van Volcem volgen en daar hoorzittingen over organiseren. Ik zou daar niet mee beginnen vooraleer die interdepartementale windwerkgroep haar conclusies en haar advies op die discussienota heeft geleverd.

Mevrouw Sonja Claes : Is daar een timing voor?

De heer Bart Martens : We kunnen de minister vragen wanneer die interdepartementale windwerkgroep tot conclusies kan komen.

Wat de kaart betreft, wil ik nog aangeven dat de problematiek van Belgocontrol nog eens tegen het licht moet worden gehouden. Als je de no-gogebieden rond de luchthavens en de radars ziet, dan wordt het aandeel groen in Vlaanderen waar potentieel windmolens zouden kunnen worden ingeplant, nog veel kleiner.

We stellen vast dat Belgocontrol niet altijd een eenduidig beleid voert. Binnen zijn veiligheidscontouren laat het soms windmolens toe en soms niet. Ik geef een voorbeeld. Binnen de veiligheidscontouren van de luchthaven van Deurne zijn wel windmolens van Wase Wind langs de E17 vergund, maar projectaanvragen van bijvoorbeeld Umicore in dezelfde zone worden door Belgocontrol negatief geadviseerd. Er is moeilijk eenduidigheid te vinden in de manier waarop Belgocontrol stedenbouwkundige vergunningen adviseert. Het gaat om een federale materie, maar het zou goed zijn met Belgocontrol een gesprek te voeren over wat zij aangeven als een zone non-aedificandi voor windmolens. Kan er geen onderscheid worden gemaakt in functie van bijvoorbeeld de aanvliegroutes naar luchthavens? Dat gesprek moet met Belgocontrol worden gevoerd.

Zij laten niet alleen reizigers stranden zoals vorige week, maar ook windmolenprojecten en zelfs die projecten die lokaal niet worden gecontesteerd.

De voorzitter : Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters : Er is al veel gezegd. Ik blijf erop wijzen dat in de codex, die slechts op 1 september 2009 van start ging, ‘vrijheid blijheid’ hoog in het vaandel staat geschreven. Nu zegt men dat er niets is gebeurd, maar de codex is pas op 1 september 2009 van start gegaan.

De 250 meterregel is een leefmilieuregel en heeft niets met ruimtelijke ordening te maken. Het is een leefmilieuregel over slagschaduw en licht waar ik rekening mee tracht te houden. Ik probeer nu vanuit een algemene visie te werken en niet enkel vanuit Ruimtelijke Ordening, want dan zou bijvoorbeeld minister Van den Bossche ook kunnen zeggen dat ik geen rekening houd met de regel van de 13 percent hernieuwbare energie en dat we dat percentage zonder windmolens niet kunnen halen. Zo kan ik nog even voortgaan.

De discussie hierover moet grondig worden gevoerd. Ik had voor de zomer een discussienota beloofd. Wel, ze is doorgegeven met het akkoord van minister Van den Bossche aan de interdepartementale windwerkgroep. Daarin zetelen niet alleen mensen die de voorzitter al heeft aangehaald, ook de provincies zetelen erin. Ik ben het ermee eens om de nota nu al over te maken. Ze bevat natuurlijk enkel het element Ruimtelijke Ordening. Ik kan de keuze niet maken voor hernieuwbare energie. Als de interdepartementale windwerkgroep deze extra’s aan de discussienota toevoegt, is dat goed. Ik benadruk dat wij de discussienota zoals beloofd voor de zomer hebben opgesteld en overgemaakt aan iedereen die erbij betrokken is. Zo kan de discussie dankzij de interdepartementale windwerkgroep en de aanbevelingen die er worden opgesteld, worden verbreed. Ik stel voor de discussienota over te maken, maar de discussie breder te voeren dan alleen maar op het vlak van ruimtelijke ordening. Als de aanbevelingen er komen, kunnen we een grondige discussie voeren.

De voorzitter : Mevrouw Claes heeft het woord.

Mevrouw Sonja Claes : Ik heb niets over de timing gehoord, minister. Ik vind het goed dat we de nota krijgen en de aanbevelingen van de windwerkgroep afwachten. Een timing zou welkom zijn zodat we een hoorzitting kunnen organiseren en het parlement bij de hele bespreking kunnen betrekken.

De voorzitter : Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters : Ik heb aangedrongen op een spoedige behandeling. De interdepartementale windwerkgroep valt echter onder de bevoegdheid van minister Van den Bossche. Ik kan er dus geen timing op plakken.

Mevrouw Sonja Claes : Dan zullen we het aan minister Van den Bossche vragen.

De voorzitter : Mevrouw Taeldeman heeft het woord.

Mevrouw Valerie Taeldeman : Ik heb begrip voor het feit dat niet alles alleen van ruimtelijke ordening kan komen en dat iedereen, ook de domeinen Energie en Leefmilieu mee het bad in moeten om de doelstelling over hernieuwbare energie te halen. Ik ben ook voorstander van een strakke timing. De situatie is onhoudbaar aan het worden. Het is gemakkelijk om in het najaar massa’s vragen te stellen, aan u maar ook aan minister Schauvliege. Ik denk aan de vraag van gisteren over de 250 meterregel. Volgende week kan ik bijvoorbeeld een vraag stellen over de aanpassing van VLAREM aangaande geluidoverlast. Uiteindelijk moeten we tot een gedragen visie komen vanuit de drie departementen. Ik stel voor om na de eindconclusie van de interdepartementale windwerkgroep hier een hoorzitting te organiseren.

De voorzitter : Mevrouw Van Volcem heeft het woord.

Mevrouw Mercedes Van Volcem : Ruimtelijke ordening is belangrijk, maar als men dat aspect altijd met een andere materie verbindt, is ruimtelijke ordening niets meer. Vanuit de oppositie spreek ik natuurlijk een ietwat andere taal. U zei dat het ruimtelijk afwegingskader af zou zijn tegen de zomer. Dat is niet het geval. Ik begrijp dat. Een discussienota is niet hetzelfde als een afwegingskader. De nota kunnen we op het veld niet gebruiken.

De materie heeft niet alleen een impact op ruimtelijke ordening, maar ook op het hele energiebeleid en de betaalbaarheid van energie. We moeten 13 percent hernieuwbare energie halen, dat is een Europees engagement. De vraag is op welke manier. Door massaal dure alternatieve energie te installeren? Moeten we niet meer inzetten op energiebesparing? Door te besparen kunnen we misschien gemakkelijker 13 percent halen. Dat is een andere benadering, maar daardoor blijft elektriciteit betaalbaar en wordt tevens een sociaal beleid gevoerd.

Ik zou graag beschikken over de discussienota en dit relevante thema hier al bespreken, desnoods samen met andere commissies. Het parlement moet niet wachten op de aanbevelingen van de interdepartementale windwerkgroep. Mensen uit de VVSG, de energiesector, mensen die gekwalificeerd zijn op het vlak van energiebesparing en de energiekost of weten wat de impact is van bovengrondse hoogspanningskabels in Vlaanderen, kunnen samen zorgen voor een interessant debat. We moeten niet alleen vragen stellen over wat er de voorbije week in de pers is verschenen. We zijn hier ook samen om over belangrijke zaken te discussiëren. Door verschillende meningen te confronteren, kan er vooruitgang worden geboekt.

De heer Bart Martens : Ik heb begrepen dat we de discussienota zo snel mogelijk overhandigd zullen krijgen, alsook het advies van de interdepartementale windwerkgroep zodra het beschikbaar is. Dan kan er misschien een hoorzitting worden georganiseerd en kunnen de minister en de Vlaamse Regering een soort groenboek opstellen over het beleid betreffende de windmolens. Dat document kan de basis worden voor een maatschappelijke en politieke discussie. Conform het nieuwe plenum van de voorzitter van dit parlement kunnen we ook zelf een groenboek opstellen. Als er na een hoorzitting een grote consensus is over de manier waarop we met deze problematiek moeten omgaan, kunnen we het heft in eigen handen nemen.

De voorzitter : Minister Muyters heeft het woord.

Minister Philippe Muyters : Eén klein detail: ik zou willen dat de suggesties van de windwerkgroep naar de minister van Energie gaan. Ik zal niet beslissen wat er met suggesties aan haar moet gebeuren. Dat vind ik correct. Ieder zijn bevoegdheden. Minister Van den Bossche zal dat zonder problemen doen.

De voorzitter : Het incident is gesloten.