Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

(B.S., 5 augustus 1976, err., B.S., 26 november 1976)

27 oktober 2010 12 november 2009 19 juni 2009 27 mei 2009 22 mei 2009 29 april 2009 27 januari 2009 24 december 2008 30 april 2008 17 maart 2008 26 oktober 2007 7 juni 2007 7 mei 2007 1 februari 2007 29 december 2006 28 december 2006 24 november 2006 23 november 2006 9 november 2006 30 augustus 2006 11 augustus 2006

Bekrachtiging

Artikel 38, zoals gewijzigd bij B.W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari 2008), is bekrachtigd bij enig art. Decr. W. Parl. 19 juni 2008 (B.S., 25 juni 2008 (eerste uitg.)), met uitwerking van de datum van zijn inwerkingtreding.

Franse tekst gewijzigd bij art. 2 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

 

Kamer van volksvertegenwoordigers

Zitting 1975/1976, document 923.

Senaat

Zitting 1974/1975, document 581.

Verwijzingen

Zie Omz. WEL/99-07 6 juni 1999 betreffende het overzicht van de diverse wijzigingen die bij de decreten van 18 mei 1999 aangebracht werden in de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 30 juni 1999).

- Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, algemeen

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Art. 1

Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren.

5 augustus 1976

Verwerping van beroep

Artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).

Doordat het niet bepaalt dat maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend voor de periode die begint te lopen op datum van de aanvraag, schendt artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 112/2003, 17 september 2003 (prejudiciële vraag) (B.S., 7 november 2003 (tweede uitg.))).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water (B.S., 15 november 1997)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Verwijzingen

 

Zie art. 23, derde lid, 2°, G.W.

Geselecteerde rechtspraak

 

Recht op maatschappelijke dienstverlening (eerste lid)

De aanspraak op maatschappelijke dienstverlening bestaat los van vergissingen, onwetendheid, nalatigheid of fout van de aanvrager. Art. 1, eerste lid, W. 8 juli 1976 houdt echter niet in dat het O.C.M.W. steun dient te verlenen aan degene die zich met bedrieglijk opzet van al zijn bestaansmiddelen ontdoet teneinde aanspraak te kunnen maken op maatschappelijke dienstverlening (Cass. (3e k.) AR S.99.0044.N, 10 januari 2000).

De aanspraak op maatschappelijke dienstverlening bestaat los van de vergissingen, de onkunde, de onwetendheid, de nalatigheid of de fout van de aanvrager. Uit art. 1 van de wet blijkt niet dat het recht op dienstverlening afhankelijk is van de vraag of de betrokken persoon al dan niet door eigen toedoen in een mensonwaardige toestand is geraakt of zelf zijn kansen heeft verbeurd. Het O.C.M.W. kan echter van oordeel zijn dat de steunaanvrager, gelet op zijn bekwaamheid en zijn talenten, ook zonder op het O.C.M.W. beroep te doen, een menswaardig leven kan leiden. In die zin is het recht op maatschappelijke dienstverlening geen absoluut maar een relatief recht (R.v.St. nr. 34.059, 15 februari 1990).

 

Openbare centra voor maatschappelijk welzijn (tweede lid)

Een O.C.M.W. is, luidens art. 2, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, en volgens art. 1 rechtstreeks belast met een maatschappelijke dienstverlening. Te dien einde heeft de organieke wet het O.C.M.W. op een specifieke wijze georganiseerd en gestructureerd. Wanneer een O.C.M.W. zich van zijn taak kwijt, moet het, behoudens uitdrukkelijke bepaling in de wet zelf, het strikte juridisch kader van de organieke wet eerbiedigen (R.v.St. nr. 49.708, 17 oktober 1994).

Art. 2

De openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid. Zij vervangen de commissies van openbare onderstand waarvan zij alle goederen, rechten, lasten en verplichtingen overnemen.

Iedere gemeente van het Rijk wordt bediend door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

5 augustus 1976

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Geselecteerde rechtspraak

De omstandigheid dat het O.C.M.W. een openbare instelling is met eigen rechtspersoonlijkheid, onderscheiden van de rechtspersoon van publiek recht die de gemeente is, neemt niet weg dat het een openbare instelling is die organisch verbonden is met de gemeente binnen dewelke het functioneert. Nu de gemeente betrokken is in zijn beheer, is het O.C.M.W. een openbare dienst ‘‘beheerd door de gemeente’’, in de zin van art. 1 W. 26 april 1962 tot verlening der bevoegdheden van de gerechtelijke politie aan sommige personeelsleden van het Hoog Comité van Toezicht (Cass. AR 2810, 16 mei 1989).

Art. 3

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 1 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 4

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 2 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 5

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 3 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Hoofdstuk II De raad voor maatschappelijk welzijn

- Organen en personeel, algemeen

- Raad en vast bureau O.C.M.W., algemeen

Afdeling 1 Samenstelling en vorming van de raad voor maatschappelijk welzijn

Art. 6 [Federale tekst]

§ 1

Het 2[...] openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bestuurd door een raad voor maatschappelijk welzijn bestaande uit:

–9 leden voor een bevolking die de 15.000 inwoners niet overschrijdt;

 

–11 leden voor een bevolking van 15.001 tot 50.000 inwoners;

 

–13 leden voor een bevolking van 50.001 tot 150.000 inwoners;

 

–15 leden voor een bevolking van meer dan 150.000 inwoners.

 

Elk werkend lid heeft een of meer opvolgers.

§ 2

2[...]

§ 3

2[Voor het bepalen van het aantal leden wordt het bevolkingscijfer in aanmerking genomen dat als basis gediend heeft voor het bepalen van de samenstelling van de gemeenteraad, die de raad voor maatschappelijk welzijn kiest.]2

§ 4

1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de raad voor maatschappelijk welzijn geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, maakt het eerste niet verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de niet in de raad voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigde taalgroep, er van rechtswege deel van uit, in afwijking van artikel 11; het aantal leden bepaald in § 1 wordt in dit geval vermeerderd met één eenheid.]1

2[...]

1[In alle gevallen wordt de taalaanhorigheid van de belanghebbende vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis van de gemeentekieswet.]1

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd, § 2 opgeheven en § 3 vervangen bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 4 gewijzigd bij art. 4 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989) en bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 6 [Nederlands taalgebied]

§ 1

4[...]

§ 2

2[...]

§ 3

3[In deze wet wordt als bevolkingscijfer van de gemeente het bevolkingscijfer van de gemeente gehanteerd vermeld in artikel 5 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005.]3

§ 4

1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de raad voor maatschappelijk welzijn geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, maakt het eerste niet verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de niet in de raad voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigde taalgroep, er van rechtswege deel van uit, in afwijking van artikel 11; het aantal leden bepaald in § 1 wordt in dit geval vermeerderd met één eenheid.]1

2[...]

1[In alle gevallen wordt de taalaanhorigheid van de belanghebbende vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis van de gemeentekieswet.]1

30 augustus 2006

Wetshistoriek

§ 1 opgeheven bij art. 276, 1° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, a) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 2 opgeheven bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3 vervangen bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).

§ 4 gewijzigd bij art. 4 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989) en bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006 tot vaststelling van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden per gemeente, het aantal te verkiezen leden van de raden voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten en van de gemeente Voeren, het aantal te verkiezen districtsraadsleden in Antwerpen en van het aantal te begeven schepenmandaten per gemeente en het aantal leden van de districtscolleges in Antwerpen (B.S., 19 mei 2006)

 

Toekomstig recht

Artikel 6, uitgezonderd § 4, wordt opgeheven bij art. 276, 1° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 6 [Nederlands taalgebied]

§ 1

4[...]

§ 2

2[...]

§ 3

5[...]

§ 4

1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de raad voor maatschappelijk welzijn geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, maakt het eerste niet verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de niet in de raad voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigde taalgroep, er van rechtswege deel van uit, in afwijking van artikel 11; het aantal leden bepaald in § 1 wordt in dit geval vermeerderd met één eenheid.]1

2[...]

1[In alle gevallen wordt de taalaanhorigheid van de belanghebbende vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis van de gemeentekieswet.]1

Verwijzingen

Zie art. 5 Gemeentedecreet 17 juli 2005 (B.S., 31 augustus 2005).

Art. 7 [Duitstalige Gemeenschap]

Om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen gekozen worden moet men, op de dag van de verkiezing, 2[Belg of onderdaan van een andere Lid-Staat van de Europese Unie]2 zijn, ten minste 1[achttien]1 jaar zijn, zijn hoofdverblijf hebben in de gebiedsomschrijving van het centrum en zich niet bevinden in een der gevallen van onverkiesbaarheid bepaald bij 2[artikel 65, lid 2]2 van de gemeentekieswet.

Het tweede lid van dit artikel 66 is eveneens van toepassing wanneer de door deze bepaling bedoelde inbreuken gepleegd werden in de uitoefening van eender welk ander openbaar ambt.

2[De onderdanen van de andere Lid-Staten van de Europese Unie moeten overeenkomstig artikel 1bis, § 2, van de gemeentekieswet van 4 augustus 1932 hun wil hebben gegeven, hun stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen in België uit te oefenen.]2

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 5 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 1 Decr. D. Gem. R. 23 november 2000 (B.S., 30 december 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 23 november 2000 (art. 4).

Art. 7 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen gekozen worden moet men, op de dag van de verkiezing, 2[ingeschreven zijn op de lijst van de gemeenteraadskiezers van een gemeente van het Koninkrijk]2, ten minste 1[achttien]1 jaar zijn, zijn hoofdverblijf hebben in de gebiedsomschrijving van het centrum en zich niet bevinden in een der gevallen van onverkiesbaarheid bepaald bij artikel 66 van de gemeentekieswet.

Het tweede lid van dit artikel 66 is eveneens van toepassing wanneer de door deze bepaling bedoelde inbreuken gepleegd werden in de uitoefening van eender welk ander openbaar ambt.

2[De onderdanen van de andere Lid-Staten van de Europese Unie die ten gevolge van een individuele burgerrechtelijke beslissing of een strafrechtelijke beslissing in hun Staat van herkomst, ontheven zijn van het recht om gekozen te worden krachtens het recht van die Staat, zijn niet verkiesbaar.]2

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 5 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 2 en 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 28 april 2000 (B.S., 19 september 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 19 september 2000 (art. 6).

Geselecteerde rechtspraak

De vraag naar de juistheid van een beslissing waarbij iemands hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld, moet beantwoord worden vanuit het vermoeden van juistheid van de bestaande inschrijving in het bevolkingsregister. Om te kunnen beslissen dat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn hoofdverblijfplaats niet heeft op de plaats waar hij in de bevolkingsregisters is ingeschreven, moeten er elementen zijn die dat vermoeden in redelijkheid weerleggen. Daarbij kan met name uitgegaan worden van de criteria voor het bepalen van de hoofdverblijfplaats, die op een niet-beperkende wijze worden opgesomd in art. 16 K.B. 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (R.v.St. nr. 66.922, 24 juni 1997).

Art. 7 [Nederlands taalgebied]

4[...]

30 augustus 200630 juni 1999

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 2° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 5 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)), met ingang van 30 juni 1999 (art. 5) en vervangen bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Geselecteerde rechtspraak

De vraag naar de juistheid van een beslissing waarbij iemands hoofdverblijfplaats wordt vastgesteld, moet beantwoord worden vanuit het vermoeden van juistheid van de bestaande inschrijving in het bevolkingsregister. Om te kunnen beslissen dat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn hoofdverblijfplaats niet heeft op de plaats waar hij in de bevolkingsregisters is ingeschreven, moeten er elementen zijn die dat vermoeden in redelijkheid weerleggen. Daarbij kan met name uitgegaan worden van de criteria voor het bepalen van de hoofdverblijfplaats, die op een niet-beperkende wijze worden opgesomd in art. 16 K.B. 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (R.v.St. nr. 66.922, 24 juni 1997).

[Art. 7bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

27 maart 2007

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 16 februari 2007 (B.S., 27 maart 2007), met ingang van 1 januari 2007 (art. 3) en opgeheven bij art. 276, 3° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 8 [Federale tekst]

Werkende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mogen geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad, noch door de echt verbonden zijn.

Aanverwantschap die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de raad, stelt geen einde aan hun mandaat.

Tussen als werkend lid verkozen personen wordt de orde van voorrang geregeld overeenkomstig de met toepassing van artikel 15 bepaalde verkiezingsrang. Het werkend lid geniet voorrang op degene die door opvolging lid van de raad wordt. Tussen personen die gelijktijdig door opvolging lid van de raad worden, wordt de voorrang bepaald door de verkiezingsrang van de werkende leden tot wier opvolging zij geroepen worden.

Art. 8 [Nederlands taalgebied]

2[...]

11 augustus 2000

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 4° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 2 en 3 Decr. Vl. Parl. 17 juli 2000 (B.S., 11 augustus 2000), met ingang van de eerstvolgende algehele vernieuwing van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 6).

Art. 9 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Mogen geen deel uitmaken van de raad voor maatschappelijk welzijn:

a)4[de leden van het Verenigd College, de leden van het college bedoeld in artikel 83quinquies, § 2 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, hierna “het rechtscollege” genoemd, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad;]4

 

b)de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van de colleges van federaties van gemeenten en agglomeraties;

 

c)met toepassing van de artikelen 293 en 300 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de onverenigbaarheden, de leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies;

 

d)de ambtsdragers bij de Raad van State, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII van de gecoördineerde wetten op de Raad van State betreffende de onverenigbaarheden en tucht;

 

e)4[de leden van het personeel van het Rijk en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die rechtstreeks deelnemen aan het uitoefenen van de controle of het toezicht op het betrokken centrum, alsmede het personeel van de door het centrum bediende gemeente, met uitzondering van het personeel van het gemeentelijk onderwijs;]4

 

f)1[de door het centrum bezoldigde personeelsleden alsmede alle overige in artikel 49, § 4, bedoelde personen die er werkzaam zijn;]1

 

g)3[elke persoon die een ambt of mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat van werkend lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in een lokale basisoverheid van een andere Lid-Staat van de Europese Unie.]3

 

3[De bepalingen van het eerste lid, a) tot d), zijn eveneens van toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die in België verblijven voor de uitoefening in een andere Lid-Staat van de Europese Unie van ambten die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in deze bepalingen.]3

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Lid 1:

–a) vervangen bij art. 2, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52);

 

–e) vervangen bij art. 2, 2° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52);

 

–f) vervangen bij art. 1 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10);

 

–g) ingevoegd bij art. 4, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 28 april 2000 (B.S., 19 september 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 19 september 2000 (art. 6).

 

Lid 2 ingevoegd bij art. 4, 2° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 28 april 2000 (B.S., 19 september 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 19 september 2000 (art. 6).

Voorgeschiedenis

Lid 1, e) vervangen bij art. 6 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 9 [Nederlands taalgebied]

5[...]

24 november 200630 juni 1999

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 5° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Lid 1:

–a) vervangen bij art. 4, 1° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.)));

 

–b) gewijzigd bij art. 4, 2° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.)));

 

–c) vervangen bij art. 4, 3° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.)));

 

–d) vervangen bij art. 4, 4° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.)));

 

–e) vervangen bij art. 6 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en opgeheven bij art. 4, 5° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.)));

 

–f) vervangen bij art. 1 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989);

 

–g) ingevoegd bij art. 4, 2° Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)), met ingang van 30 juni 1999 (art. 5).

 

Lid 2 ingevoegd bij art. 4, 1° Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)), met ingang van 30 juni 1999 (art. 5).

Art. 9 [Duitstalige Gemeenschap]

Mogen geen deel uitmaken van de raad voor maatschappelijk welzijn:

a)de provinciegouverneurs, de leden van de bestendige deputaties, de provinciegriffiers en de arrondissementscommissarissen;

 

b)de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van de colleges van federaties van gemeenten en agglomeraties;

 

c)met toepassing van de artikelen 293 en 300 van het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de onverenigbaarheden, de leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies;

 

d)de ambtsdragers bij de Raad van State, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII van de gecoördineerde wetten op de Raad van State betreffende de onverenigbaarheden en tucht;

 

e)2[de leden van het personeel van het Rijk, de Gemeenschappen, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad en de provincies, die belast zijn met een leidinggevende functie en rechtstreeks deelnemen aan het uitoefenen van de controle of het toezicht op het betrokken centrum alsmede het personeel van de door het centrum bediende gemeente, met uitzondering van het personeel van het gemeentelijk onderwijs;]2

 

f)1[de door het centrum bezoldigde personeelsleden alsmede alle overige in artikel 49, § 4, bedoelde personen die er werkzaam zijn;]1

 

g)3[de leden van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap;]3

 

h)4[elke persoon die een ambt of een mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat van een werkend lid van de raad voor een maatschappelijk welzijn in een lokale basisoverheid van een andere Lid-Staat van de Europese Unie.]4

 

4[De bepalingen van het eerste lid, a) tot d), zijn eveneens van toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die in een andere Lid-Staat van de Europese Unie ambten uitoefenen die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in deze bepalingen.]4

30 december 1995

Wetshistoriek

Lid 1:

–e) vervangen bij art. 6 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992);

 

–f) vervangen bij art. 1 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989);

 

–g) ingevoegd bij art. 1 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30);

 

–h) ingevoegd bij art. 3, 1. Decr. D. Gem. R. 23 november 2000 (B.S., 30 december 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 23 november 2000 (art. 4).

 

Lid 2 ingevoegd bij art. 3, 2. Decr. D. Gem. R. 23 november 2000 (B.S., 30 december 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 23 november 2000 (art. 4).

Art. 10 [Federale tekst]

De raad voor maatschappelijk welzijn mag ten hoogste voor één derde bestaan uit gemeenteraadsleden die hun mandaat binnen de gebiedsomschrijving van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitoefenen.

Art. 10 [Nederlands taalgebied]

2[...]

26 augustus 1995

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 6° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 2 Decr. Vl. R. 5 april 1995 (B.S., 26 augustus 1995).

Art. 11 [Nederlands taalgebied]

§ 1

5[...]

§ 2

5[...]

§ 3

5[...]

§ 4

5[...]

§ 5

1[In de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest kan in de voordrachten, bedoeld in § 1, melding worden gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.

De taalaanhorigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis, § 2, van de gemeentekieswet met dien verstande dat in het eerste lid, 3°, van deze bepaling, de woorden “twee aftredende gemeenteraadsleden” vervangen worden door de woorden “twee aftredende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn”.

De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten en de procedure voor de behandeling van de klachten met betrekking tot de toetsing van de taalaanhorigheid; wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, niet zijn vervuld, wordt de vermelding van de taalaanhorigheid geschrapt.]1

29 december 200624 november 20068 oktober 1992

Wetshistoriek

§§ 1 tot 4 opgeheven bij art. 276, 7° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 5 vervangen bij art. 5 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).

Voorgeschiedenis

§ 1 vervangen bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.))) en gewijzigd bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 22 december 2006 (B.S., 29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 2 gewijzigd bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.))).

§ 3 opgeheven bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Oorspronkelijke § 4 vervangen en vernummerd tot § 3 bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.))).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november 2006 betreffende de voordrachtsakte en de verkiezing van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 november 2006)

 

Art. 11 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

§ 1

2[De kandidaat-werkende leden en de kandidaat-opvolgers worden schriftelijk voorgedragen door één of meer gemeenteraadsleden; de kandidaten stemmen in door een ondertekende verklaring op de akte van voordracht. De burgemeester, bijgestaan door de gemeentesecretaris en in tegenwoordigheid van een gemeenteraadslid van elke politieke fractie die een kandidatenlijst indient, neemt de akten van voordracht in ontvangst4[de eerste maandag na de installatie van de gemeenteraad.]4]2

§ 2

De leden van de raad van het 2[...] openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden gekozen door de gemeenteraad van de gemeente die de gebiedsomschrijving van het centrum vormt. De burgemeester kondigt onmiddellijk de verkiezingsuitslag af.

§ 3

2[...]

§ 4

3[Het Verenigd College]3 bepaalt de nadere regels en de procedure die in acht moeten worden genomen bij de indiening van de kandidatenlijsten en bij de verkiezingen.

§ 5

1[In de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest kan in de voordrachten, bedoeld in § 1, melding worden gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.

De taalaanhorigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis, § 2, van de gemeentekieswet met dien verstande dat in het eerste lid, 3°, van deze bepaling, de woorden “twee aftredende gemeenteraadsleden” vervangen worden door de woorden “twee aftredende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn”.

De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten en de procedure voor de behandeling van de klachten met betrekking tot de toetsing van de taalaanhorigheid; wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, niet zijn vervuld, wordt de vermelding van de taalaanhorigheid geschrapt.]1

18 juni 200318 juni 2003

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 2 Ord. Br. H. Parl. 26 oktober 2006 (B.S., 9 november 2006), met ingang van 1 december 2006 (art. 4).

§ 2 gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 4 gewijzigd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 5 vervangen bij art. 5 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 22 november 1976 betreffende de verkiezing van de leden van de raden der plaatselijke openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 2 december 1976)

 

Art. 11 [Duitstalige gemeenschap]

§ 1

2[De kandidaat-werkende leden en de kandidaat-opvolgers worden schriftelijk voorgedragen door één of meer gemeenteraadsleden; de kandidaten stemmen in door een ondertekende verklaring op de akte van voordracht. De burgemeester, bijgestaan door de gemeentesecretaris en in tegenwoordigheid van een gemeenteraadslid van elke politieke fractie die een kandidatenlijst indient, neemt de akten van voordracht in ontvangst.]2

4[§ 1bis

Op één voordracht mag het aantal kandidaat-werkende leden van hetzelfde geslacht niet meer bedragen dan de helft van het totaal aantal kandidaat-werkende leden op deze voordracht. Op dezelfde wijze mag op één voordracht het aantal kandidaat-opvolgers van hetzelfde geslacht niet meer bedragen dan het totaal aantal kandidaat-opvolgers op deze voordracht.

Indien het aldus bekomen resultaat decimalen bevat, worden die naar boven afgerond.]4

§ 2

De leden van de raad van het 2[...] openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden gekozen door de gemeenteraad van de gemeente die de gebiedsomschrijving van het centrum vormt. De burgemeester kondigt onmiddellijk de verkiezingsuitslag af.

§ 3

2[...]

§ 4

3[De Regering]3 bepaalt de nadere regels en de procedure die in acht moeten worden genomen bij de indiening van de kandidatenlijsten en bij de verkiezingen.

§ 5

1[In de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest kan in de voordrachten, bedoeld in § 1, melding worden gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.

De taalaanhorigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis, § 2, van de gemeentekieswet met dien verstande dat in het eerste lid, 3°, van deze bepaling, de woorden “twee aftredende gemeenteraadsleden” vervangen worden door de woorden “twee aftredende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn”.

De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten en de procedure voor de behandeling van de klachten met betrekking tot de toetsing van de taalaanhorigheid; wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, niet zijn vervuld, wordt de vermelding van de taalaanhorigheid geschrapt.]1

30 december 1995

Wetshistoriek

§ 1 vervangen, § 2 gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1bis ingevoegd bij art. 2 Decr. D. Gem. R. 23 november 2000 (B.S., 30 december 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 23 november 2000 (art. 4).

§ 4 gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 mei 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§ 5 vervangen bij art. 5 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 22 november 1976 betreffende de verkiezing van de leden van de raden der plaatselijke openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 2 december 1976)

 

Art. 12 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

3[De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats in openbare vergadering, op een maandag, ten vroegste de tweede en uiterlijk de zevende volgend op de installatie van de gemeenteraad die tot de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn moet overgaan.]3Indien die datum op een wettelijke feestdag valt, wordt de verkiezing verschoven naar de eerstvolgende werkdag.

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 3 Ord. Br. H. Parl. 26 oktober 2006 (B.S., 9 november 2006), met ingang van 1 december 2006 (art. 4).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 2 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en bij art. 8 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 12 [Duitstalige Gemeenschap]

De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats 1[in openbare vergadering]1 3[de vierde maandag van de maand 4[...]]3 2[die tot de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn moet overgaan]2. Indien die datum op een wettelijke feestdag valt, wordt de verkiezing verschoven naar de eerstvolgende werkdag.

23 november 2006

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 2 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), bij art. 8 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6) en bij art. 22 Decr. D. Gem. Parl. 25 juni 2007 (B.S., 26 oktober 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 25 juni 2007 (art. 58).

Art. 12 [Nederlands taalgebied]

4[...]

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 8° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 2 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en bij art. 8 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Art. 13 [Federale tekst]

Voor de verkiezing van leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft elk gemeenteraadslid één stem indien er minder dan vier leden te verkiezen zijn, drie stemmen indien er vier of vijf leden te verkiezen zijn, vier indien er zes of zeven, vijf indien er acht of negen, zes indien er tien of elf en acht indien er twaalf of meer leden te verkiezen zijn.

Art. 13 [Nederlands taalgebied]

1[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 9° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 13bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 7 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 10° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 14 [Federale tekst]

De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn geschiedt bij geheime stemming en in één enkele stemronde.

Elk gemeenteraadslid ontvangt zoveel stembiljetten als hij stemmen heeft. Op elk stembiljet brengt hij een stem uit voor een werkend lid 1[...].

De gemeenteraadsleden kunnen hun stem geldig uitbrengen ten gunste van een bloed- of aanverwant.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 3 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

Geselecteerde rechtspraak

De bepalingen van art. 71, derde en vierde lid van de gemeentewet (thans art. 94 Nieuwe Gem.W.), die op de vergaderingen van de gemeenteraad in het algemeen van toepassing zijn, dienen bij ontstentenis van andersluidende bepaling in de wet van 8 juli 1976 nageleefd te worden wanneer de gemeenteraad vergadert om de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn te verkiezen (R.v.St., 12 juli 1977, Gemeente Gavere, nr. 18.376).

Luidens art. 14 O.C.M.W.-wet worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn “in één enkele stemronde” aangewezen, met toepassing van het meervoudig stemrecht (art. 13). Die regeling is uitgewerkt om de vertegenwoordiging in de raad voor maatschappelijk welzijn van de minderheid in de gemeenteraad te waarborgen. De vrijheid van stemming in hoofde van de individuele gemeenteraadsleden kan echter met zich brengen dat het aantal kandidaten die stemmen hebben verkregen – die dus voorkomen in het resultaat van de verkiezing –, onvoldoende kan zijn om de raad voor maatschappelijk welzijn volledig in één verkiezingsgang samen te stellen. De enige stemronde, waarbij de evenredige vertegenwoordiging mogelijk was, moet dan gevolgd worden door een nieuwe, vervolledigende verkiezing, waarbij de resterende mandaten op dezelfde wijze worden toegekend in één stemronde, en met dien verstande dat verkozen is de kandidaat die de meeste stemmen heeft verkregen, ervan uitgaande dat het stemmenaantal waarover de gemeenteraadsleden beschikken, beperkt wordt in functie van het aantal nog te begeven mandaten, zoals bepaald in art. 13 (R.v.St. nr. 54.580, 13 juli 1995).

Art. 14 [Nederlands taalgebied]

2[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 11° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 3 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

Art. 15 [Federale tekst]

1[De kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen, zijn verkozen tot werkende leden.]1

Bij staking van stemmen wordt voorrang verleend in de volgende orde:

1°aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing, een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bekleedt. Zijn twee of meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt voorrang verleend aan hem die zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend;

 

2°aan de kandidaat die vroeger een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft uitgeoefend. Zijn twee of meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt de voorrang gegeven aan hem die zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend en, bij gelijke duur, aan hem die het laatst is afgetreden;

 

3°aan de oudste kandidaat in jaren die de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt;

 

4°aan de jongste in jaren van de kandidaten die de leeftijd van zestig jaar hebben bereikt.

 

Wie zou verkozen zijn, doch wiens verkiezing vernietigd wordt wegens onverkiesbaarheid, wordt vervangen door zijn opvolger.

1[De kandidaten die als opvolgers van een verkozen werkend lid werden voorgedragen, zijn van rechtswege de opvolgers van het voornoemde lid.]1

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 4 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

Verwerping van beroep

Artikel 15 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het bij staking van stemmen voorrang verleent aan de kandidaten die al een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002 (prejudiciële vraag) (B.S., 10 januari 2003)).

Geselecteerde rechtspraak

Al kan worden aanvaard dat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de schepenen vergelijkbare categorieën vormen, in zoverre zowel de enen als de anderen door de gemeenteraad worden verkozen en een – aldus bij een getrapte verkiezing verleend – lokaal publiek mandaat uitoefenen, toch volgt daaruit niet dat de artikelen 10 en 11 G.W. vereisen dat de regels krachtens welke die mandaten worden verleend, in alle opzichten met elkaar moeten overeenstemmen. In het geval dat de wil tot verandering het niet heeft gehaald, zoals blijkt uit de staking van stemmen tussen twee kandidaten voor de raad voor maatschappelijk welzijn, van wie één kan worden verondersteld zich op meer ervaring te kunnen beroepen dan de andere, handelt de wetgever niet op een kennelijk onredelijke wijze door met dat element rekening te houden. Art. 15 W. 8 juli 1976 schendt de artikelen 10 en 11 G.W. niet, in zoverre het bij staking van stemmen voorrang verleent aan de kandidaten die al een mandaat in een O.C.M.W. hebben uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002 (prejudiciële vraag)).

Om verkozen te kunnen worden moet een kandidaat effectief stemmen hebben verkregen, en moet minstens één gemeenteraadslid één stem op de kandidaat hebben uitgebracht (R.v.St. nr. 54.580, 13 juli 1995).

Art. 15 [Duitstalige Gemeenschap]

1[De kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen, zijn verkozen tot werkende leden.]1

Bij staking van stemmen wordt voorrang verleend in de volgende orde:

2[1°aan de kandidaat van het geslacht dat bij de raad voor maatschappelijk welzijn het minst vertegenwoordigd is. Zijn twee of meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt de voorrang overeenkomstig de onder de punten 2° tot 5° vastgelegde regels gegeven;]2

 

2[2°aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing, een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bekleedt. Zijn twee of meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt voorrang verleend aan hem die zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend;

 

2[3°aan de kandidaat die vroeger een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft uitgeoefend. Zijn twee of meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt de voorrang gegeven aan hem die zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend en, bij gelijke duur, aan hem die het laatst is afgetreden;

 

2[4°aan de oudste kandidaat in jaren die de leeftijd van zestig jaar niet heeft bereikt;

 

2[5°aan de jongste in jaren van de kandidaten die de leeftijd van zestig jaar hebben bereikt.

 

Wie zou verkozen zijn, doch wiens verkiezing vernietigd wordt wegens onverkiesbaarheid, wordt vervangen door zijn opvolger.

1[De kandidaten die als opvolgers van een verkozen werkend lid werden voorgedragen, zijn van rechtswege de opvolgers van het voornoemde lid.]1

2[Als alle met toepassing van dit artikel verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van hetzelfde geslacht zijn, wordt het lid met de laagste verkiezingsrang vervangen door het eerst vervangend lid van het ander geslacht. Is er geen lid van het ander geslacht, stelt de fractie die de voordracht heeft ingediend een nieuwe kandidaat van het ander geslacht voor. Deze kandidaat geldt van rechtswege als verkozen.]2

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 4 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

Lid 2:

–1° ingevoegd bij art. 2, § 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6);

 

–oorspronkelijk 1° vernummerd tot 2° bij art. 2, § 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6);

 

–oorspronkelijk 2° vernummerd tot 3° bij art. 2, § 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6);

 

–oorspronkelijk 3° vernummerd tot 4° bij art. 2, § 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6);

 

–oorspronkelijk 4° vernummerd tot 5° bij art. 2, § 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6).

 

Lid 5 ingevoegd bij art. 2, § 2 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6).

Verwerping van beroep

Artikel 15 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het bij staking van stemmen voorrang verleent aan de kandidaten die al een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002 (prejudiciële vraag) (B.S., 10 januari 2003)).

Geselecteerde rechtspraak

Al kan worden aanvaard dat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de schepenen vergelijkbare categorieën vormen, in zoverre zowel de enen als de anderen door de gemeenteraad worden verkozen en een – aldus bij een getrapte verkiezing verleend – lokaal publiek mandaat uitoefenen, toch volgt daaruit niet dat de artikelen 10 en 11 G.W. vereisen dat de regels krachtens welke die mandaten worden verleend, in alle opzichten met elkaar moeten overeenstemmen. In het geval dat de wil tot verandering het niet heeft gehaald, zoals blijkt uit de staking van stemmen tussen twee kandidaten voor de raad voor maatschappelijk welzijn, van wie één kan worden verondersteld zich op meer ervaring te kunnen beroepen dan de andere, handelt de wetgever niet op een kennelijk onredelijke wijze door met dat element rekening te houden. Art. 15 W. 8 juli 1976 schendt de artikelen 10 en 11 G.W. niet, in zoverre het bij staking van stemmen voorrang verleent aan de kandidaten die al een mandaat in een O.C.M.W. hebben uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002 (prejudiciële vraag)).

Om verkozen te kunnen worden moet een kandidaat effectief stemmen hebben verkregen, en moet minstens één gemeenteraadslid één stem op de kandidaat hebben uitgebracht (R.v.St. nr. 54.580, 13 juli 1995).

Art. 15 [Nederlands taalgebied]

3[...]

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 12° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 4 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en vervangen bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Verwerping van beroep

Artikel 15 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het bij staking van stemmen voorrang verleent aan de kandidaten die al een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002 (prejudiciële vraag) (B.S., 10 januari 2003)).

[Art. 15bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 9 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 13° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 16 [Federale tekst]

1[Dezelfde persoon kan opvolger van twee of meer werkende leden zijn.

Evenzo kan elk werkend lid twee of meerdere opvolgers hebben die zijn voorbestemd om hem te vervangen in de orde die gevolgd werd bij de voordracht van hun kandidaturen.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 5 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

Art. 16 [Nederlands taalgebied]

2[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 14° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 5 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

[Art. 16bis [Duitstalige Gemeenschap]

Als het uittredend lid van de raad voor maatschappelijk welzijn vóór het einde van zijn mandaat het enige van het ander geslacht was, dan moet het met toepassing van artikel 17, lid 1 of 2, verkozen nieuwe lid van hetzelfde geslacht zijn.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6).

Art. 17 [Federale tekst]

Wanneer een werkend lid vóór het verstrijken van zijn mandaat ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn en hij geen opvolger meer heeft, kunnen alle nog in functie zijnde gemeenteraadsleden die de voordracht van het te vervangen lid hadden ondertekend, gezamenlijk een kandidaat-werkend lid en een of meer kandidaat-opvolgers voordragen. In dit geval zijn deze kandidaten gekozen verklaard, de kandidaat-opvolgers in de orde van hun voordracht.

Is zulks niet het geval, dan wordt in de vervanging voorzien bij een geheime stemming waarbij elk gemeenteraadslid over één stem beschikt en de kandidaat die de meeste stemmen behaalde als verkozen wordt verklaard; bij staking van stemmen, is artikel 15 van toepassing.

Art. 17 [Nederlands taalgebied]

1[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 15° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 17bis [Federale tekst]

In afwijking van de artikelen 11 tot en met 17 worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers.

De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats dezelfde dag als de gemeenteraadsverkiezingen.

De Koning stelt de nadere regels vast voor die verkiezing, naar analogie van de procedure bedoeld in de gemeentekieswet voor de verkiezing van de gemeenteraadsleden.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 11 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 26 augustus 1988 tot vaststelling van de nadere regels voor de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn in de gemeenten bedoeld bij artikel 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeenten Komen-Waasten en Voeren (B.S., 31 augustus 1988)

 

–Koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot vaststelling van het model van de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van de provincieraden en de gemeenteraden, voor de verkiezing van de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 augustus 2000)

 

[Art. 17bis [Nederlands taalgebied]

In afwijking van de 2[artikelen 8 tot en met 14 en artikel 16 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]2 worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers.

De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats dezelfde dag als de gemeenteraadsverkiezingen.

De Koning stelt de nadere regels vast voor die verkiezing, naar analogie van de procedure bedoeld in de gemeentekieswet voor de verkiezing van de gemeenteraadsleden.]1

24 december 2008

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 11 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en gewijzigd bij art. 272, 1° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46°, B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 26 augustus 1988 tot vaststelling van de nadere regels voor de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn in de gemeenten bedoeld bij artikel 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeenten Komen-Waasten en Voeren (B.S., 31 augustus 1988)

 

–Koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot vaststelling van het model van de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van de provincieraden en de gemeenteraden, voor de verkiezing van de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 augustus 2000)

 

–Besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006 tot vaststelling van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden per gemeente, het aantal te verkiezen leden van de raden voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten en van de gemeente Voeren, het aantal te verkiezen districtsraadsleden in Antwerpen en van het aantal te begeven schepenmandaten per gemeente en het aantal leden van de districtscolleges in Antwerpen (B.S., 19 mei 2006)

 

Art. 18 [Nederlands taalgebied]

4[...]

24 november 200614 april 19998 oktober 1992

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 16° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 9 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 3 W. 22 maart 1999 (B.S., 14 april 1999 (eerste uitg.)) en vervangen bij art. 10 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.))).

Geselecteerde rechtspraak

Wanneer de Raad van State uitspraak doet over het beroep bedoeld bij art. 18 O.C.M.W.-Wet, zetelt hij als rechter met volle rechtspraak en komt zijn beslissing in de plaats van die van de bestendige deputatie. Voor de Raad kunnen enkel dezelfde vorderingen aangebracht worden, gesteund op dezelfde gronden, als die welke reeds voordien aan de bestendige deputatie werden voorgedragen (R.v.St. nr. 32.847, 27 juni 1989).

Art. 18 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

3[§ 1

Het dossier van de verkiezing van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn en hun opvolgers wordt onverwijld toegezonden aan het rechtscollege.

Elk bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk bij het rechtscollege worden ingediend binnen tien dagen volgend op de bekendmaking van de verkiezingsuitslag.

Ongeacht of bij het rechtscollege bezwaar is ingediend of niet, doet het uitspraak over de geldigheid van de verkiezing binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier en zet het, in voorkomend geval, de bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag begane vergissingen recht. Indien binnen die termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.

Binnen acht dagen na ontvangst van eendere klacht, deelt het rechtscollege zulks mede aan het Verenigd College.

De geldigheid van de verkiezing door het verstrijken van de termijn of de beslissing van het rechtscollege, wordt door de zorg van de diensten van dat college medegedeeld aan het Verenigd College, aan de gemeenteraad en aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Er wordt bij ter post aangetekende brief kennis van gegeven aan de leden en opvolgers wier verkiezing werd vernietigd, aan de opvolgers wier verkiezingsrang werd gewijzigd en aan wie bezwaar heeft ingediend.

De in het voorgaande lid bedoelde natuurlijke en rechtspersonen kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen vijftien dagen na de mededeling of de kennisgeving.

Binnen acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State wordt ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede aan het Verenigd College, alsmede aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad. Hij deelt hun het arrest van de Raad van State mede.

Wanneer een vernietiging definitief geworden is, wordt tot een nieuwe verkiezing overgegaan. In dit geval is artikel 12 van toepassing met dien verstande dat de termijn slechts een aanvang neemt de dag volgend op die waarop de vernietiging aan de betrokken gemeenteraad is medegedeeld.]3

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 4 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 9 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 3 W. 22 maart 1999 (B.S., 14 april 1999 (eerste uitg.)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

Geselecteerde rechtspraak

Wanneer de Raad van State uitspraak doet over het beroep bedoeld bij art. 18 O.C.M.W.-Wet, zetelt hij als rechter met volle rechtspraak en komt zijn beslissing in de plaats van die van de bestendige deputatie. Voor de Raad kunnen enkel dezelfde vorderingen aangebracht worden, gesteund op dezelfde gronden, als die welke reeds voordien aan de bestendige deputatie werden voorgedragen (R.v.St. nr. 32.847, 27 juni 1989).

Art. 18 [Duitstalige Gemeenschap.]

2[Het dossier van de verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en hun opvolgers wordt onverwijld toegezonden aan de Regering.

Elk bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk bij de Regering worden ingediend binnen tien dagen volgend op de afkondiging van de verkiezingsuitslag.

De Regering doet uitspraak over de geldigheid van de verkiezing binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier en herstelt, in voorkomend geval, de bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag begane vergissingen. Indien binnen deze termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.

Het feit dat de verkiezing geldigheid heeft verkregen door het verstrijken van de termijn of de beslissing van de Regering, wordt door de zorg van de Regering medegedeeld aan de betrokken gemeenteraad en aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Er wordt bij ter post aangetekende brief kennis van gegeven aan de leden en opvolgers wier verkiezing werd vernietigd, aan de opvolgers wier verkiezingsrang werd gewijzigd en aan de personen die bezwaren hebben ingediend.]2

2[...]

Binnen acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State wordt ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede aan 1[de Regering]1, alsmede aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de 1[gemeenteraad]1. Hij deelt hun het arrest van de Raad van State mede.

Wanneer een vernietiging definitief geworden is, wordt tot een nieuwe verkiezing overgegaan. In dit geval is artikel 2 van toepassing met dien verstande dat de termijn slechts een aanvang neemt de dag volgend op die waarop de vernietiging aan de betrokken gemeenteraad werd medegedeeld.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 9 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 2 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

[Art. 18bis [Federale tekst]

§ 1

In afwijking van artikel 18 is de in de artikelen 74 tot en met 77 van de gemeentekieswet bepaalde regeling van de beroepen betreffende de verkiezing van de gemeenteraad, van overeenkomstige toepassing voor de geschillen betreffende de verkiezing van de raad of van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een randgemeente bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren.

§ 2

In geval van een geschil met betrekking tot de verkiezing van de raad of van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de bevoegdheden van de bestendige deputatie van de provincieraad, bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 van de gemeentekieswet, uitgeoefend door het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 12 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).

[Art. 18bis [Nederlands taalgebied]

§ 1

In afwijking van 2[artikel 15 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]2 is de in de artikelen 74 tot en met 77 van de gemeentekieswet bepaalde regeling van de beroepen betreffende de verkiezing van de gemeenteraad, van overeenkomstige toepassing voor de geschillen betreffende de verkiezing van de raad of van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een randgemeente bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren.

§ 2

In geval van een geschil met betrekking tot de verkiezing van de raad of van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de bevoegdheden van de bestendige deputatie van de provincieraad, bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 van de gemeentekieswet, uitgeoefend door het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

24 december 2008

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 12 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en gewijzigd bij art. 272, 2° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 18ter

In de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt bij het dossier van de verkiezing gevoegd:

1)de naam en de voornamen van de eerste niet verkozen kandidaat gemeenteraadslid van beide taalgroepen;

 

2)in voorkomend geval, de naam van diegene van beide voormelde kandidaten die van rechtswege deel uitmaakt van de raad voor maatschappelijk welzijn met toepassing van artikel 6, § 4.

 

Het in artikel 18 bedoelde bezwaar en beroep kunnen eveneens ingediend, respectievelijk ingesteld worden, tegen de voormelde aanwijzing van het lid van rechtswege.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 6 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).

Art. 19 [Federale tekst]

Het mandaat van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn vangt aan 1[de eerste werkdag]1 van de derde maand volgend op de datum van 1[het in functie treden]1 van de 1[gemeenteraad]1 verkozen na een volledige vernieuwing, of ten laatste de eerste dag van de tweede maand volgend op diegene tijdens dewelke de uitslag van 1[hun verkiezing]1 definitief is geworden. De leden blijven hun mandaat uitoefenen tot de installatie van de leden die hen zullen opvolgen.

Het lid dat ontslag neemt blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd.

De opvolger of het ter plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het mandaat van het lid dat hij opvolgt.

1[Is een lid verhinderd wegens de vervulling van zijn actieve militaire dienstplicht of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, dan wordt hij, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het vast bureau, gedurende die periode vervangen door zijn opvolger.]1

1[Het lid dat een ouderschapsverlof wenst te nemen, wegens de geboorte of de adoptie van een kind, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het vast bureau, vervangen door zijn opvolger, ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de achtste week na de dag van de geboorte of de adoptie. Op zijn schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de achtste week verlengd met een duur gelijk aan die gedurende dewelke hij zijn mandaat verder heeft uitgeoefend tijdens de periode van zeven weken die de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan.

De vervangingen bedoeld in het vierde en vijfde lid zijn evenwel slechts mogelijk nadat het te vervangen lid beëdigd werd.]1

2[Wanneer, op de dag van de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn, het ontslag, dat bij aangetekende brief is aangeboden door een verkozene waarvoor de in artikel 9, e) of f), bedoelde onverenigbaarheid geldt, nog niet werd aanvaard of wanneer dat ontslag het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de toeziende overheid, wordt de verkozene vervangen door zijn eerste opvolger tot de dag waarop het ontslag wordt aanvaard of het geschil is beslecht. Op dat ogenblik wordt de opvolger opnieuw eerste opvolger van het werkend lid dat in aanmerking komt voor de eedaflegging.

De eerste opvolger van een verkozen lid van wie betwist wordt dat hij de eed mag afleggen, moet, op straffe van nietigheid van de beraadslagingen en besluiten, opgeroepen en geïnstalleerd worden op de installatievergadering, met dien verstande dat artikel 9 ook op hem van toepassing is.]2

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 10 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij enig art. W. 2 september 1992 (B.S., 28 oktober 1992).

Art. 19 [Nederlands taalgebied]

4[...]

24 november 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 17° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 10 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij enig art. W. 2 september 1992 (B.S., 28 oktober 1992) en bij art. 11, 1° en 2° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.))).

Art. 20 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Alvorens in functie te treden, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn 2[en de vertrouwenspersonen bedoeld in artikel 20ter]2 tot de eedaflegging opgeroepen door de burgemeester of afgevaardigde schepen 1[...] en zij leggen in zijn handen de volgende eed af: “Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen”.

In geval van volledige vernieuwing van de raad heeft de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering belegd op de datum van de aanvang van het mandaat bedoeld bij artikel 19, eerste lid. Elke andere eedaflegging geschiedt enkel ten overstaan van de burgemeester 1[en in aanwezigheid van de gemeentesecretaris]1, hiervan wordt een door de burgemeester en de secretaris ondertekend proces-verbaal opgemaakt dat aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt gestuurd.

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 11 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 2 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 18 januari 2007 (B.S., 1 februari 2007 (eerste uitg.), err.,B.S., 13 februari 2007), met ingang van 1 februari 2007 (art. 4).

Art. 20 [Nederlands taalgebied]

3[...]

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 18° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 11 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen bij art. 12 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

[Art. 20bis [Nederlands taalgebied]

3[...]

]1

30 augustus 20068 oktober 1992

Wetshistoriek

Ingevoegd bij enig art. W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en opgeheven bij art. 276, 19° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 13 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

[Art. 20bis [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Indien de burgemeester of afgevaardigde schepen nalaat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging op te roepen om de eed af te nemen, worden de leden opgeroepen door 2[het Verenigd College]2 en leggen ze de eed af in zijn handen of in de handen van een door hem aangeduide commissaris.

2[Het Verenigd College]2 neemt deze maatregelen binnen dertig dagen nadat hij van het verzuim kennis heeft gekregen.

De kosten van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of afgevaardigde schepen die verzuimd heeft uitvoering te geven aan artikel 20 van deze wet.

De invordering van die kosten geschiedt door de rijksontvanger, zoals inzake directe belastingen, ten laste van de burgemeester of afgevaardigde schepen, nadat 2[het Verenigd College]2 het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Ingevoegd bij enig art. W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 5 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

[Art. 20bis [Duitstalige Gemeenschap]

2[Indien de burgemeester of afgevaardigde schepen nalaat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging op te roepen, worden de leden opgeroepen door de Regering en leggen ze de eed af voor haar.

De Regering neemt deze maatregel binnen dertig dagen nadat zij van het verzuim kennis heeft gekregen.

De kosten van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of schepen die verzuimd heeft uitvoering te geven aan artikel 20 van deze wet.]2

De invordering van die kosten geschiedt door de rijksontvanger, zoals inzake directe belastingen, ten laste van de burgemeester of afgevaardigde schepen, nadat de 2[de Regering]2 het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij enig art. W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 3 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

[Art. 20ter [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 14 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 20° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 20ter [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat wegens een handicap zijn mandaat niet zelfstandig kan uitoefenen, kan zich voor de uitoefening van dit mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon die gekozen wordt uit de kiezers van de gemeente, voldoet aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en geen personeelslid is van de gemeentediensten of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de desbetreffende gemeente.

Voor de toepassing van het eerste lid, stelt het Verenigd College de criteria vast waaraan het gehandicapte raadslid moet voldoen.

Bij het verlenen van de bijstand, heeft de vertrouwenspersoon dezelfde verplichtingen en krijgt hij dezelfde middelen ter beschikking als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, met inbegrip van het ontvangen van presentiegeld.

Het Verenigd College stelt de soorten handicaps vast die het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn recht geven op de bijstand van een specifiek opgeleide persoon, alsook de wijze en het bedrag van de vergoeding van deze persoon voor rekening van het centrum. Deze persoon hoeft niet noodzakelijk te worden gekozen uit de kiezers van de gemeente, te voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en de eed af te leggen als bedoeld in artikel 20ter. De eventuele steun van andere overheden in het kader van de bijstand aan personen met een handicap wordt van zijn vergoeding afgetrokken.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 18 januari 2007 (B.S., 1 februari 2007 (eerste uitg.), err.,B.S., 13 februari 2007), met ingang van 1 februari 2007 (art. 4).

[Art. 20quater [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 14 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 21° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 20quinquies [Nederlands taalgebied]

[...]

]1

29 december 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 14 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 22° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 22 december 2006 (B.S., 29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 20sexies [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 14 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 23° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 21 [Nederlands taalgebied]

2[§ 1]2

Wanneer een lid na de eedaflegging niet meer voldoet aan een van de voorwaarden van verkiesbaarheid of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren, stelt de burgemeester 1[...] of de voorzitter van de raad de 2[deputatie]2 hiervan onverwijld in kennis. Afschrift van die kennisgeving wordt dezelfde dag bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding gezonden aan het betrokken raadslid dat zijn opmerkingen schriftelijk binnen vijftien dagen kan mededelen aan de 2[deputatie]2.

Wanneer het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het raadslid vooraf op dezelfde wijze uit te nodigen om uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen. Het lid beschikt over vijftien dagen om aan die uitnodiging gevolg te geven.

De 2[deputatie]2 doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de burgemeester.

Wanneer de 2[deputatie]2 zelf een dergelijke toestand vaststelt of hiervan kennis krijgt op klacht van een derde, geeft zij daarvan kennis bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding aan het betrokken raadslid en nodigt zij hem uit om binnen vijftien dagen schriftelijk zijn opmerkingen te doen kennen of uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen.

Behoudens in geval van ontslag, doet de 2[deputatie]2 uitspraak binnen dertig dagen na de verzending van de kennisgeving.

De beslissing van de 2[deputatie]2 wordt door de gouverneur, bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding, betekend aan het betrokken raadslid en aan de eventuele bezwaarindieners; er wordt eveneens kennis van gegeven aan de burgemeester 1[...] en aan de voorzitter van de raad. Het raadslid, de bezwaarindieners en de gouverneur kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving tegen de beslissing van de 2[deputatie]2 beroep instellen bij de Raad van State.

De met toepassing van dit artikel door de 2[deputatie]2 uitgesproken vervallenverklaring heeft uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken raadslid. Het beroep bij de Raad van State is niet schorsend.

2[§ 2

Deze bepaling geldt enkel voor de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en voor de toepassing van artikel 21bis.]2

30 augustus 20068 oktober 1992

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 12 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), genummerd bij art. 15 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en gewijzigd bij art. 272, 3° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 2 ingevoegd bij art. 15 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

Geselecteerde rechtspraak

De bestendige deputatie moet zich uitspreken binnen de dertig dagen. Na die termijn is de bestendige deputatie niet meer bevoegd en is de verkiezing regelmatig (R.v.St. nr. 22.172, 1 april 1982).

Art. 21 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[§ 1

Wanneer een lid na de eedaflegging niet meer voldoet aan een van de voorwaarden van verkiesbaarheid of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren, stelt de burgemeester of de voorzitter van de raad het rechtscollege hiervan onverwijld in kennis. Afschrift van die kennisgeving wordt dezelfde dag gezonden aan het Verenigd College evenals, bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding, aan het betrokken raadslid dat zijn opmerkingen schriftelijk binnen vijftien dagen kan mededelen aan het college.

Wanneer het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het raadslid vooraf op dezelfde wijze uit te nodigen om uit het onverenigbaar ambt ontslag te nemen. Het lid beschikt over vijftien dagen om aan die uitnodiging gevolg te geven.

Het rechtscollege doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de burgemeester.

Wanneer het rechtscollege zelf een dergelijke toestand vaststelt of hiervan kennis krijgt op klacht van een derde, geeft het daarvan kennis bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding aan het betrokken raadslid en nodigt hem uit om binnen vijftien dagen schriftelijk zijn opmerkingen te doen kennen of uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen.

Behoudens in geval van ontslag, doet het rechtscollege uitspraak binnen dertig dagen na verzending van de kennisgeving.

De beslissing van het rechtscollege wordt door zijn diensten, bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding, betekend aan het betrokken raadslid en aan de eventuele bezwaarindieners; er wordt eveneens kennis van gegeven aan het Verenigd College, de burgemeester en de voorzitter van de raad. Het raadslid en de bezwaarindieners kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving tegen de beslissing van het rechtscollege beroep instellen bij de Raad van State.

De met toepassing van dit artikel door het rechtscollege uitgesproken vervallenverklaring heeft uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken raadslid. Het beroep bij de Raad van State is niet schorsend.]2

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 6 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 12 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

Art. 21 [Duitstalige Gemeenschap]

2[Wanneer een lid na de eedaflegging niet meer voldoet aan een van de voorwaarden van verkiesbaarheid of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren, stelt de burgemeester of de voorzitter van de raad de Regering hiervan onverwijld in kennis. Afschrift van die kennisgeving wordt dezelfde dag bij aangetekende brief gezonden aan het betrokken raadslid dat zijn opmerkingen schriftelijk binnen vijftien dagen kan mededelen aan de Regering.

Wanneer het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het raadslid vooraf op dezelfde wijze uit te nodigen om uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen. Het lid beschikt over vijftien dagen om aan die uitnodiging gevolg te geven.

De Regering doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de burgemeester.

Wanneer de Regering zelf een dergelijke toestand vaststelt of hiervan kennis krijgt op klacht van een derde, geeft zij daarvan kennis bij aangetekende brief aan het betrokken raadslid en nodigt zij hem uit om binnen vijftien dagen schriftelijk zijn opmerkingen te doen kennen of uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen.

Behoudens in geval van ontslag van het betrokken lid, doet de Regering uitspraak binnen dertig dagen na de verzending van de kennisgeving.]2

2[De Regering betekent haar beslissing bij aangetekende brief aan het betrokken raadslid en aan de eventuele bezwaarindieners; er wordt eveneens kennis gegeven aan de burgemeester en aan de voorzitter van de raad.] Het raadslid, de bezwaarindieners en 2[...] kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving tegen 2[de beslissing van de Regering]2 beroep instellen bij de Raad van State.

De met toepassing van dit artikel 2[van de Regering]2 uitgesproken vervallenverklaring heeft uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken raadslid. Het beroep bij de Raad van State is niet schorsend.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 4 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 12 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

[Art. 21bis

In geval van een geschil betreffende een lid van de raad of van het vast bureau van een centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten KomenWaasten en Voeren, worden, in afwijking van artikel 21, de bevoegdheden van de bestendige deputatie van de provincieraad uitgeoefend door het college van provinciegouverneurs, bedoeld in artikel 131bis van de provinciewet.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 13 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).

[Art. 21ter [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 16 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 24° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Verwijzingen

Zie B.Vl.Reg. 15 juni 2007 houdende vaststelling van de tuchtprocedure voor de mandatarissen in uitvoering van artikelen 71 en 274 van het gemeentedecreet, artikel 21ter van de OCMW-wet en artikel 69 van het provinciedecreet (dl. II, datum).

Art. 22 [Nederlands taalgebied]

3[§ 1]3

In geval van zware nalatigheid of algemeen bekend wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door de bestendige deputatie geschorst of afgezet worden, op voorstel van de raad voor maatschappelijk welzijn, van de 2[gemeenteraad]2 of zelfs van ambtswege. De schorsing mag de tijd van drie maanden niet te boven gaan.

Het betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, indien hij verschijnt, gehoord; het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt ingewonnen.

De beslissing van de bestendige deputatie wordt ter kennis gebracht van de betrokkene en medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de 2[gemeenteraad]2. Zij beschikken over het recht beroep in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de betekening.

1[Als het een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van Komen-Waasten of Voeren betreft, worden de bevoegdheden die door het eerste tot het derde lid worden toegewezen aan de bestendige deputatie van de provincieraad, uitgeoefend door de provinciegouverneur op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

3[§ 2

De bepalingen van § 1, gelden enkel voor de gemeente Voeren.]3

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Oorspr. art. gewijzigd bij art. 14 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988), bij art. 13 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en genummerd tot § 1 bij art. 17 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

§ 2 ingevoegd bij art. 17 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

Geselecteerde rechtspraak

Bij het treffen van een besluit overeenkomstig art. 22 W. 8 juli 1976, moet de bestendige deputatie de in art. 104bis Prov. W. en in K.B. 17 september 1987 bepaalde regels nakomen. Dit is niet gebeurd als de bestendige deputatie tot een beslissing is gekomen op grond van een niet op tegenspraak gevoerd onderzoek van haar administratieve diensten (R.v.St. nr. 87.281, 16 mei 2000).

Art. 22 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

3[Bij zware nalatigheid of algemeen bekend wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door het rechtscollege geschorst of afgezet worden, op voorstel van het Verenigd College, van de raad voor maatschappelijk welzijn of van de gemeenteraad. De schorsing mag de tijd van drie maanden niet te boven gaan.

Het betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, indien hij verschijnt, gehoord; het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt gevraagd.

De beslissing van het rechtscollege wordt ter kennis gebracht van de betrokkene en meegedeeld aan het Verenigd College, aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad. De betrokkene, de raad voor maatschappelijk welzijn en de gemeenteraad kunnen beroep instellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de betekening.]3

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 7 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 14 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en bij art. 13 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

Art. 22 [Duitstalige Gemeenschap]

3[In geval van zware nalatigheid of algemeen bekend wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door de Regering geschorst of afgezet worden, op voorstel van de raad voor maatschappelijk welzijn, van de gemeenteraad of zelfs van ambtswege. De schorsing mag drie maanden niet te boven gaan.

Het betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, indien hij verschijnt, gehoord het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt ingewonnen.]3

De beslissing 3[van de Regering]3 wordt ter kennis gebracht van de betrokkene en medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de 2[gemeenteraad]2. Zij beschikken over het recht beroep in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de betekening.

1[Als het een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van Komen-Waasten of Voeren betreft, worden de bevoegdheden die door het eerste tot het derde lid worden toegewezen aan de bestendige deputatie van de provincieraad, uitgeoefend door de provinciegouverneur op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 14 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988), bij art. 13 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 5 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

[Art. 22bis [Nederlands taalgebied]

In afwijking van artikel 22 gelden voor de Vlaamse Gemeenschap de volgende bepalingen. De maximumduur van de schorsing bedraagt zes maanden. De door de bestendige deputatie uitgesproken straf heeft uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken raadslid. Het beroep bij de Raad van State is niet schorsend.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 4 februari 1997 (B.S., 22 februari 1997).

Art. 23 [Federale tekst]

De Raad van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift om, volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging, uitspraak te doen over de beroepen ingediend met toepassing van de artikelen 18, 21 en 22 van deze wet.

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

Verwijzingen

Zie K.B. 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Geselecteerde rechtspraak

Als de Raad van State vaststelt dat het bestreden besluit van de bestendige deputatie onwettig is wegens de miskenning van substantiële vormvoorschriften, moet hij, wegens de devolutieve werking van het beroep ingesteld door de betrokkene, zelf uitspraak doen over de vraag waarover de bestendige deputatie zich heeft uitgesproken (R.v.St. nr. 87.281, 16 mei 2000).

Art. 23 [Nederlands taalgebied]

De Raad van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift om, volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging, uitspraak te doen over de beroepen ingediend met toepassing van de artikelen 1[...] 21 en 22 van deze wet.

30 augustus 2006

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 18 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977)

 

Afdeling 1 Samenstelling en vorming van de raad voor maatschappelijk welzijn]1

2 januari 2006

Wetshistoriek

Afdeling 1 (art. 6 tot 23) vervangen door afdeling 1 (art. 6 tot 22) bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 6 [Frans taalgebied]

1[§ 1

Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bestuurd door een raad voor maatschappelijk welzijn bestaande uit:

–negen leden voor een bevolking die de vijftienduizend inwoners niet overschrijdt;

 

–elf leden voor een bevolking van vijftienduizend en één tot vijftigduizend inwoners;

 

–dertien leden voor een bevolking van vijftigduizend en één tot honderdvijftigduizend inwoners;

 

–vijftien leden voor een bevolking van meer dan honderdvijftigduizend inwoners.

 

§ 2

Voor de bepaling van het aantal leden wordt het bevolkingscijfer in aanmerking genomen dat als basis gediend heeft voor het bepalen van de samenstelling van de gemeenteraad die de raad voor maatschappelijk welzijn zal kiezen.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 7 [Frans taalgebied]

1[Om tot lid van een raad voor maatschappelijk welzijn verkozen te kunnen worden en om het te kunnen blijven, moet men:

1°gemeenteraadskiezer zijn;

 

2°ten minste achttien zijn;

 

3°zijn hoofdverblijf hebben in de gebiedsomschrijving van het centrum.

 

Niet verkiesbaar zijn:

1°zij die door veroordeling ontzet zijn van het recht om gekozen te worden;

 

2°zij die met toepassing van artikel 6 van het Kieswetboek uitgesloten zijn van het kiesrecht;

 

3°zij die overeenkomstig artikel 7 van hetzelfde Wetboek in de uitoefening van het kiesrecht geschorst zijn;

 

4°zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen in 1° en 3°, veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de in de artikelen 240, 241, 243 en 245 tot 248 van het Strafwetboek omschreven misdrijven, gepleegd in de uitoefening van een gemeenteambt; waarbij deze onverkiesbaarheid twaalf jaar na de veroordeling eindigt;

 

5°de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die ontheven of geschorst zijn van het verkiesbaarheidsrecht in hun Staat van herkomst. In geval van twijfel over de verkiesbaarheid van de kandidaat kan de bestendige deputatie eisen dat hij een attest van de bevoegde overheden van zijn Staat van herkomst indient waarin verklaard wordt dat hij, op de datum van de verkiezing, niet ontheven of geschorst is van het verkiesbaarheidsrecht in deze Staat, of dat deze overheden daarvan niets bekend is;

 

6°zij die veroordeeld werden wegens overtredingen bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden of op basis van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, waarbij deze onverkiesbaarheid achttien jaar na de veroordeling eindigt;

 

7°zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen in 1° en 2°, bestuurder waren van een vereniging op de datum van de feiten naar aanleiding waarvan zij veroordeeld zijn wegens één van de overtredingen bepaald bij de wet van 30 juli 1981 en de wet van 23 maart 1995, waarbij deze onverkiesbaarheid achttien jaar na de veroordeling eindigt.

Het vorige lid is niet van toepassing op de bestuurders die het bewijs leveren dat zij niet op de hoogte waren van de feiten waarop de veroordeling gegrond was of dat ze binnen dito rechtspersoon uit hun ambt zijn getreden zodra ze daarvan kennis genomen hebben;

 

8°zij die uit hun mandaat ontzet zijn overeenkomstig artikel 38, § 2 of § 4, van deze wet of overeenkomstig de artikelen L1122-7, § 2, L1123-17, § 1, L2212-7, § 2, of L2212-45, § 3, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, waarbij deze onverkiesbaarheid eindigt zes jaar na de kennisgeving van de beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde waarbij de afzetting wordt vastgesteld.

De verkiesbaarheidsvoorwaarden moeten uiterlijk op de verkiezingsdag vervuld zijn.]1

 

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 8 [Frans taalgebied]

1[De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mogen geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de tweede graad, noch door de echt verbonden zijn of wettelijk samenwonen.

Aanverwantschap die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de raad, stelt geen einde aan hun mandaat.

De kandidaat die tot het minst vertegenwoordigde geslacht behoort, met uitzondering van de personen die het voorwerp zijn van dit motief van onverenigbaarheid, krijgt de voorkeur.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 9 [Frans taalgebied]

1[Van de raden voor maatschappelijk welzijn mogen niet deel uitmaken:

1°de provinciegouverneurs, de gouverneur en vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant;

 

2°de leden van het provinciecollege en de leden van het college ingesteld bij artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 2 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;

 

3°de provinciegriffiers;

 

4°de arrondissementscommissarissen;

 

5°de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van de colleges van de agglomeraties en federaties van gemeenten;

 

2[...];

 

7°elke persoon die personeelslid is of een toelage of een wedde ontvangt van de gemeente, met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden en van het onderwijspersoneel;

 

8°elke persoon die personeelslid van het centrum is, met inbegrip van de personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die hun activiteiten uitoefenen in één van de instellingen of diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten gevolge van een beslissing van één van de organen van het centrum;

 

9°de beambten van het bosbeheer, wanneer hun bevoegdheid zich uitstrekt tot beboste eigendommen die aan het bosbeheer onderworpen zijn en die toebehoren aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarin zij hun ambt wensen uit te oefenen;

 

10°elke persoon die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat van adviseur voor maatschappelijk welzijn. De Regering maakt een niet beperkende lijst op van de ambten of mandaten die als gelijkwaardig beschouwd worden;

 

11°de staatsraden bij de Raad van State;

 

12°de leden van de hoven, rechtbanken, parketten en de griffiers.]1

 

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Enig lid, 6° opgeheven bij art. 2 Decr. W. Parl. 19 juli 2006 (B.S., 11 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 11 augustus 2006 (art. 3).

[Art. 9bis [Frans taalgebied]

Onverminderd artikel L1531-2, § 6, van hetWetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie mag de voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen zitting hebben als vast lid van een bestuursorgaan van een intercommunale waaraan de gemeente of het centrum verbonden is.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 2 Decr.W. 6 oktober 2010 (BS 27 oktober 2010).

[Art. 9ter [Frans taalgebied]

Een raadslid voor maatschappelijk welzijn mag niet meer dan drie bezoldigde mandaten van bestuurder bezitten in een intercommunale.

In de zin van dit artikel wordt verstaan onder bezoldigd mandaat, het mandaat waarvoor de houder ervan werkelijk een bezoldiging krijgt.

Het aantal mandaten wordt berekend door optelling van de bezoldigde mandaten die binnen de intercommunales bezeten worden, vermeerderd, in voorkomend geval, met de bezoldigde mandaten waarover de verkozene in die instellingen zou beschikken in zijn hoedanigheid van gemeente- of provincieraadslid.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 2 Decr.W. 6 oktober 2010 (BS 27 oktober 2010).

Art. 10 [Frans taalgebied]

1[De zetels binnen de raad voor maatschappelijk welzijn worden onder de politieke fracties verdeeld naar verhouding van het aantal zetels waarover elke politieke fractie binnen de gemeenteraad beschikt.

De zetels binnen de raad voor maatschappelijk welzijn worden verdeeld door het aantal in te vullen zetels te verdelen door het aantal gemeenteraadsleden, vermenigvuldigd met het aantal zetels waarover elke fractie binnen de gemeenteraad beschikt.

Het aantal eenheden geeft het aantal rechtstreeks verworven zetels aan.

De niet-toegekende zetels(s) wordt (worden) toegewezen in de orde van belangrijkheid van de decimalen.

Bij staking van stemmen wordt de zetel toegewezen aan de lijsten die aan het meerderheidspact deelnemen.

Elke politieke fractie, in de zin van artikel L1123-1, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie legt een kandidatenlijst over.

Het aantal kandidaten op de lijst stemt overeen met het aantal dat aan de politieke fractie toekomt overeenkomstig het tweede en het derde lid.

Een lijst is ontvankelijk voorzover ze door de meerderheid van de gemeenteraadsleden van eenzelfde politieke fractie getekend en door de voorgedragen kandidaten medeondertekend wordt. Als ze minstens drie personen telt, mag het aantal kandidaten van elk geslacht niet hoger zijn dan twee derde van het aantal toegewezen zetels, enerzijds, en dan één derde van de gemeenteraadsleden, anderzijds.

Als ze slechts twee personen telt, mag het niet hoger zijn dan de helft.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 11 [Frans taalgebied]

1[De voorzitter van de gemeenteraad, bijgestaan door de gemeentesecretaris, ontvangt de lijsten uiterlijk tussen de derde en de vierde maandag van november na de gemeenteverkiezingen.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 12 [Frans taalgebied]

1[De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden in openbare zitting aangewezen tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad van de gemeente die de gebiedsomschrijving van het centrum vormt.

De kandidaten die vermeld staan op een lijst getekend door een meerderheid van de betrokken politieke fractie worden van rechtswege door de gemeenteraad gekozen.

Als alle kandidaten evenwel van hetzelfde geslacht zijn, draagt de politieke fractie waaraan overeenkomstig artikel 10 de laatste zetel is toegewezen, een kandidaat van het andere geslacht voor.

De voorzitter van de gemeenteraad kondigt onmiddellijk de verkiezingsuitslag af.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 13 [Frans taalgebied]

1[Als er tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad vastgesteld wordt dat een politieke fractie geen lijst heeft overgelegd, zoals bedoeld in artikel 11, wordt de gemeenteraad opnieuw bijeengeroepen binnen een termijn van minstens vijftien dagen.

Als betrokken fractie tijdens deze tweede vergadering een lijst overlegt die voldoet aan de voorschriften van artikel 11, worden de kandidaten die erop vermeld staan aangewezen.

Bij gebreke daarvan worden de vacante zetels overeenkomstig artikel 10 onder de overige politieke fracties verdeeld. Elke betrokken politieke fractie wordt erom verzocht op haar beurt een bijkomende kandidatenlijst over te leggen die voldoet aan de voorschriften van artikel 10. Als deze lijst getekend wordt door een volstrekte meerderheid van de leden van betrokken politieke fractie, wordt (worden) de kandidaat (kandidaten) die erop vermeld staat (staan) aangewezen.

Wanneer een politieke fractie erom verzocht wordt verschillende kandidatenlijsten over te leggen, zorgt zij ervoor dat het globaal aantal kandidaten van elk geslacht niet hoger is dan twee derde van het aantal toegewezen zetels.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 14 [Frans taalgebied]

1[Wanneer een lid vóór het verstrijken van zijn mandaat ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn of om zijn vervanging vraagt overeenkomstig artikel 15, § 3, draagt de politieke fractie die hem voorgedragen heeft een kandidaat voor van het geslacht van het vervangen lid, tenzij het geslacht van deze kandidaat het minst vertegenwoordigd is binnen de raad.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 15 [Frans taalgebied]

1[§ 1

Het dossier van de verkiezing van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn wordt onverwijld aan het provinciecollege toegezonden.

Elk bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk bij het provinciecollege worden ingediend binnen vijf dagen volgend op de afkondiging van de verkiezingsuitslag.

Ongeacht of bij haar al dan niet bezwaar is ingediend, doet de bestendige deputatie als administratief rechtscollege uitspraak over de geldigheid van de verkiezing binnen twintig dagen na ontvangst van het dossier en herstelt ze, in voorkomend geval, de bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag begane vergissingen.

Indien binnen deze termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.

Het feit dat de verkiezing geldigheid heeft verkregen door het verstrijken van de termijn of de beslissing van het provinciecollege, wordt door de zorg van de gouverneur medegedeeld aan de gemeenteraad en aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

Er wordt bij ter post aangetekende brief kennis van gegeven aan de leden wier verkiezing werd vernietigd en aan de personen die bezwaren hebben ingediend.

De in het voorgaande lid bedoelde natuurlijke en rechtspersonen kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen vijftien dagen na de mededeling of de kennisgeving.

De gouverneur kan eenzelfde beroep instellen binnen vijftien dagen na de beslissing van het provinciecollege of na het verstrijken van de termijn.

Binnen acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State wordt ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede aan de gouverneur, alsmede aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad.

Hij geeft hen kennis van het arrest van de Raad van State.

Wanneer een vernietiging definitief geworden is, wordt tot een nieuwe verkiezing overgegaan.

§ 2

Het mandaat van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn vangt aan op 1 januari volgend op de gemeenteverkiezingen.

De installatievergadering vindt plaats uiterlijk 15 januari.

§ 3

Het lid dat ontslag neemt, blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd.

Het ter plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het mandaat van het lid dat hij opvolgt. Het lid dat een ouderschapsverlof wenst te nemen, wegens de geboorte of de adoptie van een kind, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het vast bureau, vervangen ten vroegste vanaf de zevende week vóór de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie tot het einde van de achtste week na de dag van de geboorte of de adoptie. De vervanging bedoeld in het derde lid is evenwel pas mogelijk na de beëdiging van het te vervangen lid.

§ 4

Wanneer, op de dag van de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn, het ontslag, dat bij aangetekende brief is aangeboden door een verkozene waarvoor de in artikel 9, 8°, bedoelde onverenigbaarheid geldt, nog niet werd aanvaard of wanneer dat ontslag het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de toeziende overheid, wordt de verkozene vervangen tot de dag waarop het ontslag wordt aanvaard of het geschil is beslecht.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 16 [Frans taalgebied]

1[Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat wegens een handicap zijn mandaat niet alleen kan uitoefenen, kan zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon die het kiest uit de kiezers van de gemeente die voldoen aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, en die niet deel uitmaken van het personeel van de gemeente of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van betrokken gemeente.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de criteria ter bepaling van de hoedanigheid van gehandicapt gemeenteraadslid.

Bij het verstrekken van die bijstand beschikt de vertrouwenspersoon over dezelfde middelen en is hij onderworpen aan dezelfde verplichtingen als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij heeft evenwel geen recht op aanwezigheidsgeld.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 17 [Frans taalgebied]

1[§ 1

Alvorens in functie te treden, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de vertrouwenspersonen bedoeld in artikel 16 tot de eedaflegging opgeroepen door de burgemeester of de afgevaardigde schepen.

Zij leggen in zijn handen de volgende eed af : "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen".

In geval van volledige vernieuwing van de raad heeft de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering.

Elke andere eedaflegging geschiedt enkel ten overstaan van de burgemeester en in afwezigheid van de gemeentesecretaris.

Hiervan wordt een door de burgemeester en de secretaris ondertekend proces-verbaal opgemaakt dat aan de voorzitter van de raad voor sociale actie wordt gestuurd

§ 2

Indien de burgemeester of afgevaardigde schepen nalaat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging op te roepen, worden de leden door de gouverneur opgeroepen en leggen ze de eed af in zijn handen of in de handen van een door hem aangeduide commissaris.

De gouverneur neemt deze maatregelen binnen dertig dagen nadat hij kennis heeft gekregen van het verzuim.

De kosten van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of de afgevaardigde schepen die verzuimd heeft uitvoering te geven aan dit artikel.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 18 [Frans taalgebied]

1[Wanneer een lid na de eedaflegging niet meer voldoet aan één van de voorwaarden van verkiesbaarheid of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren, stelt de burgemeester of de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn de Regering hiervan onverwijld in kennis.

Wanneer het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het raadslid vooraf op dezelfde wijze te verzoeken uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen.

Het lid beschikt over vijftien dagen om gevolg te geven aan dat verzoek.

De Regering of haar afgevaardigde, bij wie de zaak krachtens het vorige lid of ambtshalve aanhangig is gemaakt, bezorgt betrokkene tegen bericht van ontvangst een kennisgeving van de feiten die een ambtsneerlegging tot gevolg kunnen hebben.

Ten vroegste acht dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het vorige lid en na betrokkene, eventueel bijgestaan door de raadsman van zijn keuze, te hebben gehoord op zijn verzoek, stelt de Regering of haar afgevaardigde het ontslag vast in een gemotiveerde beslissing. Deze beslissing wordt door de Regering of haar afgevaardigde meegedeeld aan de burgemeester, die de raad voor maatschappelijk welzijn informeert. Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan tegen deze beslissing ingesteld worden. Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 19 [Frans taalgebied]

1[Het ontslag uit het ambt van raadslid wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die het aanvaardt op de eerste vergadering volgend op de mededeling.

Het ontslag heeft uitwerking op de datum waarop het door de raad aanvaard wordt.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 20 [Frans taalgebied]

1[In geval van zware nalatigheid of kennelijk wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door de Regering of haar afgevaardigde geschorst of afgezet worden op voorstel van de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur, het provinciecollege of zelfs van ambtswege. De schorsing mag niet langer dan drie maanden duren.

Betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, op zijn verzoek, gehoord, bijgestaan door de raadsman van zijn keuze; het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt om advies verzocht.

De beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde wordt ter kennis gebracht van betrokkene en meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur en het provinciecollege. Betrokkene, de raad voor maatschappelijk welzijn en de gemeenteraad beschikken over het recht om beroep in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de mededeling of na afloop van de termijn waarbinnen de Regering of haar afgevaardigde moet beslissen.

In de gevallen waarin zij zich over een voorstel tot schorsing of herroeping moet uitspreken, beslist de Regering of haar afgevaardigde binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop het voorstel haar is meegedeeld. Zij kan deze termijn met drie maanden verlengen; de beslissing tot verlenging heeft slechts gevolg als ze vóór het verstrijken van de aanvankelijke termijn van drie maanden meegedeeld wordt aan de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de gouverneur en het provinciecollege. Als een beslissing niet meegedeeld wordt binnen de voorgeschreven termijn, eventueel verlengd, wordt het stilzwijgen van de Regering of van haar afgevaardigde beschouwd als een beslissing tot verwerping van het voorstel.

De beslissing tot verlenging wordt binnen acht dagen aan betrokkene meegedeeld.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 21 [Frans taalgebied]

1[De Raad van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift om volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging uitspraak te doen over de beroepen ingediend met toepassing van artikel 15.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 22 [Frans taalgebied]

1[§ 1

De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is het lid van deze raad wiens identiteit vermeld staat in het meerderheidspact bedoeld in de artikelen L1123-1 en volgende van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.

§ 2

Vóór de aanneming van het meerderheidspact door de gemeenteraad, wordt de raad voor maatschappelijk welzijn voorgezeten door de voorzitter verkozen onder de vorige gemeentelijke legislatuur indien hij nog lid van de raad is en, bij gebreke daarvan, door het raadslid met de grootste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn onder de politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.

§ 3

Bij verhindering van de voorzitter wordt zijn ambt waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt aangewezen.

Bij gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van voorzitter waargenomen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn.

Als verhinderd wordt beschouwd de voorzitter die het ambt van minister, staatssecretaris, lid van een regering of gewestelijk staatssecretaris uitoefent gedurende de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend. De voorzitter die bij de geboorte of de adoptie van een kind ouderschapsverlof wenst op te nemen, wordt op eigen verzoek, schriftelijk gericht aan het vast bureau, vervangen tijdens de periode bedoeld in artikel 15, § 3.

§ 4

De functies van de voorzitter eindigen wanneer hij ontslag neemt uit zijn ambt, wanneer zijn mandaat van raadslid verstrijkt of wanneer de gemeenteraad jegens hem een constructieve motie van wantrouwen stemt.

Het ontslag uit het ambt van voorzitter wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die het in een gemotiveerde beslissing aanvaardt op de eerste vergadering volgend op de mededeling.

Het ontslag heeft uitwerking op de datum waarop het door de raad aanvaard wordt.

§ 5

In geval van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om een andere reden dan de volledige vernieuwing van de raad en onverminderd de stemming van een motie van wantrouwen t.o.v. het gemeentecollege, wordt hij tot de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn vervangen onder de politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.

§ 6

De Regering bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de voorzitter.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 23 [Frans taalgebied]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Afdeling 2 Werking van de raad voor maatschappelijk welzijn

Art. 24 [Federale tekst]

De raad voor maatschappelijk welzijn regelt alles wat tot de bevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort, tenzij de wet het anders bepaalt.

Verwerping van beroep

Artikel 24 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het aan de raad voor maatschappelijk welzijn de tuchtrechtelijke bevoegdheid toevertrouwt ten aanzien van de ontvanger van het O.C.M.W. (Arbitragehof nr. 141/2003, 29 oktober 2003 (prejudiciële vraag) (B.S., 20 januari 2004 (derde uitg.))).

Geselecteerde rechtspraak

Uit de samenlezing van art. 24 en de artt. 28, § 1, vierde lid, en 115, § 2, volgt dat de beslissing van het O.C.M.W. om in rechte te treden door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt genomen en dat het proces in de regel door de voorzitter van die raad wordt gevoerd (Cass. AR S.93.0081.F, 28 maart 1994).

De beslissing om hoger beroep tegen een vonnis in te stellen moet blijken uit een beslissing van de raad van maatschappelijk welzijn, maar niets belet dat die beslissing de bekrachtiging kan inhouden van een hoger beroep dat voorafgaandelijk werd ingesteld (Cass. (3e k.) AR S.97.0004.N, 2 juni 1997).

Art. 24 [Nederlands taalgebied]

1[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 25° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 25 [Nederlands taalgebied]

2[§ 1

Met behoud van de toepassing van artikel 27ter verkiest de raad voor maatschappelijk welzijn op de installatievergadering onder de raadsleden die geen personeelslid zijn van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend 3[met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden en de leden van de vrijwillige ambulancediensten]3 een voorzitter.

4[...]

§ 2

4[...]

§ 3

4[...]

§ 4

4[...]

§ 5

4[...]

De bepalingen van § 1 tot § 4 zijn van toepassing op de vervulling van de functie van ondervoorzitter, met dien verstande dat de ondervoorzitter of de ondervoorzitters worden gekozen onder de leden van het vast bureau, er evenveel stemrondes zijn als er in te vullen functies zijn bij een verkiezing overeenkomstig § 3 en een ondervoorzitter bij feitelijke afwezigheid kan worden vervangen door een door de raad verkozen plaatsvervangend ondervoorzitter.

3[§ 6

4[...]]3

29 december 20068 oktober 1992

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, c) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§§ 2, 3 en 4 opgeheven bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 148°, c) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 5 gewijzigd bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 148°, c) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 6 ingevoegd bij art. 4, 3° Decr. Vl. Parl. 22 december 2006 (B.S., 29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22) en opgeheven bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 148°, c) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Art. vervangen bij art. 14 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 19 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

§ 1 gewijzigd bij art. 4, 1° en 2° Decr. Vl. Parl. 22 december 2006 (B.S., 29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)).

Toekomstig recht

Artikel 25, §§ 1 en 5 worden gewijzigd bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 7 januari 2013 (art. 3, 6°, a) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 25 [Nederlands taalgebied]

2[§ 1

5[...]

4[...]

§ 2

4[...]

§ 3

4[...]

§ 4

4[...]

§ 5

4[...]

5[...]

3[§ 6

4[...]]3

Geselecteerde rechtspraak

De voorzitter wiens verkiezing vernietigd is door de Raad van State, bevindt zich niet in het geval bedoeld in art. 25, derde lid (thans art. 25, § 3, tweede lid) (Cass. AR 8365, 19 oktober 1989).

Verwijzingen

Zie Omz. BB 2007/06 van 13 juli 2007 (Procedure tot toekenning van eretitels aan lokale en provinciale mandatarissen – Titel X van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris) (B.S., 8 augustus 2007).

Art. 25 [Brussels Hoofdstedelijk Gewest]

1[§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn kiest onder zijn leden een voorzitter.

§ 2

De voorzitter verliest zijn voorzittersfunctie wanneer hij uit die functie ontslag neemt of wanneer hij ophoudt raadslid te zijn.

§ 3

Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de voorzitter wordt zijn ambt waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt aangewezen. Bij gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van voorzitter waargenomen door het oudste lid in jaren.

In geval van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om een andere reden dan de algehele vernieuwing van de raad, wordt hij vervangen door het oudste lid in jaren, tot de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen.

§ 4

Als verhinderd wordt beschouwd de voorzitter die het ambt van Minister, Staatssecretaris, lid van een Executieve of gewestelijke Staatssecretaris uitoefent, voor de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend.

De voorzitter die verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het vast bureau, gedurende die periode vervangen.

De voorzitter die een ouderschapsverlof wenst te nemen wegens de geboorte of de adoptie van een kind wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het vast bureau, vervangen voor de periode zoals bepaald in artikel 19, vijfde lid.

§ 5

2[Het Verenigd College]2 bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de voorzitter.]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 14 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 5 gewijzigd bij art. 8 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van het onderscheidingsteken van de voorzitters van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 9 februari 1993)

 

Geselecteerde rechtspraak

De voorzitter wiens verkiezing vernietigd is door de Raad van State, bevindt zich niet in het geval bedoeld in art. 25, derde lid (thans art. 25, § 3, tweede lid) (Cass. AR 8365, 19 oktober 1989).

Art. 25 [Duitstalige Gemeenschap]

1[§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn kiest onder zijn leden een voorzitter.

§ 2

De voorzitter verliest zijn voorzittersfunctie wanneer hij uit die functie ontslag neemt of wanneer hij ophoudt raadslid te zijn.

§ 3

Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de voorzitter wordt zijn ambt waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt aangewezen. Bij gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van voorzitter waargenomen door het oudste lid in jaren.

In geval van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om een andere reden dan de algehele vernieuwing van de raad, wordt hij vervangen door het oudste lid in jaren, tot de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen.

§ 4

Als verhinderd wordt beschouwd de voorzitter die het ambt van Minister, Staatssecretaris, lid van een Executieve of gewestelijke Staatssecretaris uitoefent, voor de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend.

De voorzitter die verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het vast bureau, gedurende die periode vervangen.

De voorzitter die een ouderschapsverlof wenst te nemen wegens de geboorte of de adoptie van een kind wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het vast bureau, vervangen voor de periode zoals bepaald in artikel 19, vijfde lid.

§ 5

2[De Regering]2 bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de voorzitter.]1

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 14 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 5 gewijzigd bij art. 23 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van het onderscheidingsteken van de voorzitters van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 9 februari 1993)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 20 april 2006 tot bepaling van het onderscheidingsteken van de voorzitters van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 28 april 2006)

 

Art. 25 [Frans taalgebied]

3[...]

28 april 1998

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 3 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 14 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

[Art. 25bis [Federale tekst]

De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, wordt door de bevoegde gemeenschapsoverheid op voorstel van de raad benoemd uit de leden van de raad.

Hij legt de in artikel 20 voorgeschreven eed af in handen van de provinciegouverneur. Wanneer bij de installatie van de raad na een algehele vernieuwing geen voorzitter is benoemd, wijst de raad een raadslid aan om, in afwachting van die benoeming, het ambt van voorzitter waar te nemen.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 15 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).

[Art. 25bis [Nederlands taalgebied]

De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, wordt door de bevoegde gemeenschapsoverheid op voorstel van de raad benoemd uit de leden van de raad.

Hij legt de in 2[artikel 16 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]2 voorgeschreven eed af in handen van de provinciegouverneur. Wanneer bij de installatie van de raad na een algehele vernieuwing geen voorzitter is benoemd, wijst de raad een raadslid aan om, in afwachting van die benoeming, het ambt van voorzitter waar te nemen.]1

24 december 2008

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 15 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en gewijzigd bij art. 272, 4° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 25ter [Federale tekst]

§ 1

In de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8, 3° tot 10°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, moet de voorzitter, elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en eenieder die het ambt van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn waarneemt, voor het uitoefenen van zijn ambt, van de taal van het taalgebied waarin de gemeente gelegen is, de kennis hebben die nodig is om het bedoeld mandaat uit te oefenen.

§ 2

Door het feit van hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in § 1 bedoelde mandatarissen de in die paragraaf bedoelde taalkennis bezitten.

Dat vermoeden is onweerlegbaar ten aanzien van elke voor het uitgeoefende mandaat rechtstreeks door de bevolking verkozen mandataris en ten aanzien van de voorzitter die tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1989 gedurende minstens drie jaar ononderbroken een mandaat van voorzitter heeft uitgeoefend.

Ten aanzien van andere mandatarissen kan dat vermoeden worden weerlegd op verzoek van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Daartoe moet de verzoeker het bewijs leveren van ernstige aanwijzingen die dat vermoeden kunnen weerleggen en afgeleid uit een rechterlijke beslissing, de bekentenis van de mandataris of de uitoefening van zijn ambt als individuele bestuursoverheid.

§ 3

Het in paragraaf 2 bedoelde verzoek wordt bij verzoekschrift ingediend bij de afdeling administratie van de Raad van State binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag van de eedaflegging als voorzitter of als niet-rechtstreeks gekozen raadslid of van het voor het eerst waarnemen van de functie van voorzitter, overeenkomstig artikel 25 of artikel 25bis, tweede lid.

§ 4

De Raad van State doet uitspraak, met voorrang boven alle andere zaken.

Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit regelt de rechtspleging voor de Raad van State.

§ 5

Indien de Raad van State ten aanzien van een voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt de benoeming vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot voorzitter worden benoemd, noch het ambt ervan waarnemen met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.

Indien de Raad van State ten aanzien van degene die het ambt van voorzitter waarneemt met toepassing van artikel 25 of van artikel 25bis, beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste geacht het ambt van voorzitter nooit te hebben uitgeoefend. In dat geval wordt het ambt van voorzitter vanaf de dag van de kennisgeving van het arrest waargenomen door een ander lid van de raad met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.

Indien de Raad van State ten aanzien van een niet-rechtstreeks gekozen lid van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt zijn verkiezing vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot raadslid worden verkozen.

§ 6

De miskenning van de bepalingen van § 5 door diegenen ten aanzien van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van artikel 22.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 15 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 22 december 1988 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State in geval van beroep als bedoeld bij artikel 25ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en bij artikel 68bis van de gemeentekieswet (B.S., 29 december 1988)

 

[Art. 25ter [Nederlands taalgebied]

§ 1

In de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8, 3° tot 10°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, moet de voorzitter, elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en eenieder die het ambt van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn waarneemt, voor het uitoefenen van zijn ambt, van de taal van het taalgebied waarin de gemeente gelegen is, de kennis hebben die nodig is om het bedoeld mandaat uit te oefenen.

§ 2

Door het feit van hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in § 1 bedoelde mandatarissen de in die paragraaf bedoelde taalkennis bezitten.

Dat vermoeden is onweerlegbaar ten aanzien van elke voor het uitgeoefende mandaat rechtstreeks door de bevolking verkozen mandataris en ten aanzien van de voorzitter die tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1989 gedurende minstens drie jaar ononderbroken een mandaat van voorzitter heeft uitgeoefend.

Ten aanzien van andere mandatarissen kan dat vermoeden worden weerlegd op verzoek van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Daartoe moet de verzoeker het bewijs leveren van ernstige aanwijzingen die dat vermoeden kunnen weerleggen en afgeleid uit een rechterlijke beslissing, de bekentenis van de mandataris of de uitoefening van zijn ambt als individuele bestuursoverheid.

§ 3

Het in paragraaf 2 bedoelde verzoek wordt bij verzoekschrift ingediend bij de afdeling administratie van de Raad van State binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag van de eedaflegging als voorzitter of als niet-rechtstreeks gekozen raadslid of van het voor het eerst waarnemen van de functie van voorzitter, overeenkomstig 2[artikel 25bis, tweede lid, of artikel 53 en 54 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]2.

§ 4

De Raad van State doet uitspraak, met voorrang boven alle andere zaken.

Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit regelt de rechtspleging voor de Raad van State.

§ 5

Indien de Raad van State ten aanzien van een voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt de benoeming vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot voorzitter worden benoemd, noch het ambt ervan waarnemen met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.

Indien de Raad van State ten aanzien van degene die het ambt van voorzitter waarneemt met toepassing van artikel 25 of van artikel 25bis, beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste geacht het ambt van voorzitter nooit te hebben uitgeoefend. In dat geval wordt het ambt van voorzitter vanaf de dag van de kennisgeving van het arrest waargenomen door een ander lid van de raad met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.

Indien de Raad van State ten aanzien van een niet-rechtstreeks gekozen lid van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt zijn verkiezing vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot raadslid worden verkozen.

§ 6

De miskenning van de bepalingen van § 5 door diegenen ten aanzien van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van artikel 22.]1

24 december 2008

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 15 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).

§ 3 gewijzigd bij art. 272, 5° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 22 december 1988 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State in geval van beroep als bedoeld bij artikel 25ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en bij artikel 68bis van de gemeentekieswet (B.S., 29 december 1988)

 

[Art. 25quater [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 20 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 27° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, d) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 26 [Nederlands taalgebied]

4[...]

30 augustus 20068 oktober 1992

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 28° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, d) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 1 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984), vervangen bij art. 15 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 21 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)).

Art. 26 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[§ 1

De burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn bijwonen. Hij kan er zich laten vertegenwoordigen door een schepen aangewezen door het college van burgemeester en schepenen.

Wanneer de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze voorzitten indien hij dat wenst.

§ 2

Ten minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een delegatie van de raad voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Deze delegaties vormen samen het overlegcomité. Zij omvatten in elk geval de burgemeester of de schepen die de burgemeester aanwijst en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.

3[Het Verenigd College]3 kan de voorwaarden en nadere regelen van dat overleg vaststellen.

Behoudens andersluidende bepalingen vastgesteld door 3[het Verenigd College]3, gelden voor dat overleg de regelen welke worden vastgesteld in een huishoudelijk reglement, aangenomen door de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.

De secretarissen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn nemen het secretariaat waar van het overlegcomité.]2

18 juni 2003

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 15 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 gewijzigd bij art. 9 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 1 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van de voorwaarden en modaliteiten van het overleg bedoeld in artikel 26, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 1992 (B.S., 9 februari 1993)

 

Art. 26 [Duitstalige Gemeenschap]

2[§ 1

De burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn bijwonen. Hij kan er zich laten vertegenwoordigen door een schepen aangewezen door het college van burgemeester en schepenen.

Wanneer de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze voorzitten indien hij dat wenst.

§ 2

Ten minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een delegatie van de raad voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Deze delegaties vormen samen het overlegcomité. Zij omvatten in elk geval de burgemeester of de schepen die de burgemeester aanwijst en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.

3[De Regering]3 kan de voorwaarden en nadere regelen van dat overleg vaststellen.

Behoudens andersluidende bepalingen vastgesteld door 3[de Regering]3, gelden voor dat overleg de regelen welke worden vastgesteld in een huishoudelijk reglement, aangenomen door de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.

De secretarissen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn nemen het secretariaat waar van het overlegcomité.]2

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 15 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 1 K.B. nr. 244, 31 december 1984 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van de voorwaarden en modaliteiten van het overleg bedoeld in artikel 26, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 1992 (B.S., 9 februari 1993)

 

Art. 26 [Frans taalgebied]

2[§ 1

De burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn bijwonen. 4[...]

Wanneer de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze voorzitten indien hij dat wenst.

§ 2

Ten minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een delegatie van de raad voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Deze delegaties vormen samen het overlegcomité. Zij omvatten in elk geval de burgemeester of de schepen die de burgemeester aanwijst en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.

3[Als het overleg een ziekenhuisaangelegenheid betreft, worden een afvaardiging van het beheerscomité en de directeur van het ziekenhuis verzocht het overleg met raadgevende stem bij te wonen.]3

De 3[Regering]3 kan de voorwaarden en nadere regelen van dat overleg vaststellen.

Behoudens andersluidende bepalingen vastgesteld door de 3[Regering]3, gelden voor dat overleg de regelen welke worden vastgesteld in een huishoudelijk reglement, aangenomen door de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.

De secretarissen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn nemen het secretariaat waar van het overlegcomité.]2

28 april 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 15 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1 gewijzigd bij art. 4 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 2 gewijzigd bij art. 4 en 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 1 K.B. nr. 244, 31 december 1984 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van de voorwaarden en modaliteiten van het overleg bedoeld in artikel 26, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 1992 (B.S., 9 februari 1993)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 26bis [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[§ 1

Over de volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:

1°de begroting van het centrum alsook die van de ziekenhuizen welke van het centrum afhangen;

 

2°het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie;

 

3°het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging een financiële weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het gemeentelijk personeel wordt afgeweken;

 

4°de indienstneming van bijkomend personeel, behalve in gevallen van hoogdringendheid zoals bepaald in artikel 56;

 

5°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en de uitbreiding van de bestaande;

 

6°het oprichten van verenigingen overeenkomstig de artikelen 118 en volgende;

 

7°de begrotingswijzigingen, zodra deze van aard zijn dat ze de tegemoetkoming van de gemeente zullen verhogen 3[of verminderen]3 evenals de beslissingen met betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt;

 

4[het beleidsprogramma bedoeld in artikel 72.]4

 

§ 2

Over de volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:

1°het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende beslissingen een weerslag kunnen hebben op de begroting en het beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;

 

2°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande.

 

§ 3

De lijst van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan worden aangevuld in het huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26, § 2.

§ 4

Het voorstel dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de notulen van de overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd wanneer deze aan de toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.

§ 5

Het overlegcomité waakt erover dat elk jaar een verslag wordt opgesteld met betrekking tot de schaalvoordelen en het opheffen van overlappingen of het dooreenlopen van activiteiten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en van de gemeente. Dit verslag wordt aan de begroting van het centrum gehecht.]2]1

4 februari 1993

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 2 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984) en vervangen bij art. 16 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1, enig lid:

–7° gewijzigd bij art. 1 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993);

 

–8° ingevoegd bij art. 2 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 7 maart 2002 (B.S., 8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 8 mei 2002 (art. 4).

 

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1983 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984)

[Art. 26bis [Duitstalige Gemeenschap]

2[§ 1

Over de volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:

1°de begroting van het centrum alsook die van de ziekenhuizen welke van het centrum afhangen;

 

2°het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie;

 

3°het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging een financiële weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het gemeentelijk personeel wordt afgeweken;

 

4°de indienstneming van bijkomend personeel, behalve in gevallen van hoogdringendheid zoals bepaald in artikel 56;

 

5°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en de uitbreiding van de bestaande;

 

6°het oprichten van verenigingen overeenkomstig de artikelen 118 en volgende;

 

7°de begrotingswijzigingen, zodra deze van aard zijn dat ze de tegemoetkoming van de gemeente zullen verhogen 3[...] evenals de beslissingen met betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt.

 

§ 2

Over de volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:

1°het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende beslissingen een weerslag kunnen hebben op de begroting en het beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;

 

2°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande.

 

§ 3

De lijst van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan worden aangevuld in het huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26, § 2.

§ 4

Het voorstel dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de notulen van de overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd wanneer deze aan de toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.

§ 54[...]]2]1

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 2 KB nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984) en vervangen bij art. 16 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1 enig lid, 7° gewijzigd bij art. 1 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

§ 5 gewijzigd bij art. 6 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

[Art. 26bis [Frans taalgebied]

2[§ 1

Over de volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:

1°de begroting van het centrum alsook die van de ziekenhuizen welke van het centrum afhangen;

 

2°het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie;

 

3°het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging een financiële weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het gemeentelijk personeel wordt afgeweken;

 

4[de indienstneming van bijkomend personeel, behalve als het om het ziekenhuispersoneel gaat of als de indienstneming overeenkomstig de bepalingen van artikel 56 geschiedt;]4

 

5°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en de uitbreiding van de bestaande 4[behalve als het gaat om het ziekenhuis waarvan de overeenkomstig artikel 89 goedgekeurde rekeningen en de begrotingsvooruitzichten niet op een tekort wijzen]4;

 

6°het oprichten van verenigingen overeenkomstig de artikelen 118 en volgende;

 

7°de begrotingswijzigingen, zodra deze van aard zijn dat ze de tegemoetkoming van de gemeente zullen verhogen 4[...] evenals de beslissingen met betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt.

 

§ 2

Over de volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:

1°het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende beslissingen een weerslag kunnen hebben op de begroting en het beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;

 

2°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande.

 

§ 3

De lijst van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan worden aangevuld in het huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26, § 2.

§ 4

Het voorstel dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de notulen van de overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd wanneer deze aan de toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.

§ 5

5[Het overlegcomité zorgt voor het jaarlijks opmaken van een verslag over het geheel van de bestaande en de te ontwikkelen samenwerkingsverbanden tussen de gemeente en het centrum voor maatschappelijk welzijn. Dat verslag heeft ook betrekking op de kostenbesparingen en de afschaffingen van de dubbele banen of de overlappingen van activiteiten van het centrum voor maatschappelijk welzijn en de gemeente. Dat rapport wordt bij de begroting van het centrum gevoegd.

Dat rapport wordt overgelegd op een jaarlijkse gemeenschappelijke en openbare vergadering van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.]5]2]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 2 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984) en vervangen bij art. 16 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1, enig lid:

–4° vervangen bij art. 5, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998);

 

–5° gewijzigd bij art. 5, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998);

 

–7° gewijzigd bij art. 5, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

 

§ 5 vervangen bij art. 5 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Voorgeschiedenis

§ 1, enig lid, 7° gewijzigd bij art. 1 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 26bis [Nederlands taalgebied]

7[...]

30 juni 199930 juni 199910 september 1998

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 2 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984) en opgeheven bij art. 22 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Voorgeschiedenis

Art. vervangen bij art. 16 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1, enig lid:

–1° vervangen bij art. 2, 1° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003, behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000));

 

–4° tot 6° vervangen bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 juni 1998 (art. 1 B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998));

 

–6° gewijzigd bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.));

 

–7° gewijzigd bij art. 1 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)), vervangen bij art. 2, 1° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

 

§ 2, enig lid, 1° vervangen bij art. 2, 2° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§ 2 opgeheven bij art. 303, 1° Decr. Vl. Parl. 15 juli 2005 (B.S., 31 augustus 2005 (derde uitg.)), zelf opgeheven bij art. 49 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

§ 3 gewijzigd bij art. 301 Decr. Vl. Parl. 15 juli 2005 (B.S., 31 augustus 2005 (derde uitg.)), zelf opgeheven bij art. 49 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

§ 5 opgeheven bij art. 2, 3° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1983 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984)

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 50 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)).

[Art. 26ter [Federale tekst]

2[Bij gebreke aan overleg, op afdoende wijze vastgesteld, te wijten aan de gemeentelijke overheden, beslist het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de toepassing van het administratief toezicht.]2]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 1 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en vervangen bij art. 17 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

[Art. 26ter [Frans taalgebied]

2[Bij gebreke aan overleg, op afdoende wijze vastgesteld, te wijten aan de gemeentelijke overheden, beslist het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de toepassing van het administratief toezicht.]2]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 1 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en vervangen bij art. 17 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 26ter [Nederlands taalgebied]

3[...]]1

30 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 1 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en opgeheven bij art. 23 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 17 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 50 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)).

Art. 27 [Nederlands taalgebied]

§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn 2[richt in zijn midden een vast bureau op]2 6[...]

§ 2

6[...]

§ 3

6[...]

Voor elk bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag evenwel, met inbegrip van zijn voorzitter, niet minder tellen dan:

1°drie leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn van negen leden;

 

2°vier leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn van elf of dertien leden;

 

3°vijf leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn van vijftien leden.

 

6[...]

5[§ 3bis

6[...]]5

§ 4

1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het vast bureau geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, neemt een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het vast bureau vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van dit bureau.

Het in het eerste lid bedoelde lid is het eerst gerangschikte lid van de niet vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis daarvan, het lid van de raad dat van rechtswege aangewezen is met toepassing van artikel 6, § 4.]1

30 augustus 20066 februari 19984 februari 1993

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 2 opgeheven bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 3 gewijzigd bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 3bis opgeheven bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 3bis ingevoegd bij art. 24, 2° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 4 vervangen bij art. 7 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989), met ingang van 17 juni 1989 (art. 52, § 1).

Voorgeschiedenis

§ 1, lid 1 gewijzigd bij art. 18, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 3, 1° tot 3° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§ 1, lid 2 gewijzigd bij art. 2 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)).

§ 1, lid 3 ingevoegd bij art. 3, 1° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§ 1, lid 4 vervangen bij art. 18, 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1, lid 4:

–inleidende bepaling gewijzigd bij art. 3, 2° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000));

 

–4° opgeheven bij art. 3, 3° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

 

§ 1, lid 5 opgeheven bij art. 3, 3° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§ 3 vervangen bij art. 18, 3° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 24, 1° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Toekomstig recht

Artikel 27, §§ 1 en 3 worden gewijzigd bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang 7 januari 2013 (art. 3, 6°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 27 [Nederlands taalgebied]

§ 1

6[...]7[...]

§ 2

6[...]

§ 3

6[...]7[...]

5[§ 3bis

6[...]]5

§ 4

1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het vast bureau geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, neemt een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het vast bureau vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van dit bureau.

Het in het eerste lid bedoelde lid is het eerst gerangschikte lid van de niet vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis daarvan, het lid van de raad dat van rechtswege aangewezen is met toepassing van artikel 6, § 4.]1

Geselecteerde rechtspraak

Uit de redactie van de art. 24, 27 en 115 van de wet volgt dat alleen de raad bevoegd is om te beslissen over een beroep bij de Raad van State en dat die bevoegdheid niet aan het vast bureau kan worden overgedragen (R.v.St. nr. 35.021, 29 mei 1990).

Art. 27 [Duitstalige Gemeenschap]

§ 1

4[De raad voor maatschappelijk welzijn kan in zijn midden een vast bureau oprichten dat belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel omschreven bevoegdheden kan overdragen.]4

Onverminderd de toepassing van artikel 94, kan de raad in zijn midden eveneens bijzondere comités oprichten waaraan hij wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. Er kunnen evenwel geen bijzondere comités worden opgericht zolang geen bijzonder comité voor de sociale dienst werd aangesteld. 3[Bovendien kan de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de bijzondere comités mogen vervangen, wanneer die belet zijn. De plaatsvervangers dienen op dezelfde akte van voordracht voor te komen als de betrokken effectieve leden.]3

2[Overdracht van bevoegdheden aan het vast bureau of aan de bijzondere comités is niet toegelaten voor de beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor beslissingen die aan de machtiging of goedkeuring van een toezichthoudende overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen omtrent:

1°de vervreemding, de verdeling en de ruil van onroerende goederen of onroerende rechten;

 

2°de leningen, de dadingen, de verwerving van onroerende goederen en de vaste beleggingen van kapitalen;

 

3°het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het centrum;

 

4°de aanneming van werken, leveringen en diensten waarvan de waarde hoger is dan:

6[6200 €]6 in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van gemeenten met minder dan 15.000 inwoners;

 

6[12.500 €]6 in het centrum van gemeenten met 15.000 tot 49.999 inwoners;

 

6[25.000 €]6 in het centrum van gemeenten met 50.000 inwoners of meer.

 

5[De Regering]5 kan, telkens als de omstandigheden zulks verantwoorden, overgaan tot de aanpassing van de hierboven vermelde bedragen.]2

§ 2

Het vast bureau blijft in funktie tot de installatie van de nieuwe raad. De bijzondere comités kunnen worden aangesteld voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur, doch hun bestaansduur kan nooit verder reiken dan de installatie van de nieuwe raad.

De overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen worden.

§ 3

2[Het vast bureau telt, met inbegrip van zijn voorzitter:

3 leden voor een raad van 9 leden;

 

4 leden voor een raad van 11 of 13 leden;

 

5 leden voor een raad van 15 leden.

 

Voor elk bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan:

3 leden voor een raad van 9 leden;

 

4 leden voor een raad van 11 of 13 leden;

 

5 leden voor een raad van 15 leden.

 

De voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter van het vast bureau en van de bijzondere comités. Nochtans kunnen het vast bureau en de bijzondere comités, in aanwezigheid van de voorzitter, een ondervoorzitter aanwijzen belast met het voorzitterschap van de vergaderingen in de plaats van het oudste lid in jaren zoals voorzien in artikel 25.

De leden van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité worden, met uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in één enkele stemronde aangewezen, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van stemmen is de oudste kandidaat in jaren verkozen.

Behoudens in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, zijn de leden van het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij lid zijn.

Wanneer het mandaat van een lid van het vast bureau of van een bijzonder comité een einde neemt, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat voorgesteld was op dezelfde voordrachtakte waarvan sprake is in artikel 11, § 1, behalve in geval het lid in het vast bureau of bijzonder comité was verkozen als oudste in jaren bij staking van stemmen.

Bij gebrek aan leden die zijn voorgesteld op de in het zesde lid bedoelde voordrachtakte of in geval het lid waarvan het mandaat een einde neemt was verkozen in het vast bureau of het bijzonder comité als oudste in jaren bij staking van stemmen, mag eender welk lid verkozen worden.]2

7[§ 3bis

Als de met toepassing van dit artikel verkozen leden van het vast bureau, met uitzondering van de van rechtswege aangewezen voorzitter, van hetzelfde geslacht zijn, wordt het op basis van het kleinste aantal stemmen verkozen lid vervangen door een lid van het ander geslacht vermeld op de in artikel 11, § 1, bedoelde voordracht. Wanneer op deze voordracht geen lid van het ander geslacht staat, kan elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat tot het vereiste geslacht behoort, worden verkozen.

Als het uittredend lid in het vast bureau, met uitzondering van de van rechtswege aangewezen voorzitter, vóór het einde van zijn mandaat het enige van het ander geslacht was, dan kan elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van dit geslacht worden verkozen, wanneer op de in artikel 11 § 1 vermelde voordracht geen lid van het vereiste geslacht staat.]7

§ 4

1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het vast bureau geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, neemt een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het vast bureau vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van dit bureau.

Het in het eerste lid bedoelde lid is het eerst gerangschikte lid van de niet vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis daarvan, het lid van de raad dat van rechtswege aangewezen is met toepassing van artikel 6, § 4.]1

§ 5

4[In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn waar de raad voor maatschappelijk welzijn geen vast bureau overeenkomstig § 1 heeft opgericht, worden de in de artikelen 19, 20 en 84 van die wet bedoelde opdrachten van het vast bureau door de voorzitter uitgevoerd. Het in artikel 25, § 4, bedoeld verzoek van die voorzitter moet worden gericht aan de raad voor maatschappelijk welzijn.]4

12 september 200230 december 1995

Wetshistoriek

§ 1, lid 1 vervangen bij art. 7 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 april 1995 (art. 30).

§ 1, lid 2 gewijzigd bij art. 2 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

§ 1, lid 3 vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1, lid 3, 4° gewijzigd bij art. 55 Decr. D. Gem. R. 7 januari 2002 (B.S., 12 september 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 64).

§ 1, lid 4 vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§ 3 vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3bis ingevoegd bij art. 4 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007 (art. 6).

§ 4 vervangen bij art. 7 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).

§ 5 ingevoegd bij art. 7 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 april 1995 (art. 30).

Art. 27 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn 2[richt in zijn midden een vast bureau op]2 dat belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel omschreven bevoegdheden kan overdragen.

Onverminderd de toepassing van artikel 94, kan de raad in zijn midden eveneens bijzondere comités oprichten waaraan hij wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. Er kunnen evenwel geen bijzondere comités worden opgericht zolang geen bijzonder comité voor de sociale dienst werd aangesteld. 3[Bovendien kan de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de bijzondere comités mogen vervangen, wanneer die belet zijn. De plaatsvervangers dienen op dezelfde akte van voordracht voor te komen als de betrokken effectieve leden.]3

2[Overdracht van bevoegdheden aan het vast bureau of aan de bijzondere comités is niet toegelaten voor de beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor beslissingen die aan de machtiging of goedkeuring van een toezichthoudende overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen omtrent:

1°de vervreemding, de verdeling en de ruil van onroerende goederen of onroerende rechten;

 

2°de leningen, de dadingen, de verwerving van onroerende goederen en de vaste beleggingen van kapitalen;

 

3°het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het centrum;

 

4°de aanneming van werken, leveringen en diensten waarvan de waarde hoger is dan:

6[20.000 euro]6 in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van gemeenten met minder dan 15.000 inwoners;

 

6[40.000 euro]6 in het centrum van gemeenten met 15.000 tot 49.999 inwoners;

 

6[100.000 euro]6 in het centrum van gemeenten met 50.000 inwoners of meer.

 

5[Het Verenigd College]5 kan, telkens als de omstandigheden zulks verantwoorden, overgaan tot de aanpassing van de hierboven vermelde bedragen.]2

§ 2

Het vast bureau blijft in funktie tot de installatie van de nieuwe raad. De bijzondere comités kunnen worden aangesteld voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur, doch hun bestaansduur kan nooit verder reiken dan de installatie van de nieuwe raad.

De overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen worden.

§ 3

2[Het vast bureau telt, met inbegrip van zijn voorzitter:

3 leden voor een raad van 9 leden;

 

4 leden voor een raad van 11 of 13 leden;

 

5 leden voor een raad van 15 leden.

 

Voor elk bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan:

3 leden voor een raad van 9 leden;

 

4 leden voor een raad van 11 of 13 leden;

 

5 leden voor een raad van 15 leden.

 

De voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter van het vast bureau en van de bijzondere comités. Nochtans kunnen het vast bureau en de bijzondere comités, in aanwezigheid van de voorzitter, een ondervoorzitter aanwijzen belast met het voorzitterschap van de vergaderingen in de plaats van het oudste lid in jaren zoals voorzien in artikel 25.

De leden van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité worden, met uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in één enkele stemronde aangewezen, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van stemmen is de oudste kandidaat in jaren verkozen.

Behoudens in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, zijn de leden van het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij lid zijn.

Wanneer het mandaat van een lid van het vast bureau of van een bijzonder comité een einde neemt, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat voorgesteld was op dezelfde voordrachtakte waarvan sprake is in artikel 11, § 1, behalve in geval het lid in het vast bureau of bijzonder comité was verkozen als oudste in jaren bij staking van stemmen.

Bij gebrek aan leden die zijn voorgesteld op de in het zesde lid bedoelde voordrachtakte of in geval het lid waarvan het mandaat een einde neemt was verkozen in het vast bureau of het bijzonder comité als oudste in jaren bij staking van stemmen, mag eender welk lid verkozen worden.]2

§ 4

1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het vast bureau geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, neemt een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het vast bureau vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van dit bureau.

Het in het eerste lid bedoelde lid is het eerst gerangschikte lid van de niet vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis daarvan, het lid van de raad dat van rechtswege aangewezen is met toepassing van artikel 6, § 4.]1

18 juni 200323 december 1997

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 2 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), bij art. 10 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52) en bij art. 1 B.Ver.Coll.Gem.Gem.Comm. 24 september 2009 (BS 12 november 2009).

§ 3 vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 4 vervangen bij art. 7 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 1 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 13 november 1997 (B.S., 23 december 1997).

Geselecteerde rechtspraak

Uit de redactie van de art. 24, 27 en 115 van de wet volgt dat alleen de raad bevoegd is om te beslissen over een beroep bij de Raad van State en dat die bevoegdheid niet aan het vast bureau kan worden overgedragen (R.v.St. nr. 35.021, 29 mei 1990).

Art. 27 [Frans taalgebied]

§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn 2[richt in zijn midden een vast bureau op]2 dat belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel omschreven bevoegdheden kan overdragen.

Onverminderd de toepassing van artikel 94, kan de raad in zijn midden eveneens bijzondere comités oprichten waaraan hij wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. Er kunnen evenwel geen bijzondere comités worden opgericht zolang geen bijzonder comité voor de sociale dienst werd aangesteld. 3[Bovendien kan de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de bijzondere comités mogen vervangen, wanneer die belet zijn. De plaatsvervangers dienen op dezelfde akte van voordracht voor te komen als de betrokken effectieve leden.]3

2[Overdracht van bevoegdheden aan het vast bureau of aan de bijzondere comités is niet toegelaten voor de beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor beslissingen die aan de machtiging of goedkeuring van een toezichthoudende overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen omtrent:

1°de vervreemding, de verdeling en de ruil van onroerende goederen of onroerende rechten;

 

2°de leningen, de dadingen, de verwerving van onroerende goederen en de vaste beleggingen van kapitalen;

 

3°het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het centrum;

 

5[de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten behalve de gevallen bedoeld in artikel 84.]5

 

5[...]]2

§ 2

Het vast bureau blijft in funktie tot de installatie van de nieuwe raad. De bijzondere comités kunnen worden aangesteld voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur, doch hun bestaansduur kan nooit verder reiken dan de installatie van de nieuwe raad.

De overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen worden.

§ 3

7[Het vast bureau en elk bijzonder comité tellen leden van elk geslacht.

Het vast bureau telt, met inbegrip van zijn voorzitter:

–drie leden voor een raad van negen leden;

 

–vier leden voor een raad van elf of dertien leden;

 

–vijf leden voor een raad van vijftien leden;

 

Voor elk bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan:

–drie leden voor een raad van negen leden;

 

–vier leden voor een raad van elf of dertien leden;

 

–vijf leden voor een raad van vijftien leden.]7

 

§ 4

7[De voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter van het vast bureau en van de bijzondere comités. Het vast bureau en de bijzondere comités kunnen evenwel, in aanwezigheid van de voorzitter, binnen hun midden een ondervoorzitter aanwijzen die het voorzitterschap van de zittingen zal waarnemen in de plaats van het raadslid dat de zittingen moet voorzitten krachtens artikel 22, § 3.]7

7[§ 5

De leden van het vast bureau en van de bijzondere comités mogen geen bloed- of aanverwant zijn tot en met de derde graad.

§ 6

8[Het vast bureau en de bijzondere comités tellen leden van beide geslachten.

De leden van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité worden, met uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in één enkele stemronde aangewezen, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van stemmen wordt de oudste kandidaat verkozen.

Indien, na de stemming, het gemengd karakter binnen het vast bureau en een bijzonder comité niet gewaarborgd is, wordt de uitslag ongeldig verklaard.

Er wordt voor het geheel van de zetels, behalve die van de voorzitter, een nieuwe geheime stemming in één enkele stemronde gehouden tot de aanwezigheid van beide geslachten binnen het vast bureau en de bijzondere comités gewaarborgd is.

Behoudens in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, worden de leden van het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij lid zijn.

Wanneer het mandaat van een lid van het vast bureau of van een bijzonder comité eindigt, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat op dezelfde lijst is verkozen.

Er wordt van het zesde lid afgeweken wanneer geen ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is verkozen op dezelfde lijst als die van het te vervangen lid van het vast bureau of bijzonder comité of wanneer laatsgenoemd lid bij staking van stemmen zijn verkiezing binnen het vast bureau of het bijzonder comité slechts aan zijn leeftijd te danken heeft. In beide gevallen kan elk raadslid verkozen worden.

Er wordt eveneens van het vierde lid afgeweken wanneer, na toepassing ervan, het vast bureau of een bijzonder comité uitsluitend leden van hetzelfde geslacht zou tellen. In dit geval kan elk raadslid verkozen worden dat tot het andere geslacht behoort.]8]7

17 februari 200312 juni 200228 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 2 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993) en bij art. 2, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede uitg.)).

§ 3 vervangen bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 4 vervangen bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 5 ingevoegd bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 6 ingevoegd bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22) en vervangen bij art. 2 Decr. W. Parl. 19 juli 2006 (B.S., 11 augustus 2006 (tweede uitg.)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 3 vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 3 Decr. W. Gew. R. 6 februari 2003 (B.S., 17 februari 2003).

§ 4 vervangen bij art. 7 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 27bis [Federale tekst]

§ 1

In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren is de oprichting van een vast bureau verplicht.

De leden van het vast bureau worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers op de wijze bepaald bij artikel 2bis van de gemeentewet.

2[In het aantal leden van het vast bureau, zoals het is vastgesteld in artikel 27, § 3, wordt de voorzitter alleen dan meegerekend als hij rechtstreeks is verkozen als lid van het vast bureau.]2

§ 2

Het vast bureau van bovenvermelde openbare centra voor maatschappelijk welzijn beslist bij consensus. Bij gebrek aan consensus wordt de zaak door de voorzitter voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn.]1

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 17 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).

§ 1 gewijzigd bij art. 8 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot vaststelling van het model van de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van de provincieraden en de gemeenteraden, voor de verkiezing van de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 augustus 2000)

 

[Art. 27bis

§ 1

In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren is de oprichting van een vast bureau verplicht.

De leden van het vast bureau worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers op de wijze bepaald bij artikel 2bis van de gemeentewet.

2[In het aantal leden van het vast bureau, zoals het is vastgesteld 3[bij artikel 60, § 3, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]3, wordt de voorzitter alleen dan meegerekend als hij rechtstreeks is verkozen als lid van het vast bureau.]2

§ 2

Het vast bureau van bovenvermelde openbare centra voor maatschappelijk welzijn beslist bij consensus. Bij gebrek aan consensus wordt de zaak door de voorzitter voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn.]1

24 december 2008

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 17 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).

§ 1 gewijzigd bij art. 8 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989) en bij art. 272, 6° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot vaststelling van het model van de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van de provincieraden en de gemeenteraden, voor de verkiezing van de districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 augustus 2000)

 

[Art. 27ter [Nederlands taalgebied]

3[...]

]1

30 augustus 200630 juni 1999

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)), met ingang van 30 juni 1999 (art. 5) en opgeheven bij art. 276, 30° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 25 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Art. 28 [Federale tekst]

1[§ 1]1

De voorzitter van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn leidt de aktiviteiten van dit centrum.

Hij zorgt voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad, aan het vast bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd.

Hij roept deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.

Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het vast bureau en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en de bijzondere comités genomen beslissingen worden ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht. 1[De notulen van de vergaderingen van het overlegcomité dienen ter kennis te worden gebracht van de raad voor maatschappelijk welzijn.]1 Hij vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.

2[Wanneer een dakloze persoon een beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de voorzitter hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen vastgesteld door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, mits zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging aan de raad voor te leggen.]2

§ 2

1[De beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau en van de bijzondere comités, de bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden ondertekend door de voorzitter en door de secretaris.

De voorzitter kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan een of meerdere leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij kan deze opdracht te allen tijde herroepen. Het lid of de leden aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening, naam en functie, melding maken van die opdracht.

De raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau kan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn machtigen de medeondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum. Deze opdracht geschiedt schriftelijk en is te allen tijde herroepbaar; de raad voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening, naam en functie, melding maken van die opdracht.]1

1[§ 3]1

De voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, zelf tot hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de raad te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging.

§ 4

1[De voorzitter woont, op zijn verzoek of op uitnodiging van de burgemeester, met raadgevende stem de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen bij teneinde gehoord te worden betreffende aangelegenheden die verband houden met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Te dien einde ontvangt de voorzitter de agenda van de vergaderingen van het college.]1

Wetshistoriek

§ 1 vernummerd bij art. 19 en gewijzigd bij art. 19bis W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 3 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

§ 2 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3 vernummerd en § 4 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 28 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[§ 1]1

De voorzitter van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn leidt de aktiviteiten van dit centrum.

Hij zorgt voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad, aan het vast bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd.

Hij roept deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.

Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het vast bureau en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en de bijzondere comités genomen beslissingen worden ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht. 1[De notulen van de vergaderingen van het overlegcomité dienen ter kennis te worden gebracht van de raad voor maatschappelijk welzijn.]1 Hij vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.

2[Wanneer een dakloze persoon een beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de voorzitter hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen vastgesteld door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, mits zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging aan de raad voor te leggen.]2

§ 2

1[De beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau en van de bijzondere comités, de bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden ondertekend door de voorzitter en door de secretaris.

De voorzitter kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan een of meerdere leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij kan deze opdracht te allen tijde herroepen. Het lid of de leden aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening, naam en functie, melding maken van die opdracht.

De raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau kan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn machtigen de medeondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum. Deze opdracht geschiedt schriftelijk en is te allen tijde herroepbaar; de raad voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening, naam en functie, melding maken van die opdracht.]1

1[§ 3]1

De voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, zelf tot hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de raad te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging.

§ 4

3[Behoudens aangelegenheden inzake de vestiging en de invordering van de gemeentebelastingen en inzake tuchtmaatregelen, woont de voorzitter, op zijn verzoek of op uitnodiging van de burgemeester, met raadgevende stem de vergaderingen bij van het college van burgemeester en schepenen. Daartoe ontvangt de voorzitter de agenda van de vergaderingen van het college op hetzelfde tijdstip als de schepenen.]3

18 juni 2003

Wetshistoriek

§ 1 vernummerd bij art. 19 en gewijzigd bij art. 19bis W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 3 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

§ 2 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3 vernummerd bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 4 vervangen bij art. 11 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

§ 4 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 28 [Nederlands taalgebied]

5[...]

30 augustus 20066 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 31° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 19bis W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), vernummerd bij art. 19 en gewijzigd bij art. 3 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)) en bij art. 26, 1° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

§ 2 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§ 3 vernummerd bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 4 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en opgeheven bij art. 26, 2° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)).

Art. 28 [Frans taalgebied]

1[§ 1]1

De voorzitter van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn leidt de aktiviteiten van dit centrum.

Hij zorgt voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad, aan het vast bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd.

Hij roept deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.

Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het vast bureau en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en de bijzondere comités genomen beslissingen worden ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht. 1[De notulen van de vergaderingen van het overlegcomité dienen ter kennis te worden gebracht van de raad voor maatschappelijk welzijn.]1 Hij vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.

2[Wanneer een dakloze persoon een beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de voorzitter hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen vastgesteld door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, mits zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging aan de raad voor te leggen 3[of aan het orgaan waaraan de raad deze bevoegdheid heeft overgedragen]3.]2

§ 2

1[De beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau en van de bijzondere comités, de bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden ondertekend door de voorzitter en door de secretaris.

De voorzitter kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan een of meerdere leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij kan deze opdracht te allen tijde herroepen. Het lid of de leden aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening, naam en functie, melding maken van die opdracht.

De raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau kan de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn machtigen de medeondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum. Deze opdracht geschiedt schriftelijk en is te allen tijde herroepbaar; de raad voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening, naam en functie, melding maken van die opdracht.]1

1[§ 3]1

De voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, zelf tot hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de raad 3[of aan het orgaan waaraan de raad deze bevoegdheid heeft overgedragen]3 te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging.

§ 4

1[De voorzitter woont, op zijn verzoek of op uitnodiging van de burgemeester, met raadgevende stem de vergaderingen van het 4[gemeentelijk college]4 bij teneinde gehoord te worden betreffende aangelegenheden die verband houden met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Te dien einde ontvangt de voorzitter de agenda van de vergaderingen van het college.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 vernummerd bij art. 19 en gewijzigd bij art. 19bis W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 3 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993) en bij art. 6, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 2 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3 vernummerd bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 6, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 4 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 28bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 27 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 32° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 29 [Federale tekst]

De raad voor maatschappelijk welzijn vergadert ten minste éénmaal in de maand, na bijeenroeping door de voorzitter, op de dagen en uren vastgesteld door het huishoudelijk reglement.

Bovendien roept de voorzitter de raad bijeen telkens hij dit noodzakelijk acht.

De voorzitter is ertoe gehouden de raad voor maatschappelijk welzijn bijeen te roepen, hetzij op aanvraag van de burgemeester 1[...], hetzij op aanvraag van een derde van de zitting hebbende leden, op dag en uur met de agendapunten door hen bepaald.

1[De aanvraag dient bij de voorzitter toe te komen ten minste twee vrije dagen voordat de termijn van ten minste vijf vrije dagen, bepaald in artikel 30, begint te lopen.]1

De vergaderingen van de raad hebben plaats in de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, tenzij de raad voor een bepaalde vergadering anders beslist.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 20 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 29 [Frans taalgebied]

De raad voor maatschappelijk welzijn vergadert ten minste éénmaal in de maand, na bijeenroeping door de voorzitter, op de dagen en uren vastgesteld door het huishoudelijk reglement.

Bovendien roept de voorzitter de raad bijeen telkens hij dit noodzakelijk acht.

De voorzitter is ertoe gehouden de raad voor maatschappelijk welzijn bijeen te roepen, hetzij op aanvraag van de burgemeester 1[...], hetzij op aanvraag van een derde van de zitting hebbende leden, op dag en uur met de agendapunten door hen bepaald.

1[De aanvraag dient bij de voorzitter toe te komen ten minste twee vrije dagen voordat de termijn van ten minste vijf vrije dagen, bepaald in artikel 30, begint te lopen.]1

De vergaderingen van de raad hebben plaats in de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, tenzij de raad voor een bepaalde vergadering anders beslist.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 20 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 29 [Nederlands taalgebied]

3[...]

12 juni 2003

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 33° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 20 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 23 mei 2003 (B.S., 12 juni 2003 (eerste uitg.)).

Art. 30 [Federale tekst]

1[De bijeenroeping geschiedt schriftelijk en aan huis, ten minste vijf vrije dagen vóór de dag van de vergadering en vermeldt de agenda. Deze termijn kan worden ingekort in spoedeisende gevallen en zal teruggebracht worden tot twee vrije dagen in geval na twee oproepingen niet de bij artikel 32 vereiste meerderheid aanwezig is.

Buiten de agendapunten mag geen enkel onderwerp behandeld worden behalve bij dringende noodzakelijkheid. Tot de dringende noodzakelijkheid moet worden besloten door ten minste twee derden van de aanwezige leden. De namen van die leden worden in de notulen vermeld.]1

Elk voorstel dat uitgaat van een lid van de raad en dat ten minste twaalf dagen vóór de datum van de vergadering van de raad aan de voorzitter wordt bezorgd, moet ingeschreven worden op de agenda van die vergadering.

De volledige dossiers worden ter beschikking van de leden van de raad gesteld ten zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedurende de in het eerste lid bepaalde termijn, met uitzondering van de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 21 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Geselecteerde rechtspraak

Artt. 30, vierde lid, en 36, eerste lid, O.C.M.W.-wet moeten de raadsleden in staat stellen met kennis van zaken hun mandaat uit te oefenen en goed geïnformeerd deel te nemen aan de besluitvorming in de raad voor maatschappelijk welzijn. De raadsleden hebben er dan ook een functioneel belang bij een beslissing van de raad voor maatschappelijk belang aan te vechten die tot stand is gekomen zonder dat zij de mogelijkheid hebben gehad om, onder de door artt. 30, vierde lid, en 36, eerste lid, bepaalde voorwaarden, kennis te nemen van alle relevante stukken van het dossier (R.v.St. (9e k.) nr. 89.802, 26 september 2000).

In het dossier dat ter beschikking van de raadsleden wordt gesteld, moeten zich de stukken bevinden waarvan de kennis van belang is voor de besluitvorming. Wanneer in de aanhef van een te nemen beslissing of een goed te keuren overeenkomst wordt verwezen naar bepaalde stukken of gegevens, moet verondersteld worden dat die elementen van belang worden geacht voor de besluitvorming (R.v.St. (9e k.) nr. 89.802, 26 september 2000).

Art. 30 [Nederlands taalgebied]

2[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 34° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 21 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 30 [Frans taalgebied]

1[De bijeenroeping geschiedt schriftelijk en aan huis, ten minste vijf vrije dagen vóór de dag van de vergadering en vermeldt de agenda. Deze termijn kan worden ingekort in spoedeisende gevallen en zal teruggebracht worden tot twee vrije dagen in geval na twee oproepingen niet de bij artikel 32 vereiste meerderheid aanwezig is.

Buiten de agendapunten mag geen enkel onderwerp behandeld worden behalve bij dringende noodzakelijkheid. Tot de dringende noodzakelijkheid moet worden besloten door ten minste twee derden van de aanwezige leden. De namen van die leden worden in de notulen vermeld.]1

2[Elk voorstel dat uitgaat van een lid van de raad en dat ten minste twaalf dagen vóór de vergadering van de raad aan de voorzitter wordt overgemaakt, moet op de agenda van die vergadering voorkomen en vergezeld gaan van een verklarende nota of van elk document ter informatie van de raad voor maatschappelijk welzijn.]2

De volledige dossiers worden ter beschikking van de leden van de raad gesteld ten zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedurende de in het eerste lid bepaalde termijn, met uitzondering van de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 21 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 6bis Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 31 [Federale tekst]

De vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn worden gehouden met gesloten deuren.

Art. 31 [Frans taalgebied]

De vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn worden gehouden met gesloten deuren.

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 31 [Nederlands taalgebied]

3[...]

30 augustus 200614 augustus 2002

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 35° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 5 juli 2002 (B.S., 14 augustus 2002 (eerste uitg.)) en gewijzigd bij art. 28 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).

Verwijzingen

Zie Omz. BA – 2002/19 van Vl. Min. Binn. Aangel. en Vl. Min. Welzijn van 6 december 2002 betreffende de openbaarheid van vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, de bijzondere comités en het vast bureau, de O.C.M.W. – meerjarenplanning en het samenwerkingsakkoord tussen gemeente en O.C.M.W. (B.S., 9 januari 2003; err., B.S., 20 januari 2003; tweede bekendmaking in B.S., 14 januari 2003).

Zie Omz. BA-2003/08 van Vl. Min. Binn. Aangel. en Vl. Min. Welzijn van 18 juli 2003 betreffende de openbaarheid van de vergaderingen in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 19 augustus 2003).

[Art. 31bis [Frans taalgebied]

De wet van 11 april 1994 en het decreet van de Waalse Gewestraad van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur zijn van toepassing op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn al naar gelang de daden van beheer respectievelijk tot de bevoegdheid van de Federale Staat of van het Waalse Gewest behoren.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 6ter Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 32 [Federale tekst]

De raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de bijzondere comités mogen alleen beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van hun zitting hebbende leden aanwezig is.

Zij kunnen echter, indien zij tweemaal bijeengeroepen werden zonder dat het vereiste aantal leden opgekomen is, na een nieuwe en laatste bijeenroeping, geldig beraadslagen en beslissen, welk ook het aantal der aanwezige leden zij, over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda staan.

De tweede en derde bijeenroeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van artikel 30 en er moet vermeld worden dat de bijeenroeping voor de tweede of de derde maal geschiedt. Bovendien moet de derde bijeenroeping de tekst van de eerste twee leden van het onderhavig artikel woordelijk herhalen.

Geselecteerde rechtspraak

Het feit dat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is aangewezen om het secretariaat van de vergadering waar te nemen, eerder dan een personeelslid van het O.C.M.W., belet niet dat de betrokkene de hoedanigheid van raadslid heeft en dat hij met beslissende stem aan de vergadering kan deelnemen. Zijn aanwezigheid moet dan ook in aanmerking genomen worden voor de berekening van het aantal aanwezigen, in de zin van art. 32, eerste lid, O.C.M.W.-wet (R.v.St. nr. 87.733, 31 mei 2000).

Art. 32 [Nederlands taalgebied]

1[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 36° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 32 [Frans taalgebied]

De raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de bijzondere comités mogen alleen beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van hun zitting hebbende leden aanwezig is.

Zij kunnen echter, indien zij tweemaal bijeengeroepen werden zonder dat het vereiste aantal leden opgekomen is, na een nieuwe en laatste bijeenroeping, geldig beraadslagen en beslissen, welk ook het aantal der aanwezige leden zij, over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda staan.

De tweede en derde bijeenroeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van artikel 30 en er moet vermeld worden dat de bijeenroeping voor de tweede of de derde maal geschiedt. Bovendien moet de derde bijeenroeping de tekst van de eerste twee leden van het onderhavig artikel woordelijk herhalen.

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 33 [Federale tekst]

1[§ 1

De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.

De leden van de raad stemmen mondeling. De voorzitter van de raad, of het raadslid dat hem vervangt krachtens artikel 25, § 3, stemt het laatst en bij staking van stemmen is zijn stem beslissend.

§ 2

De leden stemmen echter geheim als het om personen gaat, behoudens in geval van individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening.

Is er bij geheime stemming staking van stemmen, dan is het voorstel verworpen.

§ 3

Voor elke benoeming tot ambten en elke contractuele indienstneming, wordt tot een afzonderlijke stemming overgegaan.

In deze gevallen evenals bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten tot mandaten of ambten, indien de volstrekte meerderheid niet werd verkregen bij de eerste stembeurt, heeft herstemming plaats voor de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen; in voorkomend geval wordt de deelneming aan die herstemming bepaald met voorrang van de oudste in jaren. In geval van staking van stemmen bij de tweede stembeurt krijgt de oudste kandidaat de voorkeur.

§ 4

Er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen en de blanco of nietige stembiljetten.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 22 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 33 [Nederlands taalgebied]

2[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 37° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 22 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 33 [Frans taalgebied]

1[§ 1

De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.

De leden van de raad stemmen mondeling. De voorzitter van de raad, of het raadslid dat hem vervangt krachtens artikel 25, § 3, stemt het laatst en bij staking van stemmen is zijn stem beslissend.

2[§ 1bis

De raad voor maatschappelijk welzijn stemt het geheel van de begroting en het geheel van de jaarrekeningen.

Elk lid kan echter de afzonderlijke stemming van één of meer door hem aangewezen artikelen of groepen van artikelen eisen als het om de begroting gaat, of van één of meer door hem aangewezen artikelen of posten als het om de jaarrekeningen gaat.

In dit geval kan de algemene stemming slechts plaatsvinden na de stemming van de aldus aangewezen artikelen, groepen van artikelen of posten; ze heeft betrekking op de artikelen of posten waarvan geen enkel lid de afzonderlijke stemming heeft gevraagd, en op de artikelen die reeds bij afzonderlijke stemming zijn goedgekeurd.]2

§ 2

De leden stemmen echter geheim als het om personen gaat, behoudens in geval van individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening.

Is er bij geheime stemming staking van stemmen, dan is het voorstel verworpen.

§ 3

Voor elke benoeming tot ambten en elke contractuele indienstneming, wordt tot een afzonderlijke stemming overgegaan.

In deze gevallen evenals bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten tot mandaten of ambten, indien de volstrekte meerderheid niet werd verkregen bij de eerste stembeurt, heeft herstemming plaats voor de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen; in voorkomend geval wordt de deelneming aan die herstemming bepaald met voorrang van de oudste in jaren. In geval van staking van stemmen bij de tweede stembeurt krijgt de oudste kandidaat de voorkeur.

§ 4

Er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen en de blanco of nietige stembiljetten.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 22 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1bis ingevoegd bij art. 6quater Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 33bis [Nederlands taalgebied]

3[...]

]1

30 augustus 20068 oktober 1992

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 23 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en opgeheven bij art. 276, 38° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 29 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)).

[Art. 33bis [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Voor de zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens de zitting, voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de burgemeester de bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda verdagen, behalve wanneer het betrekking heeft op de individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening. De redenen van de beslissing van de burgemeester worden vermeld in de notulen van de vergadering.

In dat geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.

De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts éénmaal uitoefenen voor hetzelfde punt.

2[Het Verenigd College]2 kan de toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit artikel nader bepalen.]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 23 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 12 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

[Art. 33bis [Duitstalige Gemeenschap]

Voor de zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens de zitting, voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de burgemeester de bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda verdagen, behalve wanneer het betrekking heeft op de individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening. De redenen van de beslissing van de burgemeester worden vermeld in de notulen van de vergadering.

In dat geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.

De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts éénmaal uitoefenen voor hetzelfde punt.

2[De Regering]2 kan de toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit artikel nader bepalen.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 23 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

[Art. 33bis [Frans taalgebied]

Voor de zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens de zitting, voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de burgemeester de bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda verdagen, behalve wanneer het betrekking heeft op de individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening. De redenen van de beslissing van de burgemeester worden vermeld in de notulen van de vergadering.

In dat geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.

De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts éénmaal uitoefenen voor hetzelfde punt.

2[De Regering]2 kan de toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit artikel nader bepalen.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 23 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Art. 34 [Federale tekst]

De notulen van de vorige vergadering worden hetzij aan de leden medegedeeld samen met de bijeenroeping tot de vergadering, hetzij ter hunner beschikking gesteld volgens de regelen bepaald bij het laatste lid van artikel 30. Na goedkeuring worden zij door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

Telkens als de raad het gewenst acht, worden de notulen, geheel of gedeeltelijk, staande de vergadering opgemaakt en door de aanwezige leden ondertekend.

Art. 34 [Nederlands taalgebied]

2[...]

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 39° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 30 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

[Art. 34bis [Frans taalgebied]

Bovenop de verplichting opgelegd bij artikel 26bis, § 5, tweede lid, kan de raad voor maatschappelijk welzijn gemeenschappelijke zittingen met de gemeenteraad houden.]1

2 januari 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 7 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 35 [Federale tekst]

De vergaderingen van het vast bureau en, behoudens een met redenen omklede andersluidende beslissing van het betrokken comité, die van de bijzondere comités, worden gehouden op de plaats aangeduid in het huishoudelijk reglement.

De bepalingen van de artikelen 30 tot en met 34 zijn van toepassing op de vergaderingen van het vast bureau en van de bijzondere comités.

Art. 35 [Nederlands taalgebied]

3[...]

30 augustus 200612 juni 2003

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 40° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 23 mei 2003 (B.S., 12 juni 2003 (eerste uitg.)) en bij art. 31 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Art. 36 [Federale tekst]

De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben het recht om ter plaatse kennis te nemen van alle akten, stukken en dossiers betreffende het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

De leden van de raad, alsmede alle andere personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad, het vast bureau en de bijzondere comités bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht.

Art. 36 [Frans taalgebied]

De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben het recht om ter plaatse kennis te nemen van alle akten, stukken en dossiers betreffende het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

1[Wat de akten, stukken en dossiers van het ziekenhuis betreft, beschikken de leden van het beheerscomité die raadgevende stem hebben, over hetzelfde recht.]1

De leden van de raad 1[en van het beheerscomité van het ziekenhuis]1, alsmede alle andere personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad, het vast bureau 1[, de bijzondere comités en het beheerscomité van het ziekenhuis]1 bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht.

1[Met uitzondering van de akten en stukken betreffende de door het centrum verleende individuele hulp of de invordering van deze hulp, en van de akten en stukken betreffende de dossiers die het centrum nog niet heeft goedgekeurd, kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, onder de voorwaarden bepaald bij het door de raad opgemaakte huishoudelijk reglement, een afschrift verkrijgen van de akten en stukken betreffende de administratie van het O.C.M.W.

De vergoeding die eventueel wordt geëist voor het afschrift, mag in geen geval de kostprijs overschrijden.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 7 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 36 [Nederlands taalgebied]

3[...]

14 augustus 200210 september 1998

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 41° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 juni 1998 (art. 1 B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)) en gewijzigd bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 5 juli 2002 (B.S., 14 augustus 2002 (eerste uitg.)).

Geselecteerde rechtspraak

Als een lid van een raad voor maatschappelijk welzijn o.m. aan de pers zijn zienswijze naar buiten brengt over de wijze waarop het O.C.M.W. de problematiek benadert van het verlenen, in noodgevallen, van onderdak aan asielzoekers die aan het O.C.M.W. zijn toegewezen, en als dat lid daarbij geen individuele informatie naar buiten brengt m.b.t. dossiers die, omdat zij betrekking hebben op gevallen van individuele hulpverlening, onder de geheimhoudingsplicht van art. 36, derde lid, W. 8 juli 1976 vallen, dan kan de raad voor maatschappelijk welzijn in die mededelingen geen reden vinden om tegen het betrokken raadslid een tuchtprocedure op te starten (R.v.St. nr. 87.281, 16 mei 2000).

Art. 37 [Federale tekst]

Het is de leden van de raad en de personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad mogen bijwonen, verboden:

1°Tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad;

 

2°rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige overeenkomst, enige aanbesteding, levering, verkoop of aankoop voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Dit verbod is eveneens van toepassing op de handelsvennootschappen waarin het lid van de raad, de burgemeester of zijn afgevaardigde vennoot, zaakvoerder, beheerder of lasthebber is;

 

3°als advokaat, notaris, zaakwaarnemer of deskundige, belangen te behartigen die strijdig zijn met die van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of, anders dan kosteloos, in dezelfde hoedanigheid de belangen van het centrum te verdedigen.

 

Deze bepalingen gelden eveneens voor de leden van de bijzondere beheersorganen die met toepassing van artikel 94 zouden worden opgericht.

Art. 37 [Nederlands taalgebied]

3[...]

30 augustus 200612 juni 2003

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 42° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, g) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 4, 1° en 2° Decr. Vl. Parl. 23 mei 2003 (B.S., 12 juni 2003 (eerste uitg.)) en bij art. 32 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 1, 48°, g) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009).

Art. 37 [Frans taalgebied]

Het is de leden van de raad en de personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad mogen bijwonen, verboden:

1°tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad;

 

2°rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige overeenkomst, enige aanbesteding, levering, verkoop of aankoop voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Dit verbod is eveneens van toepassing op de handelsvennootschappen waarin het lid van de raad, de burgemeester of zijn afgevaardigde vennoot, zaakvoerder, beheerder of lasthebber is;

 

3°als advokaat, notaris, zaakwaarnemer of deskundige, belangen te behartigen die strijdig zijn met die van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of, anders dan kosteloos, in dezelfde hoedanigheid de belangen van het centrum te verdedigen;

 

1[als raadsman van een personeelslid in tuchtzaken tussen te komen;

 

5°als afgevaardigde of technicus van een vakorganisatie in een onderhandelings- of overlegcomité van de gemeente of het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn tussen te komen.]1

 

Deze bepalingen gelden eveneens voor de leden van de bijzondere beheersorganen die met toepassing van artikel 94 zouden worden opgericht.

25 mei 1995

Wetshistoriek

Lid 1, 4° en 5° ingevoegd bij art. 5 Decr. W. Gew. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 38 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[§ 1]2

1[2[De wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en het stelsel van sociale zekerheid van de voorzitter zijn dezelfde als die van de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is. Het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan de nadere regels voor de toepassing van deze bepaling vaststellen, rekening houdend met inzonderheid de toepassing van § 2.]2

2[Binnen de perken en volgens de toekenningsvoorwaarden en de wijze van toekenning bepaald door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kent de raad voor maatschappelijk welzijn presentiegeld toe aan zijn leden.]2

De gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.

De kosten die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de uitvoering van opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk welzijn in het kader van zijn bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd, worden hun terugbetaald. 4[Het Verenigd College]4 kan de nadere regels van deze terugbetalingen bepalen.]1

3[§ 2

De som van de wedde van de voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn en van de vergoedingen, wedden en presentiegelden die hij ontvangt voor activiteiten die hij buiten zijn mandaat uitoefent, is gelijk aan of lager dan anderhalf maal het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

Voor de berekening van dat bedrag komen in aanmerking de vergoedingen, de wedden of de presentiegelden voortvloeiend uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard.

Zo het in het eerste lid bedoelde plafond wordt overschreden, wordt de wedde van de voorzitter verminderd tot het passende beloop.

Als de buiten het mandaat van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn uitgeoefende activiteiten in de loop van het mandaat beginnen of eindigen, geeft de betrokken voorzitter de raad voor maatschappelijk welzijn hiervan kennis.]3

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 24 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1 genummerd bij art. 2, § 1 en gewijzigd bij art. 2, §§ 2 en 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 29 maart 2001 (B.S., 24 april 2003 (derde uitg.)), met ingang van 1 januari 2001 (art. 4) en bij art. 13 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 2 ingevoegd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 29 maart 2001 (B.S., 24 april 2003 (derde uitg.)), met ingang van 31 januari 2001 (art. 4).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977)

 

Art. 38 [Nederlands taalgebied]

1[2[6[...]

De voorzitter of het lid dat de voorzitter vervangt geniet dezelfde socialezekerheidsregeling als deze die van toepassing is voor de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gevestigd is.]2

5[...]

6[...]

De gewezen voorzitters4[, de gewezen ondervoorzitters]4 en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.

5[...]]1

30 augustus 200611 augustus 200030 juni 1999

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 24 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), gewijzigd bij art. 2, 2° Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)), bij art. 33, 3° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1), bij art. 276, 43° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, h) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)) en bij art. 276, 43° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 42, 3° B.Vl.Reg. 5 juni 2009 (BS 19 juni 2009 (ed. 2)) en art. 11, 3° B.Vl.Reg. 5 juni 2009 (BS 19 juni 2009 (ed. 3))).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 2, 1° Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)), bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 17 juli 2000 (B.S., 11 augustus 2000), met ingang van de eerstvolgende algehele vernieuwing van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 6) en bij art. 33, 1°, 2° en 4° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van de Vlaamse regering van 22 september 1998 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 november 1998)

 

–Besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris (B.S., 9 februari 2007)

 

Art. 38 [Duitstalige Gemeenschap]

1[3[De wedde, het vakantiegeld en de eindejaarspremie alsmede de socialezekerheidsregeling van de voorzitter worden door de Regering vastgesteld. Zij mogen niet gunstiger zijn dan die van de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is. De Regering kan de voorwaarden en modaliteiten voor de toekenning ervan bepalen.]3

Binnen de perken en volgens de voorwaarden en modaliteiten van toekenning door 2[de Regering]2 bepaald, kan de raad voor maatschappelijk welzijn een presentiegeld toekennen aan zijn leden.

De gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.

De kosten die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de uitvoering van opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk welzijn in het kader van zijn bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd, worden hun terugbetaald. 2[De Regering]2 kan de nadere regels van deze terugbetalingen bepalen.]1

30 december 1995

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 24 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30) en bij art. 38 Decr. D. Gem. R. 23 oktober 2000 (B.S., 5 december 2000).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977)

 

Art. 38 [Frans taalgebied]

3[§ 1]3

1[3[De wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de sociale zekerheidsregeling van de voorzitter zijn dezelfde als die van de schepenen van de overeenstemmende gemeente. De Regering kan de toekenningsvoorwaarden en wijze ervan bepalen.]3

5[De bepalingen betreffende het stelsel inzake compensatie van inkomensverlies dat voor de schepenen geldt, is mutatis mutandis op de O.C.M.W.-voorzitters toepasselijk.]5

Binnen de perken en volgens de voorwaarden en modaliteiten van toekenning door de 2[Regering]2 bepaald, 5[kent]5de raad voor maatschappelijk welzijn een presentiegeld 5[toe]5 aan zijn leden.

De gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.

De kosten die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de uitvoering van opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk welzijn in het kader van zijn bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd, worden hun terugbetaald. De 2[Regering]2 kan de nadere regels van deze terugbetalingen bepalen.]1

4[§ 2

8[De som van het presentiegeld van het raadslid voor maatschappelijk welzijn en van de bezoldiging en voordelen in natura die hij ontvangt vanwege zijn oorspronkelijk mandaat, zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies en activiteiten van politieke aard zoals omschreven in artikel L 5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

Bij overschrijding van de grens die in het eerste lid vastligt, wordt het bedrag van het presentiegeld en/of de bezoldiging en de voordelen in natura die het raadslid voor maatschappelijk welzijn ontvangt vanwege zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies en activiteiten van politieke aard in evenredige mate verminderd.]8]4

6[§ 3

8[De functies van de raadsleden voor maatschappelijk welzijn die ook een mandaat van gemeenteraadslid uitoefenen, worden gelijkgesteld met openbare mandaten, functies en activiteiten van politieke aard voor de toepassing van de regels vermeld in het vijfde deel van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie dat op hen van toepassing is.]8]6

6[§ 4

8[De raadsleden voor het maatschappelijk welzijn worden, als ze geen lid zijn van de gemeenteraad, gelijkgesteld met de gemeenteraadsleden voor de toepassing van de regels opgenomen in het vijfde deel van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, die op hen van toepassing is.

Voor de toepassing van artikel L5421-2, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, gebeurt de terugbetaling ten bate van de raad voor het maatschappelijk welzijn.]8]6

6[§ 5

8[Voor de toepassing van artikel L 5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie wordt onder niet-verkozen personen verstaan de personen die geen raadslid voor maatschappelijk welzijn zijn en die na een beslissing van één van de organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verantwoordelijkheden uitoefenen in het beheer van een rechtspersoon of een feitelijke vereniging.]8]6

8[§ 6

De som van de wedde van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de bezoldiging en voordelen in natura die hij ontvangt vanwege zijn oorspronkelijke mandaten, zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies en activiteiten van politieke aard is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

Bij overschrijding van de grens die in het eerste lid vastligt, wordt het bedrag van de wedde van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en/of de bezoldiging en de voordelen in natura die de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn ontvangt vanwege zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies en activiteiten van politieke aard in evenredige mate verminderd.]8

2 januari 20062 januari 200617 februari 200329 april 199928 april 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 24 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 1 genummerd en gewijzigd bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 1 april 1999 (B.S., 29 april 1999) en bij art. 4 en 5, 1° Decr. W. Gew. R. 6 februari 2003 (B.S., 17 februari 2003).

§ 2 ingevoegd bij art. 1 Decr. W. Gew. R. 1 april 1999 (B.S., 29 april 1999), met ingang van 8 oktober 2000 (art. 3) en vervangen bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari 2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).

§ 3 ingevoegd bij art. 9 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22) en vervangen bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari 2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).

§ 4 ingevoegd bij art. 8 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22) en vervangen bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari 2008, err., B.S., 17 maart 2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).

§ 5 ingevoegd bij art. 8 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22) en vervangen bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari 2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).

§ 6 ingevoegd bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari 2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).

Voorgeschiedenis

§ 2 gewijzigd bij art. 5, 2° Decr. W. Gew. R. 6 februari 2003 (B.S., 17 februari 2003) en vervangen bij art. 9 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 38bis [Nederlands taalgebied]

3[...]

]1

30 augustus 200611 augustus 20005 augustus 1976

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 17 juli 2000 (B.S., 11 augustus 2000), met ingang van de eerstvolgende algehele vernieuwing van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 6) en opgeheven bij art. 276, 44° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, i) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 34 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Art. 39 [Nederlands taalgebied]

Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.

1[Als de waarnemend voorzitter een wedde ontvangt, vervalt de wedde van de voorzitter.

Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de ondervoorzitter of ondervoorzitters.]1

5 augustus 1976

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 35 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Toekomstig recht

Artikel 39 wordt opgeheven bij art. 276, 45° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, i) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 39 [Nederlands taalgebied]

2[...]

Art. 39 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.

1[Het Verenigd College]1 bepaalt de regelen voor de berekening van deze wedde en voor de verdere uitkering van de wedde van de verkozen voorzitter, evenals de invloed van die uitkeringen op de pensioenvorming.

18 juni 2003

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 14 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977)

 

Art. 39 [Duitstalige Gemeenschap]

Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.

1[De Regering]1 bepaalt de regelen voor de berekening van deze wedde en voor de verdere uitkering van de wedde van de verkozen voorzitter, evenals de invloed van die uitkeringen op de pensioenvorming.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977)

 

Art. 39 [Frans taalgebied]

Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.

De 1[Regering]1 bepaalt de regelen voor de berekening van deze wedde en voor de verdere uitkering van de wedde van de verkozen voorzitter, evenals de invloed van die uitkeringen op de pensioenvorming.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 40 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

De huishoudelijke reglementen voor de raad, het vast bureau, de bijzondere comités, alsmede voor de diensten en instellingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden vastgesteld door de raad.

2[...]

18 juli 2000

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 15 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 25 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 40 [Nederlands taalgebied]

3[...]

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 46° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, i) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 25 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

Art. 40 [Duitstalige Gemeenschap]

1[De huishoudelijke reglementen voor de raad, het vast bureau, de bijzondere comités, alsmede voor de diensten en instellingen, van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden vastgesteld door de raad.

Zij worden onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad. Elke beslissing tot niet-goedkeuring moet met redenen worden omkleed. De goedkeuring van de gemeenteraad wordt geacht toegekend te zijn, indien aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen beslissing wordt betekend binnen zestig dagen.

Bij niet-goedkeuring door de gemeenteraad wordt het volledig dossier door de zorg van het centrum voor goedkeuring doorgestuurd aan de Regering.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 8 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 40 [Frans taalgebied]

De huishoudelijke reglementen voor de raad, het vast bureau, de bijzondere comités, alsmede voor de diensten en instellingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden vastgesteld door de raad.

3[De raad legt deontologische en ethische regels vast in zijn huishoudelijk reglement. Deze regels bekrachtigen o.a. de weigering tot aanvaarding van een mandaat dat niet ten volle waargenomen zou kunnen worden, de regelmatige deelname aan de zittingen van de raad, van het vast bureau of van een bijzonder comité, de relaties tussen de verkozenen en de plaatselijke administratie, het luisteren naar en de informatieverstrekking aan de burger.]3

2[Het beheerscomité van het ziekenhuis maakt zijn huishoudelijk reglement op en onderwerpt het aan de goedkeuring van de raad voor maatschappelijk welzijn.]2

2[De in het eerste en tweede lid bedoelde huishoudelijke reglementen]2 worden onderworpen aan de goedkeuring van de 1[gemeenteraad]1. Elke beslissing tot niet-goedkeuring moet met redenen worden omkleed.

Bij niet-goedkeuring door 1[de gemeenteraad]1 wordt het volledig dossier door de zorg van het centrum voor beslissing doorgestuurd aan de provinciegouverneur.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 25 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 8 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij art. 10 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 40bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 36 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 47° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, i) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Hoofdstuk III Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn

- Personeel, algemeen

Art. 41 [Federale tekst]

Elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft een secretaris en een ontvanger.

Art. 41 [Frans taalgebied]

2[Elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft een secretaris en een ontvanger. De plaatselijke ontvanger van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente die 20.000 inwoners of minder telt kan tot ontvanger van de gemeente benoemd worden; hij mag evenwel niet tot ontvanger van een andere gemeente, ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een andere gemeente of ontvanger van een intergemeentelijk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn benoemd worden.

De secretaris en de ontvanger worden door de raad voor maatschappelijk welzijn geëvalueerd onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt.]2

2 januari 2006

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 2 Decr.W. 30 april 2009 (BS 22 mei 2009), met ingang van 1 juli 2009 (art. 6).

Art. 41 [Nederlands taalgebied]

1[§ 1

Elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft een secretaris en een ontvanger.

§ 2

2[...]

§ 3

2[...]

§ 4

2[...]

§ 5

2[...]]1

30 augustus 2006

Wetshistoriek

§§ 2 tot 5 opgeheven bij art. 276, 48° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, j) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 37 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling : art. 52 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)).

Toekomstig recht

Artikel 41, § 1 wordt opgeheven bij art. 276, 48° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 41 [Nederlands taalgebied]

§ 1

3[...]

§ 2

2[...]

§ 3

2[...]

§ 4

2[...]

§ 5

2[...]

Art. 41 [Duitstalige Gemeenschap]

1[Elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft een secretaris, een ontvanger en een maatschappelijk werker. Elk centrum is ertoe verplicht ten minste een maatschappelijk werker met voltijdse betrekking aan te stellen. Dit ambt kan eveneens door meerdere maatschappelijke werkers uitgeoefend worden.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 9 Decr. D. Gem 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 42 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de personeelsformatie, waarin, benevens de ambten bedoeld door het vorig artikel, ten minste een maatschappelijk werker is voorzien.

1[Voor het ziekenhuis dat van het centrum afhangt, bepaalt de raad voor maatschappelijk welzijn een afzonderlijke personeelsformatie, na advies van het in artikel 94, § 2, bedoelde beheerscomité.

Door de raad wordt tevens bepaald op welke wijze de overplaatsing van het personeel tussen het ziekenhuis en de overige instellingen of diensten van het centrum kan plaatshebben.

4[Het Verenigd College]4 kan ter zake voorwaarden en regelen vaststellen.]1

Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geniet hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is.

1[2[De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de afwijkingen van het in het vorige lid bedoelde statuut vast, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het centrum het nodig zou maken, en bepaalt het administratief en geldelijk statuut inzake de betrekkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak evenals dat van het personeel van het ziekenhuis.]2

Voor de toepassing van het vorige lid kan 4[het Verenigd College]4 algemene bepalingen vaststellen binnen welke perken de raad voor maatschappelijk welzijn dient te handelen.]1

3[De betrekkingen in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zijn toegankelijk voor alle onderdanen van de Europese Unie.]3

4[Het Verenigd College]4 stelt de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers vast, er rekening mede houdend dat zij een van de te vervullen taken aangepaste sociale vorming moeten waarborgen.

De wet van 25 april 1933 betreffende de pensioenregeling van het gemeentepersoneel is van toepassing op de personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

4[De beslissingen door de raad voor maatschappelijk welzijn genomen bij toepassing van onderhavig artikel, zijn onderworpen aan de goedkeuring van het Verenigd College.]4

19 september 20008 oktober 1992

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 2 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986), bij art. 26 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 5 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 28 april 2000 (B.S., 19 september 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 19 september 2000 (art. 6) en bij art. 16, 1° tot 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 maart 1977)

 

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 4 december 2008 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 16 december 2008 (tweede uitg.))

 

- Personeelsformatie, administratief en geldelijk statuut

Art. 42 [Duitstalige Gemeenschap]

1[De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de personeelsformatie van het centrum.

Voor het ziekenhuis en de inrichtingen, die van het centrum afhangen, bepaalt de raad voor maatschappelijk welzijn een afzonderlijke personeelsformatie, na advies van het in artikel 94, § 2 bedoelde beheerscomité, wat de personeelsformatie van het ziekenhuis betreft.

Door de raad wordt deze tevens bepaald op welke wijze de overplaatsing van het personeel tussen het ziekenhuis en de overige instellingen of diensten van het centrum plaatsheeft.

De Regering kan ter zake voorwaarden en regelen vaststellen.

Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geniet hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is.

2[De personeelsleden van het Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten het recht op loopbaanonderbreking onder dezelfde voorwaarden als het personeel van de bovenvermelde gemeente. Voor de toepassing van die regeling moeten in de desbetreffende wettelijke bepalingen de woorden “gemeentesecretaris”, “gemeentelijke overheid” en “ontvanger” resp. als “secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn”, “bevoegde overheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn” en “ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn” gelezen worden.]2

De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de afwijkingen van het in het vorige lid bedoelde statuut vast, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het centrum het nodig zou maken, en bepaalt het administratief en geldelijk statuut inzake de betrekkingen die niet bestaan op het gemeentelijk vlak evenals dat van het personeel van het ziekenhuis.

Voor de toepassing van het vorig lid kan de Regering de perken vaststellen waarbinnen de raad voor maatschappelijk welzijn dient te handelen.

De wet van 25 april 1933 betreffende de pensioenregeling van het gemeentepersoneel is van toepassing op de personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

De beslissingen genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn met toepassing van onderhavig artikel zijn onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad.

De goedkeuring van de gemeenteraad zal als toegezegd worden beschouwd, indien aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen beslissing wordt betekend binnen zestig dagen.

Bij niet-goedkeuring door de gemeenteraad wordt het volledig dossier door de zorg van het centrum voor goedkeuring doorgestuurd aan de Regering.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 10 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30) en gewijzigd bij art. 67 Decr. D. Gem. R. 29 juni 1998 (B.S., 18 juli 1998).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 maart 1977)

 

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

–Koninklijk besluit van 20 juli 1993 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 17 augustus 1993)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 4 maart 1999 tot bepaling van het aantal gehandicapte personen die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn moeten worden tewerkgesteld (B.S., 26 maart 1999)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 juni 1999)

 

Art. 42 [Frans taalgebied]

De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de personeelsformatie, waarin, benevens de ambten bedoeld door het vorig artikel, ten minste een maatschappelijk werker is voorzien.

3[De personeelsformatie vermeldt het maximum aantal en het soort betrekkingen die voorbehouden zijn aan het contractuele personeel.]3

3[Het tweede lid is niet van toepassing op de personeelsformatie van het ziekenhuis waarvoor de raad voor maatschappelijk welzijn een afzonderlijke personeelsformatie vastlegt, noch op het contractuele personeel dat in dienst genomen wordt krachtens een programma voor werkloosheidsbestrijding of krachtens artikel 60, § 7.]3

Door de raad wordt tevens bepaald op welke wijze de overplaatsing van het personeel tussen het ziekenhuis en de overige instellingen of diensten van het centrum kan plaatshebben.

De 3[Regering]3 kan ter zake voorwaarden en regelen vaststellen.

3[De Regering bepaalt eveneens het aantal gehandicapte personen die de O.C.M.W.'s in dienst moeten nemen naar gelang van de en de omvang van de diensten.]3

Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geniet hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is.

4[De betrekkingen binnen het centrum voor maatschappelijk welzijn van secretaris, plaatselijk ontvanger alsmede alle betrekkingen die al dan niet rechtstreeks deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en aan ambten waarbij het behartigen van het algemeen belang wordt nagestreefd, kunnen door alle onderdanen van de Europese Unie worden bekleed.]4

2[De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de afwijkingen van het in het vorige lid bedoelde statuut vast, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het centrum het nodig zou maken, en bepaalt het administratief en geldelijk statuut inzake de betrekkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak evenals dat van het personeel van het ziekenhuis.]2

3[Voor de toepassing van het achtste lid kan de Regering bepalen binnen welke perken de raad voor maatschappelijk welzijn dient te handelen.]3

De 3[Regering]3 stelt de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers vast, er rekening mede houdend dat zij een van de te vervullen taken aangepaste sociale vorming moeten waarborgen.

5[De bepalingen betreffende de politieke verloven van het gemeentepersoneel zijn mutatis mutandis op het O.C.M.W.-personeel toepasselijk.]5

3[De bepalingen van de nieuwe gemeentewet betreffende de pensioenen van het gemeentepersoneel zijn van toepassing op de personeelsleden van de O.C.M.W.'s.]3

De beslissingen door de raad voor maatschappelijk welzijn genomen met toepassing van onderhavig artikel zijn onderworpen aan het advies van het 6[gemeentelijk college]6, alsmede aan de goedkeuring van de provinciegouverneur. Het advies zal als gunstig worden beschouwd indien het niet aan de gouverneur ter kennis wordt gebracht binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier.

17 februari 200327 oktober 200028 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 2 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986), bij art. 26 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 9 en 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), bij art. 5 Decr. W. Gew. R. 19 oktober 2000 (B.S., 27 oktober 2000), bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 6 februari 2003 (B.S., 17 februari 2003) en bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 maart 1977)

 

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 4 maart 1999 tot bepaling van het aantal gehandicapte personen die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn moeten worden tewerkgesteld (B.S., 26 maart 1999)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 juni 1999)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 42 [Nederlands taalgebied]

9[...]

10[...]

De wet van 25 april 1933 betreffende de pensioenregeling van het gemeentepersoneel is van toepassing op de personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

6[De raad stelt de secretaris, de ontvanger en alle personeelsleden de middelen ter beschikking die noodzakelijk zijn om hun bevoegdheden uit te oefenen.]6

29 april 200928 juli 200424 april 200310 september 199810 september 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)), bij art. 276, 49° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009, met uitzondering van het vereiste van 1 maatschappelijk werker, als vermeld in het eerste lid (art. 1, 48°, k) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)) en bij art. 276, 49° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2011 (art. 157, lid 1, 3° B.Vl.Reg. 12 november 2010 (BS 3 december 2010 (ed. 2))).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 2 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986), bij art. 26 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)), bij art. 1 Decr. Vl. Parl. 19 december 1997 (B.S., 10 februari 1998) en bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)), bij art. 12 Decr. Vl. Parl. 14 maart 2003 (B.S., 24 april 2003 (derde uitg.)), met ingang van 1 januari 2001 (art. 13) en bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 maart 1977)

 

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

–Besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 december 2007)

 

Toekomstig recht

Artikel 42 wordt gewijzigd bij art. 276, 49° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 42 [Nederlands taalgebied]

9[...]

10[...]

De wet van 25 april 1933 betreffende de pensioenregeling van het gemeentepersoneel is van toepassing op de personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

11[...]

Verwijzingen

De bepalingen van W. 25 april 1933 zijn thans terug te vinden in artt. 165-169 Nieuwe Gemeentewet.

[Art. 42bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

28 juli 2004

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004) en opgeheven bij art. 276, 50° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, l) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 43 [Federale tekst]

Alle personeelsleden worden aangeworven of benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn.

Onverminderd het bepaalde in artikel 56, moeten de aanwervingen en benoemingen geschieden overeenkomstig vooraf bepaalde aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en binnen de perken van de personeelsformatie.

Op deze regels wordt echter volgende uitzondering gemaakt: in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn waar het uitoefenen van het ambt van ontvanger geen volledige dagtaak vereist, wordt dat ambt aan een gewestelijke ontvanger gegeven 1[onverminderd de toepassing van artikel 52, § 2, van de nieuwe gemeentewet]1. De Koning bepaalt de voorwaarden en de modaliteiten met betrekking tot de aanduiding van de gewestelijke ontvangers en de wijze waarop zij hun ambt waarnemen.

1[Voor zover het centrum toepassing maakt van artikel 52, § 2, van de nieuwe gemeentewet, wordt de plaatselijke ontvanger van het centrum benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn. In dat geval oefent hij zijn functie van ontvanger van het centrum uit in de lokalen ervan en volgens een tijdsverdeling welke wordt bepaald in overleg tussen het centrum en de gemeente.]1

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 27 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende de aanduiding van gewestelijke ontvangers voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 31 maart 1977)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 juni 1999)

 

- Aanwerving en benoeming

Art. 43 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Alle personeelsleden worden aangeworven of benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn.

Onverminderd het bepaalde in artikel 56, moeten de aanwervingen en benoemingen geschieden overeenkomstig vooraf bepaalde aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en binnen de perken van de personeelsformatie.

2[...]

3[De burgers met een andere dan de Belgische nationaliteit en die geen onderdaan zijn van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte, komen in aanmerking voor burgerlijke ambten bij de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook bij de verenigingen zoals bedoeld in hoofdstuk XII, alsook bij de koepelvereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XIIbis, voor deze betrekkingen die geen rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of geen werkzaamheden omvatten strekkende tot de bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties.]3

18 juni 200318 juni 2003

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 17 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52) en bij art. 3 Ord. Br. H. R. 1 april 2004 (B.S., 23 april 2004 (tweede uitg.)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 27 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende de aanduiding van gewestelijke ontvangers voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 31 maart 1977)

 

Art. 43 [Nederlands taalgebied]

§ 1

4[...] Onverminderd artikel 56 moeten de aanwervingen en benoemingen geschieden overeenkomstig vooraf bepaalde aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en binnen de perken van de personeelsformatie.

§ 2

4[...]

§ 3

4[...]

§ 4

4[...]

30 augustus 20066 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 276, 51° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, m) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§§ 2 tot 4 opgeheven bij art. 276, 51° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, m) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 27 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 7 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)) en vervangen bij art. 38 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling : art. 52 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende de aanduiding van gewestelijke ontvangers voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 31 maart 1977)

 

–Besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2008 betreffende de bijdrage van de besturen in de uitgaven die verbonden zijn aan de gewestelijk ontvangers (B.S., 7 november 2008)

 

Toekomstig recht

Artikel 43, § 1 wordt opgeheven bij art. 276, 51° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 43 [Nederlands taalgebied]

§ 1

4[...]

5[...]

§ 2

4[...]

§ 3

4[...]

§ 4

4[...]

Verwijzingen

Zie samenwerkingsakkoord 9 december 1997 betreffende de wijze van omslag van de kosten van de gewestelijke ontvangers en de wijze van inhouding van de bijdrage in die kosten door de besturen, goedgekeurd bij W. 23 juni 1999 (B.S., 26 augustus 1999), bij Decr. Vl. Parl. 2 maart 1999 (B.S., 7 december 2000), bij Decr. W. Gew. R. 23 juni 2000 (B.S., 7 december 2000), bij Decr. Dts. Gem. R. 19 maart 2001 (B.S., 7 juni 2001).

Art. 43 [Frans taalgebied]

Alle personeelsleden worden aangeworven of benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn.

Onverminderd het bepaalde in artikel 56, moeten de aanwervingen en benoemingen geschieden overeenkomstig vooraf bepaalde aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en binnen de perken van de personeelsformatie.

(...)

2[Voor zover het centrum toepassing maakt van artikel 52, § 2, van de nieuwe gemeentewet, wordt de plaatselijke ontvanger van het centrum benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn. In dat geval oefent hij zijn functie van ontvanger van het centrum uit in de lokalen ervan en volgens een tijdsverdeling welke wordt bepaald in overleg tussen het centrum en de gemeente.]2

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 27 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 9bis Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende de aanduiding van gewestelijke ontvangers voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 31 maart 1977)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 juni 1999)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Redactionele opmerking

De Nederlandse vertaling van art. 9bis Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 werd niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

[Art. 43bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 juni 1999

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 52° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

- Evaluatie en ontslag

[Art. 43ter [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 juni 1999

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 53° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 43quater [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 juni 1999

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 54° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 43quinquies [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 juni 1999

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 55° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 43sexies [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 juni 1999

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 56° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 43septies [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 juni 1999

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 7 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 57° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 43octies [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

30 juni 1999

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 58° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 44 [Federale tekst]

1[Alvorens in dienst te treden, leggen de secretaris, de ontvanger en de maatschappelijk werkers in handen van de voorzitter de in artikel 20 bedoelde eed af. Van de eedaflegging wordt proces-verbaal opgemaakt.

Na een door de raad voor maatschappelijk welzijn vast te stellen proefperiode leggen de maatschappelijk werkers verbonden door een arbeidsovereenkomst eveneens de in het vorige lid bedoelde eed af.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 4 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

- Secretaris

Art. 44 [Frans taalgebied]

1[Alvorens in dienst te treden, leggen de secretaris, de ontvanger en de maatschappelijk werkers in handen van de voorzitter de in artikel 20 bedoelde eed af. Van de eedaflegging wordt proces-verbaal opgemaakt.

Na een door de raad voor maatschappelijk welzijn vast te stellen proefperiode leggen de maatschappelijk werkers verbonden door een arbeidsovereenkomst eveneens de in het vorige lid bedoelde eed af.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 4 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 44 [Nederlands taalgebied]

3[...]

30 augustus 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 59° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 4 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993) en gewijzigd bij art. 39 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Art. 45 [Federale tekst]

§ 1

De secretaris woont, zonder beraadslagende stem, de vergaderingen bij van de raad en van het vast bureau. Hij is in het bijzonder belast met het opmaken van de notulen van die vergaderingen. 1[Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels, vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de door de wet voorgeschreven vermeldingen in de beslissingen worden opgenomen.]1

Hij is verantwoordelijk voor het overbrengen van de notulen van die vergaderingen en van de beslissingen van die organen in daartoe bestemde registers. De notulen en beslissingen worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

De secretaris kan de vergaderingen bijwonen van alle bijzondere comités.

Onder het gezag van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn onderzoekt de secretaris de zaken, leidt hij de administratie en is hij het hoofd van het personeel. Hij bewaart het archief.

De secretaris is verantwoordelijk voor de boeking van de erkende vorderingen en van de vastgelegde uitgaven en voor het opmaken van de bevelschriften tot betaling of tot invordering. Die bevelschriften worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

De secretaris maakt de voorontwerpen van begroting op.

Hij is verplicht zich te gedragen naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door de voorzitter, de raad en het vast bureau.

§ 2

Bij verhindering van de secretaris of bij vacature van het ambt kan de raad voor maatschappelijk welzijn een personeelslid als tijdelijk secretaris aanstellen.

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 28 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 45 [Nederlands taalgebied]

4[...]

30 augustus 20066 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 60° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 28 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), vervangen bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)) en gewijzigd bij art. 40 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Art. 45 [Frans taalgebied]

§ 1

De secretaris woont, zonder beraadslagende stem, de vergaderingen bij van de raad en van het vast bureau. Hij is in het bijzonder belast met het opmaken van de notulen van die vergaderingen. 1[Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels, vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de door de wet voorgeschreven vermeldingen in de beslissingen worden opgenomen.]1

Hij is verantwoordelijk voor het overbrengen van de notulen van die vergaderingen en van de beslissingen van die organen in daartoe bestemde registers. De notulen en beslissingen worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

De secretaris kan de vergaderingen bijwonen van alle bijzondere comités.

Onder het gezag van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn onderzoekt de secretaris de zaken, leidt hij de administratie en is hij het hoofd van het personeel. Hij bewaart het archief.

2[Ten gevolge van de beslissing tot betaalbaarstelling of invordering door het bevoegde orgaan is de secretaris verantwoordelijk voor het opmaken van de bevelschriften tot betaling en de invorderingsstaten. Deze bevelschriften en invorderingsstaten moeten door de voorzitter en de secretaris ondertekend worden.

Het voorontwerp van begroting en de voorontwerpen van begrotingswijzigingen worden door de secretaris uitgewerkt.

Hij zorgt voor de budgettaire opvolging en kan elk ogenblik kennis nemen van de geboekte gegevens. De ontvanger bezorgt de secretaris een afschrift van elk document dat hij overmaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of een bijzonder comité.]2

Hij is verplicht zich te gedragen naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door de voorzitter, de raad en het vast bureau.

§ 2

Bij verhindering van de secretaris of bij vacature van het ambt kan de raad voor maatschappelijk welzijn een personeelslid als tijdelijk secretaris aanstellen.

28 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 28 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 10 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 46 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[§ 1

De ontvanger heeft tot taak om, onder zijn eigen verantwoordelijkheid, de ontvangsten van het centrum voor maatschappelijk welzijn te innen en tegen regelmatige bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope hetzij van het bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, hetzij van een bijzonder krediet of van een voorlopig krediet of van het bedrag van de overeenkomstig artikel 91 overgedragen kredieten.

Hij dient alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval te verrichten, tot alle beslagleggingen te doen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving of de vernieuwing van elke titel die daarvoor vatbaar is ten kantore der hypotheken te vorderen aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn kennis te geven van de vervallen huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit dat de rechten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt.

Indien de ontvanger een door het bevoegde orgaan betaalbaar gestelde uitgave weigert te betalen of zulks uitstelt, wordt de betaling ervan vervolgd, zoals inzake directe belastingen, nadat het bevelschrift op verzoek van dit orgaan, door het Verenigd College uitvoerbaar is verklaard, na de ontvanger vooraf gehoord te hebben. De beslissing van het Verenigd College geldt als een regelmatig bevelschrift dat de ontvanger ambtshalve moet uitvoeren.

De ontvanger staat onder het gezag van de voorzitter.

§ 2

De ontvanger is verplicht tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in geld, in effecten of in de vorm van hypotheken, een bankwaarborg of een verzekering te stellen.

Het Verenigd College bepaalt het minimum- en het maximumbedrag van de zekerheid, volgens de categorie van gemeenten bedoeld in artikel 28, § l, van de nieuwe gemeentewet, evenals de voorwaarden en de regels volgens welke de zekerheid in de vorm van een bankwaarborg en een verzekering wordt erkend.

De raad voor maatschappelijk welzijn stelt, op de eerste vergadering van de raad voor maatschappelijk welzijn na de eedaflegging en binnen de grenzen bepaald met toepassing van vorig lid, het bedrag vast van de zekerheid die de ontvanger moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt.

De zekerheid wordt bij de Deposito- en Consignatiekas gedeponeerd; de intrest die zij opbrengt komt aan de ontvanger toe.

De akten van zekerheidsinstelling worden zonder kosten voor het centrum, voor de burgemeester van de gemeente waar het centrum is gelegen verleden.

Wanneer de door de raad voor maatschappelijk welzijn bepaalde zekerheid wegens toeneming van de jaarlijkse ontvangsten of om enige andere reden ontoereikend wordt geacht, moet de ontvanger binnen een beperkte tijd een aanvullende zekerheid verschaffen, ten aanzien waarvan dezelfde regels gelden als voor de oorspronkelijke.

De voorzitter zorgt dat de zekerheid van de ontvanger van het centrum werkelijk gesteld en te bekwame tijd hernieuwd wordt.

De ontvanger die zijn zekerheid of aanvullende zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt, wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen.

Alle kosten betreffende de vestiging van de zekerheid vallen ten laste van de ontvanger.

Is er een tekort in de kas van het centrum, dan heeft het centrum een voorrecht op de zekerheid van de ontvanger.

§ 3

In geval van gewettigde afwezigheid kan de ontvanger binnen drie dagen, op eigen verantwoordelijkheid, voor een termijn van dertig dagen een plaatsvervanger aanwijzen die aanvaard wordt door de raad voor maatschappelijk welzijn. Deze aanwijzing kan voor dezelfde afwezigheid tweemaal hernieuwd worden. Gebeurt dat niet, dan kan de raad een waarnemend ontvanger aanwijzen.

Hij is ertoe verplicht wanneer de afwezigheid langer duurt dan drie maanden.

De waarnemend ontvanger moet voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden om het ambt van ontvanger uit te oefenen. De bepalingen van artikel 44 en van § 2 van dit artikel zijn op hem van toepassing.

De waarnemend ontvanger oefent alle bevoegdheden van de ontvanger uit. Bij zijn ambtsaanvaarding en -neerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken onder het toezicht van de raad voor maatschappelijk welzijn overgedragen.]2

18 juli 2000

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 18 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd en § 2 vervangen bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

- Ontvanger (O.C.M.W.)

Art. 46 [Nederlands taalgebied]

§ 1

4[...]

§ 2

3[...]4[...]

§ 3

4[...]

§ 4

4[...]

§ 5

4[...]

§ 6

4[...] Bij zijn ambtsaanvaarding en zijn ambtsneerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken overgedragen, onder toezicht van de raad voor maatschappelijk welzijn.

24 december 20086 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

§ 1 opgeheven bij art. 276, 61°, a) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 2 gewijzigd bij art. 276, 61°, c) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2009 (art. 285, § 2) en bij art. 276, 61°, b) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§§ 3 en 4 opgeheven bij art. 276, 61°, d) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 5 opgeheven bij art. 276, 61°, e) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 6 gewijzigd bij art. 276, 61°, f) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Art. vervangen bij art. 9 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§ 1 gewijzigd bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 vervangen bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

Toekomstig recht

Artikel 46 wordt gewijzigd bij art. 276, 61°, f) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 46 [Nederlands taalgebied]

§ 1

4[...]

§ 2

3[...]4[...]

§ 3

4[...]

§ 4

4[...]

§ 5

4[...]

§ 6

4[...]5[...]

Art. 46 [Duitstalige Gemeenschap]

§ 1

De ontvanger heeft tot taak om, onder zijn verantwoordelijkheid, de ontvangsten van het centrum voor maatschappelijk welzijn te innen en tegen regelmatige bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope hetzij van het bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, hetzij van een bijzonder krediet of van het bedrag van de overeenkomstig artikel 91 overgedragen kredieten. 1[De ontvanger staat onder het gezag van de voorzitter.]1

Hij dient alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval te verrichten, tot alle beslagleggingen te doen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving of de vernieuwing van elke titel die daarvoor vatbaar is ten kantore der hypotheken te vorderen, aan de leden van de raad kennis te geven van het vervallen van de huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit dat de rechten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt.

Indien de ontvanger weigert het bedrag van een regelmatig bevelschrift te betalen of zulks uitstelt, wordt de betaling ervan vervolgd zoals inzake directe belastingen, nadat het bevelschrift op verzoek van de schuldeiser door de raad voor maatschappelijk welzijn of, bij in gebreke blijven ervan, door 2[de Regering]2 invorderbaar is verklaard.

§ 2

1[De plaatselijke ontvanger is verplicht tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in geld, in effekten of in de vorm van een of meerdere hypotheken te stellen.

2[De Regering]2 bepaalt het minimum- en het maximumbedrag van de zekerheid, volgens de categorie van gemeenten b2edoeld in artikel 28, § 1, van de nieuwe gemeentewet.

De raad voor maatschappelijk welzijn stelt, op de eerste vergadering na de eedaflegging en binnen de grenzen bepaald in toepassing van vorig lid, het bedrag vast van de zekerheid welke de ontvanger moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt.

De zekerheid wordt bij de Deposito- en Consignatiekas gedeponeerd; de intrest die zij opbrengt komt aan de ontvanger toe.

De akten van zekerheidsstelling worden zonder kosten voor het centrum; voor de burgemeester van de gemeente waar het centrum is gelegen, verleden.

Indien er registratierechten verschuldigd zijn, worden deze herleid tot het algemeen vast recht en zijn zij ten laste van de ontvanger.

3[De ontvanger mag de zekerheidstelling vervangen door hetzij de hoofdelijke borgstelling van een door de Regering erkende vereniging, hetzij een bankwaarborg of verzekering die beantwoordt aan de modaliteiten bepaald door de Regering.

De in vorig lid vermelde vereniging moet de vorm van een coöperatieve vennootschap aannemen en zich gedragen naar de voorschriften van het Wetboek van Koophandel m.b.t. deze vennootschapsvorm; zij behoudt niettemin haar burgerlijk karakter.]3

Het besluit tot erkenning van de vereniging alsmede de goedgekeurde statuten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De vereniging kan de kas en de boekhouding controleren van de ontvanger voor wie zij zich borg heeft gesteld, mits de raad voor maatschappelijk welzijn instemt met de contractuele bepalingen waarbij dit recht wordt gevestigd en met de wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend.

Wanneer de door de raad voor maatschappelijk welzijn bepaalde zekerheid wegens toeneming van de jaarlijkse ontvangsten of om enige andere reden ontoereikend wordt geacht, moet de ontvanger binnen een beperkte tijd een aanvullende zekerheid verschaffen, ten aanzien waarvan dezelfde regels gelden als voor de eerste.

De voorzitter zorgt dat de zekerheid van de ontvanger werkelijk gesteld en te bekwamer tijd vernieuwd wordt.

De ontvanger die zijn zekerheid of aanvullende zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt, wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen.

Alle kosten betreffende de vestiging der zekerheid vallen ten laste van de ontvanger.

Is er een tekort in de kas van het centrum, dan heeft het centrum een voorrecht op de zekerheid van de ontvanger.]1

30 december 1995

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 11 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§ 2 gewijzigd bij art. 11 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30) en bij art. 18 Decr. D. Gem. R. 7 januari 2002 (B.S., 12 september 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 64).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

Art. 46 [Frans taalgebied]

§ 1

2[De plaatselijke of gewestelijke ontvanger heeft tot taak om, op eigen verantwoordelijkheid, de ontvangsten van het O.C.M.W. te innen en tegen regelmatige bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope hetzij van het bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, hetzij van de voorlopige kredieten, hetzij van de krachtens artikel 91, § 1, derde lid, overgedragen kredieten, hetzij van een overeenkomstig artikel 88, § 2, toegekend krediet.]2

Hij dient alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval te verrichten, tot alle beslagleggingen te doen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving of de vernieuwing van elke titel die daarvoor vatbaar is ten kantore der hypotheken te vorderen, aan de leden van de raad kennis te geven van het vervallen van de huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit dat de rechten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt.

Indien de ontvanger weigert het bedrag van een regelmatig bevelschrift te betalen of zulks uitstelt, wordt de betaling ervan vervolgd zoals inzake directe belastingen, nadat het bevelschrift op verzoek van de schuldeiser door de raad voor maatschappelijk welzijn of, bij in gebreke blijven ervan, door de provinciegouverneur invorderbaar is verklaard.

§ 2

1[De plaatselijke ontvanger is verplicht tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in geld, in effekten of in de vorm van een of meerdere hypotheken te stellen.

De 2[Regering]2 bepaalt het minimum- en het maximumbedrag van de zekerheid, volgens de categorie van gemeenten bedoeld in artikel 28, § 1, van de nieuwe gemeentewet.

De raad voor maatschappelijk welzijn stelt, op de eerste vergadering na de eedaflegging en binnen de grenzen bepaald in toepassing van vorig lid, het bedrag vast van de zekerheid welke de ontvanger moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt.

De zekerheid wordt bij de Deposito- en Consignatiekas gedeponeerd; de intrest die zij opbrengt komt aan de ontvanger toe.

De akten van zekerheidsstelling worden zonder kosten voor het centrum; voor de burgemeester van de gemeente waar het centrum is gelegen, verleden.

Indien er registratierechten verschuldigd zijn, worden deze herleid tot het algemeen vast recht en zijn zij ten laste van de ontvanger.

3[De ontvanger kan de zekerheid vervangen ofwel door de medeborg van een door de Regering erkende vereniging, ofwel door een bankgarantie of een verzekering die voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de wetgeving betreffende de gemeentelijke ontvanger.]3

Deze moet de vorm van een coöperatieve vennootschap aannemen en zich gedragen naar de voorschriften van boek I, titel IX, afdeling 7, van het Wetboek van Koophandel; zij behoudt niettemin haar burgerlijk karakter.

Het besluit tot erkenning van de vereniging alsmede de goedgekeurde statuten worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De vereniging kan de kas en de boekhouding controleren van de ontvanger voor wie zij zich borg heeft gesteld, mits de raad voor maatschappelijk welzijn instemt met de contractuele bepalingen waarbij dit recht wordt gevestigd en met de wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend.

Wanneer de door de raad voor maatschappelijk welzijn bepaalde zekerheid wegens toeneming van de jaarlijkse ontvangsten of om enige andere reden ontoereikend wordt geacht, moet de ontvanger binnen een beperkte tijd een aanvullende zekerheid verschaffen, ten aanzien waarvan dezelfde regels gelden als voor de eerste.

De voorzitter zorgt dat de zekerheid van de ontvanger werkelijk gesteld en te bekwamer tijd vernieuwd wordt.

De ontvanger die zijn zekerheid of aanvullende zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt, wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen.

Alle kosten betreffende de vestiging der zekerheid vallen ten laste van de ontvanger.

Is er een tekort in de kas van het centrum, dan heeft het centrum een voorrecht op de zekerheid van de ontvanger.]1

2[§ 3

De plaatselijke of gewestelijke ontvanger, die onder het gezag van het vast bureau staat, is belast met de boekhouding van het centrum.

De ontvanger kan door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord worden over elke aangelegenheid met een financiële of budgettaire weerslag.

§ 4

Onder voorbehoud van de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het vast bureau krachtens § 3, alsook van de verplichtingen en de verantwoordelijkheid die hem krachtens § 1 opgelegd zijn, oefent de plaatselijke ontvanger zijn ambt uit onder het gezag van de voorzitter en de gewestelijke ontvanger onder het gezag van de gouverneur of de arrondissementscommissaris. De gewestelijke ontvanger staat echter onder het functionele gezag van de voorzitter voor de diensten die hij voor het O.C.M.W. verstrekt.

Onverminderd de afwijkende bepalingen die de Regering krachtens artikel 43, derde lid, heeft vastgelegd, valt hij onder de toepassing van de bepalingen van de gemeentewet betreffende de gewestelijke ontvanger.

Voor de toepassing van de in het vorige lid bedoelde bepalingen moet verstaan worden onder “gemeenteraad en 4[gemeentelijk college]4” de raad voor maatschappelijk welzijn en onder “gemeentekas” de kas van het O.C.M.W.

§ 5

In geval van gewettigde afwezigheid kan de plaatselijke ontvanger binnen drie dagen, op eigen verantwoordelijkheid, voor een termijn van maximum dertig dagen een plaatsvervanger aanwijzen die erkend is door de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau. Deze maatregel kan voor dezelfde afwezigheid tweemaal toegepast worden.

In de andere gevallen kan de raad voor maatschappelijk welzijn een waarnemend plaatselijke ontvanger aanwijzen.

Hij is ertoe verplicht wanneer de afwezigheid langer duurt dan drie maanden.

De waarnemend plaatselijke ontvanger moet voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden om het ambt van plaatselijk ontvanger uit te oefenen. De bepalingen betreffende de eedaflegging en de zekerheid zijn op hem van toepassing.

De waarnemend plaatselijke ontvanger oefent alle bevoegdheden van de plaatselijke ontvanger uit.

Bij zijn ambtsaanvaarding en -neerlegging wordt de eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken onder toezicht van de voorzitter overgedragen.

§ 6

1°De ontvanger is niet aansprakelijk voor de ontvangsten die de raad voor maatschappelijk welzijn doet invorderen door bijzondere agenten; deze agenten zijn aansprakelijk voor de ontvangsten waarvan de invordering hun wordt opgedragen; wat de invordering van die ontvangsten betreft, zijn ze aan dezelfde verplichtingen onderworpen als de ontvanger.

De raad voor maatschappelijk welzijn kan eisen dat ze een zekerheid stellen waarvan hij het bedrag en de aard bepaalt; dezelfde beslissing vermeldt de termijn waarover zij daartoe beschikken; de bepalingen betreffende de eedaflegging en de zekerheid zijn mutatis mutandis van toepassing op de bijzondere agenten.

Wat betreft de eed, de vervanging, het opmaken van de eindrekening en de bij de bestendige deputatie van de provincieraad ingestelde beroepen, zijn de bijzondere agenten aan dezelfde regels onderworpen als de plaatselijke ontvangers.

Ze mogen geen enkele uitgave boeken op de rekeningen die ze beheren.

De geïnde ontvangsten worden regelmatig en ten minste om de veertien dagen aan de ontvanger van het O.C.M.W. overgemaakt, waarbij de laatste storting van het boekjaar op de laatste werkdag van de maand december moet plaatsvinden.

Bij elke storting bezorgt de bijzondere agent de ontvanger een gedetailleerde lijst van de budgettaire aanrekeningen, de gestorte bedragen en de desbetreffende schuldenaars.

De rekeningen van de bijzondere agent worden, samen met de bewijsstukken, voor verificatie en visering aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd.

Ze worden vervolgens met alle bewijsstukken aan de ontvanger overgemaakt om bij de begrotingsrekening te worden gevoegd.

Artikel 93 is mutatis mutandis van toepassing op de bijzondere agent; wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn een tekort vaststelt, wordt mutatis mutandis gehandeld overeenkomstig artikel 93, §§ 3 en 4, eerste, tweede, vijfde en zesde lid.

 

2°De raad voor maatschappelijk welzijn kan sommige agenten van het O.C.M.W. op eigen verantwoordelijkheid belasten met een bijkomend ambt dat bestaat in de vastlegging en de betaling van kleine uitgaven en in de invordering van ontvangsten in contanten, wanneer het recht op ontvangst vaststaat.

De kleine uitgaven worden verricht op grond van een voorschot waarvoor de Regering de aanleg- en gebruikswijze bepaalt.

De in het eerste lid bedoelde agenten zijn niet gehouden tot de verplichtingen die aan de in 1° bedoelde bijzondere agenten opgelegd worden.

Ze moeten de geïnde bedragen dagelijks of met korte tussentijden integraal overmaken aan de ontvanger, overeenkomstig zijn richtlijnen en met een per begrotingsartikel uitvoerige invorderingsstaat als bewijsstuk.

 

§ 7

1°Er wordt een eindrekening opgemaakt wanneer de ontvanger of de in § 6, 1°, bedoelde bijzondere agent zijn ambt definitief neerlegt en in de gevallen bedoeld in § 5, zesde lid, van dit artikel en 54bis, § 2, van de nieuwe gemeentewet.

 

2°De eindrekening van de plaatselijke ontvanger of de bijzondere agent wordt, eventueel samen met zijn opmerkingen of die van zijn rechthebbenden als hij overleden is, voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn die ze vastlegt en verklaart dat de rekenplichtige niets meer verschuldigd is of een verschuldigd bedrag vaststelt.

De beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten, wordt door toedoen van de raad voor maatschappelijk welzijn bij ter post aangetekend schrijven aan de rekenplichtige betekend of, bij diens overlijden, aan zijn rechthebbenden. Ze gaat eventueel vergezeld van een verzoek om het tekort te vereffenen.

 

3°De beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten en aan de ontvanger of de bijzondere agent kwijting wordt verleend, brengt van rechtswege de teruggave van de zekerheid mee.

 

4°Artikel 93, § 4, is van toepassing wanneer de rekenplichtige verzocht wordt het tekort te vereffenen.]2

 

12 juni 200228 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 11, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).

§ 2 vervangen bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), gewijzigd bij art. 11, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35) en bij art. 3 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede uitg.)).

§ 3 ingevoegd bij art. 11, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).

§ 4 ingevoegd bij art. 11, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§§ 5 tot 7 ingevoegd bij art. 11, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).

Voorgeschiedenis

§ 2 gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 46bis [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

De raad voor maatschappelijk welzijn kan, op advies van de ontvanger, sommige ambtenaren van het centrum belasten met de inning van ontvangsten in speciën, op het ogenblik waarop het recht op ontvangst wordt gevestigd, voor zover ze verenigbaar is met het uitoefenen van hun functie. Voor deze inning, werken deze ambtenaren onder de verantwoordelijkheid en het gezag van de ontvanger.

Ze storten de geïnde bedragen integraal aan de ontvanger van het centrum, overeenkomstig zijn richtlijnen en leggen, per begrotingsartikel, een uitvoerige invorderingsstaat als bewijsstuk voor.]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 19 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

[Art. 46ter [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Met het oog op de contante betaling van kleine dagelijkse uitgaven, kan de raad voor maatschappelijk welzijn, op advies van de ontvanger, een provisie ter beschikking stellen van sommige personeelsleden, die met naam genoemd worden en die het aanvaarden.

De beslissing bepaalt welke soorten van uitgaven contant mogen worden betaald met deze provisie en wat het bedrag ervan is.

Ieder betrokken personeelslid beheert zijn provisie onder het gezag en de verantwoordelijkheid van de ontvanger.

Het Verenigd College kan de regels voor de toepassing van dit artikel vaststellen.]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 20 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van 18 december 2003 van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 december 2003 in toepassing van artikel 46ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, ingelast bij ordonnantie van 2 juni 2003 betreffende het administratief toezicht en de financiële, budgettaire en boekhoudkundige voorschriften van het O.C.M.W., houdende vaststelling van de modaliteiten van de toekenning van een provisie voor geringe uitgaven (B.S., 11 februari 2004)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 oktober 2008 houdende vaststelling van de modaliteiten van de toekenning van een provisie voor geringe uitgaven in toepassing van artikel 46ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ingelast bij ordonnantie van 3 juni 2003 betreffende het administratief toezicht en de financiële, budgettaire en boekhoudkundige voorschriften van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 6 november 2008)

 

[Art. 46quater [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

§ 1

Er wordt een eindrekening gemaakt wanneer de ontvanger de uitoefening van zijn functies definitief stopzet of wanneer hij wordt vervangen door een waarnemend ontvanger die door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt aangewezen.

§ 2

De eindrekening van de ontvanger, indien nodig aangevuld met zijn opmerkingen of, zo hij overleden is, met die van zijn rechtverkrijgenden, wordt voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn die de eindrekening vaststelt. De eindrekening wordt binnen de vijftien dagen overgezonden aan het Verenigd College met het oog op de definitieve vaststelling ervan. De procedure bedoeld in artikel 89, § 2 met betrekking tot de goedkeuring van de rekening en het verlenen van de kwijting aan de ontvanger is, behoudens de nodige aanpassingen, van toepassing.

§ 3

De beslissingen waarbij de eindrekening definitief wordt vastgesteld en aan de rekenplichtige kwijting wordt verleend, brengen van rechtswege de teruggave van de zekerheid mee.

§ 4

Artikel 93, § 4 is van toepassing wanneer de ontvanger verzocht wordt het tekort bij te passen.]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 21 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Art. 47 [Federale tekst]

§ 1

De maatschappelijk werker heeft als opdracht, met het oog op de verwezenlijking van de bij artikel 1 bepaalde doelstellingen, en ter uitvoering van de taken hem opgedragen door de secretaris, namens de raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst, de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden. Hiertoe doet hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen beslissingen, verstrekt documentatie en raadgevingen en verzekert de maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen.

§ 2

De verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst of de secretaris in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en hij stelt de maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen.

Hij neemt deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan bovendien uitgenodigd worden deel te nemen aan de besprekingen van de raad of van het vast bureau telkens als over de problemen gehandeld wordt die de sociale dienst aanbelangen.

§ 3

Wanneer de met het dossier belaste maatschappelijk werker er wegens bijzondere en uitzonderlijke redenen van vertrouwelijke aard om heeft verzocht, neemt de raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst niet eerder een beslissing over een individueel geval van dienstverlening dan na de betrokken maatschappelijk werker gehoord te hebben.

- Maatschappelijk werker

Art. 47 [Nederlands taalgebied]

1[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 62° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 11, 48°, p) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 47 [Frans taalgebied]

§ 1

De maatschappelijk werker heeft als opdracht, met het oog op de verwezenlijking van de bij artikel 1 bepaalde doelstellingen, en ter uitvoering van de taken hem opgedragen door de secretaris, namens de raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst, de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden. Hiertoe doet hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen beslissingen, verstrekt documentatie en raadgevingen en verzekert de maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen.

1[De maatschappelijk werker die belast is met het dossier van een hulpverzoeker, kan niet verplicht worden het O.C.M.W. te vertegenwoordigen in de rechtsvorderingen die de verzoeker krachtens artikel 71 van deze wet bij de Arbeidsrechtbank instelt.]1

§ 2

De verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst of de secretaris in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en hij stelt de maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen.

Hij neemt deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan bovendien uitgenodigd worden deel te nemen aan de besprekingen van de raad of van het vast bureau telkens als over de problemen gehandeld wordt die de sociale dienst aanbelangen.

§ 3

Wanneer de met het dossier belaste maatschappelijk werker er wegens bijzondere en uitzonderlijke redenen van vertrouwelijke aard om heeft verzocht, neemt de raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst niet eerder een beslissing over een individueel geval van dienstverlening dan na de betrokken maatschappelijk werker gehoord te hebben.

28 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 11bis Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 48 [Federale tekst]

De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de regelen volgens dewelke de beoefenaars van de geneeskunst toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de instellingen en diensten van het centrum.

Ingeval die beoefenaars van de geneeskunst niet benoemd worden noch bezoldigd volgens statutaire bepalingen, dan worden hun betrekkingen met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat de inrichting of de dienst beheert, geregeld op basis van een schriftelijke overeenkomst.

Art. 48 [Federale tekst]

De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de regelen volgens dewelke de beoefenaars van de geneeskunst toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de instellingen en diensten van het centrum.

Ingeval die beoefenaars van de geneeskunst niet benoemd worden noch bezoldigd volgens statutaire bepalingen, dan worden hun betrekkingen met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat de inrichting of de dienst beheert, geregeld op basis van een schriftelijke overeenkomst.

- Geneesheren

48

(...)

Toekomstig recht

Artikel 48 wordt opgeheven bij art. 276, 63° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 48 [Nederlands taalgebied]

1[...]

Art. 48 [Frans taalgebied]

De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de regelen volgens dewelke de beoefenaars van de geneeskunst toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de instellingen en diensten van het centrum.

Ingeval die beoefenaars van de geneeskunst niet benoemd worden noch bezoldigd volgens statutaire bepalingen, dan worden hun betrekkingen met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat de inrichting of de dienst beheert, geregeld op basis van een schriftelijke overeenkomst.

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 49 [Federale tekst]

§ 1

1[De personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen, hetzij zelf, hetzij door middel van een tussenpersoon, geen enkele bezigheid verrichten die kan schaden aan het vervullen van hun ambtsplichten of met de waardigheid van het ambt in strijd is.]1

§ 2

1[Bovendien mogen de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen enkele zelfs onbezoldigde opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk volbrengen.]1

Deze bepaling vindt echter geen toepassing op voogdij en op curatele over onbekwamen, evenmin als op de opdrachten die in naam van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in private ondernemingen of verenigingen worden uitgevoerd.

§ 3

Van de vorige paragraaf kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, door de raad voor maatschappelijk welzijn afgeweken worden, meer bepaald waar het om het beheer van familiebelangen gaat 1[of wanneer het ambt niet voltijds uitgeoefend wordt in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Deze afwijkingen kunnen in geval van misbruik worden ingetrokken]1.

§ 4

1[De hoedanigheid van personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met inbegrip van de personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die ingevolge een beslissing van één der organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hun werkzaamheden uitoefenen in één der inrichtingen of diensten van het centrum is onverenigbaar met:

1°het mandaat van burgemeester of gemeenteraadslid in de gemeente waarvoor het centrum bevoegd is;

 

2°het lidmaatschap van het beheerscomité als afgevaardigde van een gemeente, die overeenkomstig artikel 109 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987, bijdraagt in de tekorten van het ziekenhuis van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

 

Wetshistoriek

§§ 1 en 4 vervangen en §§ 2 en 3 gewijzigd bij art. 6 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

- Onverenigbaarheden en verbodsbepalingen

Art. 49 [Frans taalgebied]

§ 1

1[De personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen, hetzij zelf, hetzij door middel van een tussenpersoon, geen enkele bezigheid verrichten die kan schaden aan het vervullen van hun ambtsplichten of met de waardigheid van het ambt in strijd is.]1

§ 2

1[Bovendien mogen de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen enkele zelfs onbezoldigde opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk volbrengen.]1

Deze bepaling vindt echter geen toepassing op voogdij en op curatele over onbekwamen, evenmin als op de opdrachten die in naam van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in private ondernemingen of verenigingen worden uitgevoerd.

§ 3

Van de vorige paragraaf kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, door de raad voor maatschappelijk welzijn afgeweken worden, meer bepaald waar het om het beheer van familiebelangen gaat 1[of wanneer het ambt niet voltijds uitgeoefend wordt in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Deze afwijkingen kunnen in geval van misbruik worden ingetrokken]1.

§ 4

1[De hoedanigheid van personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met inbegrip van de personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die ingevolge een beslissing van één der organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hun werkzaamheden uitoefenen in één der inrichtingen of diensten van het centrum is onverenigbaar met:

1°het mandaat van burgemeester of gemeenteraadslid in de gemeente waarvoor het centrum bevoegd is;

 

2°het lidmaatschap van het beheerscomité als afgevaardigde van een gemeente, die overeenkomstig artikel 109 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987, bijdraagt in de tekorten van het ziekenhuis van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

 

Wetshistoriek

§§ 1 en 4 vervangen en §§ 2 en 3 gewijzigd bij art. 6 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 49 [Nederlands taalgebied]

3[...]

24 november 200630 augustus 2006

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 64° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, q) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 vervangen en §§ 2 en 3 gewijzigd bij art. 6 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

§ 4 vervangen bij art. 6 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

§ 4, lid 1, 1° vervangen bij art. 41 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede uitg.))).

Art. 50 [Nederlands taalgebied]

2[...]

30 augustus 20065 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 65° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, q) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 42 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).

Art. 50 [Frans taalgebied]

De bepalingen van 1[artikel 36, derde lid]1, en van het artikel 371[, eerste, tweede en derde lid]1 zijn mede van toepassing op de personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 12 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 51

1[Aan de personeelsleden van het OCMW, met uitzondering van het personeel dat in dienst is genomen bij arbeidsovereenkomst, kunnen de tuchtstraffen worden opgelegd bepaald in artikel 283 van de nieuwe gemeentewet.

Die straffen kunnen worden opgelegd wegens de tekortkomingen en handelingen vermeld in artikel 282, 1° en 2°, van de nieuwe gemeentewet, alsmede wegens overtreding van het verbod bedoeld in de artikelen 49, §§ 1 tot 4, en 50 van deze wet.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 51 [Federale tekst]

1[Aan de personeelsleden van het OCMW, met uitzondering van het personeel dat in dienst is genomen bij arbeidsovereenkomst, kunnen de tuchtstraffen worden opgelegd bepaald in artikel 283 van de nieuwe gemeentewet.

Die straffen kunnen worden opgelegd wegens de tekortkomingen en handelingen vermeld in artikel 282, 1° en 2°, van de nieuwe gemeentewet, alsmede wegens overtreding van het verbod bedoeld in de artikelen 49, §§ 1 tot 4, en 50 van deze wet.]1

- Tucht (personeel O.C.M.W.)

Art. 51 [Nederlands taalgebied]

2[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 66° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 9 B.Vl.Reg. 15 mei 2009 (BS 29 mei 2009 (ed. 2))).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 52 [Federale tekst]

1[Titel XIV van de nieuwe gemeentewet, uitgezonderd de artikelen 287, § 2, en 289 tot 296, is van toepassing op de in het vorige artikel bedoelde personeelsleden, met dien verstande dat de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden gemeente, gemeenteraad, college van burgemeester en schepenen, burgemeester en gemeentesecretaris, respectievelijk moeten worden gelezen als openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, raad voor maatschappelijk welzijn, vast bureau, voorzitter en secretaris.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Beperking toepassing

Opgeheven, voor het Nederlands taalgebied, met uitzondering wat betreft de toepassing van art. 287, § 3 van de Nieuwe Gemeentewet, bij art. 276, 67° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 9 B.Vl.Reg. 15 mei 2009 (BS 29 mei 2009 (ed. 2))).

Verwerping van beroep

Artikel 52 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het aan de raad voor maatschappelijk welzijn de tuchtrechtelijke bevoegdheid toevertrouwt ten aanzien van de ontvanger van het O.C.M.W. (Arbitragehof nr. 141/2003, 29 oktober 2003 (prejudiciële vraag) (B.S., 20 januari 2004 (derde uitg.))).

Geselecteerde rechtspraak

Op grond van artt. 24 en 52 O.C.M.W.-wet en 287, § 1, Nieuwe Gemeentewet staat het aan de raad voor maatschappelijk welzijn om de tuchtsanctie van ambtshalve ontslag op te leggen. Geen bepaling schrijft voor dat de raad het vast bureau moet belasten met een onderzoek en met het eventueel aanhangig maken van de zaak bij de raad. Gelet op de structuur van het actief bestuur, door de wet gewild, kan geen schending van het algemeen beginsel van de onpartijdigheid worden afgeleid uit het enkele feit dat de raad achtereenvolgens heeft beslist om een tuchtvordering in te stellen, het onderzoek heeft gedaan en beslist heeft over de sanctie (R.v.St. nr. 86.566, 4 april 2000).

Art. 52 [Frans taalgebied]

1[Titel XIV van de nieuwe gemeentewet, uitgezonderd de artikelen 287, § 2, en 289 tot 296, is van toepassing op de in het vorige artikel bedoelde personeelsleden, met dien verstande dat de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden gemeente, gemeenteraad, 2[gemeentelijk college]2, burgemeester en gemeentesecretaris, respectievelijk moeten worden gelezen als openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, raad voor maatschappelijk welzijn, vast bureau, voorzitter en secretaris.]1

2 januari 2006

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Verwerping van beroep

Artikel 52 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het aan de raad voor maatschappelijk welzijn de tuchtrechtelijke bevoegdheid toevertrouwt ten aanzien van de ontvanger van het O.C.M.W. (Arbitragehof nr. 141/2003, 29 oktober 2003 (prejudiciële vraag) (B.S., 20 januari 2004 (derde uitg.))).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 53 [Nederlands taalgebied]

2[...]

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 68° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 9 B.Vl.Reg. 15 mei 2009 (BS 29 mei 2009 (ed. 2))).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 53 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[§ 1

2[De beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, het ontslag van ambtswege of de afzetting worden uitgesproken, worden onderworpen aan de goedkeuring van het Verenigd College. Desalniettemin worden ze voorlopig uitgevoerd, tenzij de raad voor maatschappelijk welzijn anders beslist.]2

§ 2

Een personeelslid kan bij 2[het Verenigd College]2 bezwaar inbrengen tegen een besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot opheffing van zijn betrekking of tot vermindering van de aan die betrekking verbonden wedde.

Het bezwaar moet worden ingediend binnen vijftien dagen na kennisgeving van het besluit aan de betrokkene. 2[Het Verenigd College]2 kan haar goedkeuring aan dat besluit alleen onthouden indien het klaarblijkelijk strekt tot een bedekte afzetting of terugzetting in rang.

2[Het Verenigd College]2 moet beslissen binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de klacht haar ter kennis wordt gebracht.

§ 3

2[...]]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1 vervangen bij art. 22, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 2 gewijzigd bij art. 22, 2° tot 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 3 opgeheven bij art. 22, 5° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Art. 53 [Duitstalige Gemeenschap]

1[§ 1

De beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, een schorsing voor ten minste drie maanden, een terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de afzetting worden uitgesproken, worden onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad. Zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd, tenzij de raad voor maatschappelijk welzijn anders beslist.

De goedkeuring van de gemeenteraad wordt geacht toegekend te zijn indien aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen beslissing wordt betekend binnen zestig dagen.

Bij niet-goedkeuring door de gemeenteraad wordt het volledig dossier door de zorg van het centrum voor goedkeuring doorgestuurd aan de Regering.

§ 2

Een personeelslid kan bij de Regering bezwaar uitbrengen tegen een besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot opheffing van zijn betrekking of tot vermindering van de aan de betrekking verbonden wedde.

Het bezwaar moet worden ingediend binnen vijftien dagen na kennisgeving van het besluit aan de betrokkene. De Regering kan alleen gevolg geven aan het bezwaar, indien de beslissing klaarblijkelijk strekt tot een bedekte afzetting of terugzetting in rang.

De Regering moet beslissen binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de klacht haar ter kennis wordt gebracht.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 12 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 53 [Frans taalgebied]

1[§ 1

De beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, een schorsing voor drie maanden, een terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de afzetting worden uitgesproken, worden onderworpen aan het advies van het 3[gemeentelijk college]3 alsmede aan de goedkeuring van 3[het provinciecollege]3. Zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd, tenzij de raad anders beslist.

§ 2

Een personeelslid kan bij 3[het provinciecollege]3 bezwaar inbrengen tegen een besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot opheffing van zijn betrekking of tot vermindering van de aan die betrekking verbonden wedde.

Het bezwaar moet worden ingediend binnen vijftien dagen na kennisgeving van het besluit aan de betrokkene. 3[Het provinciecollege]3 kan haar goedkeuring aan dat besluit alleen onthouden indien het klaarblijkelijk strekt tot een bedekte afzetting of terugzetting in rang.

3[Het provinciecollege]3 moet beslissen binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de klacht haar ter kennis wordt gebracht.

§ 3

Het betrokken personeelslid en de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen tegen de beslissing van 3[het provinciecollege]3, genomen op grond van § 1 of § 2, bij de 2[Regering]2 beroep instellen binnen vijftien dagen na de kennisgeving die hun ervan wordt gedaan door 3[het provinciecollege]3.

De 2[Regering]2 moet beslissen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de dag waarop de akte Hem werd overgezonden; Hij kan evenwel de oorspronkelijke termijn met 3 maanden verlengen indien Hij, vóór het verstrijken van de termijn, ter kennis brengt dat Hij slechts kan beslissen binnen de verlengde termijn.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1 gewijzigd bij art. 15, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 2 gewijzigd bij art. 15, 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 3 gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij art. 15, 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 54 [Federale tekst]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 54 [Frans taalgebied]

2[§ 1

Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de evaluatie van de personeelsleden van het Centrum.

§ 2

Het kan, als negatief gevolg van de evaluatie, voorzien in het ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid van de personeelsleden van het Centrum, met uitzondering van het personeel dat krachtens een arbeidscontract in dienst genomen is.

De Raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt op algemene wijze de modaliteiten voor de berekening en de betaling van de vertrekvergoeding die aan het personeelslid gestort wordt. De vergoeding is evenredig aan de anciënniteit van het personeelslid binnen het Centrum en mag in geen geval minder bedragen dan:

–drie maanden loon voor de personeelsleden met minder dan tien jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied;

 

–zes maanden loon voor de personeelsleden met tien tot twintig jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied;

 

–negen maanden loon voor de personeelsleden met meer dan twintig jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied.]2

 

27 mei 2009

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 1 Decr.W. 30 april 2009 (BS 27 mei 2009 (ed. 1)).

Voorgeschiedenis

Opgeheven bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

[Art. 54bis [Frans taalgebied]

§ 1

De beslissing waarbij een personeelslid ambtshalve ontslagen wordt wegens beroepsonbekwaamheid, wordt, na verhoor, door de Raad uitgesproken.

Ze wordt onverwijld aan betrokkene meegedeeld, hetzij bij ter post aangetekend schrijven, hetzij door afgifte tegen bericht van ontvangst. Bij gebrek aan kennisgeving binnen tien werkdagen wordt ze geacht ingetrokken te zijn.

In de kennisgeving wordt gewag gemaakt van de beroepen waarin de wet of het decreet voorziet en van de termijn waarbinnen ze ingesteld kunnen worden.

§ 2

Het personeelslid beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de eerste werkdag die volgt op de kennisgeving van de beslissing waarbij het ambtshalve ontslagen wordt, om de zaak bij aangetekend schrijven aanhangig te maken bij de Kamer van beroep bedoeld in artikel 54ter. De aanhangigmaking van de kamer van beroep schort de beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn op tot de beslissing van de Regering of tot het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikt om te beslissen.

De kamer van beroep geeft de Regering een gemotiveerd advies over de beraadslaging van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende beslissing tot ambsthalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid. Dat advies is “gunstig” of “ongunstig”. Het wordt gegeven en samen met het volledige dossier meegedeeld binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de beslissing.

§ 3

Bij gebrek aan aanhangigmaking bij de kamer van beroep binnen de toegestane termijn, richt de Raad voor maatschappelijk welzijn zijn beraadslaging, samen met het volledige dossier, aan de Regering. In afwijking van de artikelen 109, 110 en 112, kan de Regering de beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid vernietigen wanneer ze de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Bij gebrek aan beslissing binnen een termijn van veertig dagen, eventueel verlengd met twintig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn, kan de akte niet meer vernietigd worden.

De beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid wordt opgeschort totdat de termijn van dertig dagen bedoeld in § 1, eerste lid, verstreken is.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 2 Decr.W. 30 april 2009 (BS 27 mei 2009 (ed. 1)).

[Art. 54ter [Frans taalgebied]

Er wordt een gewestelijke kamer van beroep opgericht om kennis te nemen van de beroepen ingesteld tegen beslissingen tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid.

De artikelen L1218-1 tot 1218-10 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie zijn van toepassing.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 Decr.W. 30 april 2009 (BS 27 mei 2009 (ed. 1)).

[Art. 54quater [Frans taalgebied]

§ 1

In afwijking van de artikelen 109, 110 en 112, kan de Regering, op basis van het advies bedoeld in artikel 54bis, § 2, tweede lid, of in het geval bedoeld in artikel 54ter, § 3, tweede lid, wanneer de kamer van beroep geen advies uitbrengt binnen de voorgeschreven termijn, de beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid vernietigen wanneer ze de wet schendt of het algemeen belang schaadt.

§ 2

De Regering neemt haar beslissing en deelt ze aan de Raad voor maatschappelijk welzijn en aan het personeelslid mee binnen dertig dagen na ontvangst van het advies en van het volledige dossier of, bij gebrek aan beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn, samen met het volledige dossier. Zij kan die termijn één keer verlengen met een maximumduur van vijftien dagen.

Na afloop van die termijn kan de Regering de beslissing tot ambtshalve ontslag niet meer vernietigen. Bij gebrek aan vernietiging door de Regering binnen de termijn bedoeld in § 2, heeft de beslissing tot ambtshalve ontslag volkomen gevolg.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 4 Decr.W. 30 april 2009 (BS 27 mei 2009 (ed. 1)).

Art. 55 [Federale tekst]

§ 1

De Minister die het maatschappelijk welzijn in zijn bevoegdheid heeft kan een of meer openbare centra voor maatschappelijk welzijn machtigen om voor de door hem bepaalde betrekkingen 1[van de maatschappelijk werkers]1 van het verplegend en verzorgend personeel, van het hulppersoneel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, tot een contractuele aanwerving over te gaan.

In dit geval moet de raad voor maatschappelijk welzijn bij de vaststelling van de personeelsformatie uitdrukkelijk die vorm van aanwerving voor de bedoelde betrekkingen voorzien en bij de aanstelling een schriftelijke overeenkomst met het betrokken personeelslid sluiten.

§ 2

1[De raad voor maatschappelijk welzijn kan overgaan tot de indienstneming onder arbeidsovereenkomst van personen van vreemde nationaliteit voor de niet leidinggevende betrekkingen.]1

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd en § 2 vervangen bij art. 31 en 32 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 55 [Frans taalgebied]

§ 1

2[Het O.C.M.W. kan overgaan tot een contractuele werving om te voorzien in een vacature in de personeelsformatie voor zover de indienstneming betrekking heeft op een met een wervingsgraad overeenstemmende betrekking en de personeelsformatie voor die betrekking in de mogelijkheid voorziet om die wervingswijze toe te passen.

In dit geval moet de raad voor maatschappelijk welzijn bij de aanwijzing van het betrokken personeelslid een geschreven overeenkomst met hem sluiten.]2

§ 2

1[3[Onverminderd artikel 42, achtste lid]3 kan de raad voor maatschappelijk welzijn overgaan tot de indienstneming onder arbeidsovereenkomst van personen van vreemde nationaliteit voor de niet leidinggevende betrekkingen.]1

27 oktober 200028 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 13 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 2 vervangen bij art. 31 en 32 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 19 oktober 2000 (B.S., 27 oktober 2000).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 31 en 32 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 55 [Nederlands taalgebied]

3[...]

10 september 1998

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 69° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 31 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

§ 2 vervangen bij art. 32 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

[Art. 55bis [Federale tekst]

Het personeel van een ziekenhuis dat van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn afhangt kan binnen de door de raad voor maatschappelijk welzijn goedgekeurde personeelsformatie, en zonder de machtiging bedoeld in artikel 55, § 1, eerste lid, bij contract worden aangeworven. Dit contract wordt schriftelijk afgesloten.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

[Art. 55bis [Duitstalige Gemeenschap]

2[Het personeel van een ziekenhuis en van de andere inrichtingen die van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn afhangen kan binnen de door de raad van maatschappelijk welzijn goedgekeurde personeelsformatie, en zonder de machtiging bedoeld in artikel 55, § 1, eerste lid, bij contract worden aangeworven.

Dit contract wordt schriftelijk afgesloten.]2]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en vervangen bij art. 13 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

[Art. 55bis [Frans taalgebied]

Het personeel van een ziekenhuis dat van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn afhangt kan binnen de door de raad voor maatschappelijk welzijn goedgekeurde personeelsformatie 2[...] bij contract worden aangeworven. Dit contract wordt schriftelijk afgesloten.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en gewijzigd bij art. 14 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 55bis [Nederlands taalgebied]

2[...]]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en opgeheven bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

Art. 56 [Nederlands taalgebied]

§ 1

3[...]

§ 2

3[...]

§ 3

1[De indienstnemingen op grond van 3[...] artikel 60, § 7, worden geregeld door de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.]1

3[...]

§ 4

3[...]

§ 5

3[...]

28 juli 20048 oktober 1992

Wetshistoriek

§§ 1 en 2 opgeheven bij art. 276, 70° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 3 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 276, 70° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§§ 4 en 5 opgeheven bij art. 276, 70° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).

Art. 56 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn en, indien hun hiervoor de bevoegdheid werd overgedragen, het vast bureau en het bijzonder comité, kunnen in dringende gevallen en voor de instellingen of diensten waar de bestendige aanwezigheid van een bepaald personeel onontbeerlijk is, binnen de perken van de personeelsformatie en met 1[...] gedeeltelijke afwijking op de vastgestelde aanwervingsvoorwaarden, het personeel in dienst nemen dat nodig is om functies waar te nemen die voorlopig zonder titularis zijn of waarvan de titularis tijdelijk afwezig is en die betrekking hebben op 1[de maatschappelijk werkers]1, het verplegend en verzorgend personeel, het hulppersoneel en het meesters-, vak- en dienstpersoneel.

1[2[Het Verenigd College kan]2 de lijst van de in het eerste lid bedoelde functies uitbreiden.]1

§ 2

In geval van ramp kan de raad voor maatschappelijk welzijn eveneens, eventueel buiten de perken van de personeelsformatie, het personeel in dienst nemen dat nodig is om dringende en onvoorziene taken te vervullen.

1[...]

§ 3

1[De indienstnemingen op grond van dit artikel evenals die op grond van artikel 55 of van artikel 60, § 7, worden geregeld door de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.]1

De wetten die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn er niet op toepasselijk.

§ 4

De aanwerving voor bedieningen die voorlopig zonder titularis zijn mag slechts plaatshebben voor ten hoogste zes maanden.

Indien het noodzakelijk is, kan de overeenkomst hernieuwd worden voor één of meer periodes die samen met de eerste aanwerving één jaar niet mogen overschrijden.

§ 5

In geval van tijdelijke afwezigheid van de titularis van een bediening mag de overeenkomst gesloten worden voor de duur van de afwezigheid.

18 juni 2003

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 23 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 2 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 56 [Duitstalige Gemeenschap]

§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn en, indien hun hiervoor de bevoegdheid werd overgedragen, het vast bureau en het bijzonder comité, kunnen in dringende gevallen en voor de instellingen of diensten waar de bestendige aanwezigheid van een bepaald personeel onontbeerlijk is, binnen de perken van de personeelsformatie en met 1[...] gedeeltelijke afwijking op de vastgestelde aanwervingsvoorwaarden, het personeel in dienst nemen dat nodig is om functies waar te nemen die voorlopig zonder titularis zijn of waarvan de titularis tijdelijk afwezig is en die betrekking hebben op 1[de maatschappelijk werkers]1, het verplegend en verzorgend personeel, het hulppersoneel en het meesters-, vak- en dienstpersoneel.

1[2[De Regering]2 kan, 1[...], de lijst van de in het eerste lid bedoelde functies uitbreiden.]1

§ 2

3[De raad voor maatschappelijk welzijn kan ook het personeel in dienst nemen dat noodzakelijk is om dringende en onvoorziene taken te vervullen. Die aanwerving kan ook buiten de perken van de personeelsformatie gebeuren.]3

§ 3

1[De indienstnemingen op grond van dit artikel evenals die op grond van artikel 55 of van artikel 60, § 7, worden geregeld door de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.]1

De wetten die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn er niet op toepasselijk.

§ 4

De aanwerving voor bedieningen die voorlopig zonder titularis zijn mag slechts plaatshebben voor ten hoogste zes maanden.

Indien het noodzakelijk is, kan de overeenkomst hernieuwd worden voor één of meer periodes die samen met de eerste aanwerving één jaar niet mogen overschrijden.

§ 5

In geval van tijdelijke afwezigheid van de titularis van een bediening mag de overeenkomst gesloten worden voor de duur van de afwezigheid.

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§ 2 vervangen bij art. 20 Decr. D. Gem. R. 20 mei 1997 (B.S., 2 juli 1997), met ingang van 2 juli 1997 (art. 29).

§ 3 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 56 [Frans taalgebied]

§ 1

2[In dringende gevallen kan het O.C.M.W., binnen de perken van de personeelsformatie en, eventueel, in afwijking van de vereisten inzake de leeftijd, het examen of het vergelijkend examen, het personeel in dienst nemen dat nodig is om de ambten waar te nemen die voorlopig zonder titularis zijn of waarvan de titularis tijdelijk afwezig is.]2

§ 2

2[In spoedgevallen of om een specifieke opdracht van bepaalde duur te vervullen in het kader van een initiatief dat gesubsidieerd wordt door de Europese Gemeenschap, de Staat, het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of elke andere overheid, of van een handeling waarover beslist wordt in samenspraak met het 3[gemeentelijk college]3, kan het O.C.M.W. bij arbeidsovereenkomst personeel in dienst nemen waarin de personeelsformatie niet voorziet.

In geval van gesubsidieerde opdrachten wordt de wervingsduur beperkt tot de door de subsidie gedekte periode.]2

§ 3

1[De indienstnemingen op grond van dit artikel evenals die op grond van artikel 55 of van artikel 60, § 7, worden geregeld door de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.]1

De wetten die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn er niet op toepasselijk.

§ 4

De aanwerving voor bedieningen die voorlopig zonder titularis zijn mag slechts plaatshebben voor ten hoogste zes maanden.

Indien het noodzakelijk is, kan de overeenkomst hernieuwd worden voor één of meer periodes die samen met de eerste aanwerving één jaar niet mogen overschrijden.

§ 5

In geval van tijdelijke afwezigheid van de titularis van een bediening mag de overeenkomst gesloten worden voor de duur van de afwezigheid.

28 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 15 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 2 vervangen bij art. 15 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 3 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

§§ 1 en 2 gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Hoofdstuk IV Taken van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn

5 augustus 1976

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

- Taken O.C.M.W., algemeen

Afdeling 1 Algemene taken en uitvoering

- Maatschappelijke dienstverlening, algemeen

Art. 57 [Federale tekst]

1[§ 1

Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.

Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. 11[Het bevordert de maatschapelijke participatie van de gebruikers.]11

Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

§ 2

5[In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot:

1°het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft;

 

2°het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft.

 

9[In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt gewaarborgd.]9]5

De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.

Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een 3[...] bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.

De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een 3[...] bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.

Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval 10[de termijn welke vastgelegd is door artikel 7, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen]10 overschrijden.

De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van de intentieverklaring.]2

4[Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van 7[artikel 433quaterdecies van het strafwetboek]7, kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter.]4

§ 3

Het centrum oefent de voogdij uit over of verzekert althans de bewaring, het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die door de wet, de ouders of overheidsorganen aan het centrum zijn toevertrouwd.

§ 4

Het centrum voert de taken uit die hem door de wet, de Koning of de gemeenteoverheid zijn toevertrouwd.]1

30 december 200523 februari 200229 april 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 151 W. 30 december 1992 (B.S., 9 januari 1993).

§ 1 gewijzigd bij art. 215 W. 25 april 2007 (B.S., 8 mei 2007 (derde uitg.)).

§ 2 vervangen bij art. 65 W. 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996), met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B. 12 december 1996 (B.S., 31 december 1996 (derde uitg.)), gedeeltelijk vernietigd bij arrest Arbitragehof nr. 43/98, 22 april 1998 (B.S., 29 april 1998 (tweede uitg.)), gewijzigd bij art. 184 W. 2 augustus 2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 29 augustus 2002 (art. 207), bij art. 483 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)), bij art. 41 W. 10 augustus 2005 (B.S., 2 september 2005 (eerste uitg.)), bij art. 22 W. 27 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)) en bij art. 68 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.), err., B.S., 7 juni 2007), met ingang van 1 juni 2007 (art. 2 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.))).

Voorgeschiedenis

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

§ 2, lid 2, zoals vervangen bij art. 483 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003) vernietigd met handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling en uiterlijk tot 31 maart 2006 (Arbitragehof nr. 131/2005, 19 juli 2005 (B.S., 8 augustus 2005)).

Beperking toepassing

Zo geïnterpreteerd dat het de maatschappelijke dienstverlening aan de illegaal in het Rijk verblijvende ouders van een minderjarig kind dat, omwille van een zware handicap, in de absolute onmogelijkheid verkeert om het grondgebied te verlaten, beperkt tot dringende medische hulp, schendt artikel 57, § 2, 1° de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet (Arbitragehof nr. 194/2005, 21 december 2005 (B.S., 10 februari 2006 (eerste uitg.)).

Verwerping van beroep

Artikel 57, § 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet (Arbitragehof nr. 203/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 25 februari 2005 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dat niet van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Arbitragehof nr. 204/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 3 maart 2005 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, en dat ook van toepassing is op de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, zolang hij niet tot verblijf in het Rijk is gemachtigd, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Arbitragehof nr. 205/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 4 maart 2005 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, en tweede lid, van dezelfde wet schendt de artikelen 22, 23, tweede en derde lid, en 191 van de Grondwet niet in zoverre het aan de Koning de zorg toevertrouwt om de voorwaarden en modaliteiten vast te stellen voor de toekenning van materiële hulp die in een federaal opvangcentrum wordt verstrekt aan een minderjarige vreemdeling met onwettig verblijf (Arbitragehof nr. 43/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 19 mei 2006 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, onder het in B.5 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in samenhang gelezen met de artikelen 22, 23 en 191 ervan, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede met artikel 3.1 van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Arbitragehof nr. 44/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 23 mei 2006 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 2, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003 en onder het in B.10 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (Arbitragehof nr. 32/2006, 1 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 29 mei 2006)).

Artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, onder het in B.4 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 22, 23 en 191 van de Grondwet, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede met artikel 3.1 van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Arbitragehof nr. 35/2006, 1 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 29 mei 2006)).

Onder het in B.10 vermelde voorbehoud, schendt artikel 57, § 2 niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (Arbitragehof nr. 66/2006, 3 mei 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 25 juli 2006 (eerste uitg.))).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 66 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 december 1996 betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven (B.S., 31 december 1996)

 

–Besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water (B.S., 15 november 1997)

 

–Koninklijk besluit van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft (B.S., 1 juli 2004)

 

Verwijzingen

Zie ook:

–Omz. Min. Mtsch. Integratie van 16 augustus 2004 betreffende het koninklijk besluit tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft (B.S., 9 december 2004).

 

–Omz. Min. Mtsch. Integratie van 14 juli 2005 (Dringende medische hulpverlening aan vreemdelingen die illegaal in het land verblijven) (B.S., 16 augustus 2005).

 

–Omz. Min. Mtsch. Integratie van 22 augustus 2007 betreffende de nieuwe asielprocedure en zijn gevolgen voor de maatschappelijke dienstverlening (B.S., 18 september 2007).

 

Geselecteerde rechtspraak

 

Dienstverlening (§ 1)

De individuele dienstverlening, toegekend overeenkomstig art. 57, kan om het even welke hulp in contanten of in natura zijn, die zowel van lenigende, curatieve of preventieve aard kan zijn. De wet preciseert niet waarin die hulp bestaat, noch onder welke voorwaarden zij wordt toegekend, tenzij dat die hulp eenieder in de mogelijkheid moet stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (art. 1, eerste lid). Zij kan worden toegekend met het oog op het aanvullen van het bestaansminimum, maar ook aan diegene die geen recht heeft op dat minimum (Arbitragehof nr. 103/98, 21 oktober 1998 (prejudiciële vraag) ; Arbitragehof nr. 50/2002, 13 maart 2002 (prejudiciële vraag)).

De maatschappelijke dienstverlening, toegekend overeenkomstig art. 57, kan om het even welke hulp in contanten of in natura zijn, die zowel van lenigende als van curatieve of preventieve aard kan zijn (art. 57, § 1, tweede lid); de dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn (art. 57, § 1, derde lid); verder wordt bepaald dat de materiële hulp in de meest passende vorm wordt verstrekt (art. 60, § 3). Het behoort tot de bevoegdheid van het betrokken O.C.M.W. en, in geval van conflict, tot die van de rechter, om uitspraak te doen over het bestaan van een behoefte aan dienstverlening, over de omvang daarvan en om ‘de meest passende middelen voor te stellen om daarin te voorzien’. Er bestaan immers geen wettelijke normen die bepalen in welke mate en in welke vorm bijstand moet worden verleend. Het O.C.M.W. kan bijgevolg, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, bijstand verlenen om de op het ogenblik van de beslissing nog bestaande gevolgen te verhelpen van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid, in zoverre die de betrokkene beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (zie art. 1 W. 8 juli 1976) (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële vraag)); (Arbitragehof nr. 112/2003, 17 september 2003 (prejudiciële vraag)).

De W. 8 juli 1976 bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke dienstverlening (art. 1). De wetgever kent hieraan een verstrekkende doelstelling toe door te bepalen dat zij tot doel heeft “eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid”; voor het overige preciseert de wetgever niet onder welke voorwaarden die maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend. Die dienstverlening, toegekend overeenkomstig art. 57, kan om het even welke vorm aannemen, zoals hulp in contanten of in natura, en kan zowel van lenigende als van curatieve of preventieve aard zijn (art. 57, § 1, tweede lid); de dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn (art. 57, § 1, derde lid); bovendien is bepaald dat de materiële hulp in de meest passende vorm wordt verstrekt (art. 60, § 3). Door de W. 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie aan te nemen, heeft de wetgever een eventuele subsidiaire toepassing van W. 8 juli 1976 ten gunste van een persoon die niet of niet langer het recht op maatschappelijke integratie zou kunnen genieten, niet willen uitsluiten (Arbitragehof nr. 74/2004, 5 mei 2004 (prejudiciële vraag)).

Art. 57, § 1, dat niet van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van W. 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt artt. 10 en 11 G.W. niet, al dan niet in samenhang gelezen met art. 23 G.W. en met art. 3 E.V.R.M. (Arbitragehof nr. 204/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag)).

De wet zegt niet wat onder ‘recht op maatschappelijke dienstverlening’ of ‘dienstverlening waartoe de gemeenschap gehouden is’, precies moet worden verstaan. In sommige artikelen en inzonderheid in art. 60, geeft de wet weliswaar bepaalde vormen aan welke ‘maatschappelijke dienstverlening’ kan aannemen, maar hij somt de wijzen waarop die dienstverlening kan geschieden niet op beperkende wijze op. Hieruit volgt dat het O.C.M.W. in ieder geval moet nagaan of en hoe de ‘maatschappelijke dienstverlening’ moet worden verleend (R.v.St. nr. 21.891, 13 januari 1982).

 

Dringende medische hulpverlening aan vreemdelingen (§ 2)

Art. 57, § 2, schendt artt. 10 en 11 G.W. in zoverre het van toepassing is op vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en die om medische redenen, in de absolute onmogelijkheid zijn om er gevolg aan te geven (Arbitragehof nr. 80/99, 30 juni 1999 ; Arbitragehof nr. 131/2001, 30 oktober 2001 (prejudiciële vraag)).

Artikel 57, § 2, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli 1996 en door het gevolg van het arrest gewezen door het Arbitragehof op 22 april 1998, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, 3, 6 en 13 van het E.V.R.M. en 1, 6, 16 en 23 van het Verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen, doordat dit artikel 57, § 2, de hulp die aan vreemdelingen kan worden verleend, tot de dringende medische hulp beperkt, wanneer het vreemdelingen betreft die een bevel om het grondgebied te verlaten hebben ontvangen dat definitief is geworden, ofwel omdat geen beroep werd ingesteld, ofwel omdat de rechtsmiddelen tegen dat bevel zijn uitgeput, en die voor de rechtbanken van de Belgische rechterlijke orde een vordering hebben ingesteld tot erkenning als staatloze, vordering die nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane beslissing (Arbitragehof nr. 17/2001, 14 februari 2001 (B.S., 24 april 2001)).

Art. 57, § 2, schendt artt. 10 en 11 G.W. niet doordat het het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot de dringende medische hulp voor de vreemdeling van wie de herhaalde aanvraag om als vluchteling te worden erkend niet in aanmerking is genomen door de bevoegde minister of zijn gemachtigde met toepassing van art. 51/8 Vreemdelingenwet 15 december 1980, ook al is het beroep van de vreemdeling tot nietigverklaring van die beslissing nog niet beslecht door de Raad van State (Arbitragehof nr. 21/2001, 1 maart 2001 (prejudiciële vraag) ; Arbitragehof nr. 148/2001, 20 november 2001 (prejudiciële vraag); Arbitragehof nr. 50/2002, 13 maart 2002 (prejudiciële vraag)).

Bij de totstandkoming van W. 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, werd in de parlementaire voorbereiding meermaals beklemtoond dat een aanvraag tot regularisatie niet de juridische verblijfsstatus van de betrokkenen wijzigt en als dusdanig geen recht op maatschappelijke dienstverlening doet ontstaan. Voor de regularisatieaanvragers die zich bij de totstandkoming van W. 22 december 1999 op illegale wijze op het grondgebied bevonden, hetzij doordat zij zich zonder toestemming toegang tot het grondgebied hadden verschaft en in de clandestiniteit waren gebleven, hetzij doordat zij op het grondgebied verblijven na het verstrijken van de periode waarvoor zij de vereiste toestemming hadden verkregen, hetzij doordat zij, na een asielaanvraag te hebben ingediend, uitgeprocedeerd waren en geen gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten, is het recht op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp. Hun situatie is objectief verschillend van de situatie van degenen die, vóór de totstandkoming van W. 22 december 1999, op grond van de daartoe geëigende procedures, een wettige verblijfsstatus hadden verkregen of voor de bevoegde instanties nog een asielaanvraag hangende hadden. Het is niet kennelijk onredelijk dat, in afwachting van de afronding van de regularisatieprocedure, en zolang derhalve niet vaststaat dat aan de voorwaarden voor regularisatie is voldaan, de maatschappelijke dienstverlening gewaarborgd aan illegaal op het grondgebied verblijvende aanvragers beperkt blijft tot de dringende medische hulp.

De regularisatieaanvragers wier dienstverlening volgens art. 57, § 2, beperkt is tot dringende medische hulp, zijn vreemdelingen die zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering, doordat ze geen gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten of de vereiste toelating tot verblijf op het grondgebied niet hebben verkregen of niet hadden gevraagd. In afwachting van de afronding van de regularisatieprocedure, verschilt hun verblijfssituatie juridisch niet van die van de andere vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven, zodat het niet onredelijk is dat zij inzake maatschappelijke dienstverlening gelijk worden behandeld (Arbitragehof nr. 131/2001, 30 oktober 2001 (prejudiciële vraag) ; Arbitragehof nr. 14/2002, 17 januari 2002 (prejudiciële vraag); Arbitragehof nr. 89/2002, 5 juni 2002 (prejudiciële vraag)).

Artikel 57, § 2, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het, ten aanzien van minderjarigen wier ouders illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven, zelfs de maatschappelijke dienstverlening die zou voldoen aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, uitsluit (Arbitragehof nr. 106/2003, 22 juli 2003 (prejudiciële vraag) . In dezelfde zin: Arbitragehof nr. 185/2004, 24 november 2004).

Artikel 57, § 2, al dan niet gelezen in samenhang met art. 14 van de wet van 22 december 1999, moet door de verwijzende rechters zo worden geïnterpreteerd dat het de vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie indienen, zolang hun verblijfsstatus niet is geregulariseerd, enkel dringende medische hulp waarborgt (Arbitragehof nr. 203/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag)).

Art. 57, § 2, dat van toepassing is op de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van art. 9, derde lid, W. 15 december 1980 heeft ingediend, zolang hij niet tot verblijf in het Rijk is gemachtigd, schendt niet artt. 10 en 11 G.W., al dan niet in samenhang gelezen met artt. 23 en 191 G.W., met art. 11.1 I.V.E.S.C.R. en met art. 13 E.V.R.M. (Arbitragehof nr. 205/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag)).

Art. 1, tweede lid, bepaalt dat er O.C.M.W.’s worden opgericht die, ‘onder de door deze wet bepaalde voorwaarden’, tot opdracht hebben de in art. 1, eerste lid, bedoelde maatschappelijke dienstverlening te verzekeren. Art. 57, § 2, preciseert die voorwaarden t.a.v. de vreemdelingen die zich in een van de daarin bedoelde toestanden bevinden (Cass. AR S.95.23.F, 13 november 1995).

Zo geïnterpreteerd dat het de maatschappelijke dienstverlening aan de illegaal in het Rijk verblijvende ouders van een minderjarig kind dat omwille van een zware handicap in de absolute onmogelijkheid verkeert om het grondgebied te verlaten, beperkt tot dringende medische hulp schendt art. 57 § 2.18 de art. 10, 11 en 22 G.W. (Arbitragehof nr. 194/2005, 21 december 2005 (prejudiciële vraag)).

Artikel 57, § 2 eerste lid beperkt het recht op maatschappelijke dienstverlening tot het verlenen van dringende medische hulp wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. De vreemdeling die een regularisatieaanvraag heeft ingediend wordt door art. 14 van de wet van 22 december 1999 toegelaten zijn verblijf te verlengen tijdens de behandeling van zijn regularisatieaanvraag. Rekening houdend met art. 23 G.W. en art. 1 OCMW-wet is de beperking van art. 57 § 2 eerste lid op de vreemdeling t.a.v. wie feitelijk niet kan overgegaan worden tot verwijdering niet van toepassing (Cass. (3e k.) AR S.01.0148.F, 17 juni 2002).

Het behoort aan de vreemdeling die wordt uitgewezen en die zich beroept op overmacht waardoor hij het land niet kan verlaten, om die overmacht te bewijzen. (Cass. AR S. 07.0078.N, 19 mei 2008).

- Minderjarige illegalen (O.C.M.W.)

Art. 57 [Nederlands taalgebied]

1[§ 1

Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.

Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. 11[Het bevordert de maatschapelijke participatie van de gebruikers.]11

Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.

§ 2

5[In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot:

1°het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft;

 

2°het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft.

 

9[In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt gewaarborgd.]9]5

De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.

Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een 3[...] bevel om het grondgebied te verlaten is betekend.

De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een 3[...] bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.

Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval 10[de termijn welke vastgelegd is door artikel 7, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen]10 overschrijden.

De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van de intentieverklaring.]2

4[Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van 7[artikel 433quaterdecies van het strafwetboek]7, kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter.]4

§ 3

Het centrum oefent de voogdij uit over of verzekert althans de bewaring, het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die door de wet, de ouders of overheidsorganen aan het centrum zijn toevertrouwd.

§ 4

Het centrum voert de taken uit die hem door 12[de wet, het decreet, de Koning of de Vlaamse Regering]12 zijn toevertrouwd.]1

24 december 2008

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 151 W. 30 december 1992 (B.S., 9 januari 1993).

§ 1 gewijzigd bij art. 215 W. 25 april 2007 (B.S., 8 mei 2007 (derde uitg.)).

§ 2 vervangen bij art. 65 W. 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996), met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B. 12 december 1996 (B.S., 31 december 1996 (derde uitg.)), gedeeltelijk vernietigd bij arrest Arbitragehof nr. 43/98, 22 april 1998 (B.S., 29 april 1998 (tweede uitg.)), gewijzigd bij art. 184 W. 2 augustus 2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 29 augustus 2002 (art. 207), bij art. 483 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)), bij art. 41 W. 10 augustus 2005 (B.S., 2 september 2005 (eerste uitg.)), bij art. 22 W. 27 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)) en bij art. 68 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.), err., B.S., 7 juni 2007), met ingang van 1 juni 2007 (art. 2 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.))).

§ 4 gewijzigd bij art. 272, 7° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

§ 2, lid 2, zoals vervangen bij art. 483 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003) vernietigd met handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling en uiterlijk tot 31 maart 2006 (Arbitragehof nr. 131/2005, 19 juli 2005 (B.S., 8 augustus 2005)).

Beperking toepassing

Zo geïnterpreteerd dat het de maatschappelijke dienstverlening aan de illegaal in het Rijk verblijvende ouders van een minderjarig kind dat, omwille van een zware handicap, in de absolute onmogelijkheid verkeert om het grondgebied te verlaten, beperkt tot dringende medische hulp, schendt artikel 57, § 2, 1° de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet (Arbitragehof nr. 194/2005, 21 december 2005 (B.S., 10 februari 2006 (eerste uitg.)).

Verwerping van beroep

Artikel 57, § 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191, van de Grondwet (Arbitragehof nr. 203/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 25 februari 2005 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dat niet van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Arbitragehof nr. 204/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 3 maart 2005 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, en dat ook van toepassing is op de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag tot machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, zolang hij niet tot verblijf in het Rijk is gemachtigd, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Arbitragehof nr. 205/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 4 maart 2005 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 2, eerste lid, 2°, en tweede lid, van dezelfde wet schendt de artikelen 22, 23, tweede en derde lid, en 191 van de Grondwet niet in zoverre het aan de Koning de zorg toevertrouwt om de voorwaarden en modaliteiten vast te stellen voor de toekenning van materiële hulp die in een federaal opvangcentrum wordt verstrekt aan een minderjarige vreemdeling met onwettig verblijf (Arbitragehof nr. 43/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 19 mei 2006 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, onder het in B.5 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in samenhang gelezen met de artikelen 22, 23 en 191 ervan, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede met artikel 3.1 van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Arbitragehof nr. 44/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 23 mei 2006 (tweede uitg.))).

Artikel 57, § 2, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003 en onder het in B.10 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (Arbitragehof nr. 32/2006, 1 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 29 mei 2006)).

Artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, onder het in B.4 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 22, 23 en 191 van de Grondwet, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede met artikel 3.1 van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Arbitragehof nr. 35/2006, 1 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 29 mei 2006)).

Onder het in B.10 vermelde voorbehoud, schendt artikel 57, § 2 niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (Arbitragehof nr. 66/2006, 3 mei 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 25 juli 2006 (eerste uitg.))).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 66 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 12 december 1996 betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven (B.S., 31 december 1996)

 

–Besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water (B.S., 15 november 1997)

 

–Koninklijk besluit van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft (B.S., 1 juli 2004)

 

–Besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid (BS 8 december 2010 (ed. 1))

 

[Art. 57bis

3[Onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, kennen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een installatiepremie toe aan de persoon die de hoedanigheid van dakloze verliest door een woning te betrekken die hem tot hoofdverblijfplaats dient.]3

]1

31 december 20024 februari 1993

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 5 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)), opgeheven bij art. 383 W. 24 december 2002 (B.S., 31 december 2002 (eerste uitg.)) en opnieuw opgenomen bij art. 2 W. 23 augustus 2004 (B.S., 27 september 2004 (eerste uitg.)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 21 september 2004 tot toekenning van een installatiepremie door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan bepaalde personen die hun hoedanigheid van dakloze verliezen (B.S., 5 oktober 2004)

 

- Daklozen (O.C.M.W.)

[Art. 57ter

7[De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien een vreemdeling die gehouden is zich in te schrijven in een welbepaalde plaats overeenkomstig artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, materiële hulp ontvangt van een opvangstructuur die belast is met het verlenen van de noodzakelijke dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden.

In afwijking van artikel 57, § 1 kan een asielzoeker aan wie in toepassing van artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen als verplichte plaats van inschrijving een opvangstructuur is aangewezen die beheerd wordt door het Agentschap of één van zijn partners, slechts in deze opvangstructuur gebruik maken van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.]7

6[...]]1

3 januari 200131 december 199915 mei 19995 oktober 1996

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 152 W. 30 december 1992 (B.S., 9 januari 1993), gewijzigd bij art. 71 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.)), met ingang van 7 mei 2007 (art. 1 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.))) en bij art. 69 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.), err., B.S., 7 juni 2007), met ingang van 1 juni 2007 (art. 2 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.))).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 66 W. 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996), met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B. 12 december 1996 (B.S., 31 december 1996 (derde uitg.))), bij art. 3 W. 7 mei 1999 (B.S., 15 mei 1999), met ingang van 18 april 1999 (art. 7), bij art. 118 W. 24 december 1999 (B.S., 31 december 1999 (derde uitg.)), met ingang van 15 november 1999 (art. 119) en bij art. 70, 1° tot 4° W. 2 januari 2001 (B.S., 3 januari 2001 (tweede uitg.), err., B.S., 13 januari 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 3 januari 2001 (art. 82).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 66 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 17 maart 2000 houdende de toekenning van een financiële tegemoetkoming aan het Overlegcentrum voor Integratie van Vluchtelingen v.z.w. voor de opvang van kandidaat-vluchtelingen in 2000 (B.S., 21 april 2000)

 

–Ministerieel besluit van 27 juni 2003 tot vaststelling van de delegaties van bevoegdheden bij het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (B.S., 24 juli 2003)

 

Verwijzingen

Zie ook art. 153 W. 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen (B.S., 9 januari 1993).

- Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, algemeen

[Art. 57ter1

2[...]

]1

3 januari 2001

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 71 W. 2 januari 2001 (B.S., 3 januari 2001 (tweede uitg.), err., B.S., 13 januari 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 3 januari 2001 (art. 82) en opgeheven bij art. 72 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2007 (art. 2 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.))).

Voorgeschiedenis

§ 1, lid 1, 1° gewijzigd bij art. 109 W. 9 juli 2004 (B.S., 15 juli 2004 (tweede uitg.)), nooit in werking getreden en bij art. 220 W. 27 december 2004 (B.S., 31 december 2004 (tweede uitg.)), nooit in werking getreden.

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 66 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.)).

[Art. 57ter2

Indien een vreemdeling, die krachtens artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, beschikt over een verplichte plaats van inschrijving, wordt aangetroffen in een woning bedoeld in 2[artikel 433quaterdecies van het Strafwetboek]2, dan is het bevoegde OCMW van de verplichte plaats van inschrijving ertoe gehouden binnen dertig dagen na de uitdrijving uit de bedoelde woning, een huisvesting ter beschikking te stellen van de vreemdeling op het grondgebied van zijn gemeente.

Voor de periode die begint op de dag van de uitdrijving en die een einde neemt op de dag dat het bevoegde centrum een huisvesting ter beschikking stelt, wordt de vreemdeling op kosten van het centrum geherhuisvest en verstrekt het centrum aan de vreemdeling de maatschappelijke dienstverlening.]1

29 augustus 2002

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 185 W. 2 augustus 2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 29 augustus 2002 (art. 207) en gewijzigd bij art. 42 W. 10 augustus 2005 (B.S., 2 september 2005 (eerste uitg.)).

[Art. 57quater

4[§ 1

5[Voor de persoon van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van zijn nationaliteit geen aanspraak kan maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd is op een financiële maatschappelijke hulp, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn financieel tussenkomen in de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling van deze persoon in het beroepsleven.]5

§ 2

De Koning bepaalt voor welke vormen van inschakeling het centrum financieel tussenkomt alsmede het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de modaliteiten van deze financiële tegemoetkoming. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor de toegang tot de verschillende inschakelings- en tewerkstellingsprogramma's.

§ 3

In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, kan de financiële steun vanwege het centrum in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhouding toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde, bepaald in artikel 23, tweede lid. Een financiële steun die aldus in mindering wordt gebracht op het loon van de werknemer, wordt niettemin voor de toepassing van de sociale en fiscale wetgeving als loon beschouwd.

§ 4

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers die genieten van een financiële steun in hun loon vanwege het centrum:

1°in afwijkingen voorzien op de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij in dienst genomen wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;

 

2°in een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke vrijstelling voorzien van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3 en 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§ 3 en 3bis, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.]4]1

 

3 januari 200131 augustus 20006 februari 1999

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 172 W. 25 januari 1999 (B.S., 6 februari 1999), met ingang van 1 januari 1998 (art. 173) en vervangen bij art. 186 W. 2 augustus 2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 207).

§ 1 vervangen bij art. 484 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 72 W. 2 januari 2001 (B.S., 3 januari 2001 (tweede uitg.), err., B.S., 13 januari 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 3 januari 2001 (art. 82).

§ 2 gewijzigd bij art. 207, 1° en 2° W. 12 augustus 2000 (B.S., 31 augustus 2000), met ingang van 1 september 2000 (art. 208).

§ 3 gewijzigd bij art. 207, 3° W. 12 augustus 2000 (B.S., 31 augustus 2000), met ingang van 1 september 2000 (art. 208).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 23 september 2004 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor de begeleiding en de toeleiding van een gerechtigde op maatschappelijke integratie of een financiële maatschappelijke hulp naar een tewerkstelling in een onderneming (B.S., 27 september 2004)

 

- Inschakelings- en tewerkstellingsprogramma (O.C.M.W.)

Art. 58

3[§ 1

Een aanvraag betreffende maatschappelijke dienstverlening, waarover het centrum een beslissing moet nemen, wordt, de dag van haar ontvangst, chronologisch ingeschreven in het daartoe door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gehouden register.

De schriftelijke aanvraag wordt ondertekend door de belanghebbende of de persoon die hij schriftelijk heeft aangewezen.

Wanneer de aanvraag mondeling wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de schriftelijk aangewezen persoon in het daartoe voorziene vak van het register bedoeld in het eerste lid.

§ 2

Het centrum zendt of overhandigt dezelfde dag aan de aanvrager een ontvangstbewijs.

§ 3

Wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een steunaanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht, zendt het deze aanvraag over binnen de vijf kalenderdagen aan het volgens hem bevoegd openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Binnen dezelfde termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld van deze overzending.

Op straffe van nietigheid gebeurt de overzending van de aanvraag aan het bevoegd geachte openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, evenals de kennisgeving van de overzending aan de aanvrager, door een brief met vermelding van de redenen van onbevoegdheid.

De aanvraag zal evenwel worden gevalideerd op de datum van ontvangst bij het eerste openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, zoals bepaald in § 1.

Het openbaar centrum voor maatschappelijke integratie dat deze verplichting niet naleeft, moet overeenkomstig de door deze wet gestelde voorwaarden maatschappelijke dienstverlening verlenen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld.

De beslissing van onbevoegdheid kan worden genomen door de Voorzitter mits zijn beslissing aan de raad of het bevoegd orgaan te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging.]3

3 maart 1998

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 279 W. 22 februari 1998 (B.S., 3 maart 1998) en opnieuw opgenomen bij art. 486 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 34 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

- Zieken en ongevallen (O.C.M.W.) (opgeheven)

- Regeling van bevoegdheidsconflicten tussen O.C.M.W.'s

- Inschrijving en ondertekening van de aanvraag (O.C.M.W.)

Art. 59

Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vervult zijn opdracht volgens de meest aangepaste methoden van het maatschappelijk werk en met eerbiediging van de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging van de betrokkenen.

5 augustus 1976

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Art. 60 [Federale tekst]

§ 1

De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.

De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.

3[Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.]3

6[Het centrum dat een asielzoeker steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten voldoen.]6

§ 2

Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.

§ 3

Het verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.

3[De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in 9[de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie]9.

Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.

In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst.]3

§ 4

Het verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.

Het houdt rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.

§ 5

2[Indien de persoon aan wie hulp wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.]2

§ 6

1[Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.

De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.

De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de organieke wetgeving of reglementering voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.

Onverminderd de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad 2[...], zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming uit de gemeentebegroting zal meebrengen of deze zal verhogen.]1

§ 7

8[Wanneer een persoon het bewijs moet leveren, van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle maatregelen om hem een 10[...] betrekking te bezorgen. In voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden.

10[De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.]10

In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van deze paragraaf, door deze centra ter beschikking worden gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk of intercommunales met een sociaal, cultureel of ecologisch doel, vennootschappen met een sociaal oogmerk zoals bedoeld in artikel 164bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging waarvan sprake in hoofdstuk Xll van deze wet, een openbaar ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de initiatieven die door de minister bevoegd voor sociale economie zijn erkend of de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.]8

10[Indien de in het vorig lid bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en 37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.]10

§ 8

2[De raad voor maatschappelijk welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn instellingen.

De ontvanger is met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de secretaris eventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.]2

31 juli 200231 december 19993 maart 1998

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 6 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)) en bij art. 67 W. 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996), met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B. 12 december 1996 (B.S., 31 december 1996 (derde uitg.))).

§ 3 gewijzigd bij art. 6 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)) en bij art. 58, 1° W. 26 mei 2002 (B.S., 31 juli 2002), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 60).

§ 5 vervangen bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 6 vervangen bij art. 3 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984) en gewijzigd bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 7 vervangen bij art. 120 W. 24 december 1999 (B.S., 31 december 1999 (derde uitg.)) en gewijzigd bij art. 187, 1° tot 3° W. 2 augustus 2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 207).

§ 8 vervangen bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

§ 7 gewijzigd bij art. 34 W. 22 december 1995 (B.S., 30 december 1995 (derde uitg.)), met ingang van 1 januari 1996 (art. 166 W. 29 april 1996 (B.S., 30 april 1996)), bij art. 168, § 1 W. 29 april 1996 (B.S., 30 april 1996 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 1996 (art. 168, § 2) en vervangen bij art. 276 W. 22 februari 1998 (B.S., 3 maart 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 278).

Verwerping van beroep

Artikel 60, §§ 1 en 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).

Artikel 60, § 1 tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 74/2004, 5 mei 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 30 augustus 2004)).

Artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 45/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 23 mei 2006 (tweede uitg.))).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 29 mei 1997 tot uitvoering van artikel 60, § 1, vierde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 18 juli 1997)

 

–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een gerechtigde op maatschappelijke integratie (B.S., 31 juli 2002)

 

–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van gerechtigden op maatschappelijke integratie die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een privé-onderneming (B.S., 31 juli 2002)

 

–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie (B.S., 31 juli 2002)

 

–Koninklijk besluit van 4 september 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die ter beschikking wordt gesteld van een privé-onderneming (B.S., 2 oktober 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie, voor rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die ter beschikking wordt gesteld van een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002)

 

–Ministerieel besluit van 10 oktober 2004 tot vaststelling van de lijst van de initiatieven voor sociale economie met het oog op de toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie (B.S., 30 november 2004)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Verwijzingen

I.v.m. art. 60, § 7, zie Omz. Staatssecr. Mtsch. Integratie 20 juni 1996 (B.S., 16 juli 1996).

Geselecteerde rechtspraak

Krachtens art. 60, § 3, O.C.M.W.-wet kan de financiële hulp door het centrum worden gekoppeld aan de voorwaarden die zijn bepaald in art. 6 W. 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. Volgens voornoemd art. 6 moet de betrokkene voor de toekenning en het behoud van het bestaansminimum blijk hebben gegeven van zijn bereidheid tot tewerkstelling, tenzij dat om gezondheidsredenen of redenen van billijkheid onmogelijk blijkt te zijn (voorwaarde thans in art. 3 W. 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). Het toekennen van maatschappelijke dienstverlening hangt dus niet alleen af van de voorwaarde dat de persoon in staat van behoeftigheid verkeert (Cass. (3e k.) AR S.99.0160.F, 28 februari 2000).

Uit artt. 1 en 60, § 3, O.C.M.W.-wet volgt dat bij het onderzoek van een vraag om dienstverlening van de door de hulpvrager zelf voorgestane vorm van hulpverlening moet worden uitgegaan. Er kan dan ook gesteld worden dat het beginsel van de vrije keuze van bejaardentehuis bij het bepalen van de meest aangewezen vorm van hulpverlening centraal dient te staan. Die vrije keuze kan evenwel niet zonder meer in alle gevallen in acht worden genomen. Die vrije keuze zal niet gevolgd worden, en de voorkeur zal gegeven worden aan een plaatsing in een andere instelling indien het O.C.M.W. daartoe gegronde redenen naar voren brengt. Zulks zal het geval zijn wanneer het O.C.M.W. kan aantonen dat het verblijf in het rusthuis waar de bejaarde wenst te verblijven, een niet verantwoorde meeruitgave meebrengt, of wanneer dit aanleiding zou geven tot een zware financiële last van het O.C.M.W., terwijl het verblijf in een andere instelling even goed aan de noden van de betrokkene beantwoordt (R.v.St. nr. 57.701, 22 januari 1996).

Een O.C.M.W. dat een rusthuis afstoot, niet omdat er geen nood meer zou bestaan aan de desbetreffende rust-huisbedden, maar omdat een kwalitatief en economisch beheer ervan een grotere schaal vereist, komt tekort aan de opdracht die art. 60, (§ 6), O.C.M.W.- wet oplegt om, waar de noodzakelijkheid zich voordoet en op grond van een behoeftenonderzoek, bepaalde diensten of instellingen op te richten met het oog op maatschappelijke dienstverlening (R.v.St. nr. 75.542, 31 juli 1998).

Art. 60, § 6, verplicht het O.C.M.W. niet een rusthuis te hebben, maar laat het discretionair oordelen over de noodzakelijkheid ervan. Het O.C.M.W. kan ook oordelen dat de nood aan een eigen rusthuis niet meer, of minder, bestaat. Een dergelijke beslissing is op zich de uitoefening van een dus niet het verzaken aan zijn wettelijke bevoegdheid om de wijze te bepalen waarop het de maatschappelijke dienstverlening zal verzekeren (R.v.St. nr. 82.234, 13 september 1999).

- Sociaal onderzoek (O.C.M.W.)

- Juridische en administratieve begeleiding (O.C.M.W.)

- Psycho-sociale begeleiding (O.C.M.W.)

- Ziekte- en invaliditeitsverzekering (O.C.M.W.)

- Tewerkstelling (O.C.M.W.)

- O.C.M.W., materiële en financiële hulp, algemeen

- Oprichting van inrichtingen of diensten (O.C.M.W.)

- Bewaring van waarden (O.C.M.W.)

Art. 60 [Nederlands taalgebied]

§ 1

De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.

De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.

3[Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.]3

6[Het centrum dat een asielzoeker steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten voldoen.]6

§ 2

Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.

§ 3

Het verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.

3[De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in 9[de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie]9.

Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.

In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst.]3

§ 4

Het verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.

Het houdt rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.

§ 5

2[Indien de persoon aan wie hulp wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.]2

§ 6

1[Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.

De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.

De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de 12[organieke wetgeving, het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de reglementering]12 voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.

Onverminderd de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad 2[...], zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming uit 12[het gemeentelijk budget]12 zal meebrengen of deze zal verhogen.]1

§ 7

8[Wanneer een persoon het bewijs moet leveren, van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle maatregelen om hem een 10[...] betrekking te bezorgen. In voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden.

10[De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.]10

In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van deze paragraaf, door deze centra ter beschikking worden gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk of 12[verenigingen vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking]12 met een sociaal, cultureel of ecologisch doel, vennootschappen met een sociaal oogmerk zoals bedoeld in artikel 164bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging waarvan sprake in 12[titel VIII, hoofdstuk I van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]12, een openbaar ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de initiatieven die door de minister bevoegd voor sociale economie zijn erkend of de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.]8

10[Indien de in het vorig lid bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en 37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.]10

§ 8

2[De raad voor maatschappelijk welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn instellingen.

De ontvanger is met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de secretaris eventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.]2

24 december 2008

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 6 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)), bij art. 67 W. 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996), met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B. 12 december 1996 (B.S., 31 december 1996 (derde uitg.))).

§ 3 gewijzigd bij art. 6 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)) en bij art. 58, 1° W. 26 mei 2002 (B.S., 31 juli 2002), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 60).

§ 5 vervangen bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 6 vervangen bij art. 3 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), gewijzigd bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 272, 9° en 10° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 7 vervangen bij art. 120 W. 24 december 1999 (B.S., 31 december 1999 (derde uitg.)), gewijzigd bij art. 187, 1° tot 3° W. 2 augustus 2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 207) en bij art. 272, 11° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 8 vervangen bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

§ 7 gewijzigd bij art. 34 W. 22 december 1995 (B.S., 30 december 1995 (derde uitg.)), met ingang van 1 januari 1996 (art. 166 W. 29 april 1996 (B.S., 30 april 1996)), bij art. 168, § 1 W. 29 april 1996 (B.S., 30 april 1996 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 1996 (art. 168, § 2) en vervangen bij art. 276 W. 22 februari 1998 (B.S., 3 maart 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 278).

Verwerping van beroep

Artikel 60, §§ 1 en 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).

Artikel 60, § 1 tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 74/2004, 5 mei 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 30 augustus 2004)).

Artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 45/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S., 23 mei 2006 (tweede uitg.))).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 29 mei 1997 tot uitvoering van artikel 60, § 1, vierde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 18 juli 1997)

 

–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een gerechtigde op maatschappelijke integratie (B.S., 31 juli 2002)

 

–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van gerechtigden op maatschappelijke integratie die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een privé-onderneming (B.S., 31 juli 2002)

 

–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie (B.S., 31 juli 2002)

 

–Koninklijk besluit van 4 september 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die ter beschikking wordt gesteld van een privé-onderneming (B.S., 2 oktober 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie, voor rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die ter beschikking wordt gesteld van een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002)

 

–Ministerieel besluit van 10 oktober 2004 tot vaststelling van de lijst van de initiatieven voor sociale economie met het oog op de toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie (B.S., 30 november 2004)

 

Toekomstig recht

Artikel 60 wordt gewijzigd bij art. 272, 8° en 12° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 60 [Nederlands taalgebied]

§ 1

De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.

De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.

3[Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld 13[in artikel 75 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]13 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.]3

6[Het centrum dat een asielzoeker steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten voldoen.]6

§ 2

Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.

§ 3

Het verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.

3[De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in 9[de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie]9.

Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.

In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst.]3

§ 4

Het verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.

Het houdt rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.

§ 5

2[Indien de persoon aan wie hulp wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.]2

§ 6

1[Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.

De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.

De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de 12[organieke wetgeving, het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de reglementering]12 voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.

Onverminderd de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad 2[...], zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming uit 12[het gemeentelijk budget]12 zal meebrengen of deze zal verhogen.]1

§ 7

8[Wanneer een persoon het bewijs moet leveren, van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle maatregelen om hem een 10[...] betrekking te bezorgen. In voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden.

10[De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.]10

In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van deze paragraaf, door deze centra ter beschikking worden gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk of 12[verenigingen vermeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking]12 met een sociaal, cultureel of ecologisch doel, vennootschappen met een sociaal oogmerk zoals bedoeld in artikel 164bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging waarvan sprake in 12[titel VIII, hoofdstuk I van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]12, een openbaar ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de initiatieven die door de minister bevoegd voor sociale economie zijn erkend of de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.]8

10[Indien de in het vorig lid bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en 37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.]10

§ 8

2[De raad voor maatschappelijk welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn instellingen.

De 13[financieel beheerder]13 is met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de secretaris eventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.]2

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

[Art. 60bis

Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn neemt alle initiatieven met het oog op de bekendmaking van de verschillende door het centrum verstrekte vormen van dienstverlening, en rapporteert hierover jaarlijks in de beleidsnota.]1

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 36 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

- Informatieplicht (O.C.M.W.)

Art. 61

Het centrum kan een beroep doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of diensten, die, opgericht hetzij door openbare besturen, hetzij op privé-initiatief, in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking van de verschillende oplossingen die zich opdringen, met eerbiediging van de vrije keuze van de betrokkene.

Het centrum kan de eventuele kosten van deze samenwerking dragen wanneer deze niet in uitvoering van een andere wet, een reglement, een overeenkomst of een rechterlijke beslissing worden gedekt.

1[Met hetzelfde doel kan het centrum overeenkomsten sluiten, hetzij met een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een ander openbaar bestuur of instelling van openbaar nut, hetzij met een privé-persoon of een privé-instelling. In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van dit lid, door deze centra ter beschikking worden gesteld aan de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.]1

31 december 19995 augustus 1976

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 121 W. 24 december 1999 (B.S., 31 december 1999 (derde uitg.)).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water (B.S., 15 november 1997)

 

–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van gerechtigden op maatschappelijke integratie die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een privé-onderneming (B.S., 31 juli 2002)

 

–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Geselecteerde rechtspraak

Door het sluiten van een door art. 61 voorziene overeenkomst betrekt een O.C.M.W. een derde bij de uitoefening van zijn eigen wettelijke taken, maar beperkt het zijn eigen beslissingsbevoegdheid uiteindelijk niet, laat staan dat het die uit handen geeft (R.v.St. nr. 49.708, 17 oktober 1994).

Als een O.C.M.W. zijn rusthuis overdraagt aan een andere rechtspersoon, gaat de besslissingsbevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn t.a.v. dat rusthuis volkomen teloor. Aldus onttrekt het O.C.M.W. zich aan zijn wettelijke verplichtingen, en plaatst het zich buiten het kader dat door de wetgever is vastgelegd voor het beheer van instellingen die door een O.C.M.W. zijn opgericht om te voldoen aan noden van maatschappelijke dienstverlening. Een dergelijke overdracht kan niet beschouwd worden als een overeenkomst in de zin van art. 61 O.C.M.W.- wet, aangezien de in dat artikel bedoelde overeenkomsten de beslissingsbevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn t.a.v. de diensten en instellingen van het O.C.M.W. onverminderd laat voortbestaan (R.v.St. nr. 75.542, 31 juli 1998).

- Samenwerking en coördinatie (O.C.M.W.)

Art. 62

2[Het centrum kan de instellingen en diensten die binnen het ambtsgebied van het centrum een sociale activiteit of specifieke activiteiten uitoefenen, voorstellen om gezamenlijk een of meer comités in te stellen waarin het centrum en die instellingen en diensten hun werkzaamheden kunnen coördineren en overleg plegen over de individuele of collectieve behoeften en de middelen om daarin te voorzien.]2

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 7 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 37 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

[Art. 62bis [Federale tekst]

2[De beslissing inzake individuele hulpverlening genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen, wordt aan de persoon die de hulp heeft aangevraagd schriftelijk en aangetekend of tegen ontvangstbewijs meegedeeld, op de wijze die door de Koning kan worden bepaald.

De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid tot het instellen van beroep, de beroepstermijn, de vorm van het verzoekschrift, het adres van de bevoegde beroepsinstantie en de dienst of persoon, die binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan gecontacteerd worden voor het geven van toelichting.]2]1

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Ingevoegd bij enig art. W. 13 juni 1985 (B.S., 12 juli 1985) en vervangen bij art. 38 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot uitvoering van artikel 62bis, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 9 februari 1993)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

- Betekening en motivering van beslissingen (O.C.M.W.)

[Art. 62bis [Nederlands taalgebied]

2[De beslissing inzake individuele hulpverlening genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn4[, door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, of in voorkomend geval de ondervoorzitter ingevolge artikel 58, § 2 en § 3, en artikel 59 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]4 of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen, wordt aan de persoon die de hulp heeft aangevraagd schriftelijk en aangetekend of tegen ontvangstbewijs meegedeeld, op de wijze die door de Koning kan worden bepaald.

De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid tot het instellen van beroep, de beroepstermijn, de vorm van het verzoekschrift, het adres van de bevoegde beroepsinstantie en de dienst of persoon, die binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan gecontacteerd worden voor het geven van toelichting.]2]1

24 december 2008

Wetshistoriek

Ingevoegd bij enig art. W. 13 juni 1985 (B.S., 12 juli 1985), vervangen bij art. 38 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 272, 13° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot uitvoering van artikel 62bis, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 9 februari 1993)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Afdeling 2 Voogdij over de kinderen

- Voogdij kinderen (O.C.M.W.)

Art. 63

Iedere minderjarige over wie niemand het ouderlijk gezag, de voogdij of de materiële bewaring heeft, wordt toevertrouwd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt.

5 augustus 1976

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Geselecteerde rechtspraak

Wanneer iemand niettegenstaande zijn meerderjarigheid verder in een instelling van kinderen verblijft, is het O.C.M.W. van de gemeente waar hij in deze instelling verblijft, tot steunverlening gehouden (art. 1 en 2 Wet 2 april 1965 ten laste nemen steun C.O.O.). Voor de meerderjarigheidsvraag, is het eigen recht van de betrokkene van kracht (R.v.St. nr. 25.805, 4 november 1985).

Art. 64 [Federale tekst]

De jeugdrechtbank of het comité voor de jeugdbescherming kunnen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de kinderen toevertrouwen over wie het centrum reeds de materiële bewaring heeft en van wie de ouders geheel of gedeeltelijk uit het ouderlijk gezag zijn ontzet.

5 augustus 1976

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Art. 64 [Duitstalige Gemeenschap]

De jeugdrechtbank of het 1[bureau van de Raad van jeugdbijstand]1 kunnen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de kinderen toevertrouwen over wie het centrum reeds de materiële bewaring heeft en van wie de ouders geheel of gedeeltelijk uit het ouderlijk gezag zijn ontzet.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 65

1[In de gevallen bedoeld in de twee voorgaande artikelen wijst de raad voor maatschappelijk welzijn onder haar leden een persoon aan die de taak van voogd zal vervullen alsook een persoon die de taak van toeziend voogd zal vervullen.]1

5 augustus 1976

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 82 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).

Art. 66

Indien die kinderen goederen bezitten, oefent de ontvanger ten aanzien van die goederen dezelfde functies uit als ten aanzien van de goederen van het centrum. Als waarborg voor de voogdij geldt de zekerheid gesteld door de ontvanger.

Art. 67

De kapitalen die aan die kinderen toebehoren of ten deel vallen, worden belegd bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas of gebruikt voor de aankoop van obligaties of kasbons uitgegeven door de openbare besturen en instellingen opgesomd in artikel 78, § 1, tweede lid.

Art. 68

De voogdij van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn neemt een einde:

1°zodra is voorzien in voogdij met toepassing van de regels van het Burgerlijk Wetboek;

 

2°in geval van adoptie, pleegvoogdij, erkenning, 1[...] of herstel van de ouders die uit het ouderlijk gezag waren ontzet, in de rechten die hun waren ontnomen.

 

5 augustus 1976

Wetshistoriek

Enig lid, 2° gewijzigd bij art. 83 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).

Impliciete wijziging

Impliciet opgeheven bij W. 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming (B.S., 27 mei 1987).

Afdeling 3 Voorschotten op en invordering van onderhoudsgelden]1

Wetshistoriek

Afdeling 3 (art. 68bis tot 68quater ) ingevoegd bij art. 1 W. 8 mei 1989 (B.S., 1 juni 1989).

- Voorschotten alimentatie (O.C.M.W.) (opgeheven)

[Art. 68bis

6[...]

]1

23 februari 200222 december 20019 januari 1991

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 2 W. 8 mei 1989 (B.S., 1 juni 1989), met ingang van 1 september 1989 (art. 5) en opgeheven bij art. 30, 1° W. 21 februari 2003 (B.S., 28 maart 2003 (derde uitg.)), met ingang van 1 oktober 2005 (art. 1 K.B. 10 augustus 2005 (B.S., 30 augustus 2005)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 200, 1° W. 29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991).

§ 2, lid 1:

–1° en 2° gewijzigd bij art. 200, 2° en 3° W. 29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991);

 

–3° gewijzigd bij art. 200, 4° W. 29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991) en bij art. 22, 1° en 2° K.B. 11 december 2001 (B.S., 22 december 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 23).

 

§ 3 gewijzigd bij art. 200, 5° W. 29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991).

§ 5 gewijzigd bij art. 58, 2° W. 26 mei 2002 (B.S., 31 juli 2002), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 60).

[Art. 68ter

5[...]

]1

31 december 200323 februari 20029 januari 1991

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 W. 8 mei 1989 (B.S., 1 juni 1989), met ingang van 1 september 1989 (art. 5) en opgeheven bij art. 30, 2° W. 21 februari 2003 (B.S., 28 maart 2003 (derde uitg.)), met ingang van 1 oktober 2005 (art. 1 K.B. 10 augustus 2005 (B.S., 30 augustus 2005)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 201, 2° W. 29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991).

§ 2 gewijzigd bij art. 341 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2004 (art. 341).

§§ 3 tot 6 opgeheven bij art. 341 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2004 (art. 341).

§ 7 opgeheven bij art. 201, 2° W. 29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991).

§§ 8 en 9 opgeheven bij art. 341 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2004 (art. 341).

[Art. 68quater

4[...]

]1

9 januari 1991

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 4 W. 8 mei 1989 (B.S., 1 juni 1989), met ingang van 1 september 1989 (art. 5) en opgeheven bij art. 30, 3° W. 21 februari 2003 (B.S., 28 maart 2003 (derde uitg.)), met ingang van 1 oktober 2005 (art. 1 K.B. 10 augustus 2005 (B.S., 30 augustus 2005)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 202 W. 29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991) en bij art. 341 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2004 (art. 341) et par l'art. 341 de la L. du 22 décembre 2003 (M.B., 31 décembre 2003 (première éd.)), en vigueur le 1er juin 2004 (art. 341).

Afdeling 4 2[Specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen]2]1

15 juli 200415 juli 2004

Wetshistoriek

Afdeling 4 (art. 68quinquies) ingevoegd bij art. 99 W. 9 juli 2004 (B.S., 15 juli 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2005 (art. 100) en vervangen bij art. 82 W. 27 december 2006 (B.S., 28 december 2006 (derde uitg.)).

Voorgeschiedenis

Art. 68quinquies ingevoegd bij art. 99 W. 9 juli 2004 (B.S., 15 juli 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2005 (art. 100).

- Onderhoudsgelden ten gunste van kinderen (O.C.M.W.)

[Art. 68quinquies

§ 1

Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is belast met het toekennen van een specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen.

§ 2

Het recht op hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen wordt verleend wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:

1°de onderhoudsplichtige heeft recht op het leefloon of op een gelijkwaardige financiële maatschappelijke hulp;

 

2°de onderhoudsplichtige is een persoon die:

a)ofwel onderhoudsgeld voor zijn kinderen verschuldigd is, vastgelegd hetzij in een uitvoerbare gerechtelijke beslissing, hetzij in een overeenkomst bedoeld bij artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij in een uitvoerbare schikking bedoeld in artikelen 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek;

 

b)ofwel onderhoudsgeld verschuldigd is op basis van artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek;

 

c)ofwel een bijdrage voor een geplaatst kind verschuldigd is op grond van een beslissing genomen door de Jeugdrechtbank of door de bevoegde administratieve overheid;

 

3°de onderhoudsplichtige levert het bewijs van de betaling van dit onderhoudsgeld of van deze bijdrage.

 

§ 3

De specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden of van bijdragen voor geplaatste kinderen bedraagt 50 pct. van het bedrag van de betaalde onderhoudsgelden of bijdragen, met een maximum van 1100 EUR per jaar.

§ 4

De Koning bepaalt de regels voor de indiening van de aanvraag bij het bevoegd centrum, voor de kennisgeving van de beslissing en voor de uitkering van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen. Hij bepaalt de te volgen procedure in geval van onbevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarbij de aanvraag wordt ingediend.

§ 5

De Staat kent het bevoegd centrum een toelage toe, gelijk aan 100 pct. van het bedrag van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen. Voorschotten in mindering van het bedrag dat door de Staat ten laste wordt genomen, kunnen toegekend worden onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald door de Koning.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 82 W. 27 december 2006 (B.S., 28 december 2006 (derde uitg.)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 5 december 2004 tot uitvoering van artikel 68quinquies, §§ 4, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 december 2004)

 

Hoofdstuk V Beroep

- Beroep tegen beslissingen inzake individuele dienstverlening, algemeen

Art. 69 - 70

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 8 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)).

- Beroepskamer (O.C.M.W.) (opgeheven)

Art. 71 [Federale tekst]

1[Eenieder kan bij de arbeidsrechtbank in beroep gaan]1 tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen.

Hetzelfde geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen. 2[Deze termijn van één maand loopt, in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag van de overzending.]2

4[Het beroep moet5[, op straffe van verval,]5 worden ingesteld binnen de drie maanden na hetzij de kennisgeving van de beslissing, hetzij de datum van het ontvangstbewijs, 5[...]]4

5[Bij ontstentenis van een beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de in het tweede lid bepaalde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, worden ingediend binnen de drie maanden na de vaststelling van deze ontstentenis van een beslissing.]5

Het beroep werkt niet schorsend.

1[Wanneer het beroep aanhangig is gemaakt door een dakloze persoon, wijst de arbeidsrechtbank, zo nodig, het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan, na dit centrum in de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de uiteindelijke tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of door de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1

28 juli 200623 februari 2002

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 9 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)), bij art. 487 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)), bij art. 191 W. 20 juli 2006 (B.S., 28 juli 2006 (tweede uitg.)) en bij art. 4, 1° tot 3° W. 22 december 2008 (B.S., 29 december 2008 (vierde uitg.)).

Verwerping van beroep

Artikel 71, gewijzigd bij de wet van 11 april 1995, zoals die van kracht was op 1 januari 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doordat de verzoeker of begunstigde van een individuele dienstverlening over een termijn van één maand beschikt om een beroep in te stellen voor de arbeidsrechtbank tegen een beslissing die te zijnen aanzien is genomen door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, terwijl de verzoeker of begunstigde van het bestaansminimum over een termijn van drie maanden beschikt (Arbitragehof nr. 103/98, 21 oktober 1998 (B.S., 1 december 1998 (tweede uitg.))).

Artikel 71 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. (Grondwettelijk Hof nr. 79/2009, 14 mei 2009 (prejudiciële vraag) (BS 6 juli 2009 (ed. 1)).

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Geselecteerde rechtspraak

Art. 71 heeft slechts betrekking op het beroep tegen een beslissing genomen door de raad van een O.C.M.W. Het heeft geen betrekking op de vordering die, bij stilzitten van het O.C.M.W., tegen dat O.C.M.W. wordt ingesteld (Cass. (3e k.) AR S.96.0111.F, 21 april 1997).

- O.C.M.W., beroep, weigeringsbeslissing

- O.C.M.W., beroep, uitblijven van beslissing

- O.C.M.W., beroep, termijn

Art. 71 [Nederlands taalgebied]

1[Eenieder kan bij de arbeidsrechtbank in beroep gaan]1 tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn6[, door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, of in voorkomend geval de ondervoorzitter ingevolge artikel 58, § 2 en § 3, en artikel 59 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]6 of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen.

Hetzelfde geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen. 2[Deze termijn van één maand loopt, in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag van de overzending.]2

4[Het beroep moet5[, op straffe van verval,]5 worden ingesteld binnen de drie maanden na hetzij de kennisgeving van de beslissing, hetzij de datum van het ontvangstbewijs, 5[...]]4

5[Bij ontstentenis van een beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de in het tweede lid bepaalde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, worden ingediend binnen de drie maanden na de vaststelling van deze ontstentenis van een beslissing.]5

Het beroep werkt niet schorsend.

1[Wanneer het beroep aanhangig is gemaakt door een dakloze persoon, wijst de arbeidsrechtbank, zo nodig, het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan, na dit centrum in de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de uiteindelijke tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of door de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1

29 december 2008

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 9 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)), bij art. 487 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003 (eerste uitg.)), bij art. 191 W. 20 juli 2006 (B.S., 28 juli 2006 (tweede uitg.)), bij art. 272, 13° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)) en bij art. 4, 1° tot 3° W. 22 december 2008 (B.S., 29 december 2008 (vierde uitg.)).

Verwerping van beroep

Artikel 71, gewijzigd bij de wet van 11 april 1995, zoals die van kracht was op 1 januari 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doordat de verzoeker of begunstigde van een individuele dienstverlening over een termijn van één maand beschikt om een beroep in te stellen voor de arbeidsrechtbank tegen een beslissing die te zijnen aanzien is genomen door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, terwijl de verzoeker of begunstigde van het bestaansminimum over een termijn van drie maanden beschikt (Arbitragehof nr. 103/98, 21 oktober 1998 (B.S., 1 december 1998 (tweede uitg.))).

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Art. 72 - 74 [Federale tekst]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 8 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 30 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

Hoofdstuk VI Beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn

- Beheer O.C.M.W., algemeen

Afdeling 1 Beleidsprogramma]1

Wetshistoriek

Afdeling 1 (art. 72 en 73) ingevoegd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 7 maart 2002 (B.S., 8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 8 mei 2002 (art. 4).

- Beleidsprogramma O.C.M.W.

[Art. 72 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Bij de eerste begroting van het jaar dat volgt op de algehele vernieuwing van de raad voor maatschappelijke welzijn, wordt een beleidsprogramma voor de duur van zijn mandaat gevoegd, dat minstens de belangrijkste beleidsplannen en de begrotingsmiddelen bevat.

Dat beleidsprogramma wordt overeenkomstig artikel 26bis, § 1, 8°, aan het overlegcomité voorgelegd.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 7 maart 2002 (B.S., 8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 8 mei 2002 (art. 4).

[Art. 73 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Het door de raad voor maatschappelijk welzijn goedgekeurde beleidsprogramma wordt aan de gemeenteraad met vermelding van de uitgebrachte stemmen bezorgd.

Het beleidsprogramma wordt toegelicht door de O.C.M.W.-voorzitter en besproken tijdens de vergadering van de gemeenteraad die de goedkeuring van de in artikel 72 bedoelde begroting op de agenda heeft.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 7 maart 2002 (B.S., 8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 8 mei 2002 (art. 4).

Afdeling 1 Beheer van de goederen

5 augustus 1976

- Beheer goederen O.C.M.W.

Art. 75 [Federale tekst]

De goederen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden beheerd en bestuurd op de wijze door de wet vastgesteld voor de gemeentegoederen, onder voorbehoud van de volgende bepalingen.

Art. 75 [Nederlands taalgebied]

1[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 71° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 75 [Frans taalgebied]

De goederen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden beheerd en bestuurd op de wijze door de wet vastgesteld voor de gemeentegoederen, onder voorbehoud van de volgende bepalingen.

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 76 [Federale tekst]

§ 1

1[...]

De vervreemding van onroerende goederen kan door de hogere overheden niet worden opgelegd dan krachtens een wet, behalve in geval van onteigening ten algemenen nutte.

§ 2

1[...]

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd en § 2 opgeheven bij art. 39, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 76 [Nederlands taalgebied]

2[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 72° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd en § 2 opgeheven bij art. 39, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 77 [Federale tekst]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 39, 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 77 [Nederlands taalgebied]

3[...]

19 september 2003

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 73° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Opgeheven bij art. 39, 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en opnieuw opgenomen bij art. 17, § 1, 1° Decr. Vl. Parl. 18 juli 2003 (B.S., 19 september 2003 (eerste uitg.)).

Art. 78 [Nederlands taalgebied]

2[...]

8 mei 2002

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 74° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 opgeheven en § 2 gewijzigd bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 78 [Duitstalige Gemeenschap]

1[De Regering kan, na advies van het college van burgemeester en schepenen, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn machtigen om over te gaan tot onteigeningen, inzien zij van mening is dat de aanschaffing van de betrokkene goederen de algemene nut dient.

Benevens de ambtenaren van de comités tot aankoop van onroerende goederen is de burgemeester van de gemeente die door het centrum wordt bediend, bevoegd tot het verlijden van de desbetreffende akte.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 14 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 78 [Frans taalgebied]

§ 1

1[...]

§ 2

De 2[Regering]2 kan, na advies van het 3[gemeentelijk college]3, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn machtigen om over te gaan tot onteigeningen te algemenen nutte.

1[Benevens de ambtenaren van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor rekening van de Staat, is de gouverneur van de provincie, waar de zetel van het centrum gevestigd is, evenals de burgemeester van de gemeente die door het centrum wordt bediend, bevoegd tot het verlijden van de desbetreffende akte.]1

8 mei 2002

Wetshistoriek

§ 1 opgeheven bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 gewijzigd bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 79 [Federale tekst]

1[De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd om het kapitaal van het centrum aan te wenden voor de bouw of de aankoop van woningen voor bejaarden, mindervaliden of andere personen die niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien, voor de aankoop van bossen en gronden, voor participaties in bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen.

De raad kan het kapitaal van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een intercommunale vereniging.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 41 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 79 [Frans taalgebied]

2[§ 1]2

1[De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd om het kapitaal van het centrum aan te wenden voor de bouw of de aankoop van woningen voor bejaarden, mindervaliden of andere personen die niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien, voor de aankoop van bossen en gronden, voor participaties in bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen.

De raad kan het kapitaal van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een intercommunale vereniging.]1

2[§ 2

Om te voldoen aan specifieke behoeften waarin zijn diensten niet voorzien en in het kader van een verwante activiteit die geen belangrijk deel van zijn handeling uitmaakt, kan het O.C.M.W., overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstoogmerk en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, ook beslissen lid te worden van een andere vereniging zonder winstoogmerk dan een intercommunale vereniging die opgericht is met andere overheden en/of met andere natuurlijke of rechtspersonen dan die met een winstoogmerk, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

1°de beraadslaging van de raad voor maatschappelijk welzijn moet, samen met de statuten van de v.z.w. en een opgave van de geplande inbrengen ten gunste van de vereniging, onderworpen worden aan de goedkeuring van de gouverneur;

 

2°de onroerende goederen, namelijk de terreinen en gebouwen die het centrum toebehoren, mogen niet om niet worden afgestaan;

 

3°de wettelijke opdrachten die aan het O.C.M.W. voorbehouden zijn, mogen niet door de v.z.w. vervuld worden;

 

4°het O.C.M.W. moet binnen de organen van de vereniging vertegenwoordigd worden door leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, de secretaris of bevoegde personeelsleden van het centrum. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden na één enkele stemming aangewezen;

 

5°als het centrum bijdragen verleent, is het O.C.M.W. ertoe gemachtigd de bewijsstukken te controleren en ter plaatse na te gaan of die bijdragen gebruikt worden om de door het centrum opgedragen taken te vervullen;

 

6°het jaarverslag, de begroting en de rekeningen van de vereniging worden jaarlijks overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn.

 

Van elk document moet een exemplaar worden bezorgd aan de ontvanger van het O.C.M.W. die een eensluidend afschrift van de bewijsstukken kan eisen om na te gaan of de vereniging haar financiële verplichtingen ten aanzien van het centrum nakomt.

Het O.C.M.W. kan ook deelnemen in een vennootschap met een maatschappelijk doel.

In dit geval zijn de in deze paragraaf vastgelegde voorwaarden van deelneming in een v.z.w. mutatis mutandis van toepassing.

§ 3

Voor ziekenhuisactiviteiten kan het O.C.M.W., op de voordracht van het beheerscomité van het ziekenhuis, beslissen lid te worden van een vereniging zonder winstoogmerk met als doel:

a.hetzij een opdracht i.v.m. coördinatie, preventie, onderzoek of steun voor het beheer;

 

b.hetzij de oprichting, de aankoop of het beheer van een zware apparatuur of van zware medisch-technische diensten in het kader van een vereniging in de zin van artikel 69, 3°, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, met het oog op de oprichting van een groepering of een samenwerkingsvereniging;

 

c.hetzij de rationalisatie van het aanbod van uitrustingen en dienstenverleningen van openbare of privéziekenhuizen, in het kader van een groepering in de zin van artikel 69, 3°, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.

 

Naast de in § 2, 2°, 3° en 5°, bedoelde deelnemingsvoorwaarden zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

1°de beraadslaging moet, samen met de statuten van de vereniging en een opgave van de geplande inbrengen ten gunste van de vereniging, onderworpen worden aan de goedkeuring van de gemeenteraad en de Regering;

 

2°het O.C.M.W. moet binnen de verschillende organen van de vereniging vertegenwoordigd worden door leden van het beheerscomité van het ziekenhuis en door personen die binnen het ziekenhuis een leidende taak vervullen. De stemgerechtigde leden van het beheerscomité van het ziekenhuis die zitting houden binnen de organen van de v.z.w., worden door de raad voor maatschappelijk welzijn na één enkele stemming aangewezen;

 

3°het jaarverslag, de begrotingen en de rekeningen van de vereniging moeten worden overgemaakt aan het beheerscomité en aan de penningmeester van het ziekenhuis die een eensluidend afschrift van de bewijsstukken kan eisen om na te gaan of de vereniging haar financiële verplichtingen ten aanzien van het ziekenhuis nakomt.]2

 

8 mei 2002

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 41 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 1 genummerd bij art. 16, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§§ 2 en 3 ingevoegd bij art. 16, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 79 [Nederlands taalgebied]

5[...]

De raad kan 3[de middelen]3 van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een intercommunale vereniging]1 4[of van een vereniging of vennootschap overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 135novies tot en met 135ter decies]4

2[De raad kan, met het oog op de gehele of gedeeltelijke exploitatie van een ziekenhuis, ook de middelen van het centrum aanwenden voor deelneming in een vereniging zonder winstoogmerk. Dit kan echter uitsluitend voor zover die vereniging zonder winstoogmerk de bepalingen van de artikelen 135bis tot en met 135septies eerbiedigt.]2

8 mei 200230 juni 199910 september 1998

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 41 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), gewijzigd bij art. 7 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 juni 1998 (art. 1 B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)), bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)), bij art. 10 Decr. Vl. Parl. 17 december (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003, behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)) en bij art. 276, 75° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, s) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Toekomstig recht

Artikel 79 wordt opgeheven bij art. 276, 75° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 79 [Nederlands taalgebied]

5[...]

6[...]

Art. 80 [Duitstalige Gemeenschap]

De schenkingen en legaten gedaan aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn onderworpen 1[aan de aanvaarding van de raad voor maatschappelijk welzijn]1.

Indien er verzet is geweest, wordt 1[de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn]1 binnen acht dagen na haar dagtekening bij ter post aangetekend schrijven aan de indiener van het bezwaar betekend.

Elk bezwaar 1[wordt]1 ingebracht uiterlijk dertig dagen na die betekening.

1[...]

Bij inbrenging van bezwaren beslist altijd 2[de Regering]2 over de aanneming, de verwerping of de vermindering van de schenking of van het legaat.

De giften bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 juli 1931.

Notarissen en andere ministeriële ambtenaren alsmede ontvangers van de erfenisrechten zijn verplicht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kennis te geven van de beschikkingen die te hunnen voordele zijn opgemaakt en waarvan zij wegens hun ambt kennis hebben.

De openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen, zonder bijzondere machtiging, giften van hand tot hand ontvangen.

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 42 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 80 [Frans taalgebied]

De schenkingen en legaten gedaan aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn onderworpen 1[aan de aanvaarding van de raad voor maatschappelijk welzijn]1.

Indien er verzet is geweest, wordt 1[de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn]1 binnen acht dagen na haar dagtekening bij ter post aangetekend schrijven aan de indiener van het bezwaar betekend.

Elk bezwaar 1[wordt]1 ingebracht uiterlijk dertig dagen na die betekening.

1[...]

Bij inbrenging van bezwaren beslist altijd de 2[Regering]2 over de aanneming, de verwerping of de vermindering van de schenking of van het legaat.

De giften bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 juli 1931.

Notarissen en andere ministeriële ambtenaren alsmede ontvangers van de erfenisrechten zijn verplicht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kennis te geven van de beschikkingen die te hunnen voordele zijn opgemaakt en waarvan zij wegens hun ambt kennis hebben.

De openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen, zonder bijzondere machtiging, giften van hand tot hand ontvangen.

8 mei 2002

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 42 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 80 [Nederlands taalgebied]

3[...]

8 mei 2002

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 76° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, t) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 42 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

Art. 81 [Federale tekst]

Onverminderd de toepassing van de bijzondere wetten en besluiten, worden de goederen toebehorende aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verhuurd bij openbare aanbesteding of uit de hand.

2[...]

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 43 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 1 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).

Art. 81 [Nederlands taalgebied]

3[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 77° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, t) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 1 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989) en bij art. 43 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 81 [Frans taalgebied]

Onverminderd de toepassing van de bijzondere wetten en besluiten, worden de goederen toebehorende aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verhuurd bij openbare aanbesteding of uit de hand.

2[...]

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 43 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 1 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 82 [Federale tekst]

2[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 44 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 2 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).

Art. 83 [Federale tekst]

2[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 44 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 3 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).

Art. 84 [Federale tekst]

§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn kiest de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten worden toegewezen en stelt de voorwaarden ervan vast.

2[Hij kan die bevoegdheden voor de opdrachten die betrekking hebben op het dagelijks beheer van het centrum overdragen aan het vast bureau, binnen de perken van de daartoe op de gewone begroting ingeschreven kredieten.

In gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau op eigen initiatief de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden uitoefenen. Zijn besluit wordt meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn die er op zijn eerstvolgende vergadering akte van neemt.]2

§ 2

De raad voor maatschappelijk welzijn zet de procedure in en wijst de opdracht toe.

2[...]

De toewijzing van de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten die door de Staat of voor rekening van de Staat worden gesubsidieerd, wordt echter onderworpen aan de goedkeuring van de Minister die de toelage verleent.

2[...]

Wetshistoriek

§§ 1 en 2 gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989) en bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 84 [Nederlands taalgebied]

4[...]

8 mei 20025 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 78° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, t) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Art; vervangen bij art. 11 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§§ 1 en 2 gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989) en bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 84 [Frans taalgebied]

4[§ 1

Wat de gewone uitgaven betreft, kiest de raad voor maatschappelijk welzijn binnen de perken van de op de begroting uitgetrokken kredieten de wijze van toewijzing van de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, bepaalt hij de voorwaarden daarvan, leidt hij de procedure in en wijst hij de opdracht toe.

Hij kan deze bevoegdheden opdragen aan het vast bureau, de bijzondere comités, de secretaris of aan een andere ambtenaar. De opdracht aan de secretaris of aan een andere ambtenaar is beperkt tot de opdrachten van minder dan 2000 euro.

§ 2

Wat de buitengewone uitgaven betreft, kan de raad voor maatschappelijk welzijn de in § 1 bedoelde bevoegdheden opdragen aan het vast bureau voor de opdrachten waarvan de waarde kleiner is dan:

a)15.000 euro in het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met minder dan 15.000 inwoners;

 

b)30.000 euro in het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met 15.000 tot 49.999 inwoners;

 

c)60.000 euro in het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met 50.000 inwoners en meer.

 

§ 3

In geval van dringende noodzakelijkheid voortvloeiend uit onvoorzienbare gebeurtenissen kan het vast bureau op eigen initiatief de in de vorige leden bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn beslissing wordt medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn die er akte van neemt bij zijn volgende zitting.

§ 4

Telkens als de omstandigheden het rechtvaardigen, kan de Regering de in de §§ 1 en 2 bedoelde bedragen aanpassen.]4

12 juni 20028 mei 2002

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 4 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede uitg.)).

Voorgeschiedenis

§§ 1 en 2 gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989), bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 85 [Federale tekst]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 46 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Afdeling 1bis Beheer van de goederen

Wetshistoriek

Oude afdeling 1 (art. 75 tot 85) vernummerd tot afdeling 1bis (art. 75 tot 85) bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 7 maart 2002 (B.S., 8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 8 mei 2002 (art. 4).

Art. 75 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

De goederen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden beheerd en bestuurd op de wijze door de wet vastgesteld voor de gemeentegoederen, onder voorbehoud van de volgende bepalingen.

Art. 76 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

§ 1

1[...]

De vervreemding van onroerende goederen kan door de hogere overheden niet worden opgelegd dan krachtens een wet, behalve in geval van onteigening ten algemenen nutte.

§ 2

1[...]

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd en § 2 opgeheven bij art. 39, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 77 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 39, 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 78 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

§ 1

1[...]

§ 2

2[Het Verenigd College kan, na advies van het college van burgemeester en schepenen, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn machtigen om over te gaan tot onteigeningen te algemenen nutte, indien het oordeelt dat het verkrijgen van de betrokken onroerende goederen noodzakelijk is voor het algemeen belang.

Benevens de ambtenaren van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor rekening van de Staat, is de burgemeester van de gemeente die door het centrum wordt bediend bevoegd tot het verlijden van de desbetreffende akten.]2

8 mei 2002

Wetshistoriek

§ 1 opgeheven bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 vervangen bij art. 24 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

§ 2 gewijzigd bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 79 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd om het kapitaal van het centrum aan te wenden voor de bouw of de aankoop van woningen voor bejaarden, mindervaliden of andere personen die niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien, voor de aankoop van bossen en gronden, voor participaties in bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen.

De raad kan het kapitaal van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een intercommunale vereniging.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 41 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Geselecteerde rechtspraak

Gebruik maken van de mogelijkheid die art. 79, tweede lid, biedt, houdt in dat het O.C.M.W. als dusdanig, en niet door de eenvoudige aanwijzing van enkele leden die samen met enkele privé-personen een maatschappij oprichten en mede beslissingen nemen die het O.C.M.W. niet rechtstreeks binden, deelneemt in een maatschappij die geen andere maatschappij kan zijn (‘‘voor zover’’) dan een door art. 118 e.v. beheerste ‘‘vereniging’’ of een ‘‘intercommunale vereniging’’. De oprichting van een vereniging zonder winstoogmerk kan niet ingepast worden in de door art. 79 voorziene mogelijkheid van ‘‘deelneming in maatschappijen’’ (R.v.St. nr. 49.708, 17 oktober 1994).

Art. 80 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

De schenkingen en legaten gedaan aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn onderworpen 1[aan de aanvaarding van de raad voor maatschappelijk welzijn]1.

Indien er verzet is geweest, wordt 1[de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn]1 binnen acht dagen na haar dagtekening bij ter post aangetekend schrijven aan de indiener van het bezwaar betekend.

Elk bezwaar 1[wordt]1 ingebracht uiterlijk dertig dagen na die betekening.

1[...]

Bij inbrenging van bezwaren beslist altijd 2[het Verenigd College]2 over de aanneming, de verwerping of de vermindering van de schenking of van het legaat.

De giften bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 12 juli 1931.

Notarissen en andere ministeriële ambtenaren alsmede ontvangers van de erfenisrechten zijn verplicht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kennis te geven van de beschikkingen die te hunnen voordele zijn opgemaakt en waarvan zij wegens hun ambt kennis hebben.

De openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen, zonder bijzondere machtiging, giften van hand tot hand ontvangen.

8 mei 2002

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 42 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 25 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Verwijzingen

Zie W. 12 juli 1931 betreffende de uitbreiding tot alle rechtspersonen van het voordeel van de voorlopige aanvaarding van bij akten gedane schenkingen onder de levenden (B.S., 15 juli 1931), gewijzigd bij W. 2 mei 2002 (B.S., 11 december 2002).

Art. 81 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Onverminderd de toepassing van de bijzondere wetten en besluiten, worden de goederen toebehorende aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verhuurd bij openbare aanbesteding of uit de hand.

2[...]

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 43 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 1 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).

Art. 82 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 44 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 2 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).

Art. 83 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 44 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 3 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).

Art. 84 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn kiest de wijze waarop de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten worden toegewezen en stelt de voorwaarden ervan vast.

3[...]

§ 2

De raad voor maatschappelijk welzijn zet de procedure in en wijst de opdracht toe.

2[...]

De toewijzing van de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten die door 3[andere overheden]3 of 3[voor rekening van andere overheden]3 worden gesubsidieerd, wordt echter onderworpen aan de goedkeuring van de Minister die de toelage verleent.

2[...]

3[§ 3

Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 27, kan de raad voor maatschappelijk welzijn alle of een deel van de hem door §§ 1 en 2 van dit artikel toegekende bevoegdheden overdragen aan het vast bureau. In geval van dringende noodzaak die voortvloeit uit onvoorziene omstandigheden, kan het vast bureau deze bevoegdheden op eigen initiatief uitoefenen. Zijn besluit wordt meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, die er op zijn eerstvolgende vergadering akte van neemt.]3

8 mei 2002

Wetshistoriek

§ 1 gewijzigd bij art. 26, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 2 gewijzigd bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 26, 2° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 3 ingevoegd bij art. 26, 3° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989) en bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).

Geselecteerde rechtspraak

Uit art. 84, § 2, eerste lid, moet worden afgeleid dat de raad voor maatschappelijk welzijn en niet het vast bureau bevoegd is om een overheidsopdracht toe te wijzen. Wanneer de beslissing van het vast bureau om de opdracht toe te wijzen aan de betrokken aanbesteder is betekend en gevolgen sorteert, moet de procedure van toewijzing echter als beëindigd worden beschouwd. De vernietiging van die beslissing om de reden dat het vast bureau niet bevoegd was, heeft niet tot gevolg dat de raad voor maatschappelijk welzijn een nieuwe beslissing zou kunnen nemen (R.v.St. nr. 35.262, 26 juni 1990).

Art. 85 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 46 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Afdeling 2 Budgettair en financieel beheer

- Budgettair en financieel beheer O.C.M.W.

Art. 86 [Federale tekst]

Het financiële dienstjaar van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar.

De verrichtingen betreffende de invordering van de middelen en de betaling van de uitgaven die op de rekening van het dienstjaar moeten komen, mogen evenwel voortgezet worden tot 31 maart van het volgende jaar.

Als tot een dienstjaar behorend worden alleen aangemerkt de diensten verleend aan en de rechten verkregen door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en zijn schuldeisers gedurende het jaar waarnaar het dienstjaar is genoemd.

Art. 86 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[Het financiële dienstjaar van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar. Als tot een dienstjaar behorend, worden alleen aangemerkt, de rechten verkregen door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de verbintenissen aangegaan ten opzichte van zijn schuldeisers tijdens dit dienstjaar, ongeacht het dienstjaar waarin ze worden vereffend.]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vevangen bij art. 27 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Art. 86 [Nederlands taalgebied]

2[...]

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 79° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, t) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 12 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

Art. 86 [Frans taalgebied]

1[Het boekjaar van het O.C.M.W. stemt overeen met het kalenderjaar. Het heeft alleen betrekking op de door het centrum verkregen rechten en de tijdens die periode ten opzichte van zijn schuldeisers aangegane verplichtingen, ongeacht het boekjaar waarin ze worden aangegaan.

2[Onverminderd de bevoegdheden die hij aan het vast bureau en aan de bijzondere comités kan verlenen en onverminderd artikel 87bis, is de raad voor maatschappelijk welzijn belast met de bepaling van de rechten op ontvangsten, de betaalbaarstelling van de uitgaven van het O.C.M.W. en met het toezicht op de boekhouding. Deze laatste bevoegdheid mag echter niet opgedragen worden.]2]1

12 juni 200228 april 1998

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 18 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35) en gewijzigd bij art. 5 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede uitg.)).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 87 [Nederlands taalgebied]

2[§ 1

3[...]

De boekhouding van elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn omvat al zijn transacties, bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen, van welke aard ook.

§ 2

3[...]

§ 3

3[...]]2

6 februari 19988 oktober 1992

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 13 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§ 1 gewijzigd bij art. 276, 80° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, u) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§§ 2 en 3 opgeheven bij art. 276, 80° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, u) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1985)

 

–Koninklijk besluit van 9 december 1987 betreffende het instellen van provisies met het oog op het verlenen van dringende hulp door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 21 december 1987)

 

–Besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 april 1998)

 

Toekomstig recht

Artikel 87, § 1 wordt opgeheven bij art. 276, 80° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2014 (art. 206, 8° B.Vl.Reg. 25 juni 2010 (BS 7 oktober 2010 (ed. 1))).

Art. 87 [Nederlands taalgebied]

2[§ 1

3[...]

4[...]

§ 2

3[...]

§ 3

3[...]]2

Verwijzingen

Zie het M.B. 20 juni 2001 tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 juli 2001).

Art. 87 [Duitstalige Gemeenschap]

Onverminderd de toepassing van de bepalingen 1[van de artikelen 91, § 1 en 94]1 en onder voorbehoud van eventuele door 3[de Regering]3 bepaalde afwijkende regelingen zijn de voorschriften die gelden inzake de gemeentecomptabiliteit, toepasselijk op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

2[De openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Duitse taalgebied passen op hun boekhouding tot op een van de Regering te bepalende datum de regeling toe van het besluit van de Regent van 10 februari 1945 houdende algemeen reglement op de gemeentecomptabiliteit, gewijzigd bij het besluit van de Regent van 28 februari 1947, het koninklijk besluit van 16 november 1953, de wet van 5 juli 1963 en het koninklijk besluit van 15 december 1987.]2

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 47 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 1 Decr. D. Gem. R. 19 december 1994 (B.S., 23 maart 1995), met ingang van 1 januari 1995 (art. 2) en bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 12 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1985)

 

–Koninklijk besluit van 9 december 1987 betreffende het instellen van provisies met het oog op het verlenen van dringende hulp door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 21 december 1987)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende de inventaris van het patrimonium van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende de gemeentelijke comptabiliteit voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997)

 

Art. 87 [Frans taalgebied]

3[Het algemeen reglement van de gemeenteboekhouding is van toepassing op de O.C.M.W.'s, met uitzondering van de ziekenhuizen die ervan afhangen en onder voorbehoud van de door de Regering vastgestelde afwijkende regels.

4[...]]3

12 juni 200228 april 1998

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en gewijzigd bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede uitg.)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 47 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 22 december 1994 (B.S., 24 februari 1995).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1985)

 

–Koninklijk besluit van 9 december 1987 betreffende het instellen van provisies met het oog op het verlenen van dringende hulp door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 21 december 1987)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende de inventaris van het patrimonium van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende de gemeentelijke comptabiliteit voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 87 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

3[Het Verenigd College stelt de budgettaire, financiële en boekhoudkundige regels vast van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]3

2 september 1995

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 28 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 2 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 27 oktober 1994 (B.S., 3 december 1994), met ingang van 1 januari 1995 (art. 3) en bij art. 2 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 27 april 1995 (B.S., 2 september 1995), met ingang van 1 januari 1995 (art. 4).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1985)

 

–Koninklijk besluit van 9 december 1987 betreffende het instellen van provisies met het oog op het verlenen van dringende hulp door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 21 december 1987)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 13 april 1995 waarbij de conceptuele analyse van de nieuwe comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verplichtend worden gemaakt (B.S., 24 juni 1995)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 26 oktober 1995 houdende algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 5 december 1995)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 7 november 1996 houdende, in uitvoering van artikel 43 van het algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vaststelling van de rekeningstelsels (B.S., 29 januari 1997)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 7 november 1996 houdende conceptuele analyse van de nieuwe comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 29 januari 1997)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 12 februari 1998 houdende conceptuele analyse van de nieuwe comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 16 september 1998)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 19 februari 1998 tot vaststelling van de rekeningstelsels die van toepassing zijn op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad (B.S., 16 september 1998)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 19 maart 1998 tot vaststelling van de modellen van de jaarrekeningen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 16 september 1998)

 

–Ministerieel besluit van 26 november 1998 tot vaststelling, in uitvoering van artikel 93 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van het formulier met toepassing van controle van de kas en de boekingen van de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de uitvoeringsregels van dit onderzoek (B.S., 23 januari 1999)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 25 februari 1999 tot vaststelling van het model voor de begroting van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 21 april 1999)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 4 juli 2002 tot aanduiding van de Commissie voor boekhoudkundige normen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 20 juli 2002)

 

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 4 december 2008 tot vaststelling van de opdracht en samenstelling van de Commissie voor boekhoudkundige normen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 16 december 2008 (tweede uitg.))

 

Verwijzingen

Zie:

–B. Ver. Coll. Gem. Gem.Comm. 3 juni 1999 tot vaststelling, ter uitvoering van artikel 74 van het algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de ratio’s, tabel van financiering en grafieken die bij de totaalbalans moeten worden gevoegd (B.S., 28 september 1999).

 

–B. Ver. Coll. Gem. Gem.Comm. 16 december 1999 houdende aanvulling van de rekeningstelsels ter uitvoering van artikel 43 van het algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 2 maart 2000).

 

–B. Ver. Coll. Gem. Gem. Comm. 7 november 2002 houdende aanvulling van de rekeningstelsels ter uitvoering van artikel 43 van het algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 5 mei 2003).

 

[Art. 87bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 14 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)) en opgeheven bij art. 276, 81° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, v) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 87bis [Frans taalgebied]

2[Telkens als de betaling van de sociale hulp of van het bestaansminimum zich opdringt, stelt het orgaan van het centrum dat de sociale hulp of het bestaansminimum heeft besloten toe te kennen, de lijst van de uitgaven tijdens de zitting op, die, zodra ze door de aanwezige leden ondertekend is, als ordonnancering geldt en in de notulen wordt vermeld. De verzending van deze lijst, die door de voorzitter en de secretaris ondertekend is, geldt als machtiging tot betaling.]2]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 20 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en vervangen bij art. 7 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede uitg.)).

Art. 88 [Federale tekst]

§ 1

2[De raad voor maatschappelijk welzijn stelt ieder jaar, voor het volgende dienstjaar, de begroting van ontvangsten en uitgaven vast van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder zijn beheer staat. 3[Aan deze begrotingen wordt een algemene beleidsnota gehecht evenals het verslag bedoeld in artikel 26bis, § 5.]3

Deze begrotingen worden vóór 15 september van het jaar dat aan het dienstjaar voorafgaat, onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad 3[...].

Op de vergaderingen van de gemeenteraad 3[...] waar de goedkeuring van deze begrotingen op de agenda staat, worden deze toegelicht door de voorzitter van het centrum. Indien de voorzitter geen deel uitmaakt van de gemeenteraad wordt hij hiervan ten minste vijf vrije dagen vóór de dag van de vergadering verwittigd door het college van burgemeester en schepenen.

3[De beslissing moet aan het centrum worden doorgestuurd binnen een termijn van veertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de begrotingen aan de gemeente werden overgezonden, bij gebreke waarvan de gemeenteraad geacht wordt zijn goedkeuring te hebben verleend.]3

Elke beslissing tot wijziging of tot niet-goedkeuring moet met redenen worden omkleed. Bij niet-goedkeuring 3[...] of in geval van wijzigingen aan de begroting wordt het volledig dossier door de zorg van het centrum vóór 15 november van hetzelfde jaar ter goedkeuring overgelegd aan de bestendige deputatie.

De gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten en van de ziekenhuizen die van dit centrum afhangen, ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, deze verminderen, vermeerderen of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.

De bestendige deputatie heeft dezelfde bevoegdheid betreffende de begroting van de 3[...] openbare centra voor maatschappelijk welzijn en betreffende de begroting van de ziekenhuizen die afhangen van deze centra, van een intercommunale vereniging of een vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet.]2

§ 2

Indien na goedkeuring van de begroting kredieten moeten worden uitgetrokken of vermeerderd om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, gaat de raad voor maatschappelijk welzijn over tot wijziging van de begroting. Die wijziging is onderworpen aan de 3[goedkeuringen]3 bepaald in § 1.

3[In de gevallen waar de geringste vertraging onbetwistbaar schade zou berokkenen, kan de raad voor maatschappelijk welzijn met toestemming van het college van burgemeester en schepenen, in de uitgave voorzien onder verplichting om zonder verwijl de nodige kredieten door een begrotingswijziging in te schrijven. In dat geval zal de ontvanger de betaling doen zonder de goedkeuring van de begrotingswijziging af te wachten.]3

§ 3

2[Het ontwerp van begroting evenals de bijhorende algemene beleidsnota of het ontwerp van begrotingswijziging en de daarbijhorende verklarende en stavende nota, opgemaakt door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn besteld ten minste zeven vrije dagen vóór de dag van de vergadering waarop deze zullen worden besproken.]2

§ 4

Blijft de raad voor maatschappelijk welzijn in gebreke de begroting vast te stellen of te voorzien in een begrotingswijziging die nodig blijkt hetzij om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, hetzij tot betaling van een schuld van het centrum die erkend en opeisbaar is, dan zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 113.

3[Laat de raad voor maatschappelijk welzijn na om de begroting van het centrum binnen de wettelijke bepaalde termijn vast te stellen, dan kan het college van burgemeester en schepenen het centrum in gebreke stellen. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn nalaat om de begroting vast te stellen binnen de twee maanden na de ingebrekestelling, kan de gemeenteraad zich in de plaats stellen van de raad voor maatschappelijk welzijn en de begroting van het centrum vaststellen in de plaats van de raad voor maatschappelijk welzijn. Deze begroting wordt door de gemeenteraad betekend aan de raad voor maatschappelijk welzijn en ter goedkeuring overgelegd aan de bestendige deputatie, die dezelfde bevoegdheid heeft als deze bepaald in § 1, zevende lid.]3

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 7, 1° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10) en gewijzigd bij art. 48, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 gewijzigd bij art. 48, 2° en 3° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3 vervangen bij art. 7, 2° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10).

§ 4 gewijzigd bij art. 48, 4° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Voorgeschiedenis

§ 1 vervangen bij art. 4 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

Art. 88 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

§ 1

2[De raad voor maatschappelijk welzijn stelt ieder jaar, voor het volgende dienstjaar, de begroting van ontvangsten en uitgaven vast van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder zijn beheer staat. 3[Aan deze begrotingen wordt een algemene beleidsnota gehecht evenals het verslag bedoeld in artikel 26bis, § 5.]3

Deze begrotingen worden vóór 15 september van het jaar dat aan het dienstjaar voorafgaat, onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad 3[...] 4[en tezelfdertijd toegezonden aan het Verenigd College]4.

Op de vergaderingen van de gemeenteraad 3[...] waar de goedkeuring van deze begrotingen op de agenda staat, worden deze toegelicht door de voorzitter van het centrum. Indien de voorzitter geen deel uitmaakt van de gemeenteraad wordt hij hiervan ten minste vijf vrije dagen vóór de dag van de vergadering verwittigd door het college van burgemeester en schepenen.

4[De beslissing moet aan het centrum worden doorgestuurd binnen een termijn van veertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de begrotingen aan de gemeente werden overgezonden, bij gebrek hieraan wordt de gemeenteraad geacht zijn goedkeuring te hebben verleend. Het centrum stuurt het volledige dossier door aan het Verenigd College binnen vijftien dagen na de ontvangst van de beslissing van de gemeenteraad tot goedkeuring van de begroting of na het verstrijken van de termijn van veertig dagen waardoor de goedkeuring stilzwijgend verleend wordt.]4

4[Elke beslissing tot herziening of tot niet-goedkeuring moet met redenen worden omkleed. Bij niet-goedkeuring of in geval van herziening van de begroting, wordt deze door het centrum binnen veertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing van de gemeenteraad, ter goedkeuring overgelegd aan het Verenigd College.

Het Verenigd College dient haar beslissing aan het centrum en aan de gemeenteraad te bezorgen binnen een termijn van veertig dagen, die niet verlengbaar is, te rekenen vanaf de dag waarop de hervormde of niet goedgekeurde begroting aan dit College werd toegestuurd. Bij gebrek hieraan wordt de begroting geacht te zijn goedgekeurd zoals zij door de raad voor maatschappelijk welzijn is aangenomen.]4

De gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten en van de ziekenhuizen die van dit centrum afhangen, ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, deze verminderen, vermeerderen of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.

4[Het Verenigd College]4 heeft dezelfde bevoegdheid betreffende de begroting van de 3[...] openbare centra voor maatschappelijk welzijn en betreffende de begroting van de ziekenhuizen die afhangen van deze centra, van een intercommunale vereniging of een vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet.]2

§ 2

Indien na goedkeuring van de begroting kredieten moeten worden uitgetrokken of vermeerderd om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, gaat de raad voor maatschappelijk welzijn over tot wijziging van de begroting. Die wijziging is onderworpen aan de 3[goedkeuringen]3 bepaald in § 1.

3[In de gevallen waar de geringste vertraging onbetwistbaar schade zou berokkenen, kan de raad voor maatschappelijk welzijn met toestemming van het college van burgemeester en schepenen, in de uitgave voorzien onder verplichting om zonder verwijl de nodige kredieten door een begrotingswijziging in te schrijven. In dat geval zal de ontvanger de betaling doen zonder de goedkeuring van de begrotingswijziging af te wachten.]3

§ 3

2[Het ontwerp van begroting evenals de bijhorende algemene beleidsnota of het ontwerp van begrotingswijziging en de daarbijhorende verklarende en stavende nota, opgemaakt door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn besteld ten minste zeven vrije dagen vóór de dag van de vergadering waarop deze zullen worden besproken.]2

§ 4

Blijft de raad voor maatschappelijk welzijn in gebreke de begroting vast te stellen of te voorzien in een begrotingswijziging die nodig blijkt hetzij om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, hetzij tot betaling van een schuld van het centrum die erkend en opeisbaar is, dan zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 113.

3[Laat de raad voor maatschappelijk welzijn na om de begroting van het centrum binnen de wettelijke bepaalde termijn vast te stellen, dan kan het college van burgemeester en schepenen het centrum in gebreke stellen. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn nalaat om de begroting vast te stellen binnen de twee maanden na de ingebrekestelling, kan de gemeenteraad zich in de plaats stellen van de raad voor maatschappelijk welzijn en de begroting van het centrum vaststellen in de plaats van de raad voor maatschappelijk welzijn. Deze begroting wordt door de gemeenteraad betekend aan de raad voor maatschappelijk welzijn en ter goedkeuring overgelegd aan 4[het Verenigd College dat]4 dezelfde bevoegdheid heeft als deze bepaald in § 1, zevende lid.]3

4[§ 5

Bij gebrek aan een uitvoerbare begroting op 1 januari van het dienstjaar in kwestie, kunnen uitgaven vastgelegd worden op voorlopige kredieten, waarvan de modaliteiten en grenzen worden bepaald door het Verenigd College.]4

18 juni 2003

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 7, 1° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), gewijzigd bij art. 48, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 29, 1° tot 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 2 gewijzigd bij art. 48, 2° en 3° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3 vervangen bij art. 7, 2° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10).

§ 4 gewijzigd bij art. 48, 4° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 29, 5° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 5 ingevoegd bij art. 29, 6° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

§ 1 vervangen bij art. 4 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

Art. 88 [Nederlands taalgebied]

7[...]

30 augustus 200614 augustus 20026 februari 1998

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 82° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, v) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Art. vervangen bij art. 15 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)), onverminderd de §§ 1 en 2 die in werking treden op 6 februari 1998, met betrekking tot het dienstjaar 1999 en volgende, waarbij “budget” desgevallend dient te worden gelezen als “begroting” (art. 27, § 1, 3°, zelf gewijzigd bij art. 11 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)).

§ 1 vervangen bij art. 4 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984), bij art. 7, 1° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), gewijzigd bij art. 48, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 5 juli 2002 (B.S., 14 augustus 2002 (eerste uitg.)) en bij art. 43 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

§ 2 gewijzigd bij art. 48, 2° en 3° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 3 vervangen bij art. 7, 2° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10).

§ 4 gewijzigd bij art. 48, 4° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Overgangsbepaling

Overgangsbepaling: art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)).

Verwijzingen

Zie Omz. WEL – 98/04 van Vl. Min. Cult., Gezin en Welzijn van 16 juni 1998 (‘‘OCMW – meerjarenplan 1999-2001’’) (B.S., 22 september 1998).

Art. 88 [Frans taalgebied]

§ 1

2[4[De raad voor maatschappelijk welzijn maakt de ontvangsten- en uitgavenbegroting van het centrum jaarlijks op voor het komende boekjaar en, op de voordracht van het beheerscomité van het ziekenhuis, de begroting van elk ziekenhuis dat van het centrum afhangt. Bij deze begrotingen wordt een algemene beleidsnota gevoegd, alsook een verslag dat het in artikel 26bis, § 5, bedoelde verslag opneemt, een verslag over het ziekenhuisbeleid en de doelstellingen en samenwerkingsmogelijkheden in ziekenhuisverband.

De raad voor maatschappelijk welzijn moet zich uitspreken binnen veertig dagen na de betekening van het voorstel van het beheerscomité; bij gebreke daarvan wordt de raad geacht het voorstel te hebben goedgekeurd.

De raad moet op deze begrotingen jaarlijks alle verplichte uitgaven boeken die krachtens wets- of verordeningsbepalingen ten laste komen van het O.C.M.W., meer bepaald de wedden en uitkeringen van de voorzitter, de secretaris, de ontvanger en de personeelsleden, de uitgaven voor sociale hulp, het abonnement op het Belgisch Staatsblad en op het Bestuursmemoriaal, de vaststaande en opeisbare schulden van het centrum en de schulden die uit uitvoerbare rechterlijke veroordelingen voortvloeien, de bureaukosten, het onderhoud van de gebouwen, de huurgelden van de door het centrum gebruikte gebouwen en de kosten die aan de boekhouding van het centrum gebonden zijn.

De raad moet op deze begrotingen jaarlijks alle nader bepaalde ontvangsten van het O.C.M.W. boeken, evenals de krachtens een wets- of verordeningsbepaling toegekende ontvangsten en de overschotten van de vorige boekjaren.]4

Deze begrotingen worden vóór 15 september van het jaar dat aan het dienstjaar voorafgaat, onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad 3[...].

Op de vergaderingen van de gemeenteraad 3[...] waar de goedkeuring van deze begrotingen op de agenda staat, worden deze toegelicht door de voorzitter van het centrum. 5[...]

3[De beslissing moet aan het centrum worden doorgestuurd binnen een termijn van veertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de begrotingen aan de gemeente werden overgezonden, bij gebreke waarvan de gemeenteraad geacht wordt zijn goedkeuring te hebben verleend.]3

Elke beslissing tot wijziging of tot niet-goedkeuring moet met redenen worden omkleed. Bij niet-goedkeuring 3[...] of in geval van wijzigingen aan de begroting wordt het volledig dossier door de zorg van het centrum vóór 15 november van hetzelfde jaar ter goedkeuring overgelegd aan 5[het provinciecollege]5.

De gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten en van de ziekenhuizen die van dit centrum afhangen, ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, deze verminderen, vermeerderen of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.

5[Het provinciecollege]5 heeft dezelfde bevoegdheid betreffende de begroting van de 3[...] openbare centra voor maatschappelijk welzijn en betreffende de begroting van de ziekenhuizen die afhangen van deze centra 3[...].]2

§ 2

Indien na goedkeuring van de begroting kredieten moeten worden uitgetrokken of vermeerderd om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, gaat de raad voor maatschappelijk welzijn over tot wijziging van de begroting. Die wijziging is onderworpen aan de 3[goedkeuringen]3 bepaald in § 1.

4[Ingeval de minste vertraging onbetwistbare schade zou berokkenen, kan de raad voor maatschappelijk welzijn met de toestemming van het 5[gemeentelijk college]5, in de uitgave voorzien, onder verplichting de begroting te wijzigen door er zo spoedig mogelijk de nodige kredieten op te boeken.

Wat betreft de betaling van het bestaansminimum of het verlenen van individuele sociale hulp onder de vorm van een financiële tegemoetkoming, en ingeval de minste vertraging onbetwistbare schade zou berokkenen aan een persoon die om sociale hulp of om het bestaansminimum verzoekt, maakt het bevoegde orgaan dat besloten heeft de hulp te verlenen, gebruik van de mogelijkheid bedoeld in het vorige lid, zonder de toestemming van het 5[gemeentelijk college]5 te moeten vragen.

In de gevallen bedoeld in het tweede en het derde lid zal de ontvanger de betaling verrichten vóór de goedkeuring van de begrotingswijziging.]4

§ 3

2[4[De begrotingsontwerpen alsook de algemene beleidsnota en de in § 1, eerste lid, bedoelde verslagen]4 of het ontwerp van begrotingswijziging en de daarbijhorende verklarende en stavende nota, opgemaakt door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn besteld ten minste zeven vrije dagen vóór de dag van de vergadering waarop deze zullen worden besproken.]2

§ 4

Blijft de raad voor maatschappelijk welzijn in gebreke de 4[begrotingen]4 vast te stellen of te voorzien in een begrotingswijziging die nodig blijkt hetzij om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, hetzij tot betaling van een schuld van het centrum die erkend en opeisbaar is, dan zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 113.

3[Laat de raad voor maatschappelijk welzijn na om de 4[begrotingen]4 van het centrum binnen de wettelijke bepaalde termijn vast te stellen, dan kan het 5[gemeentelijk college]5 het centrum in gebreke stellen. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn nalaat om de 4[begrotingen]4 vast te stellen binnen de twee maanden na de ingebrekestelling, kan de gemeenteraad zich in de plaats stellen van de raad voor maatschappelijk welzijn en de 4[begrotingen]4 van het centrum vaststellen in de plaats van de raad voor maatschappelijk welzijn. Deze 4[begrotingen]4 worden door de gemeenteraad betekend aan de raad voor maatschappelijk welzijn en ter goedkeuring overgelegd aan 5[het provinciecollege]5, die dezelfde bevoegdheid heeft als deze bepaald in § 1, zevende lid.]3

28 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 7, 1° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1988) en gewijzigd bij art. 48, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 21, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij art. 11 en 15°, 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 2 gewijzigd bij art. 48, 3° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 21, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 3 vervangen bij art. 7, 2° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1988) en gewijzigd bij art. 21, 4° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 4 gewijzigd bij art. 48, 4° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 21, 5° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij art. 15, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Voorgeschiedenis

§ 1 vervangen bij art. 4 K.B. nr. 244, 31 december 1984 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 89 [Frans taalgebied]

1[2[5[De raad voor maatschappelijk welzijn legt de jaarrekeningen van het vorige boekjaar van het centrum jaarlijks vast en laat ze vergezeld gaan van de lijst van de aannemers van overheidsopdrachten van leveringen of diensten waarvoor de raad voor maatschappelijk welzijn de gunningwijze gekozen en de voorwaarden bepaald heeft. Hij legt jaarlijks ook de jaarrekeningen van het voorafgaande jaar vast voor elk van de ziekenhuizen onder zijn beheer tijdens een zitting die vóór 1 juni plaatsvindt. Tijdens de vergadering waarop de raad voor maatschappelijk welzijn deze jaarrekeningen vastlegt, brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en over het tijdens het voorafgaande boekjaar gevoerde beheer inzake de uitvoering van de budgettaire vooruitzichten, alsook wat betreft de ontvangsten en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het jaarverslag wordt ten minste zeven vrije dagen vóór de vergadering aan elk lid overgemaakt, samen met de rekeningen, maar zonder de bewijsstukken.]5

Tijdens de vergadering waarop de raad deze rekeningen vaststelt brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en over het gevoerde beheer tijdens het voorafgaande dienstjaar, inzake de uitvoering van de begrotingsvooruitzichten 4[evenals wat betreft de ontvangst en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]4. Het jaarverslag wordt vooraf samen met de rekening doch met uitsluiting van de verantwoordingsstukken, tenminste zeven vrije dagen vóór de vergadering aan elk raadslid meegedeeld.

De door de raad vastgestelde rekeningen worden ten laatste op 1 juni volgend op het sluiten van het dienstjaar onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad 3[...]. Het jaarverslag wordt als toelichting bij de rekeningen aan de gemeenteraad 3[...] meegedeeld.]2

6[Deze rekeningen worden door de voorzitter van het centrum besproken tijdens de zitting van de gemeenteraad op de agenda waarvan hun goedkeuring vermeld staat.]6

De beslissing dient aan het centrum doorgestuurd binnen de twee maanden na ontvangst van de rekeningen, bij gebreke waarvan de 3[...] gemeenteraad geacht wordt de goedkeuring te hebben verleend.]1

1[Bij niet-goedkeuring 3[door de gemeenteraad]3 worden de rekeningen 3[samen met de beslissing van de gemeenteraad]3 door de zorg van het centrum, vóór 1 augustus van het voormelde jaar, ter goedkeuring overgelegd aan 6[het provinciecollege]6, die de rekeningen definitief vaststelt.]1

Het nazicht van de bewijsstukken door de afgevaardigden van de toezichthoudende overheden gebeurt ter plaatse.

2 januari 200618 juli 2000

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 5 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), bij art. 8 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), bij art. 49 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 10 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), bij art. 12 en 15 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22) en bij art. 13 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 89 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

5[§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn stelt elk jaar voor 1 mei de rekening vast van het voorgaande dienstjaar van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder zijn beheer staat.

Tijdens de vergadering waarop de raad deze rekeningen vaststelt, brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en over het gevoerde beheer tijdens het voorafgaande dienstjaar, inzake de uitvoering van de begrotingsvooruitzichten, evenals wat betreft de ontvangst en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het jaarverslag wordt samen met de rekeningen doch met uitsluiting van de verantwoordingsstukken, tenminste zeven vrije dagen voor de vergadering, aan elk raadslid meegedeeld.

§ 2

De jaarrekeningen vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn worden voor 15 mei volgend op het afsluiten van het dienstjaar overgezonden aan de gemeenteraad met het oog op het definitief vaststellen. Tegelijkertijd worden deze documenten aan het Verenigd College overgezonden. De rekeningen worden aangevuld met het in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde jaarverslag. Binnen veertig dagen na de ontvangst, spreekt de gemeenteraad zich uit over het definitief vaststellen van de jaarrekeningen. Zijn beslissing wordt uiterlijk de laatste dag van bovenvermelde termijn doorgestuurd. Indien binnen deze termijn geen beslissing aan het centrum wordt overgezonden, wordt de gemeenteraad geacht de jaarrekeningen te hebben goedgekeurd.

Als de gemeenteraad de jaarrekening niet goedkeurt, wordt zijn met redenen omklede beslissing door het centrum binnen veertig dagen na de ontvangst van de beslissing van niet-goedkeuring overgezonden aan het Verenigd College, dat de rekeningen vaststelt. Het Verenigd College beschikt over een termijn van veertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de ontvangst van de stukken om de rekening definitief vast te stellen. Als er geen beslissing ter kennis wordt gebracht binnen de voormelde termijn, dan wordt de rekening geacht te zijn goedgekeurd. De raad voor maatschappelijk welzijn verleent tijdens de eerstvolgende vergadering na de kennisgeving van de goedkeuring kwijting aan de ontvanger. De kwijting is slechts rechtsgeldig voor zover de ware toestand niet vrijwillig werd verborgen door weglatingen of onjuiste opgaven in de jaarrekening.

Het niet verlenen van kwijting aan de ontvanger kan alleen bij een met redenen omkleed besluit. De ontvanger, de gemeenteraad en het Verenigd College worden zonder verwijl van deze beslissing in kennis gesteld. Is er bij een definitieve beslissing over de kwijting een tekort vastgesteld, dan verzoekt de raad voor maatschappelijk welzijn de ontvanger, bij aangetekende brief, een gelijk bedrag in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te storten; in dat geval is artikel 93, § 4, van toepassing, onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde procedure.]5

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 30 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 5 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984), bij art. 8 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), bij art. 49 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 10 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

Art. 89 [Nederlands taalgebied]

5[§ 1

6[...]

Nadat de rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris worden ze samengevat en beschreven in een staat, zijnde de jaarrekening.

De raad voor maatschappelijk welzijn stelt elk jaar de jaarrekening van het voorgaande boekjaar vast van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn 6[...].

Tijdens de vergadering waarop de raad voor maatschappelijk welzijn deze jaarrekeningen vaststelt, brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en over het gevoerde beheer tijdens het voorafgaande boekjaar, inzake de uitvoering van het budget alsook wat betreft de ontvangsten en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. 6[...]

§ 2

De door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde jaarrekeningen worden voor 1 mei volgend op het sluiten van het boekjaar ter goedkeuring aan de provinciegouverneur overgezonden. Zij worden terzelfder tijd overgezonden aan de gemeenteraad, die binnen vijftig dagen na de overzending zijn opmerkingen ter kennis kan brengen van de provinciegouverneur.

Binnen driehonderd dagen na ontvangst van de jaarrekeningen spreekt de provinciegouverneur zich uit over de goedkeuring en stelt hij de bedragen ervan vast. Hij verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn. Indien binnen de voormelde termijn geen besluit naar het centrum is verstuurd wordt de provinciegouverneur geacht zijn goedkeuring te hebben verleend. Hij deelt zijn beslissing samen met zijn eventuele opmerkingen en met het verslag van de externe auditcommissie mee aan de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn en de ontvanger. De raad voor maatschappelijk welzijn verleent in de eerstvolgende vergadering na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 90, § 2, kwijting aan de ontvanger over de afgelegde rekening. De kwijting is rechtsgeldig voor zover de ware toestand niet werd verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de jaarrekening.

Het niet-verlenen van kwijting aan de ontvanger kan alleen bij gemotiveerd besluit. De ontvanger en de provinciegouverneur worden zonder verwijl en gelijktijdig van deze beslissing in kennis gesteld.

Is er blijkens een definitief geworden beslissing inzake de kwijting een tekort vastgesteld, dan verzoekt de raad voor maatschappelijk welzijn de ontvanger, bij een ter post aangetekende brief, een gelijkwaardig bedrag in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te storten.

§ 3

6[...]

§ 4

Wanneer de functie van ontvanger eindigt, wordt een eindrekening opgesteld. Na vaststelling door de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt de eindrekening ter goedkeuring aan de provinciegouverneur gezonden en wordt de in § 2, tweede tot vierde lid, bedoelde procedure gevolgd.

De beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten en kwijting wordt verleend, brengt van rechtswege de teruggave van de zekerheid mee.]5

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 16 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding kan vaststellen die uitwerking kan hebben vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§ 1 gewijzigd bij art. 276, 83° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, w) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 3 opgeheven bij art. 276, 83° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, w) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 5 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), bij art. 8 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), bij art. 49 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 10 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

Toekomstig recht

Artikel 89 wordt gewijzigd bij art. 276, 83° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2014 (art. 206, 8° B.Vl.Reg. 25 juni 2010 (BS 7 oktober 2010 (ed. 1)).

Art. 89 [Nederlands taalgebied]

5[§ 1

6[...]

7[...]

§ 2

7[...]

§ 3

6[...]

§ 4

7[...]]5

Art. 89 [Duitstalige Gemeenschap]

1[De raad voor maatschappelijk welzijn stelt elk jaar de rekening van het voorgaande dienstjaar van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder zijn beheer staat vast in een vergadering die plaatsvindt voor 1 juni.

Tijdens de vergadering waarop de raad deze rekeningen vaststelt brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en over het gevoerde beheer tijdens het voorafgaande dienstjaar, inzake de uitvoering van de begrotingsvooruitzichten evenals wat betreft de ontvangst en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het jaarverslag wordt vooraf samen met de rekening, doch met uitsluiting van de verantwoordingsstukken, tenminste zeven vrije dagen voor de vergadering aan elk raadslid meegedeeld.

De door de raad vastgestelde rekeningen worden ten laatste op 1 juni volgend op het sluiten van het dienstjaar onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad. Het jaarverslag wordt als toelichting bij de rekeningen aan de gemeenteraad meegedeeld.

De beslissing dient aan het centrum doorgestuurd binnen de twee maanden na ontvangst van de rekeningen, bij gebreke waarvan de gemeenteraad geacht wordt de goedkeuring te hebben verleend.

Bij niet-goedkeuring door de gemeenteraad worden de rekeningen samen met de beslissingen van de gemeenteraad door de zorg van het centrum voor 1 augustus van het voormelde jaar, ter goedkeuring overgelegd aan de Regering; de Regering stelt de rekeningen definitief vast.

Het nazicht van de bewijsstukken door de afgevaardigden van de toezichthoudende overheid gebeurt ter plaatse.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 16 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

Art. 90 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[...]

8 oktober 19928 oktober 1992

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 31 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 50 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 90 [Nederlands taalgebied]

2[§ 1

5[...]

§ 2

De raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad en de ontvanger kunnen bij de Vlaamse regering beroep instellen tegen de in artikel 89, § 2, bedoelde besluiten van de provinciegouverneur.

Het beroep moet worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen ingaande de dag na het versturen van het betwiste besluit.

De Vlaamse regering spreekt zich over het ingesteld beroep uit binnen een termijn van vijftig dagen ingaande de dag na het inkomen ervan en stelt de bedragen van de jaarrekeningen vast.

§ 3

De ontvanger kan beroep instellen bij 4[het administratief rechtscollege vermeld in artikel 13 van het Gemeentedecreet]4 tegen de in artikel 89, §§ 2, 3 en 4, bedoelde besluiten inzake het verlenen van kwijting en inzake het tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies.

Het beroep moet worden ingediend binnen een termijn van 3[zestig]3 dagen ingaande de dag na het versturen van het betwiste besluit. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging.

4[Het administratief rechtscollege doet]4 uitspraak over de aansprakelijkheid van de ontvanger, en bepaalt het bedrag van het tekort dat dientengevolge te zijnen laste wordt gelegd of verleent definitief kwijting.

De ontvanger wordt van elke aansprakelijkheid ontheven wanneer het tekort ontstaan is door het afwijzen van uitgaven bij het definitief goedkeuren van de rekeningen, indien hij die vereffend heeft overeenkomstig artikel 46, § 2.

Indien het tekort toe te schrijven is aan het definitief afwijzen van bepaalde uitgaven, kan de ontvanger de personen die op onregelmatige wijze deze uitgaven goedgekeurd of bevolen hebben, ter verantwoording roepen teneinde de beslissing voor hen bindend en tegenstelbaar te laten verklaren. In dat geval doet 4[het administratief rechtscollege vermeld in artikel 13 van het Gemeentedecreet]4 ook uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.

De beslissing van 4[het administratief rechtscollege vermeld in artikel 13 van het Gemeentedecreet]4 wordt hoe dan ook eerst ten uitvoer gelegd na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; indien de ontvanger op dat ogenblik niet tot vrijwillige uitvoering is overgegaan, wordt de beslissing ten uitvoer gelegd op de zekerheid en, voor het eventueel resterend gedeelte, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op voorwaarde evenwel dat tegen de beslissing geen beroep is ingesteld, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Wanneer de ontvanger geen beroep instelt bij 4[het administratief rechtscollege vermeld in artikel 13 van het Gemeentedecreet]4 en bij het verstrijken van de daartoe vastgestelde termijn niet heeft voldaan aan het verzoek om te betalen, wordt op dezelfde wijze overgegaan tot de tenuitvoerlegging, door de rijksontvanger, bij door de bestendige deputatie uitvoerbaar verklaard dwangbevel.]2

30 augustus 200630 juni 19996 februari 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 17 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)), onverminderd § 1 die in werking treedt op 6 februari 1998, met betrekking tot het dienstjaar 1999 en volgende, waarbij “budget” desgevallend dient te worden gelezen als “begroting” (art. 27, § 1, 3°, zelf gewijzigd bij art. 11 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)).

§ 1 opgeheven bij art. 276, 84° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, x) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

§ 3 gewijzigd bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en bij art. 44 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 50 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Toekomstig recht

Artikel 90, §§ 2 en 3 wordt opgeheven bij art. 276, 84° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 90 [Nederlands taalgebied]

2[§ 1

5[...]

§ 2

6[...]

§ 3

5[...]]2

Art. 90 [Duitstalige Gemeenschap]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 17 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 90 [Frans taalgebied]

De raad voor maatschappelijk welzijn en de betrokken gemeenteraad 1[...] kunnen in beroep gaan bij de 2[Regering]2 tegen de onder de artikelen 88 en 89 bedoelde besluiten van de bestendige deputatie. Het beroep moet ingediend worden binnen dertig dagen na de betekening van het betwiste besluit.

De gouverneur kan eveneens bij de 2[Regering]2 in beroep gaan tegen de voormelde besluiten van de bestendige deputatie. Zijn beroep dient evenwel ingediend te worden binnen tien dagen na de datum van het besluit dat er het voorwerp van uitmaakt.

Van de beroepen wordt, uiterlijk de dag nadat zij zijn ingediend, door degene die bezwaar uitbrengt kennis gegeven aan de bestendige deputatie.

De tenuitvoerlegging van het betwiste besluit is geschorst gedurende veertig dagen te rekenen van de dag volgend op die waarop het beroep en de daarbij horende stukken ontvangen werden. Indien de 2[Regering]2 binnen die termijn geen uitspraak heeft gedaan, wordt het betwiste besluit van de bestendige deputatie uitvoerbaar.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 50 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 91 [Federale tekst]

§ 1

1[Geen betaling uit de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mag geschieden dan op grond van een behoorlijk goedgekeurde op de begroting voorkomende post of bijzonder krediet.

Geen artikel van de uitgaven der begroting mag worden overschreden, met uitzondering van de ambtshalve opgenomen uitgaven.

Geen enkele overschrijving mag geschieden dan na een behoorlijk goedgekeurde wijziging van de begroting. In de loop van het ganse begrotingsjaar mag de raad voor maatschappelijk welzijn evenwel interne aanpassingen van de kredieten uitvoeren binnen eenzelfde begrotingsenveloppe zonder het oorspronkelijke totale bedrag van de enveloppe te overschrijden. De lijst van de krachtens deze paragraaf overgeschreven kredieten wordt in bijlage aan de rekening toegevoegd.

Een begrotingsenveloppe omvat de kredieten ingeschreven op de verschillende artikelen die dezelfde economische aard hebben in eenzelfde functionele code; de economische aard wordt vastgesteld aan de hand van de eerste twee cijfers van de economische code.]1

§ 2

Wanneer bij het afsluiten van een dienstjaar sommige posten bezwaard zijn met regelmatig aangegane verbintenissen, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de schuld af te betalen, naar het volgende dienstjaar overgeschreven.

Te dien einde overhandigt de raad voor maatschappelijk welzijn aan de ontvanger vóór 10 april van ieder jaar, in duplo, de per schuldvordering gedetailleerde opgave van de sommen die ten bezware van elke post der afgesloten begroting in de begroting van het volgende dienstjaar moeten worden overgeschreven. Een exemplaar van deze opgave wordt daarna gevoegd bij de rekening van het afgelopen dienstjaar, een ander bij die van het volgend dienstjaar.

Over de aldus overgeschreven kredieten mag beschikt worden zonder een nieuwe beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de toezichthoudende overheden.

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 51 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 91 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[§ 1

Onverminderd de bepalingen van artikel 88, § 2, tweede lid, kan geen betaling uit de kas van het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn geschieden dan op grond van een behoorlijk goedgekeurde op de begroting ingeschreven post. Geen artikel van de uitgaven der begroting mag worden overschreden, met uitzondering van de uitgaven die krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie ambtshalve worden opgenomen. Geen enkele overschrijving mag geschieden dan na een behoorlijk goedgekeurde wijziging van de begroting. In de loop van het ganse begrotingsjaar mag de raad voor maatschappelijk welzijn evenwel interne aanpassingen van de kredieten uitvoeren binnen eenzelfde begrotingsenveloppe zonder het oorspronkelijke totale bedrag van de enveloppe te overschrijden. Een begrotingsenveloppe omvat de kredieten ingeschreven op de verschillende artikelen die dezelfde economische aard hebben in eenzelfde subfunctie, waarbij de economische aard wordt vastgesteld aan de hand van de eerste twee cijfers van de economische code.

§ 2

Wanneer bij het afsluiten van een dienstjaar sommige posten bezwaard zijn met regelmatig aangegane verbintenissen, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de schuld af te betalen, ingeschreven op een deel van de allocatie van de kredieten die naar het volgend dienstjaar moeten worden overgeschreven, overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven door het Verenigd College.]2

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 32 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

§ 1 vervangen bij art. 51 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 91 [Nederlands taalgebied]

2[3[...]

Binnen eenzelfde activiteitencentrum mag de enveloppe voor de uitgaven niet overschreden worden, met uitzondering van de ambtshalve uitgaven en de door de Vlaamse regering bepaalde uitgaven.

3[...]]2

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 18 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)) en gewijzigd bij art. 276, 85° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, y) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 vervangen bij art. 51 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Toekomstig recht

Artikel 91 wordt gewijzigd bij art. 276, 85° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2014 (art. 206, 8° B.Vl.Reg. 25 juni 2010 (BS 7 oktober 2010 (ed. 1)).

Art. 91 [Nederlands taalgebied]

2[3[...]

4[...]

3[...]]2

Art. 91 [Frans taalgebied]

§ 1

1[2[De kasuitgaven van het O.C.M.W. zijn slechts toegelaten voor een op de begroting voorkomende post, een voorlopig krediet toegekend onder de voorwaarden en binnen de door de Regering vastgestelde perken, een krachtens het derde lid en § 2 overgedragen krediet of een overeenkomstig artikel 88, § 2, toegekend krediet.]2

Geen artikel van de uitgaven der begroting mag worden overschreden, met uitzondering van de ambtshalve opgenomen uitgaven.

Geen enkele overschrijving mag geschieden dan na een behoorlijk goedgekeurde wijziging van de begroting. In de loop van het ganse begrotingsjaar mag de raad voor maatschappelijk welzijn evenwel interne aanpassingen van de kredieten uitvoeren binnen eenzelfde begrotingsenveloppe zonder het oorspronkelijke totale bedrag van de enveloppe te overschrijden. De lijst van de krachtens deze paragraaf overgeschreven kredieten wordt in bijlage aan de rekening toegevoegd.

Een begrotingsenveloppe omvat de kredieten ingeschreven op de verschillende artikelen die dezelfde economische aard hebben in eenzelfde functionele code; de economische aard wordt vastgesteld aan de hand van de eerste twee cijfers van de economische code.]1

§ 2

2[Wanneer bij het afsluiten van een boekjaar sommige posten bezwaard zijn met verbintenissen die regelmatig en werkelijk werden aangegaan ten gunste van de schuldeisers van het centrum, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de uitgave af te betalen, naar het volgende boekjaar overgedragen bij beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, die bij de rekening van het afgesloten boekjaar gevoegd wordt.

De aldus overgedragen kredieten kunnen gebruikt worden zonder een nieuwe beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de toezichthoudende overheden.]2

2[§ 3

De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het orgaan waaraan dit laatste een bevoegdheid heeft verleend, zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de uitgaven die ze in strijd met § 1 vastleggen of betaalbaar stellen.]2

28 april 1998

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 51 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 22, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).

§ 2 vervangen bij art. 22, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 3 ingevoegd bij art. 22, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 92 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Bij weigering van of vertraging in het betaalbaar stellen van het bedrag der uitgaven die de wet aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn oplegt, beveelt 1[het Verenigd College]1 de betaling daarvan, na de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord te hebben. Zijn beslissing geldt als bevelschrift tot betaling; de ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is verplicht, onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, het bedrag te betalen. Indien hij weigert, kan tegen hem opgetreden worden door middel van een dwangbevel overeenkomstig artikel 46, § 1, laatste lid.

18 juli 2000

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 33 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Art. 92 [Nederlands taalgebied]

2[...]

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 85° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, z) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 19 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

Art. 92 [Duitstalige Gemeenschap]

1[Bij weigering van of vertraging in het betaalbaar stellen van het bedrag der uitgaven die de wet aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn oplegt, beveelt de Regering de betaling daarvan, na de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord te hebben. Haar beslissing geldt als bevelschrift tot betaling; de ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is verplicht, onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, het bedrag te betalen. Indien hij weigert, kan tegen hem opgetreden worden door middel van een dwangbevel overeenkomstig artikel 46, § 1, laatste lid.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 18 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 92 [Frans taalgebied]

1[Als de betaalbaarstelling van het bedrag van de uitgaven die krachtens de wet of een uitvoerbare rechterlijke beslissing ten laste komen van de O.C.M.W.'s, geweigerd of vertraagd wordt, geeft de gouverneur bevel tot betaling, na de raad voor maatschappelijk welzijn te hebben gehoord; door de betaling van het bedrag wordt het krediet van ambtswege op de begroting van het lopende boekjaar geboekt.]1 Zijn beslissing geldt als bevelschrift tot betaling; de ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn 1[of de penningmeester van het ziekenhuis]1 is verplicht, onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, het bedrag te betalen. Indien hij weigert, kan tegen hem opgetreden worden door middel van een dwangbevel overeenkomstig artikel 46, § 1, laatste lid.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 23 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 93 [Federale tekst]

Op het einde van elk trimester moet de raad voor maatschappelijk welzijn, die een of meer van zijn leden daartoe aanstelt, de kas en de boeken van de ontvanger nazien en het proces-verbaal van de vaststellingen opmaken naar een formulier dat is opgelegd door de Minister tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort. Dat proces-verbaal wordt aan het college van burgemeester en schepenen gezonden.

Art. 93 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[§ 1

Elk trimester moet de raad voor maatschappelijk welzijn, die een of meer van zijn leden daartoe aanstelt, de kas en de boeken van de ontvanger nazien en het proces-verbaal van de vaststellingen opmaken waarvan het model wordt bepaald door het Verenigd College. Dat proces-verbaal wordt aan het college van burgemeester en schepenen gezonden.

§ 2

De ontvanger brengt de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk op de hoogte van elk tekort wegens diefstal of verlies.

Overeenkomstig § 1 wordt onmiddellijk een kascontrole uitgevoerd om het bedrag van het tekort vast te stellen.

Het proces-verbaal van de kascontrole wordt aangevuld met een feitenrelaas en een verslag over de bewarende maatregelen die de ontvanger heeft genomen.

§ 3

Wanneer de kascontrole op een tekort wijst, verzoekt de raad voor maatschappelijk welzijn de ontvanger bij ter post aangetekende brief het bedrag van het tekort op de rekening van het centrum te storten.

In het in § 2 bedoelde geval, moet het verzoek worden voorafgegaan door een beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn waarbij bepaald wordt of en in welke mate de ontvanger aansprakelijk gesteld moet worden voor de diefstal of het verlies en waarbij het door hem te betalen bedrag van het tekort wordt vastgesteld; een afschrift van deze beslissing wordt gevoegd bij het tot hem gerichte verzoek om betaling.

§ 4

Binnen zestig dagen na deze betekening kan de ontvanger een beroep instellen bij het rechtscollege; dit beroep schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn.

Het hierboven bedoeld college beslist over de aansprakelijkheid van de ontvanger en stelt het bedrag van het tekort vast dat hij dienovereenkomstig moet betalen.

De ontvanger wordt van elke verantwoordelijkheid ontheven als het tekort toe te schrijven is aan de verwerping van uitgaven van definitieve rekeningen, wanneer hij deze heeft gedaan overeenkomstig artikel 46, § 1. Voor zover het tekort aan de definitieve verwerping van sommige uitgaven toe te schrijven is, kan de ontvanger een beroep doen op de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het bevoegde orgaan die, buiten zijn medeweten, deze uitgaven onregelmatig zouden hebben vastgelegd of betaalbaar gesteld, opdat de beslissing hen gemeen en inroepbaar zou worden verklaard; in dit geval spreekt het rechtscollege zich ook uit over de aansprakelijkheid van de interveniënten.

In elk geval wordt de beslissing van het rechtscollege slechts uitgevoerd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State; indien de ontvanger dan zijn taak niet vrijwillig heeft vervuld, wordt de beslissing uitgevoerd op de zekerheid, en, voor het eventuele overige, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op voorwaarde echter dat ze niet het voorwerp is geweest van beroep bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is ingesteld.

Wanneer de ontvanger geen beroep instelt bij de administratieve rechtsmacht en het verzoek om betaling niet inwilligt na het verstrijken van de toegestane termijn, wordt eveneens gehandeld door middel van een dwangbevel.]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 34 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Uitvoeringsbesluiten

–Ministerieel besluit van 26 november 1998 tot vaststelling, in uitvoering van artikel 93 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van het formulier met toepassing van controle van de kas en de boekingen van de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de uitvoeringsregels van dit onderzoek (B.S., 23 januari 1999)

 

Verwijzingen

Zie M.B. 23 juni 1977 houdende bepaling van het model van het proces-verbaal van onderzoek van de kas van de ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 juli 1977) gewijzigd bij M.B. 16 september 1977 (B.S., 28 oktober 1977).

Art. 93 [Nederlands taalgebied]

2[...]

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 87° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, z) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 20 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

Art. 93 [Frans taalgebied]

1[§ 1

De raad voor maatschappelijk welzijn, of de door hem aangewezen leden, controleert de kas van de plaatselijke ontvanger minstens één keer per trimester en neemt zijn opmerkingen en die van de ontvanger op in een proces-verbaal dat ondertekend wordt door de ontvanger en de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn die de controle hebben uitgevoerd.

Het proces-verbaal, waarvoor het door de Regering bepaalde formulier moet worden gebruikt, wordt overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan het 2[gemeentelijk college]2.

Als de plaatselijke ontvanger belast is met verschillende openbare kassen, worden deze gelijktijdig gecontroleerd.

§ 2

De plaatselijke ontvanger brengt de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk op de hoogte van elk tekort wegens diefstal of verlies.

Overeenkomstig § 1 wordt onmiddellijk een kasinspectie uitgevoerd om het bedrag van het tekort vast te stellen.

Het proces-verbaal van de kasinspectie wordt aangevuld met een feitenrelaas en een verslag over de bewarende maatregelen die de ontvanger heeft genomen.

§ 3

Wanneer de kasinspectie op een tekort wijst, met name na verwerping van sommige uitgaven van definitieve rekeningen, verzoekt de raad voor maatschappelijk welzijn de ontvanger bij ter post aangetekende brief het bedrag van het tekort op de rekening van het O.C.M.W. te storten.

In het in § 2 bedoelde geval moet het verzoek voorafgegaan worden door een beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn waarbij bepaald wordt of en in welke mate de ontvanger aansprakelijk gesteld moet worden voor de diefstal of het verlies en waarbij het door hem te betalen bedrag van het tekort wordt vastgesteld; een afschrift van deze beslissing wordt bij het verzoek om betaling gevoegd.

§ 4

Binnen zestig dagen na deze betekening kan de ontvanger een beroep bij de bestendige deputatie instellen; dit beroep schorst de tenuitvoerlegging.

De bestendige deputatie beslist als administratief gerecht over de aansprakelijkheid van de ontvanger en stelt het bedrag van het tekort vast dat hij dienovereenkomstig moet betalen; de Regering regelt de procedure.

De ontvanger wordt van elke verantwoordelijkheid ontheven als het tekort toe te schrijven is aan de verwerping van uitgaven van definitieve rekeningen, wanneer hij deze heeft gedaan overeenkomstig artikel 46, § 1, eerste lid.

Voor zover het tekort aan de definitieve verwerping van sommige uitgaven toe te schrijven is, kan de ontvanger een beroep doen op de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het bevoegde orgaan die deze uitgaven onregelmatig zouden hebben vastgelegd of betaalbaar gesteld, opdat de beslissing hen gemeen en inroepbaar zou worden verklaard; in dit geval spreekt de bestendige deputatie zich ook uit over de aansprakelijkheid van de interveniënten.

In elk geval wordt de beslissing van de bestendige deputatie slechts uitgevoerd na het verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Indien de ontvanger dan zijn taak niet vrijwillig heeft vervuld, wordt de beslissing uitgevoerd op de zekerheid en, voor het eventuele overige, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op voorwaarde echter dat ze niet het voorwerp is geweest van het beroep bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Wanneer de ontvanger geen beroep instelt bij de bestendige deputatie en het verzoek om betaling niet inwilligt na het verstrijken van de toegestane termijn, wordt eveneens gehandeld door middel van een dwangbevel.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 24 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).

§ 1 gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 93bis [Nederlands taalgebied]

§ 1

Per openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt door de gouverneur een uit ambtenaren bestaande externe auditcommissie opgericht.

Deze oefent controle uit op de getrouwheid van de boekhouding van het centrum, inzonderheid op de jaarrekening en op de driemaandelijkse rapportage.

§ 2

De auditcommissie kan te allen tijde ter plaatse inzage nemen van de boeken, brieven, notulen en in het algemeen van alle documenten en geschriften van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Ze kan van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die het nodig acht.

De auditcommissie kan vorderen in de zetel van de instelling in het bezit te worden gesteld van inlichtingen betreffende verbonden instellingen, voor zover ze deze inlichtingen nodig acht om de financiële toestand te controleren.]1

5 augustus 1976

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 21 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

Toekomstig recht

Artikel 93bis wordt opgeheven bij art. 276, 88° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

[Art. 93bis [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

[Art. 93ter [Nederlands taalgebied]

3[...]

]1

28 juli 200410 september 1998

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 9 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)) en opgeheven bij art. 276, 89° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).

Afdeling 3 Afzonderlijk beheer van diensten en inrichtingen

- Afzonderlijke diensten, algemeen

Art. 94 [Duitstalige Gemeenschap]

1[§ 1

5[De Regering]5 kan voor sommige diensten en inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van inventarissen en de boekhouding.

§ 2

De ziekenhuizen die afhangen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden beheerd door een beheerscomité waarvan 5[de Regering]5 5[...] de samenstelling en de werking bepaalt.

Het beheerscomité dient evenwel dusdanig te worden samengesteld dat de meerderheid van de stemgerechtigde leden tot de raad voor maatschappelijk welzijn behoort; deze worden verkozen overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde lid.

Het beheerscomité wordt van rechtswege voorgezeten door de voorzitter van de raad of zijn afgevaardigde.

§ 3

Het beheerscomité van het ziekenhuis is bevoegd om namens de raad voor maatschappelijk welzijn:

a)alle daden van dagelijks beheer te stellen die krachtens de wet niet uitdrukkelijk aan de raad zijn voorbehouden;

 

b)binnen de goedgekeurde personeelsformatie personeel contractueel aan te werven en te ontslaan;

 

c)3[zolang de beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht is, besluiten te nemen inzake de opdrachten voor werken en leveringen van goederen en diensten, tot het maximumbedrag van 6[125.000 €]6, met inbegrip van de modaliteiten van financiering van deze opdrachten;]3

 

d)2[de kostprijs te bepalen die het ziekenhuis dient te factureren voor de levering van goederen en diensten aan andere diensten en inrichtingen van het centrum of aan derden;

 

e)met betrekking tot het ziekenhuis de beslissingen te nemen tot toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de uitvoering van de programma's ter bevordering van de werkgelegenheid.]2

 

§ 4

De raad voor maatschappelijk welzijn kan andere bevoegdheden aan het beheerscomité overdragen. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

2[§ 4bis

5[De Regering]5 kan, 5[...], de bevoegdheden van het Beheerscomité, bedoeld in § 3, onder de door hem bepaalde voorwaarden, uitbreiden.]2

§ 5

Van iedere beslissing die door het beheerscomité namens de raad voor maatschappelijk welzijn genomen wordt, wordt binnen vijftien dagen een afschrift aan de raad gezonden.

Voor de handelingen van het beheerscomité die namens de raad worden verricht en waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring of machtiging is vereist, dient de beslissing van het beheerscomité rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als dit het geval zou zijn geweest indien de raad daaromtrent zelf een beslissing had genomen.

§ 6

De raad voor maatschappelijk welzijn kan geen beslissingen met financiële weerslag voor het ziekenhuis nemen dan nadat het beheerscomité hierover advies heeft uitgebracht. 5[De Regering]5 bepaalt de termijn binnen dewelke het beheerscomité advies dient uit te brengen.

De in het vorige lid vastgestelde procedure geldt eveneens ten aanzien van 3[de algemene beleidsnota en de verklarende en stavende nota waarvan sprake is in artikel 88, §§ 1 en 3,]3 de benoeming, de bevordering en het in disponibiliteit stellen van statutaire personeelsleden die voor het ziekenhuis werken, alsmede voor de toepassing van tuchtstraffen op deze personeelsleden.

3[Het advies aangaande de beleidsnota's vermeld in het vorige lid kan alleen slaan op het beheer en de uitbating van de instelling die onder de bevoegdheid van het beheerscomité ressorteert.]3

De beslissingen van de raad die afwijken van het advies van het beheerscomité dienen met redenen te worden omkleed.

De in het tweede lid bedoelde bevoegdheden worden evenwel uitsluitend door de raad uitgeoefend ten aanzien van de personeelsleden die in het beheerscomité zitting hebben.

§ 7

5[De Regering]5 kan voor het beheer van de ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

2[§ 8

Het in paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het ziekenhuis.]2

2[Wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een ziekenhuis beheert onder de vorm van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet, wordt het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzoging, door het O.C.M.W. beheerd.]2

4[§ 9

Indien een plan, zoals bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, niet wordt ingediend, goedgekeurd of uitgevoerd overeenkomstig de regelen uitgevaardigd door 5[de Regering]5 krachtens het voormelde artikel, zal het Beheerscomité van het ziekenhuis worden uitgebreid met deskundigen aangeduid door de Gemeenteraad van de gemeente wier openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het ziekenhuis beheert.

Onverminderd de verkiezingsmodaliteiten voor de samenstelling van het Beheerscomité van het ziekenhuis, zoals voozien in artikel 27, § 3, vierde lid, van deze wet, is inzake de leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn lid twee van § 2 van dit artikel niet van toepassing ingeval van aanwijzing van de in het vorige lid bedoelde deskundigen.

5[De Regering]5 bepaalt de regelen voor de toepassing van dit artikel.]4

4[§ 10

Zolang de beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht zijn, kan het Beheerscomité bepaalde van zijn bevoegdheden delegeren aan de directeur van het ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

Voor de handelingen van de directeur die namens het Beheerscomité worden verricht en waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring of machtiging is vereist, dient de beslissing van de Directeur rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als dit het geval zou zijn geweest indien het Beheerscomité daaromtrent zelf een beslissing had genomen.]4

30 december 1995

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 6 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984).

§§ 1 en 2 gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§ 3, enig lid:

–c) vervangen bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989) en gewijzigd bij art. 55 Decr. D. Gem. R. 7 januari 2002 (B.S., 12 september 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 64);

 

–d) en e) ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

 

§ 4bis ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§§ 6 en 7 gewijzigd bij art. 9 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§ 8 ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

§ 9 ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989) en gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§ 10 ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 31 december 1983 tot vaststelling van de regelen volgens dewelke de gemeenten die in het tekort van openbare ziekenhuizen bijdragen aan het beheer van deze instellingen deelnemen (B.S., 20 januari 1984)

 

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1985)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 1 april 1999 betreffende het beheersplan van de ziekenhuizen die afhangen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van verenigingen die onder de toepassing vallen van hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 4 juni 1999)

 

- Ziekenhuizen (O.C.M.W.)

Art. 94 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[§ 1

6[Het Verenigd College]6 kan voor sommige diensten en inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van inventarissen en de boekhouding.

§ 2

De ziekenhuizen die afhangen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden beheerd door een beheerscomité waarvan 6[het Verenigd College]6 de samenstelling en de werking bepaalt.

Het beheerscomité dient evenwel dusdanig te worden samengesteld dat de meerderheid van de stemgerechtigde leden tot de raad voor maatschappelijk welzijn behoort; deze worden verkozen overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde lid.

Het beheerscomité wordt van rechtswege voorgezeten door de voorzitter van de raad of zijn afgevaardigde.

§ 3

Het beheerscomité van het ziekenhuis is bevoegd om namens de raad voor maatschappelijk welzijn:

a)alle daden van dagelijks beheer te stellen die krachtens de wet niet uitdrukkelijk aan de raad zijn voorbehouden;

 

b)binnen de goedgekeurde personeelsformatie personeel contractueel aan te werven en te ontslaan;

 

c)4[zolang de beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht is, besluiten te nemen inzake de opdrachten voor werken en leveringen van goederen en diensten, tot het maximumbedrag van 5.000.000 frank, met inbegrip van de modaliteiten van financiering van deze opdrachten;]4

 

d)2[de kostprijs te bepalen die het ziekenhuis dient te factureren voor de levering van goederen en diensten aan andere diensten en inrichtingen van het centrum of aan derden;

 

e)met betrekking tot het ziekenhuis de beslissingen te nemen tot toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de uitvoering van de programma's ter bevordering van de werkgelegenheid.]2

 

§ 4

De raad voor maatschappelijk welzijn kan andere bevoegdheden aan het beheerscomité overdragen. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

4[§ 4bis

6[Het Verenigd College kan, onder de voorwaarden die het bepaalt]6, de bevoegdheden van het Beheerscomité, bedoeld in § 3, uitbreiden.]4

§ 5

Van iedere beslissing die door het beheerscomité namens de raad voor maatschappelijk welzijn genomen wordt, wordt binnen vijftien dagen een afschrift aan de raad gezonden.

Voor de handelingen van het beheerscomité die namens de raad worden verricht en waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring of machtiging is vereist, dient de beslissing van het beheerscomité rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als dit het geval zou zijn geweest indien de raad daaromtrent zelf een beslissing had genomen.

§ 6

De raad voor maatschappelijk welzijn kan geen beslissingen met financiële weerslag voor het ziekenhuis nemen dan nadat het beheerscomité hierover advies heeft uitgebracht.6[Het Verenigd College]6 bepaalt de termijn binnen dewelke het beheerscomité advies dient uit te brengen.

De in het vorige lid vastgestelde procedure geldt eveneens ten aanzien van 3[de algemene beleidsnota en de verklarende en stavende nota waarvan sprake is in artikel 88, §§ 1 en 3,]3 de benoeming, de bevordering en het in disponibiliteit stellen van statutaire personeelsleden die voor het ziekenhuis werken, alsmede voor de toepassing van tuchtstraffen op deze personeelsleden.

3[Het advies aangaande de beleidsnota's vermeld in het vorige lid kan alleen slaan op het beheer en de uitbating van de instelling die onder de bevoegdheid van het beheerscomité ressorteert.]3

De beslissingen van de raad die afwijken van het advies van het beheerscomité dienen met redenen te worden omkleed.

De in het tweede lid bedoelde bevoegdheden worden evenwel uitsluitend door de raad uitgeoefend ten aanzien van de personeelsleden die in het beheerscomité zitting hebben.

§ 7

6[Het Verenigd College]6 kan voor het beheer van de ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

2[§ 8

Het in paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het ziekenhuis.]2

5[Wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een ziekenhuis beheert onder de vorm van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet, wordt het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzoging, door het O.C.M.W. beheerd.]5

4[§ 9

Indien een plan, zoals bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, niet wordt ingediend, goedgekeurd of uitgevoerd overeenkomstig de regelen uitgevaardigd door de Koning krachtens het voormelde artikel, zal het Beheerscomité van het ziekenhuis worden uitgebreid met deskundigen aangeduid door de Gemeenteraad van de gemeente wier openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het ziekenhuis beheert.

Onverminderd de verkiezingsmodaliteiten voor de samenstelling van het Beheerscomité van het ziekenhuis, zoals voozien in artikel 27, § 3, vierde lid, van deze wet, is inzake de leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn lid twee van § 2 van dit artikel niet van toepassing ingeval van aanwijzing van de in het vorige lid bedoelde deskundigen.

6[Het Verenigd College]6 bepaalt de regelen voor de toepassing van dit artikel.

§ 10

Zolang de beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht zijn, kan het Beheerscomité bepaalde van zijn bevoegdheden delegeren aan de directeur van het ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

Voor de handelingen van de directeur die namens het Beheerscomité worden verricht en waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring of machtiging is vereist, dient de beslissing van de Directeur rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als dit het geval zou zijn geweest indien het Beheerscomité daaromtrent zelf een beslissing had genomen.]4

7 februari 1996

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 6 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984).

§ 1 gewijzigd bij art. 35, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 2 gewijzigd bij art. 35, 2° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 3:

–c) vervangen bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989);

 

–d) en e) ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

 

§ 4bis ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989) en gewijzigd bij art. 35, 3° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 6 gewijzigd bij art. 9 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en bij art. 35, 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 7 gewijzigd bij art. 35, 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 8 ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en gewijzigd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 22 december 1995 (B.S., 7 februari 1996).

§ 9 ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989) en gewijzigd bij art. 35, 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

§ 10 ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 31 december 1983 tot vaststelling van de regelen volgens dewelke de gemeenten die in het tekort van openbare ziekenhuizen bijdragen aan het beheer van deze instellingen deelnemen (B.S., 20 januari 1984)

 

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1985)

 

Geselecteerde rechtspraak

Het advies van het beheerscomité, bedoeld in art. 94, § 6 (zoals die bepaling thans nog geldt voor tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad), heeft o.m. tot doel aan de raad voor maatschappelijk welzijn alle objectieve gegevens te verstrekken voor de uitspraak van tuchtmaatregelen. Dit advies dat een weerslag kan hebben op de beslissing, moet aan het personeelslid voor zijn onderhoor worden meegedeeld opdat hij zijn verdediging op grond van een volledig dossier zou kunnen voordragen (R.v.St. nr. 34.885, 11 mei 1990).

Art. 94 bevat voor de O.C.M.W.-ziekenhuizen een uitgewerkte regeling van verplicht afzonderlijk beheer en van specifieke organisatie. De wet bepaalt m.a.w. uitdrukkelijk op welke wijze een O.C.M.W. zijn ziekenhuis moet beheren (R.v.St. nr. 49.708, 17 oktober 1994).

Art. 94 [Frans taalgebied]

1[§ 1

De 5[Regering]5 kan voor sommige diensten en inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van inventarissen en de boekhouding.

§ 2

5[Het ziekenhuis dat van een O.C.M.W. afhangt, wodt beheerd door een beheerscomité dat van rechtswege voorgezeten wordt door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of door het raadslid dat hem vervangt.

Het beheerscomité bestaat uit de voorzitter en uit vijf leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Het wijst onder zijn leden een vice-voorzitter aan wiens bevoegdheden in het huishoudelijk reglement vastgelegd zijn. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

De secretaris van het centrum, de directeur van het ziekenhuis, de hoofdgeneesheer, het hoofd van de verpleegafdeling, de penningmeester en de rekenplichtige hebben zitting met raadgevende stem binnen het beheerscomité.

De burgemeester of het door hem aangewezen lid van het college en een persoon die door het 6[gemeentelijk college]6 aangewezen wordt op grond van zijn bevoegdheden inzake ziekenhuisbeheer, wonen de zittingen van het beheerscomité bij met raadgevende stem.

Het beheerscomité kan andere al dan niet in het ziekenhuis tewerkgestelde personen oproepen voor vergaderingen om gehoord te worden als deskundigen inzake bepaalde aangelegenheden. Zij moeten de zaal verlaten vóór iedere stemming of vooraleer het comité een beslissing neemt.

Voor de verkiezing van de leden van het vast bureau worden de leden van het beheerscomité door de raad aangewezen overeenkomstig de regels van artikel 27, § 3, vierde, vijfde, zesde en zevende lid.

De opdracht tot ondertekening van de voorzitter wordt mutatis mutandis geregeld bij artikel 28, § 2, tweede lid, van de wet.]5

§ 3

5[Het beheerscomité van het ziekenhuis regelt alles wat het ziekenhuis betreft, behalve de volgende aangelegenheden die door de raad voor maatschappelijk welzijn geregeld worden:

–de begroting en begrotingswijzigingen;

 

–de rekeningen;

 

–het uitwerken van een beheersplan voor het ziekenhuis;

 

–de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van het ziekenhuispersoneel;

 

–het arbeidsreglement dat van toepassing is op het contractuele personeel van het ziekenhuis;

 

–de vaste benoeming, de bevordering, de tuchtstraffen en het in disponibiliteit stellen van het ziekenhuispersoneel;

 

–het algemeen reglement tot regeling van de juridische betrekkingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren;

 

–de werving bij arbeidsovereenkomst of het ontslag van de personeelsleden die met raadgevende stem zitting hebben binnen het beheerscomité;

 

–de toetreding tot een vereniging, zoals bepaald in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 augustus 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of tot een intercommunale;

 

–de oprichting van nieuwe diensten en de uitbreiding van bestaande structuren in het kader van het ziekenhuis;

 

–de vervreemding en de aankoop van onroerende goederen;

 

–het instellen van een beroep bij de Raad van State en de rechtbanken;

 

–de onteigeningen;

 

–de giften en legaten;

 

–de oprichting van en de toetreding tot een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig artikel 79, § 3;

 

–de rechtstreekse of onrechtstreekse overdracht van ziekenhuisactiviteiten en de aankoop of overdracht van ziekenhuisbedden;

 

–de aanwijzing van een bijzondere ontvanger voor het ziekenhuis;

 

–de vaststelling van de zekerheid van de bijzondere ontvanger.

 

Onder voorbehoud van artikel 88, § 1, kan de raad voor maatschappelijk welzijn de in het eerste lid bedoelde beslissingen slechts nemen na advies van het beheerscomité van het ziekenhuis.

Indien het beheerscomité geen advies heeft uitgebracht binnen twee maanden na de dag waarop het het dossier heeft ontvangen, kan de procedure zonder zijn advies worden voortgezet.

De raad voor maatschappelijk welzijn moet zich uitspreken binnen één maand na de betekening van het advies van het beheerscomité. Bij gebreke hiervan kan het beheerscomité van het ziekenhuis de plaats innemen van de raad voor maatschappelijk welzijn om de beslissing te nemen waarover het een advies heeft uitgebracht.]5

§ 4

5[De directeur van het ziekenhuis behandelt de zaken, leidt de bestuurstaken, neemt het dagelijks beheer van het ziekenhuis waar en bewaart de archieven ervan onder het toezicht van het beheerscomité. De directeur is het hoofd van het ziekenhuispersoneel, onverminderd het feit dat de secretaris bevoegd blijft om de dossiers te behandelen die onder de bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn vallen.

De directeur moet de notulen van de vergaderingen van het beheerscomité van het ziekenhuis opmaken. Hij is verantwoordelijk voor de opneming van deze notulen en van de beraadslagingen van het beheerscomité in de daarvoor bestemde registers.

De notulen en beraadslagingen worden door de voorzitter en de directeur ondertekend.

De directeur is verantwoordelijk voor zijn handelingen ten overstaan van het beheerscomité.

Ten gevolge van de beslissing tot betaalbaarstelling of invordering door het bevoegde orgaan laat de directeur de bevelschriften tot betaling alsmede de invorderingsstaten opmaken. Zij worden door de voorzitter en de directeur ondertekend. De directeur maakt de voorontwerpen van de begroting van het ziekenhuis op.

De directeur moet zich richten naar de voorschriften die hem door de voorzitter en de raad voor maatschappelijk welzijn of het beheerscomité worden opgelegd naar gelang van hun respectievelijke bevoegdheden.

De directeur handelt in nauwe samenwerking met de verantwoordelijken voor de verschillende aspecten van de ziekenhuisactiviteiten, alsmede met de verantwoordelijken voor de activiteiten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

Het beheerscomité kan welbepaalde bevoegdheden opdragen aan de directeur en aan de personen die het belast heeft met het algemeen en dagelijks bestuur van het ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan echter ieder ogenblik geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.

De directeur van het ziekenhuis kan zijn ondertekening opdragen met de goedkeuring van het beheerscomité.

Voor de handelingen van de overheid waaraan het beheerscomité machtiging heeft verleend, is de beslissing rechtstreeks onderworpen aan de beoordeling van dezelfde toezichthoudende overheden, zoals dat het geval zou zijn geweest indien het beheerscomité zelf een beslissing daarover had genomen.]5

4[§ 4bis

5[...]]4

§ 5

5[Behoudens de aanwijzing van een bijzondere ontvanger door de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt het ambt van penningmeester van het ziekenhuis uitgeoefend door de ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

De penningmeester is verantwoordelijk voor de ontvangsten en uitgaven van het ziekenhuis en moet de rekeningen aan het beheerscomité van het ziekenhuis voorleggen.

Wat de ziekenhuisactiviteiten betreft, staat de penningmeester onder het gezag van het beheerscomité, mits inachtneming van de wetsvoorschriften betreffende zijn verantwoordelijkheid.

De bepalingen die op de ontvanger van toepassing zijn wat de zekerheid betreft, de vervanging in geval van afwezigheid, de eindrekening en het kastekort alsmede de artikelen 92 en 115 zijn van toepassing op de penningmeester.

De boeken van het ziekenhuis worden gehouden door een speciaal daarvoor aangewezen rekenplichtige. Hij moet zich houden naar de richtlijnen van de directeur.]5

§ 6

5[Een afschrift van iedere beslissing van het beheerscomité, van de directeur van het ziekenhuis of de gemachtigde diensthoofden wordt binnen vijftien dagen na goedkeuring ervan aan de raad voor maatschappelijk welzijn overgemaakt.]5

§ 7

De 5[Regering]5 kan voor het beheer van de ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

2[§ 8

Het in paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het ziekenhuis.]2

4[§ 9

5[Het beheer van het ziekenhuis dat van een O.C.M.W. afhangt, kan het voorwerp uitmaken van een beheersovereenkomst die door het centrum en de gemeente gesloten wordt na overleg met het beheerscomité en na advies van de medische raad en van het vakbondsoverlegcomité.

De beheersovereenkomst wordt gesloten voor de duur van de uitoefening van de mandaten van de adviseurs voor maatschappelijk welzijn ten gevolge van de volledige hernieuwing van de raad. Ze kan gewijzigd worden volgens dezelfde procedure als die voor haar goedkeuring.

De beheersovereenkomst bepaalt:

a.de van het ziekenhuis verwachte opdrachten en de taken die het vervult in het kader van zijn openbare opdrachten zonder te mogen afwijken van de opdrachten die het moet vervullen krachtens de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

 

b.de voorschriften voor de uitoefening van een betaalbare geneeskunde van hoog niveau, met inbegrip van de perken van eventuele tarifering van de verleende diensten, ten behoeve van iedereen, ongeacht het inkomstenniveau, de verzekeringsmogelijkheden, de herkomst en filosofische opvattingen;

 

c.de wijze waarop de patiënten in kennis gesteld worden van de toegepaste prijzen en de waarborg voor de inachtneming ervan;

 

d.de budgettaire doelstellingen;

 

e.de organisatie van de diensten die samenwerken met de andere diensten van het O.C.M.W. en/of van de gemeente;

 

f.de te halen doelstellingen inzake het financiële evenwicht en de aanvullende voorschriften om het O.C.M.W. en de gemeente op de hoogte te houden van de begroting en de rekeningen van het ziekenhuis;

 

g.de voorschriften om het in acht te nemen.]5]4

 

4[§ 10

5[De begroting van het ziekenhuis moet sluitend zijn. Bij gebreke hiervan moet het ziekenhuis uiterlijk binnen zes maanden na de goedkeuring van zijn begroting door de gemeenteoverheid aan een beheersplan onderworpen worden.

Het beheersplan wordt na advies van het beheerscomité door de raad voor maatschappelijk welzijn opgemaakt en door de gemeenteraad goedgekeurd. Het voorziet in de maatregelen die het ziekenhuis moet treffen om het financiële evenwicht te bereiken of te handhaven, met inbegrip van de maatregelen voor de controle en het toezicht op de goede uitvoering ervan.

Binnen de door de Regering bepaalde perken kan de gemeenteraad de raad voor maatschappelijk welzijn bij een met redenen omklede beslissing vrijstellen van het opmaken van een dergelijk plan.

Indien de gemeente verzoekt om de tussenkomst van het “Centre régional d'aide aux communes” (Gewestelijk Hulpcentrum voor Gemeenten), wordt het beheersplan opgemaakt onder de door de Regering bepaalde voorwaarden. Het wordt door de gemeenteraad en de Regering goedgekeurd. Iedere wijziging in het beheersplan wordt aan dezelfde procedure onderworpen.

Als het vereiste beheersplan niet wordt vastgelegd, goedgekeurd of uitgevoerd binnen de door de Regering bepaalde termijn, kan deze er één opleggen. In dit geval mogen de raad voor maatschappelijk welzijn en het beheerscomité van het ziekenhuis bijgestaan worden door een ziekenhuisdeskundige die door de Regering wordt aangewezen op grond van de door haar bepaalde voorwaarden en kwalificaties.]5]4

28 april 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 6 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984).

§ 1 gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 2 vervangen bij art. 25, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 3 vervangen bij art. 25, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 4 vervangen bij art. 25, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 4bis ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989) en opgeheven bij art. 25, 4° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 5 vervangen bij art. 25, 5° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 6 vervangen bij art. 25, 6° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 7 gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 8 ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

§§ 9 en 10 ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989) en vervangen bij art. 25, 7° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Voorgeschiedenis

§ 3, enig lid:

–c) vervangen bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989);

 

–d) en e) ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

 

§ 6 gewijzigd bij art. 9 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 31 december 1983 tot vaststelling van de regelen volgens dewelke de gemeenten die in het tekort van openbare ziekenhuizen bijdragen aan het beheer van deze instellingen deelnemen (B.S., 20 januari 1984)

 

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1985)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 1 april 1999 betreffende het beheersplan van de ziekenhuizen die afhangen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van verenigingen die onder de toepassing vallen van hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 4 juni 1999)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 94 [Nederlands taalgebied]

1[§ 1

De Koning kan voor sommige diensten en inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van inventarissen en de boekhouding.

§ 2

De ziekenhuizen die afhangen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden beheerd door een beheerscomité waarvan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit de samenstelling en de werking bepaalt.

Het beheerscomité dient evenwel dusdanig te worden samengesteld dat de meerderheid van de stemgerechtigde leden tot de raad voor maatschappelijk welzijn behoort; deze worden verkozen overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde lid.

Het beheerscomité wordt van rechtswege voorgezeten door de voorzitter van de raad of zijn afgevaardigde.

5[§ 3

Het beheerscomité van het ziekenhuis regelt alles wat tot de bevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort inzake het beheer van het ziekenhuis, behoudens het in § 4 bepaalde, met dien verstande dat in het geval een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn meer dan één ziekenhuis beheert, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bevoegd blijft voor de vaststelling van het globale personeelsstatuut van deze ziekenhuizen.

§ 4

Volgende bevoegdheden inzake het beheer van het ziekenhuis worden toevertrouwd aan de raad voor maatschappelijk welzijn:

a)het aanwijzen en ontslaan van de leden van het beheerscomité, behoudens de deskundigen aangewezen door de gemeenteraad, bedoeld in § 9;

 

b)de aanwerving, de evaluatie en het ontslag van contractuele personeelsleden die in het beheerscomité zitting hebben;

 

c)de benoeming, de evaluatie, de bevordering en het in disponibiliteit stellen van statutaire personeelsleden die in het beheerscomité zitting hebben, alsook het opleggen van tuchtstraffen aan deze personeelsleden;

 

d)elke beslissing tot toetreding of uittreding bij een vereniging bedoeld in hoofdstukken XII en XIIbis van deze wet;

 

e)elke beslissing die het ziekenhuisaanbod op belangrijke punten wijzigt;

 

f)de besluiten bedoeld in artikelen 88 en 89.

 

§ 5

Voor de handelingen van het beheerscomité waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring of machtiging vereist is, dient de beslissing van het beheerscomité rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als dit het geval zou zijn geweest indien de raad hieromtrent een beslissing had genomen.

§ 6

De raad voor maatschappelijk welzijn kan geen beslissing met financiële weerslag voor het ziekenhuis nemen dan nadat het beheerscomité hierover advies heeft uitgebracht. De Vlaamse regering bepaalt de termijn binnen dewelke het beheerscomité advies dient uit te brengen.

De beslissingen van de raad die afwijken van het advies van het beheerscomité dienen met redenen te worden omkleed.]5

§ 7

De Koning kan voor het beheer van de ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

2[§ 8

Het in paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het ziekenhuis.]2

4[§ 9

Indien een plan, zoals bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, niet wordt ingediend, goedgekeurd of uitgevoerd overeenkomstig de regelen uitgevaardigd door de Koning krachtens het voormelde artikel, zal het Beheerscomité van het ziekenhuis worden uitgebreid met deskundigen aangeduid door de Gemeenteraad van de gemeente wier openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn het ziekenhuis beheert.

Onverminderd de verkiezingsmodaliteiten voor de samenstelling van het Beheerscomité van het ziekenhuis, zoals voozien in artikel 27, § 3, vierde lid, van deze wet, is inzake de leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn lid twee van § 2 van dit artikel niet van toepassing ingeval van aanwijzing van de in het vorige lid bedoelde deskundigen.

De Koning bepaalt de regelen voor de toepassing van dit artikel.]4

4[§ 10

Zolang de beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht zijn, kan het Beheerscomité bepaalde van zijn bevoegdheden delegeren aan de directeur van het ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

Voor de handelingen van de directeur die namens het Beheerscomité worden verricht en waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring of machtiging is vereist, dient de beslissing van de Directeur rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als dit het geval zou zijn geweest indien het Beheerscomité daaromtrent zelf een beslissing had genomen.]4

10 september 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 6 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984).

§§ 3 tot 6 vervangen bij art. 10 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

§ 8 ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

§§ 9 en 10 ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989).

Voorgeschiedenis

§ 3, enig lid:

–c) vervangen bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989);

 

–d) en e) ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

 

§ 4bis ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari 1989).

§ 6 gewijzigd bij art. 9 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en bij art. 22 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998).

Beperking toepassing

Opgeheven, met uitzondering van de verwijzing naar de bepalingen van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, waarvoor de federale overheid bevoegd is, bij art. 276, 90° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 31 december 1983 tot vaststelling van de regelen volgens dewelke de gemeenten die in het tekort van openbare ziekenhuizen bijdragen aan het beheer van deze instellingen deelnemen (B.S., 20 januari 1984)

 

–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 januari 1985)

 

–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1985)

 

Geselecteerde rechtspraak

Art. 94 bevat voor de O.C.M.W.-ziekenhuizen een uitgewerkte regeling van verplicht afzonderlijk beheer en van specifieke organisatie. De wet bepaalt m.a.w. uitdrukkelijk op welke wijze een O.C.M.W. zijn ziekenhuis moet beheren (R.v.St. nr. 49.708, 17 oktober 1994).

Art. 95 [Federale tekst]

De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen beslissen hun niet-bebouwde onroerende goederen hetzij aan een afzonderlijk eigen beheer te onderwerpen hetzij het beheer ervan toe te vertrouwen aan het bedrijf dat de gronden beheert van de gemeente, zetel van het centrum.

Art. 95 [Nederlands taalgebied]

1[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 91° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 95 [Frans taalgebied]

De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen beslissen hun niet-bebouwde onroerende goederen hetzij aan een afzonderlijk eigen beheer te onderwerpen hetzij het beheer ervan toe te vertrouwen aan het bedrijf dat de gronden beheert van de gemeente, zetel van het centrum.

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 96 [Federale tekst]

1[Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan een bijzondere ontvanger benoemen voor diensten en inrichtingen met afzonderlijk beheer. De bepalingen van artikel 46 zijn op hem van toepassing.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 52 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

Art. 96 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan een bijzondere ontvanger benoemen voor diensten en inrichtingen met afzonderlijk beheer. De bepalingen 2[van deze wet zijn van toepassing op de ontvanger.]2]1

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 52 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 36 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

Art. 96 [Nederlands taalgebied]

2[...]

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 92° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 23 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

Art. 96 [Frans taalgebied]

1[Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan een bijzondere ontvanger benoemen voor diensten en inrichtingen met afzonderlijk beheer. De bepalingen van artikel 46 2[en in voorkomend geval 94, § 5,]2 zijn op hem van toepassing.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 52 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 26 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Hoofdstuk VII Terugbetaling door partikulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening

- Terugbetaling kosten maatschappelijke dienstverlening, algemeen

Art. 97

2[Voor de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk VII dient onder “kosten van de maatschappelijke dienstverlening” te worden verstaan:

1°de betalingen in speciën;

 

2°de kosten van de in natura verleende hulp;

 

3°de kosten van hospitalisatie;

 

4°de kosten van huisvesting met inbegrip van die welke gemaakt zijn in de inrichtingen van het centrum;

 

5°de kosten berekend volgens vooraf vastgestelde algemene tarieven.]1

 

Zijn uitgesloten de administratie- en onderzoekskosten, alsmede de kosten van de prestaties van het centrum bedoeld door artikel 60, § 1, 2 en 4.

2[Het voorgaande lid heeft geen toepassing op de door een OCMW, bij toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gemaakte kosten inzake schuldbemiddeling.]2

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 7 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984) en bij art. 18 W. 5 juli 1998 (B.S., 31 juli 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 21).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 9 juni 1981 tot bepaling van de grenzen en voorwaarden voor het verhaal op de onderhoudsplichtigen bedoeld bij artikel 98, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 18 juni 1981)

 

Geselecteerde rechtspraak

Uit art. 97 OCMW-wet blijkt dat het OCMW bij de terugbetaling door particulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening enkel aanspraak kan maken op terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening bedoeld in dit artikel. Het OCMW kan op grond van die bepaling niet de terugbetaling door de onderhoudsplichtige zonen vorderen van de door het OCMW vrijwillig betaalde belastingen voor rekening van wijlen hun moeder. Het is daarbij irrelevant of de betaling of het voorschieten van de belastingen de verblijfhouder in de mogelijkheid stelt een menswaardig bestaan te leiden (Cass., nr. C.06.0275.N, 23 februari 2007).

Art. 98

1[§ 1

Onverminderd de toepassing van andere wettelijke en reglementaire bepalingen, bepaalt het openbaar centrum voor maatschappelijke welzijn, rekening houdend met de inkomsten van de betrokkene, de bijdrage van de begunstigde in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening.

2[Deze laatste heeft in ieder geval het recht op een zakgeld, waarvan het bedrag door het centrum wordt vastgesteld.]2

3[Wanneer de maatschappelijke dienstverlening wordt verstrekt in de vorm van betaling van de kosten van het verblijf in een rusthuis en de begunstigde bijdraagt in deze kosten overeenkomstig het eerste lid, bedraagt het zakgeld minstens 900 EUR per jaar, uitbetaald in maandelijkse schijven. Dit bedrag kan bij koninklijk besluit opgetrokken worden en wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

De Koning bepaalt welke kosten in geen geval op dit zakgeld mogen worden aangerekend. Hij bepaalt eveneens het statuut van het zakgeld, in het bijzonder bij niet aanwending in geval van overlijden.]3

In geval van vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte vanwege de begunstigde, vordert het centrum het geheel van die kosten terug, ongeacht de financiële toestand van de betrokkene.

§ 2

De kosten van de maatschappelijke dienstverlening worden eveneens krachtens een eigen recht door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verhaald:

–op de onderhoudsplichtigen van de begunstigde tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp;

 

–op degenen die aansprakelijk zijn voor de verwonding of ziekte die het verstrekken van de hulpverlening noodzakelijk heeft gemaakt.

 

Wanneer de verwonding of ziekte het gevolg is van een misdrijf, kan de vordering terzelfdertijd en voor dezelfde rechters als de publieke vordering worden ingesteld.]1

5[§ 3

In afwijking van § 2 kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn algemeen afzien van het verhalen van de maatschappelijke dienstverlening verleend aan personen die ten laste zijn genomen in instellingen, waar bejaarden worden gehuisvest, op de onderhoudsplichtigen, met de goedkeuring van de gemeentelijke overheid.]5

6[Ingeval van toepassing van het eerste lid, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitzonderlijk toch de maatschappelijke dienstverlening op de onderhoudsplichtigen verhalen, wanneer het patrimonium van de persoon die deze hulp geniet opzettelijk in aanzienlijke mate is verminderd tijdens de vijf laatste jaren vóór de aanvang van de maatschappelijke hulp 7[of tijdens de maatschappelijke hulp]7.]6

30 december 200515 juli 200416 mei 200323 februari 20028 oktober 1992

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 8 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984, err., B.S., 28 november 1984).

§ 1 gewijzigd bij art. 53 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 2 W. 3 mei 2003 (B.S., 16 mei 2003 (derde uitg.)).

§ 3 ingevoegd bij art. 101 W. 9 juli 2004 (B.S., 15 juli 2004 (tweede uitg.)), gewijzigd bij art. 78 W. 23 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)) en bij art. 2 W. 26 oktober 2006 (B.S., 30 maart 2007 (derde uitg.)).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Aanpassing van bedragen

Aanpassing van de bedragen:

–1 augustus 2005: zie B.S., 7 september 2005;

 

–1 januari 2008: zie B.S., 11 januari 2008 (eerste uitg.);

 

–1 mei 2008: zie B.S., 26 mei 2008;

 

–1 september 2008: zie B.S., 17 september 2008 (tweede uitg.);

 

–1 september 2010: zie BS 13 september 2010.

 

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 9 juni 1981 tot bepaling van de grenzen en voorwaarden voor het verhaal op de onderhoudsplichtigen bedoeld bij artikel 98, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 18 juni 1981)

 

–Koninklijk besluit van 25 april 2004 tot vaststelling van het statuut van het zakgeld van sommige rusthuisbewoners en tot bepaling van de kosten die niet op dit zakgeld mogen worden aangerekend in uitvoering van artikel 98, § 1, derde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 30 april 2004)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Geselecteerde rechtspraak

De vordering van het O.C.M.W. waarvan het enig doel erin bestaat de kosten voor maatschappelijke dienstverlening terug te vorderen op grond van een eigen recht van het O.C.M.W., is geen vordering tot uitkering die overeenkomstig art. 591, 7° Ger. W. onder de bevoegdheid valt van de vrederechter, al is de vordering tegen een onderhoudsplichtige gericht (Cass. AR 3431, 17 september 1982).

Wanneer het O.C.M.W. het eigen recht uitoefent dat hem is verleend bij art. 98, § 2 O.C.M.W.-Wet, is het geen `benadeelde' in de zin van art. 1 W.A.M.-Wet; die wetsbepalingen worden door de rechter derhalve niet geschonden wanneer hij, op een burgerlijke rechtsvordering van een O.C.M.W. die strekt tot terugbetaling van de kosten van de aan het slachtoffer van een verkeersongeval verstrekte ziekenhuisverpleging en maatschappelijke dienstverlening en die zowel is ingesteld tegen de voor het ongeval aansprakelijke beklaagde als tegen de verzekeraar van diens burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de rechtsvordering van het centrum tegen de beklaagde toewijst, maar de rechtsvordering van het centrum tegen de verzekeraar afwijst, op grond dat het centrum geen `benadeelde' is, in de zin van art. 1 W.A.M.-Wet, aangezien het, verre van schade te lijden, enkel zijn verplichtingen nakomt in het kader van zijn opdracht (Cass. AR 7737, 2 december 1992 ; (in dezelfde zin Cass. AR P.95.508.F, 11 oktober 1995).

Het O.C.M.W. kan slechts zijn verhaalvordering tot terugbetaling van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening voor de strafrechter instellen, wanneer de verwonding of ziekte, die ze noodzakelijk heeft gemaakt, het gevolg is van een misdrijf dat bij het strafgerecht aanhangig is (Cass. (2e k.) AR P.95.0896.N, 3 juni 1997).

De bij art. 98, § 2, ingevoerde rechtstreekse vordering strekt niet tot vergoeding van een uit het ongeval voortvloeiende schade die de O.C.M.W.’s zouden hebben geleden, maar tot terugvordering van de kosten die zij hebben gedaan op grond van de hun toevertrouwde wettelijke opdracht van hulpverlening. Noch art. 98, § 2, W. 8 juli 1976, noch art. 12 W. 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsvergoeding inzake motorrijtuigen, noch het onderling verband van die twee bepalingen, kennen de O.C.M.W’s een rechtstreekse vordering toe tegen de verzekeraar van de beklaagde (Cass. AR P.97.1396.F, 25 februari 1998).

De omstandigheid dat de door een O.C.M.W. geholpen persoon tevens een fout in oorzakelijk verband met zijn schade heeft begaan, ontneemt de met het maatschappelijk welzijn belaste instelling niet het haar bij de wet toegekende eigen recht om al haar kosten terug te vorderen van de aansprakelijke derde of van diens verzekeraar (Cass. AR P.97.1396.F, 25 februari 1998).

Geen enkele bepaling van de O.C.M.W.-Wet maakt het verkrijgen van individuele maatschappelijke dienstverlening afhankelijk van een eis die moet worden ingesteld door de steunaanvrager tegen de schuldenaars van alimentatiegelden. Art. 98, § 2 opent voor het O.C.M.W. trouwens de mogelijkheid om van die schuldenaars de terugbetaling te bekomen van de verstrekte hulp (R.v.St. nr. 32.565, 12 mei 1989).

- Verhaal kosten maatschappelijke dienstverlening, algemeen

Art. 99

§ 1

1[Wanneer een persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem hulp werd verleend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vordert dit laatste de kosten van de hulpverlening van hem terug tot beloop van het bedrag van de bovenbedoelde inkomsten, rekening houdende met de vrijgestelde minima.]1

§ 2

Met afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, treedt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat een voorschot toekent op een pensioen of op enige andere sociale uitkering, van rechtswege en tot het bedrag van dat voorschot, in de rechten op de achterstallen die de gerechtigde kan doen gelden.

25 januari 1984

Wetshistoriek

§ 1 vervangen bij art. 9 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Geselecteerde rechtspraak

De vordering krachtens indeplaatsstelling waarover het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beschikt nadat het een voorschot op een pensioen of op enige andere sociale uitkering, zoals de gezinsbijslagen heeft toegekend, is geen vordering tot terugbetaling. Zij verjaart niet door verloop van vijf jaren, maar valt onder de verjaring van de vordering die de gerechtigde kan instellen tot betaling van een pensioen of van enige andere sociale uitkering (Cass. AR 9319, 6 april 1992).

Art. 100

2[§ 1]2

1[Elke materiële individuele dienstverlening ten voordele van een begunstigde die roerende of onroerende goederen nalaat, geeft aanleiding tot een vordering tot verhaal op zijn erfgenamen of legatarissen, van de daaraan verbonden kosten door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gemaakt gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, of een gedeelte ervan, maar slechts ten belope van het actief van de nalatenschap.]1

2[§ 2

De roerende goederen, zoals onder meer contant geld, juwelen en andere voorwerpen, meegebracht door de zieken en door de kostgangers overleden in de instellingen van het centrum en die er geheel of gedeeltelijk ten laste van het centrum verzorgd of gehuisvest waren, worden door het centrum bewaard gedurende drie jaar te rekenen vanaf het overlijden.]2

2[§ 3

De erfgenamen en legatarissen van de zieken en kostgangers waarvan de verzorgings- en onderhoudskosten werden vereffend, kunnen hun rechten laten gelden op alle zaken bedoeld in § 2.]2

2[§ 4

Bij gebreke van erfgerechtigden, of indien de zaken bedoeld in § 2, meegebracht naar het centrum, niet werden teruggevraagd binnen de termijn van drie jaar na het overlijden, behoren deze goederen van rechtswege het centrum toe.

Dezelfde roerende goederen nagelaten door een overleden persoon, voor wiens rekening het centrum opdracht heeft gekregen van de vrederechter om de gehuurde plaatsen te ontruimen die deze bewoonde voor zijn overlijden, behoren, nadat voornoemde termijn verstreken is, het centrum toe.]2

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 10 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984).

§ 1 genummerd en §§ 2 tot 4 ingevoegd bij art. 54 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

[Art. 100bis

§ 1

De Koning kan regels en voorwaarden vaststellen betreffende:

a)de berekening van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening bedoeld onder 2°, 4° en 5°, van artikel 97;

 

b)het bepalen van de bijdrage van de begunstigde zoals bedoeld in artikel 98, § 1;

 

c)4[het verhaal op de begunstigde, de onderhoudsplichtigen of op zijn debiteurs zoals bepaald in artikel 98, §§ 2 en 4, en artikel 99, § 1.]4

 

§ 2

3[Onverminderd artikel 98, § 3, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts afzien van het bepalen van de bijdrage van de begunstigde, van de terugvordering of het verhaal bedoeld in de artikelen 98, §§ 1 en 2, 99 en 100, bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld.]3]1

Het openbaar centrum moet niet optreden wanneer de kosten of inspanningen hieraan verbonden niet opwegen tegen het verwachte resultaat.

15 juli 200423 februari 200225 januari 1984

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 11 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984).

§ 1, enig lid, c) vervangen bij art. 79 W. 23 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)).

§ 2 gewijzigd bij art. 102 W. 9 juli 2004 (B.S., 15 juli 2004 (tweede uitg.)).

Voorgeschiedenis

§ 2 gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Beperking toepassing

Opgeheven voor wat betreft de bepalingen die van toepassing zijn op de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, bij art. 64 K.B. 11 juli 2002 (B.S., 31 juli 2002), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 67).

Bekrachtiging

K.B. nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Koninklijk besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering van artikel 100bis, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 mei 1984)

 

–Ministerieel besluit van 2 maart 2005 tot vaststelling van de schaal van tussenkomsten bedoeld in artikel 16 van het koninklijk besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering van artikel 100bis, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 23 maart 2005)

 

Geselecteerde rechtspraak

Krachtens art. 98, § 2, O.C.M.W.-wet worden de kosten van de maatschappelijke dienstverlening krachtens een eigen recht door het O.C.M.W. verhaald op de onderhoudsplichtigen van de begunstigde, tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp. Krachtens art. 100bis, § 2, kan het O.C.M.W. slechts afzien van het verhaal bedoeld in art. 98, bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld. Aangezien de onderhoudsplichtigen van de begunstigde geen subjectief recht hebben om te worden vrijgesteld van hun wettelijke verplichting te betalen, behoort het niet aan de rechterlijke macht om te oordelen of het O.C.M.W. om redenen van billijkheid van het verhaal moest afzien (Cass. (3e k.) AR C.98.0245.N, 17 april 2000).

Art. 101

De terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening kan gewaarborgd worden door een wettelijke hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen die aan de begunstigde van de dienstverlening toebehoren of van zijn nalatenschap afhangen.

Deze hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de dag van haar inschrijving.

Ten opzichte van de erfgenamen of legatarissen van de begunstigde, die tot betaling van de schuldvordering gehouden zijn, kan deze hypotheek ten allen tijde geldig ingeschreven worden. Onverminderd de bepalingen van artikel 112 van de hypothecaire wet van 16 december 1851, wordt de inschrijving, wanneer ze binnen drie maanden na het overlijden gevorderd wordt, onder de naam van de overledene genomen, zonder dat de erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden in de borderellen die aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In dit geval wordt de overledene door zijn naam, voornamen en door de data en plaatsen van zijn geboorte en overlijden aangeduid.

1[Behalve wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke hypotheek dient te geschieden, wordt die inschrijving door de ontvanger van het centrum gevorderd voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen waarop de inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel aangewezen door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en de plaats waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.

De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd en de rang wordt afgestaan krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde ontvanger. De vordering, te dien einde opgesteld door deze laatste en neergelegd op het kantoor van de hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte bedoeld door de artikelen 92 en 93 van de hypotheekwet van 16 december 1851.

De kosten betreffende de inschrijving, de doorhaling, de vermindering en de rangafstand komen ten laste van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 55 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Art. 101 [Federale tekst]

De terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening kan gewaarborgd worden door een wettelijke hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen die aan de begunstigde van de dienstverlening toebehoren of van zijn nalatenschap afhangen.

Deze hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de dag van haar inschrijving.

Ten opzichte van de erfgenamen of legatarissen van de begunstigde, die tot betaling van de schuldvordering gehouden zijn, kan deze hypotheek ten allen tijde geldig ingeschreven worden. Onverminderd de bepalingen van artikel 112 van de hypothecaire wet van 16 december 1851, wordt de inschrijving, wanneer ze binnen drie maanden na het overlijden gevorderd wordt, onder de naam van de overledene genomen, zonder dat de erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden in de borderellen die aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In dit geval wordt de overledene door zijn naam, voornamen en door de data en plaatsen van zijn geboorte en overlijden aangeduid.

1[Behalve wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke hypotheek dient te geschieden, wordt die inschrijving door de ontvanger van het centrum gevorderd voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen waarop de inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel aangewezen door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en de plaats waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.

De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd en de rang wordt afgestaan krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde ontvanger. De vordering, te dien einde opgesteld door deze laatste en neergelegd op het kantoor van de hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte bedoeld door de artikelen 92 en 93 van de hypotheekwet van 16 december 1851.

De kosten betreffende de inschrijving, de doorhaling, de vermindering en de rangafstand komen ten laste van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

- Wettelijke hypotheek (terugbetaling kosten maatschappelijke dienstverlening)

101

(...)

Toekomstig recht

Artikel 101 wordt gewijzigd bij art. 272, 12° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 101 [Nederlands taalgebied]

De terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening kan gewaarborgd worden door een wettelijke hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen die aan de begunstigde van de dienstverlening toebehoren of van zijn nalatenschap afhangen.

Deze hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de dag van haar inschrijving.

Ten opzichte van de erfgenamen of legatarissen van de begunstigde, die tot betaling van de schuldvordering gehouden zijn, kan deze hypotheek ten allen tijde geldig ingeschreven worden. Onverminderd de bepalingen van artikel 112 van de hypothecaire wet van 16 december 1851, wordt de inschrijving, wanneer ze binnen drie maanden na het overlijden gevorderd wordt, onder de naam van de overledene genomen, zonder dat de erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden in de borderellen die aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In dit geval wordt de overledene door zijn naam, voornamen en door de data en plaatsen van zijn geboorte en overlijden aangeduid.

1[Behalve wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke hypotheek dient te geschieden, wordt die inschrijving door de ontvanger van het centrum gevorderd voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen waarop de inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel aangewezen door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en de plaats waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.

De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd en de rang wordt afgestaan krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde 3[financieel beheerder]3. De vordering, te dien einde opgesteld door deze laatste en neergelegd op het kantoor van de hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte bedoeld door de artikelen 92 en 93 van de hypotheekwet van 16 december 1851.

De kosten betreffende de inschrijving, de doorhaling, de vermindering en de rangafstand komen ten laste van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

Art. 102

De vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.

De vordering bedoeld in artikel 98, § 2, laatste lid, verjaart overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van 17 april 1878 houdende voorafgaandelijke titel van het Wetboek van Strafvordering.

1[De vordering bedoeld in artikel 100, § 1, verjaart drie jaar na het overlijden van de betrokkene.]1

1[Deze verjaringen kunnen gestuit worden door een aanmaning gedaan tenzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs.]1

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 56 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Geselecteerde rechtspraak

Krachtens art. 102, lid 1 O.C.M.W.-Wet verjaart de in art. 98 en 99 van die wet bedoelde rechtsvordering tot terugbetaling door particulieren van maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig art. 2277 B.W., d.i. door verloop van 5 jaar (Cass. AR 6248, 28 april 1989).

De verjaringstermijn van twee jaar die geldt voor de rechtsvordering van een verplegings- en verzorgingsinstelling, m.b.t. de door haar geleverde of gefaktureerde geneeskundige verstrekkingen, diensten, goederen en bijkomende kosten, is ook toepasselijk wat betreft de kosten van hospitalisatie die tevens kosten van maatschappelijke dienstverlening zijn (impliciet) (Cass. AR C.96.0068.N, 24 januari 1997).

- Verjaring (verhaal kosten maatschappelijke dienstverlening)

Art. 103

De inkomsten van de goederen en van de kapitalen die toebehoren aan de kinderen, die toevertrouwd zijn aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of onder zijn voogdij staan, kunnen tot het vertrek van die kinderen ten bate van dit centrum geïnd worden tot beloop van de gemaakte kosten.

5 augustus 1976

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

- Terugbetaling kosten maatschappelijke dienstverlening, algemeen

Art. 104

§ 1

Indien het kind dat aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd of onder zijn voogdij staat, overlijdt en geen enkele erfgenaam zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan dit centrum dat daarvan in bezit kan gesteld worden op verzoek van de ontvanger en op de conclusies van het openbaar ministerie.

Erfgenamen die zich later zouden aanmelden, kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van hun aanvraag terugvorderen. Deze moet, op straffe van verjaring, ingediend worden binnen 1[drie]1 jaar na het overlijden van het kind.

§ 2

De erfgenamen die de nalatenschap zouden verkrijgen, moeten het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergoeden, ten belope van het actief van die nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het overleden kind aanleiding heeft gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, onder voorbehoud van aftrekking van de door het centrum gedurende diezelfde periode ontvangen inkomsten.

De vordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verjaart 1[drie]1 jaar na de datum van het overlijden van het kind.

8 oktober 1992

Wetshistoriek

§§ 1 en 2 gewijzigd bij art. 57 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002 (eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).

Art. 104 [Federale tekst]

§ 1

Indien het kind dat aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd of onder zijn voogdij staat, overlijdt en geen enkele erfgenaam zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan dit centrum dat daarvan in bezit kan gesteld worden op verzoek van de ontvanger en op de conclusies van het openbaar ministerie.

Erfgenamen die zich later zouden aanmelden, kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van hun aanvraag terugvorderen. Deze moet, op straffe van verjaring, ingediend worden binnen 1[drie]1 jaar na het overlijden van het kind.

§ 2

De erfgenamen die de nalatenschap zouden verkrijgen, moeten het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergoeden, ten belope van het actief van die nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het overleden kind aanleiding heeft gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, onder voorbehoud van aftrekking van de door het centrum gedurende diezelfde periode ontvangen inkomsten.

De vordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verjaart 1[drie]1 jaar na de datum van het overlijden van het kind.

104

(...)

Toekomstig recht

Artikel 104 wordt gewijzigd bij art. 272, 12° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 104 [Nederlands taalgebied]

§ 1

Indien het kind dat aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd of onder zijn voogdij staat, overlijdt en geen enkele erfgenaam zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan dit centrum dat daarvan in bezit kan gesteld worden op verzoek van de 3[financieel beheerder]3 en op de conclusies van het openbaar ministerie.

Erfgenamen die zich later zouden aanmelden, kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van hun aanvraag terugvorderen. Deze moet, op straffe van verjaring, ingediend worden binnen 1[drie]1 jaar na het overlijden van het kind.

§ 2

De erfgenamen die de nalatenschap zouden verkrijgen, moeten het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergoeden, ten belope van het actief van die nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het overleden kind aanleiding heeft gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, onder voorbehoud van aftrekking van de door het centrum gedurende diezelfde periode ontvangen inkomsten.

De vordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verjaart 1[drie]1 jaar na de datum van het overlijden van het kind.

Hoofdstuk VIIbis Samenwerking met de gemeente]1

Wetshistoriek

Hoofdstuk VIIbis (art. 104bis en 104ter) ingevoegd bij art. 45 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).

- Samenwerking O.C.M.W. met de gemeente

[Art. 104bis

2[...]

]1

30 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 45 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2) en opgeheven bij art. 276, 93° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

[Art. 104ter

2[...]

]1

30 augustus 2006

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 45 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2) en opgeheven bij art. 276, 94° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Hoofdstuk VIII Financiering

- Financiering (O.C.M.W.)

Art. 105 [Federale tekst]

Na verdeling van het Gemeentefonds onder de gewesten, wordt een deel van het aan elk gewest toegekend fonds, onder de benaming “Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn” omgeslagen over de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het gewest.

2[Elke Gewestexecutieve stelt, voor haar Gewest, het percentage vast dat aan het Bijzonder Fonds wordt toegekend. Bovendien, stelt de Executieve van het Waalse Gewest het percentage vast dat respectievelijk aan het Bijzonder Fonds voor de Franse Gemeenschap en het Bijzonder Fonds voor de Duitstalige Gemeenschap wordt toegekend; evenwel zal het aan de Duitstalige Gemeenschap toegewezen bedrag nooit geringer zijn dan datgene dat in 1980 werd toegewezen, aangepast aan de procentuele verandering van de gemiddelde index van de consumptieprijzen.

De objectieve normen voor de verdeling van deze percentages worden vastgesteld door:

1°de Vlaamse Regering, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest;

 

2°de Executieve van de Franse Gemeenschap, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Waalse Gewest.

Wanneer deze gelegen zijn in één van de gemeenten van het Duits taalgebied, zoals omschreven in artikel 5 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden de objectieve normen voor de verdeling vastgesteld door de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;

 

3°de bevoegde overheid voor het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in dat gebied gevestigd.]2

 

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 80 W. 31 december 1983 (B.S., 18 januari 1984).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 47 W. 9 augustus 1980 (B.S., 15 augustus 1980).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 23 april 1998 tot vaststelling van de verdelingsregelen van het Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn bestemd voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 3 juni 1998)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 10 april 2003 tot vaststelling, voor het jaar 2003, van het aan het Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn toe te kennen bedrag en tot vaststelling van het aandeel dat aan de Duitstalige Gemeenschap toekomt alsook van het aandeel voor de O.C.M.W.'s van de Franstalige gemeenten van het Waalse Gewest (B.S., 9 mei 2003)

 

Verwijzingen

Zie B. Ver. Coll. Gem. Gem.Comm. 23 april 1998 tot vaststelling van de verdelingsregelen van het Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn bestemd voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 3 juni 1998).

Art. 105 [Duitstalige Gemeenschap]

Na verdeling van het Gemeentefonds onder de gewesten, wordt een deel van het aan elk gewest toegekend fonds, onder de benaming “Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn” omgeslagen over de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het gewest.

3[...]

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 32 Decr. D. Gem. Parl. 15 december 2008 (B.S., 27 januari 2009 (tweede uitg.), err., BS 10 december 2010 (ed. 2)), met ingang van 1 januari 2009 (art. 35).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 47 W. 9 augustus 1980 (B.S., 15 augustus 1980) en bij art. 80 W. 31 december 1983 (B.S., 18 januari 1984).

Art. 105 [Frans taalgebied]

Na verdeling van het Gemeentefonds onder de gewesten, wordt een deel van het aan elk gewest toegekend fonds, onder de benaming “Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn” omgeslagen over de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het gewest.

2[Elke Gewestexecutieve stelt, voor haar Gewest, het percentage vast dat aan het Bijzonder Fonds wordt toegekend. Bovendien, stelt de Executieve van het Waalse Gewest het percentage vast dat respectievelijk aan het Bijzonder Fonds voor de Franse Gemeenschap en het Bijzonder Fonds voor de Duitstalige Gemeenschap wordt toegekend; evenwel zal het aan de Duitstalige Gemeenschap toegewezen bedrag nooit geringer zijn dan datgene dat in 1980 werd toegewezen, aangepast aan de procentuele verandering van de gemiddelde index van de consumptieprijzen.

De objectieve normen voor de verdeling van deze percentages worden vastgesteld door:

1°de Vlaamse Regering, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest;

 

2°de Executieve van de Franse Gemeenschap, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Waalse Gewest.

Wanneer deze gelegen zijn in één van de gemeenten van het Duits taalgebied, zoals omschreven in artikel 5 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden de objectieve normen voor de verdeling vastgesteld door de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;

 

3°de bevoegde overheid voor het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in dat gebied gevestigd.]2

 

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 80 W. 31 december 1983 (B.S., 18 januari 1984).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 47 W. 9 augustus 1980 (B.S., 15 augustus 1980).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van de Waalse Regering van 10 april 2003 tot vaststelling, voor het jaar 2003, van het aan het Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn toe te kennen bedrag en tot vaststelling van het aandeel dat aan de Duitstalige Gemeenschap toekomt alsook van het aandeel voor de O.C.M.W.'s van de Franstalige gemeenten van het Waalse Gewest (B.S., 9 mei 2003)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 30 april 2009 tot vastlegging van de objectieve criteria voor de verdeling van het "Fonds spécial de l'aide sociale" (Speciaal fonds voor sociale hulpverlening) die toekomt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Waalse Gewest, met uitzondering van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de Duitstalige Gemeenschap (BS, 11 juni 2009)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 105 [Nederlands taalgebied]

1[...]

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 21, § 1 Decr. Vl. Parl. 14 mei 1996 (B.S., 1 juni 1996), met ingang van 14 mei 1996 (art. 23).

Art. 106 [Federale tekst]

§ 1

Wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente 1[...].

§ 2

Het verschil bedoeld in voorgaande paragraaf wordt geraamd in de begroting van het centrum.

Een dotatie voor dit centrum gelijk aan het bedrag van bovenbedoeld verschil wordt in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven.

1[...]

1[De dotatie wordt aan het centrum in maandelijkse schijven uitbetaald.]1

§ 3

1[...]

Wetshistoriek

§§ 1 en 2 gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 58 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 106 [Frans taalgebied]

§ 1

Wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente 1[...].

§ 2

Het verschil bedoeld in voorgaande paragraaf wordt geraamd in de begroting van het centrum.

Een dotatie voor dit centrum gelijk aan het bedrag van bovenbedoeld verschil wordt in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven.

1[...]

1[De dotatie wordt aan het centrum in maandelijkse schijven uitbetaald.]1

§ 3

1[...]

Wetshistoriek

§§ 1 en 2 gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 58 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 106 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[§ 1

Wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente.

§ 2

Het verschil bedoeld in voorgaande paragraaf wordt geraamd in de begroting van het centrum. De voorzieningen betreffende de exploitatie- en investeringsdiensten worden in acht genomen om dit verschil te berekenen.

Een dotatie voor dit centrum gelijk aan het bedrag van bovenbedoeld verschil wordt in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven.

Bij het begin van elke maand wordt de dotatie aan het centrum betaald in twaalfden. Nochtans kan ze met instemming van het centrum, volgens andere modaliteiten betaald worden.

§ 3

De definitieve goedkeuring, stilzwijgend of uitdrukkelijk, van de begrotingsrekening van het vorige dienstjaar brengt de vermindering of de vermeerdering met zich mee van de gemeentelijke dotatie opgenomen in de begroting van het centrum van het lopende dienstjaar in functie van het eindresultaat van de begrotingsrekening.]2

18 juni 2003

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 37 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

§§ 1 en 2 gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 58 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 106 [Nederlands taalgebied]

3[...]

6 februari 19985 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 95° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Art. vervangen bij art. 24 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

§§ 1 en 2 gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 58 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 107 [Federale tekst]

In afwijking van de bepalingen van artikel 46, § 1, eerste lid, mogen de sommen die aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toekomen uit het Bijzonder Fonds en in het algemeen alle sommen die de Staat, de provincies en de gemeenten om niet verlenen aan deze centra rechtstreeks gestort worden aan de naamloze vennootschap “Gemeentekrediet van België” voor boeking op de onderscheiden rekeningen van de gerechtigde openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Dezelfde vennootschap is gemachtigd het bedrag van de schulden, door openbare centra voor maatschappelijk welzijn tegenover haar aangegaan, ambtshalve in mindering te brengen van het tegoed van de rekeningen die zij ten behoeve van die centra heeft geopend.

Art. 107 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[...]

18 juni 2003

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 38 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Art. 107 [Nederlands taalgebied]

1[...]

5 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 25 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).

Art. 107 [Frans taalgebied]

2[In afwijking van de bepalingen van artikel 46, § 1, mogen rechtstreeks gestort worden op de rekeningen die uitsluitend namens het rechthebbende O.C.M.W. geopend zijn bij financiële instellingen die volgens het geval voldoen aan de voorschriften van de artikelen 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen:

1°het bedrag van zijn aandeel in de krachtens de wet of het decreet ingestelde fondsen, ten behoeve van de O.C.M.W.'s;

 

2°de toelagen, de bijdragen in de uitgaven van het centrum en in het algemeen alle sommen die de Europese Gemeenschap, de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies en de gemeenten om niet verleend aan de centra.

 

De in het eerste lid bedoelde financiële instelling wordt ertoe gemachtigd het bedrag van de door het centrum jegens haar aangegane schulden ambtshalve in mindering te brengen van het tegoed van de rekeningen die uitsluitend namens het centrum zijn geopend.]2

12 juni 200228 april 1998

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 8 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede uitg.)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 27 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Hoofdstuk IX Het administratief toezicht

Verwijzingen

Zie:

–Omz. WEL/ 98-07 van Vl. Min. Cult., Gezin en Welzijn van 24 november 1998 betreffende nieuwe regels inzake het administratief toezicht op de O.C.M.W.’s; decreet van 14 juli 1998 tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 5 februari 1999).

 

–Omz. BA-1999/10 van Vl. Min. Binn. Aangel. van 10 november 1999 betreffende de behandeling van vragen, klachten en bezwaren (B.S., 21 december 1999).

 

–Omz. BA-2004/2 van Vl. Min. Binn. Aangel. van 14 juli 2004 betreffende het administratief toezicht op de Openbare Centra voor maatschappelijk welzijn – Wijzigingen aan de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor maatschappelijk welzijn door het decreet van 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004; err., B.S., 16 augustus 2004).

 

- Administratief toezicht (O.C.M.W.)

Art. 108 [Federale tekst]

De Minister, tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort, beschikt over een inspectiedienst, die belast is met het toezicht op en de controle van de werking van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de verschillende diensten en inrichtingen die ervan afhangen.

Te dien einde hebben de inspecteurs onder meer het recht deze diensten en inrichtingen te bezoeken en, in het algemeen, alle inlichtingen in te winnen die zij nodig hebben om hun taak te vervullen.

Zij verstrekken de centra advies inzake alle vraagstukken die betrekking hebben op het uitvoeren van hun opdracht.

Art. 108 [Federale tekst]

De Minister, tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort, beschikt over een inspectiedienst, die belast is met het toezicht op en de controle van de werking van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de verschillende diensten en inrichtingen die ervan afhangen.

Te dien einde hebben de inspecteurs onder meer het recht deze diensten en inrichtingen te bezoeken en, in het algemeen, alle inlichtingen in te winnen die zij nodig hebben om hun taak te vervullen.

Zij verstrekken de centra advies inzake alle vraagstukken die betrekking hebben op het uitvoeren van hun opdracht.

108

(...)

Toekomstig recht

Artikel 108 wordt opgeheven bij art. 276, 96° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van de datum van inwerkingtreding van art. 265 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (art. 285, § 2).

Art. 108 [Nederlands taalgebied]

1[...]

Art. 109 [Federale tekst]

Het college van burgemeester en schepenen heeft eveneens de opdracht, toezicht en controle uit te oefenen op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

Dit toezicht brengt het recht mede, voor het lid door dit college afgevaardigd, alle inrichtingen te bezoeken, kennis te nemen, ter plaatse zelf, van alle stukken en bescheiden 1[met uitzondering van de dossiers van individuele hulpverlening en verhaal]1 en erover te waken dat de centra de wet naleven en niet afwijken van de wilsbeschikking van de schenkers en erflaters betreffende de wettelijk gevestigde lasten.

1[Het lid door het college afgevaardigd is tot geheimhouding verplicht.]1

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 59 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 109 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Het college van burgemeester en schepenen 2[en het Verenigd College hebben eveneens de opdracht]2, toezicht en controle uit te oefenen op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

Dit toezicht brengt het recht mede, voor het lid door 2[het college van burgemeester en schepenen en voor de afgevaardigde van het Verenigd College]2 afgevaardigd, alle inrichtingen te bezoeken, kennis te nemen, ter plaatse zelf, van alle stukken en bescheiden 1[met uitzondering van de dossiers van individuele hulpverlening en verhaal]1 en erover te waken dat de centra de wet naleven en niet afwijken van de wilsbeschikking van de schenkers en erflaters betreffende de wettelijk gevestigde lasten.

2[Het door het college van burgemeester en schepenen afgevaardigd lid en de afgevaardigde van het Verenigd College zijn tot geheimhouding verplicht.]2

18 juni 2003

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 39 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 59 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 109 [Nederlands taalgebied]

4[...]

30 augustus 200610 september 1998

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 97° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 59 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 11 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)) en vervangen bij art. 46 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Art. 110 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[De overheid die met betrekking tot een beslissing van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een ongunstig advies geeft of haar machtiging of goedkeuring onthoudt dient haar beslissing te motiveren. Wanneer uiterlijk de laatste dag van de bij deze wet bepaalde termijn van geen advies of beslissing aan het centrum kunnen worden gegeven, wordt de toezichthoudende overheid geacht een gunstig advies of de vereiste machtiging of goedkeuring te hebben verleend. Wanneer de termijn niet is bepaald, bedraagt die veertig dagen. Deze termijn gaat in de dag na de ontvangst van de akte bij de bevoegde overheid. De toezichthoudende overheid kan de termijn éénmaal verlengen met veertig dagen, voor zover deze verlenging per aangetekend schrijven ter kennis wordt gebracht uiterlijk de laatste dag van de eerste termijn van veertig dagen.]2

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 40 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 60 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 110 [Duitstalige Gemeenschap]

De overheid die met betrekking tot een beslissing van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genomen in toepassing van deze wet een ongunstig advies verleent of haar machtiging of goedkeuring onthoudt, dient haar beslissing te motiveren. Wanneer binnen de bij de wet bepaalde termijn van geen advies of beslissing kennis wordt gegeven, wordt de toezichthoudende overheid geacht een gunstig advies of de vereiste machtiging of goedkeuring te hebben verleend.

Wanneer de termijn niet is bepaald, 1[bedraagt die veertig dagen]1 vanaf de dag 2[waarop de akte door de bevoegde overheid ontvangen werd]2; 3[...]

1[...]

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 60 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 6 Decr. D. Gem. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995) en bij art. 19 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 110 [Nederlands taalgebied]

2[De overheid die met betrekking tot een besluit van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, bedoeld in deze wet, een ongunstig advies geeft of haar machtiging of goedkeuring onthoudt, dient haar besluit te motiveren.

Wanneer uiterlijk de laatste dag van de bij deze wet bepaalde termijn geen advies of beslissing naar het centrum wordt verstuurd, wordt de toezichthoudende overheid geacht een gunstig advies of de vereiste machtiging of goedkeuring te hebben verleend. Wanneer de termijn niet is bepaald, bedraagt die dertig dagen voor een advies en veertig dagen voor een goedkeuring. Deze termijnen gaan in de dag na het inkomen van de akte bij de bevoegde overheid.

Wat de gegevens betreft die haar moeten worden doorgestuurd, bepaalt de Vlaamse regering de aard van de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens zijn vastgesteld.]2

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 12 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 60 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 111 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

4[§ 1

Van iedere beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitzondering van de beslissingen met betrekking tot het verstrekken van individuele dienstverlening en tot verhaal, wordt binnen twintig dagen, ingaand de dag na de vergadering, een afschrift gezonden aan het college van burgemeester en schepenen en aan het Verenigd College.

§ 2

Met uitzondering van de beslissingen tot individuele dienstverlening en verhaal, kan het college van burgemeester en schepenen, bij een met redenen omkleed besluit, de uitvoering schorsen van elke beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die het gemeentelijk belang, en inzonderheid de financiële belangen van de gemeente schaadt. De schorsingsbevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen kan evenwel niet uitgeoefend worden in geval van beslissingen die, in toepassing van deze wet, onderworpen zijn aan de goedkeuring of de machtiging van de toezichthoudende overheid. In deze gevallen kan het college van burgemeester en schepenen zijn advies binnen twintig dagen geven aan de toezichthoudende overheid.

Het college dient van het schorsingsbesluit ter kennis te brengen van het centrum en van het Verenigd College binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na het ontvangen van de betrokken beslissing. De raad voor maatschappelijk welzijn kan de geschorste beslissing intrekken. Deze beslissing dient zonder verwijl aan het college van burgemeester en schepenen en het Verenigd College te worden medegedeeld. De raad voor maatschappelijk welzijn kan deze geschorste beslissing handhaven. Deze beslissing dient binnen een termijn van honderd dagen, ingaand de dag na het ontvangen van het schorsingsbesluit, te worden overgezonden aan het college van burgemeester en schepenen en aan het Verenigd College. Bij gebreke hieraan is de beslissing automatisch nietig. Het Verenigd College kan bij een met reden omkleed besluit de gehandhaafde beslissing vernietigen. Het vernietigingsbesluit moet binnen een termijn van veertig dagen, ingaand de dag na het ontvangen van de beslissing tot handhaving en uiterlijk de laatste dag van de voormelde termijn, ter kennis gebracht worden van het centrum. Na het verstrijken van deze termijn wordt de schorsing opgeheven.

§ 3

De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zolang de met toepassing van artikel 89 goedgekeurde rekeningen aantonen dat de exploitatie ervan in evenwicht is. Paragraaf 2 houdt op van toepassing te zijn of wordt opnieuw van toepassing, al naar het geval, vanaf het ogenblik dat de rekeningen goedgekeurd of definitief vastgesteld zijn in toepassing van artikel 89.

§ 4

Het Verenigd College kan bij een met redenen omkleed besluit, de beslissing schorsen waarbij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet schendt of het algemeen belang schaadt.

Het schorsingsbesluit dient binnen een termijn van veertig dagen, ingaand de dag na het ontvangen van de betrokken beslissing en uiterlijk de laatste dag van de vastgestelde termijn, ter kennis gebracht van het centrum. Voor de begroting en voor de rekening wordt de termijn op zestig dagen gebracht, te rekenen vanaf de overzending respectievelijk voorgeschreven in de artikelen 88, § 1, tweede lid, en 89, § 2, eerste lid.

De raad voor maatschappelijk welzijn kan de geschorste beslissing intrekken. Deze beslissing dient zonder verwijl aan het Verenigd College te worden meegedeeld. De raad voor maatschappelijk welzijn kan de geschorste beslissing handhaven. Deze beslissing dient binnen een termijn van honderd vijftig dagen, ingaand de dag na het ontvangen van het schorsingsbesluit te worden gestuurd aan het Verenigd College. Bij gebreke is de beslissing automatisch nietig. Het Verenigd College kan bij een met reden omkleed besluit de gehandhaafde beslissing vernietigen. Het vernietigingsbesluit dient binnen een termijn van veertig dagen, ingaand de dag na het ontvangen van de beslissing tot handhaving en uiterlijk de laatste dag van de voormelde termijn,betekend te worden aan het centrum. Na het verstrijken van deze termijn is de schorsing opgeheven.]4

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 41 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Art. vervangen bij art. 12 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

§ 1 en § 2 gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2bis ingevoegd bij art. 5 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 oktober 2008 betreffende de elektronische verzending van akten die onderworpen zijn aan het administratief toezicht overeenkomstig de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 6 november 2008)

 

Art. 111 [Duitstalige Gemeenschap]

2[§ 1

Een samenvattende lijst met een korte beschrijving van alle beslissingen, met uitzondering van de beslissingen tot individuele dienstverlening en verhaal, alsmede een afschrift van elke beslissing van het beheerscomité van het ziekenhuis met toepassing van artikel 94, § 4, wordt door het centrum binnen vijftien dagen gezonden aan de Regering en aan het college van burgemeester en schepenen.

§ 2

Bovendien moet het centrum, binnen vijftien dagen na de beslissing op de datum van inwerkingtreding van de beslissingen, de Regering en het college van burgemeester en schepenen een afschrift van volgende beslissingen zenden:

–beslissingen tot vaststelling van de voorwaarden voor het gunnen en houdende het gunnen van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, wanneer de globale waarde van de opdracht 3[€ 25.000]3, BTW niet inbegrepen, overschrijdt;

 

–beslissingen tot aankoop of verkoop van onroerende goederen, waarvan de waarde 3[€ 50.000]3, BTW niet inbegrepen, overschrijdt;

 

–beslissingen over uitgaven die wegens dringende en niet voorzienbare omstandigheden noodzakelijk zijn geworden;

 

–beslissingen tot vaststelling van de huishoudelijke reglementen bedoeld in artikel 40;

 

–beslissingen tot vaststelling van de personeelsformaties bedoeld in artikel 42;

 

–beslissingen tot vaststelling van de begrotingen bedoeld in artikel 88;

 

–beslissingen tot vaststelling van de rekeningen bedoeld in artikel 89.]2

 

30 december 1995

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 20 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

§ 2 gewijzigd bij art. 11 Decr. D. Gem. R. 1 maart 2004 (B.S., 3 juni 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2004 (art. 18).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 12 K.B. nr. 244, 31 december 1984 (B.S., 25 januari 1984), bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van de Waalse Regering van 4 mei 1995 tot uitvoering van artikel 111, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 19 juli 1995)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende de inventaris van het patrimonium van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende de gemeentelijke comptabiliteit voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997)

 

Art. 111 [Nederlands taalgebied]

8[...]

30 augustus 200628 juli 200430 juni 199910 september 1998

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 98° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Art. vervangen bij art. 12 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984) en bij art. 13 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

§ 1 gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

§ 2 gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).

§ 2, lid 1, 2° en 3° en lid 2 opgeheven bij art. 9 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)).

§ 2bis ingevoegd bij art. 5 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986).

§ 3 gewijzigd bij art. 47 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).

Redactionele opmerking

De Franse tekst van art. 13 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998) werd onvolledig in het B.S. opgenomen en de ontbrekende § 2 werd gewijzigd bij art. 9 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)).

[Art. 111bis [Duitstalige Gemeenschap]

Het college van burgemeester en schepenen kan, bij een met redenen omkleed besluit, de uitvoering van de in artikel 111, §1, bedoelde beslissingen van het centrum voor maatschappelijk welzijn schorsen die niet onderworpen zijn aan de goedkeuring of machtiging, noch van de Regering noch van de gemeenteraad en die de belangen, inzonderheid de financiële belangen, van de gemeente schaden.

De regering kan bij een met redenen omkleed besluit de uitvoering van de in artikel 111, § 1, bedoelde beslissingen van het centra voor maatschappelijk welzijn schorsen die in strijd zijn met de wet.

Het schorsingsbesluit wordt onverwijld betekend aan het centrum en, naargelang het geval, aan de regering of aan het college van burgemeester en schepenen.

De raad voor maatschappelijk welzijn kan een geschorste beslissing intrekken; hij deelt het aan het college van burgemeester en schepenen en aan de Regering mede.

De raad voor maatschappelijk welzijn kan een geschorste beslissing rechtvaardigen; op straffe van nietigheid van de geschorste beslissing deelt hij het aan het college van burgemeester en schepenen en aan de Regering mede binnen 30 dagen na de verzendingsdatum van het schorsingsbesluit.

Binnen 40 dagen na de ontvangst van de rechtvaardiging kan de Regering, bij een met redenen omkleed besluit, een door de Regering of het college van burgemeester en schepenen geschorste beslissing opheffen. Dit opheffingsbesluit wordt het centrum en het college van burgemeester en schepenen ten laatste op de laatste dag van de termijn van veertig dagen betekend. Indien het opheffingsbesluit binnen de vastgelegde termijn niet wordt betekend aan het centrum en aan het college van burgemeester en schepenen, dan vervalt de schorsing.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 21 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

[Art. 111ter [Duitstalige Gemeenschap]

De bepalingen van artikel 111bis zijn niet van toepassing op de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zolang de met toepassing van artikel 89 goedgekeurde rekeningen aantonen dat de exploitatie ervan in evenwicht is.

Artikel 111bis houdt op van toepassing te zijn of wordt opnieuw van toepassing, al naar het geval, vanaf het ogenblik dat de rekeningen goedgekeurd of definitief vastgesteld zijn met toepassing van artikel 89.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 22 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 112 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

1[...]

5 augustus 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 42 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Art. 112 [Duitstalige Gemeenschap]

1[De beslissingen van het centrum, waarvan met toepassing van artikel 111, § 1, geen afschrift moet worden gezonden aan de Regering en aan het college van burgemeester en schepenen, kunnen niet meer geschorst worden na verstrijken van een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de samenvattende lijst.

Deze termijn wordt gestuit door de verzending van een aangetekende brief, waarin de Regering of het college van burgemeester of schepenen een bepaald dossier of bijkomende inlichtingen aanvraagt.

De beslissing van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die door een toezichthoudende overheid aangevraagd werd, kan niet meer geschorst worden na verstrijken van een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier of van de bijkomende inlichtingen.

De beslissingen van het centrum, waarvan met toepassing van artikel 111, § 2 zonder aanvraag een afschrift moet worden gezonden aan het college van burgemeester en schepenen en aan de Regering, kunnen niet meer geschorst worden na verstrijken van een termijn van 40 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 23 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 112 [Nederlands taalgebied]

2[...]

10 september 1998

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 99° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

Vervangen bij art. 14 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

[Art. 112bis [Nederlands taalgebied]

4[...]

]1

28 juli 200430 juni 199910 september 1998

Wetshistoriek

Art. ingevoegd bij art. 15 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)) en opgeheven bij art. 276, 100° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 gewijzigd bij art. 7, 1° Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).

§ 2 gewijzigd bij art. 10 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)) en bij art. 7, 2° Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).

§§ 3 en 4 gewijzigd bij art. 7, 2° Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).

[Art. 112ter [Nederlands taalgebied]

2[...]

]1

28 juli 2004

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004) en opgeheven bij art. 276, 101° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Art. 113 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

Na twee achtereenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan 2[het Verenigd College]2 een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven, op de persoonlijke kosten van de raadsleden of van de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die verzuimd hebben aan de waarschuwingen gevolg te geven, ten einde de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten en algemene verordeningen.

1[Als een in het vorige lid bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

2[De kosten bedoeld in het eerste lid, worden ingevorderd door de ontvanger op voorlegging van een daartoe getroffen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld en dat geldt als een door de ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift.]2

2[...]

13 augustus 1988

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 18 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en bij art. 43, 1° tot 3° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Art. 113 [Duitstalige Gemeenschap]

2[Na twee achtereenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan de Regering een of meer ambtenaren gelasten zich ter plaatse te begeven, op de kosten van de raadsleden of van de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die verzuimd hebben aan de waarschuwingen gevolg te geven, ten einde de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten en algemene verordeningen.]2

1[Als een in het vorige lid bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

De invordering van de bovenbedoelde kosten geschiedt, zoals inzake directe belastingen, door de Rijksontvanger nadat 2[de Regering]2 het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.

2[...]

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 18 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988), en bij art. 24 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 113 [Nederlands taalgebied]

2[De Vlaamse regering of de provinciegouverneur kan, na het verstrijken van de termijn bepaald in een uit briefwisseling blijkende uitdrukkelijke waarschuwing, één of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten, decreten, verordeningen en besluiten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de provinciale instellingen. Dit gebeurt op de persoonlijke kosten van de raadsleden of personeelsleden die verzuimd hebben aan de waarschuwing gevolg te geven.]2

1[Als een in het vorige lid bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

2[De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden ingevorderd door de ontvanger op zicht van een daartoe getroffen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld, en dat geldt als een door de ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift.]2

10 september 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 18 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en bij art. 16 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

Beperking toepassing

Artikel 113, leden 1 en 3, behoudens voor de gemeente Voeren, opgeheven bij art. 276, 102° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Toekomstig recht

Artikel 113, lid 2 wordt gewijzigd bij art. 272, 14° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).

Art. 113 [Nederlands taalgebied]

2[De Vlaamse regering of de provinciegouverneur kan, na het verstrijken van de termijn bepaald in een uit briefwisseling blijkende uitdrukkelijke waarschuwing, één of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten, decreten, verordeningen en besluiten van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de provinciale instellingen. Dit gebeurt op de persoonlijke kosten van de raadsleden of personeelsleden die verzuimd hebben aan de waarschuwing gevolg te geven.]2

1[4[Als een in artikel 264 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]4 bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

2[De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden ingevorderd door de ontvanger op zicht van een daartoe getroffen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld, en dat geldt als een door de ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift.]2

Hoofdstuk IX Het administratief toezicht

Eerste afdeling. Algemene bepalingen]1

Wetshistoriek

Opschrift ingevoegd bij art. 28, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Art. 108 [Frans taalgebied]

De 1[Regering]1, beschikt over een inspectiedienst, die belast is met het toezicht op en de controle van de werking van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de verschillende diensten en inrichtingen die ervan afhangen.

Te dien einde hebben de inspecteurs onder meer het recht deze diensten en inrichtingen te bezoeken en, in het algemeen, alle inlichtingen in te winnen die zij nodig hebben om hun taak te vervullen.

Zij verstrekken de centra advies inzake alle vraagstukken die betrekking hebben op het uitvoeren van hun opdracht.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 16 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 109 [Frans taalgebied]

Het 2[gemeentelijk college]2 heeft eveneens de opdracht, toezicht en controle uit te oefenen op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

Dit toezicht brengt het recht mede, voor het lid door dit college afgevaardigd2[, die geen voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn mag zijn]2, alle inrichtingen te bezoeken, kennis te nemen, ter plaatse zelf, van alle stukken en bescheiden 1[met uitzondering van de dossiers van individuele hulpverlening en verhaal]1 en erover te waken dat de centra de wet naleven en niet afwijken van de wilsbeschikking van de schenkers en erflaters betreffende de wettelijk gevestigde lasten.

1[Het lid door het college afgevaardigd is tot geheimhouding verplicht.]1

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 59 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 14 en 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 110 [Frans taalgebied]

De overheid die met betrekking tot een beslissing van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genomen in toepassing van deze wet een ongunstig advies verleent of haar machtiging of goedkeuring onthoudt, dient haar beslissing te motiveren. Wanneer binnen de bij de wet bepaalde termijn van geen advies of beslissing kennis wordt gegeven, wordt de toezichthoudende overheid geacht een gunstig advies of de vereiste machtiging of goedkeuring te hebben verleend.

Wanneer de termijn niet is bepaald, 1[bedraagt die veertig dagen]1 vanaf de dag 2[waarop de akte door de bevoegde overheid ontvangen werd]2; deze laatste kan echter de eerste termijn 1[met veertig dagen verlengen]1, indien zij, vóór het verstrijken van die eerste termijn, ter kennis brengt dat zij slechts binnen de verlengde termijn uitspraak kan doen.

1[...]

25 mei 1995

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 60 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 110bis [Frans taalgebied]

De dag van ontvangst van de akte, waarop de aan de toezichthoudende overheid toegestane termijn aanvangt, is er niet in begrepen.

De vervaldag van een aan de toezichthoudende overheid toegestane termijn is in de termijn berekend. Maar als die dag een zaterdag, zondag of een officiële feestdag is, dan wordt de vervaldag naar de volgende werkdag verschoven.

In de zin van dit decreet worden de volgende dagen als een “officiële feestdag” beschouwd: 1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Hemelvaart, Pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 27 september, 1, 2, 11 en 15 november, 25 en 26 december alsook de dagen bepaald bij decreet of besluit van de Regering.]1

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 7 Decr. W. Gew. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995).

Tweede afdeling. Algemeen toezicht op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de ziekenhuizen die ervan afhangen]1

Wetshistoriek

Opschrift ingevoegd bij art. 28, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Art. 111 [Frans taalgebied]

1[§ 1

Van iedere beslissing van 3[het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn]3, met uitzondering van de beslissingen tot individuele dienstverlening en verhaal 4[...] wordt binnen vijftien dagen een afschrift gezonden aan het 5[gemeentelijk college]5 en aan de provinciegouverneur.

§ 2

Het 5[gemeentelijk college]5 kan, bij een met redenen omkleed besluit, de uitvoering schorsen van elke beslissing bedoeld in § 1, 3[die het gemeentelijk belang en, inzonderheid, de financiële belangen van de gemeente schaadt]3.

De schorsingsbevoegdheid van het college kan evenwel niet uitgeoefend worden in geval van beslissingen die met toepassing van deze wet onderworpen zijn aan de goedkeuring of de machtiging van de toezichthoudende overheid.

In deze gevallen kan het 5[gemeentelijk college]5 zijn advies uitbrengen op de zitting van de gemeenteraad of binnen de dertig dagen bij de toezichthoudende overheid.

Het schorsingsbesluit moet worden genomen binnen dertig dagen nadat het besluit op het gemeentebestuur is ingekomen; van het schorsingsbesluit wordt dadelijk kennis gegeven aan het centrum, aan 5[het provinciecollege]5 en aan de gouverneur. Het regelmatig geschorste besluit kan eveneens worden ingetrokken.

Indien de raad voor maatschappelijk welzijn zijn beslissing handhaaft, wordt deze medegedeeld aan het 5[gemeentelijk college]5, aan de gouverneur en aan 5[het provinciecollege]5, welke deze beslissing binnen de veertig dagen kan vernietigen bij een met redenen omkleed besluit.

Na het verstrijken van deze termijn is de schorsing van het 5[gemeentelijk college]5 opgeheven, onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3 van dit artikel.

2[§ 2bis

4[...]]2

§ 3

De gouverneur kan bij een met redenen omkleed besluit, de uitvoering schorsen van het besluit waarbij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet schendt of het algemeen belang schaadt.

Het schorsingsbesluit moet worden genomen binnen veertig dagen nadat het besluit op het provinciaal gouvernement is ingekomen; van het schorsingsbesluit wordt dadelijk kennis gegeven aan het centrum; de raad neemt er onverwijld kennis van en kan het geschorste besluit rechtvaardigen. Het regelmatig geschorste besluit kan eveneens worden ingetrokken.

Na verstrijken van de in artikel 112, tweede lid, gestelde termijn, is de schorsing opgeheven.

De termijn van veertig dagen begint slechts te lopen nadat 5[het provinciecollege]5 heeft medegedeeld dat het geschorste besluit niet werd vernietigd overeenkomstig § 2, vierde lid, van dit artikel.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Art. vervangen bij art. 12 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari 1984).

§ 1 gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 28, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 2 gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 15, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

§ 2bis ingevoegd bij art. 5 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986) en opgeheven bij art. 28, 4° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

§ 3 gewijzigd bij art. 15, 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Uitvoeringsbesluiten

–Besluit van de Waalse Regering van 4 mei 1995 tot uitvoering van artikel 111, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 19 juli 1995)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende de inventaris van het patrimonium van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997)

 

–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende de gemeentelijke comptabiliteit voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997)

 

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 112 [Frans taalgebied]

De 2[Regering]2 en, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wier gebiedsomschrijving volgens de jongste tienjaarlijkse volkstelling minder dan twintigduizend inwoners telt, de provinciegouverneur, kunnen bij een met redenen omkleed besluit, de beslissing vernietigen waarbij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet schendt of het algemeen belang schaadt.

Het vernietigingsbesluit moet worden genomen binnen veertig dagen nadat het besluit op het provinciaal gouvernement is ingekomen of, in voorkomend geval, binnen veertig dagen nadat het door de gouverneur of door de bestendige deputatie is goedgekeurd of nadat het besluit waarbij de raad voor maatschappelijk welzijn kennis heeft genomen van de schorsing, op het provinciaal gouvernement is toegekomen.

Het door de gouverneur genomen vernietigingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Bestuursmemoriaal van de provincie en aan de betrokkenen wordt er kennis van gegeven. Het kan, onverminderd de onmiddellijke toepassing ervan, door de 2[Regering]2 vernietigd worden binnen de termijn van één maand, te rekenen van de dag waarop een uitgifte ter kennisgeving bij ter post aangetekende zending aan het centrum is doorgestuurd.

1[Het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn of elke betrokkene mag binnen dertig dagen na kennisgeving van het vernietigingsbesluit van de gouverneur een beroep bij de Regering indienen. In dit geval wordt de beslissing van de Regering binnen veertig dagen na ontvangst van het beroep aan de betrokkenen meegedeeld. De Regering kan deze termijn met een termijn van dezelfde duur verlengen.]1

Na het verstrijken 1[van deze termijnen]1 kunnen de besluiten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, behoudens beroep bij de Raad van State, alleen door de wetgevende macht worden vernietigd.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 9 Decr. W. Gew. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995) en bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 112bis [Frans taalgebied]

In afwijking van de artikelen 111 en 112 worden de beraadslagingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid i.v.m. het ziekenhuis, die niet onder een bijzondere toezichtsmaatregel vallen, onderworpen aan het schorsingstoezicht van het 2[gemeentelijk college]2 en aan een vernietigingstoezicht van de Regering

Daartoe moeten de goedgekeurde notulen van de zittingen van de raad voor maatschappelijk welzijn en van het beheerscomité alsmede de lijst van de door de gemachtigde overheid genomen beslissingen binnen vijftien dagen na hun goedkeuring gelijktijdig aan het 2[gemeentelijk college]2 en aan de Regering worden overgemaakt.

De beraadslagingen kunnen binnen een termijn van dertig dagen worden opgeëist door het 2[gemeentelijk college]2 en door de Regering.

Elke beslissing die op verzoek van het 2[gemeentelijk college]2 wordt meegedeeld, wordt gelijktijdig aan de Regering gericht. Het 2[gemeentelijk college]2 beschikt over een termijn van tien dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de beraadslaging, om de schorsing wegens strijdigheid met het gemeentelijk belang en, meer bepaald, met de financiële belangen van de gemeente te betekenen aan de raad voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid en de Regering.

In geval van schorsing kunnen de raad voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid de geschorste akte hetzij bij het 2[gemeentelijk college]2 rechtvaardigen, hetzij intrekken.

Indien de raad voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid hun beslissing handhaven, wordt deze door het 2[gemeentelijk college]2 aan de Regering overgemaakt.

Het vernietigingsbesluit dat door de Regering is genomen wegens schending van de wet of strijdigheid met het algemeen belang, moet binnen veertig dagen betekend worden, te rekenen hetzij van de ontvangst van de beslissing waarbij de raad voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid de handhaving van het besluit rechtvaardigen, hetzij vanaf het verstrijken van de termijn van tien dagen die aan het 2[gemeentelijk college]2 opgelegd is om te schorsen, hetzij van de ontvangst van de beslissing die de Regering aan zich heeft getrokken.

Bij gebreke hiervan kan de beslissing van kracht worden.

Het in het vierde lid bedoelde schorsingstoezicht van het 2[gemeentelijk college]2 is niet van toepassing op de ziekenhuizen die van een O.C.M.W. afhangen, zolang uit de overeenkomstig artikel 89 goedgekeurde rekeningen blijkt dat hun exploitatie in evenwicht is.

Het schorsingstoezicht van het college is, al naar gelang het geval, niet meer of opnieuw van toepassing zodra de rekeningen goedgekeurd of definitief zijn vastgelegd overeenkomstig artikel 89.]1

28 april 1998

Wetshistoriek

Ingevoegd bij art. 28, 4° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Afdeling 3 Afzending van een bijzondere commissaris]1

Wetshistoriek

Opschrift ingevoegd bij art. 28, 5° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Art. 113 [Frans taalgebied]

Na twee achtereenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan de gouverneur een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven, op de persoonlijke kosten van de raadsleden of van de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die verzuimd hebben aan de waarschuwingen gevolg te geven, ten einde de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten en algemene verordeningen.

1[Als een in het vorige lid bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1

De invordering van de bovenbedoelde kosten geschiedt, zoals inzake directe belastingen, door de Rijksontvanger nadat de provinciegouverneur het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.

In alle gevallen staat beroep open bij de 2[Regering]2.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 18 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Hoofdstuk X Betwiste zaken en rechtsgedingen

- O.C.M.W., betwiste zaken en rechtsgedingen, algemeen

- Betwiste zaken en rechtsgedingen (O.C.M.W., federaal)

- Betwiste zaken en rechtsgedingen (O.C.M.W., Waals Gewest)

- Betwiste zaken en rechtsgedingen (O.C.M.W., Duitstalige Gemeenschap)

Art. 114 [Tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad]

2[...]

8 oktober 1992

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 44 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 62 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 114 [Nederlands taalgebied]

2[...]

5 mei 1976

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 17 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van 1 januari 2003 (art. 1, 2° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 62 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 114 [Duitstalige Gemeenschap]

1[De beslissingen genomen met toepassing van de artikelen 40, 42 en 53 worden door de Regering ter kennis gebracht aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan het betrokken college van burgemeester en schepenen.

Indien bij gebrek aan een beslissing van de Regering, het besluit van het centrum met toepassing van artikel 110 geacht wordt een stilzwijgende machtiging of goedkeuring te hebben verkregen, wordt hiervan door dit centrum kennis gegeven aan het betrokken college van burgemeester en schepenen.]1

Wetshistoriek

Vervangen bij art. 25 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).

Art. 114 [Frans taalgebied]

De beslissingen van de gouverneur genomen met toepassing 2[van de artikelen 40, 42 en 79]2 worden door zijn zorgen ter kennis gebracht aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan het betrokken 3[gemeentelijk college]3.

Indien bij gebrek aan een beslissing van de gouverneur, het besluit van het centrum met toepassing van artikel 110 geacht wordt een stilzwijgende machtiging of goedkeuring te hebben verkregen, wordt hiervan door dit centrum kennis gegeven aan het betrokken 3[gemeentelijk college]3.

Tegen de beslissingen van de gouverneur en tegen de bedoelde stilzwijgende machtiging of goedkeuring staat voor het centrum en het 3[gemeentelijk college]3 een beroep open bij de 3[Regering]3. Dit beroep moet op straffe van nietigheid worden ingediend binnen vijftien dagen na de dag waarop de bij de eerste twee leden van dit artikel bedoelde kennisgeving ontvangen werd.

1[...]

De 3[Regering]3 dient te beslissen veertig dagen na de dag dat het beroep hem werd betekend. Die termijn kan worden verlengd met één maand bij een met redenen omklede beslissing genomen voor hij verstrijkt.

Bij gebrek aan een ministerieel besluit tussengekomen binnen de voorgeschreven termijnen, is de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitvoerbaar.

28 april 1998

Wetshistoriek

Gewijzigd bij art. 29 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij art. 15, 1° en 16 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Voorgeschiedenis

Gewijzigd bij art. 62 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

Art. 115 [Federale tekst]

§ 1

1[...]

§ 2

In afwijking van artikel 28, vierde lid, worden de rechtsgedingen als eiser inzake de verrichtingen waarvan sprake in artikel 46, § 1, alsmede die inzake het beheer van de goederen en de terugvordering van de kosten voor verleende hulp, overeenkomstig de beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn, in naam van het centrum gevoerd op vervolging en benaarstiging van de ontvanger of, in voorkomend geval, van de bijzondere ontvanger bedoeld door artikel 96.

In geval van verhindering of afwezigheid van een van die ambtenaren, worden de in het vorige lid bedoelde handelingen verricht door de ambtenaar die de voornoemde ontvanger onder zijn aansprakelijkheid heeft aangeduid of door de waarnemende ontvanger; bij gebreke hiervan wordt daartoe een ambtenaar afgevaardigd door de raad voor maatschappelijk welzijn.

Wetshistoriek

§ 1 opgeheven bij art. 63 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Geselecteerde rechtspraak

Uit de artt. 24, 27 en 115 W. 8 juli 1976 volgt dat alleen de raad bevoegd is om te beslissen beroep in te stellen bij de Raad van State en dat die bevoegdheid niet kan worden gedelegeerd aan het vast bureau. De beslissing van de raad werd genomen nadat de termijn om beroep in te stellen verstreken was. (R.v.St. nr. 35.021, 29 mei 1990).

Art. 115 [Nederlands taalgebied]

2[...]

24 december 2008

Wetshistoriek

Opgeheven bij art. 276, 103° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).

Voorgeschiedenis

§ 1 opgeheven bij art. 63 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Art. 115 [Frans taalgebied]

§ 1

1[...]

§ 2

In afwijking van artikel 28, vierde lid, worden de rechtsgedingen als eiser inzake de verrichtingen waarvan sprake in artikel 46, § 1, alsmede die inzake het beheer van de goederen en de terugvordering van de kosten voor verleende hulp, overeenkomstig de beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn, in naam van het centrum gevoerd op vervolging en benaarstiging van de ontvanger of, in voorkomend geval, van de bijzondere ontvanger bedoeld door artikel 96.

In geval van verhindering of afwezigheid van een van die ambtenaren, worden de in het vorige lid bedoelde handelingen verricht door de ambtenaar die de voornoemde ontvanger onder zijn aansprakelijkheid heeft aangeduid of door de waarnemende ontvanger; bij gebreke hiervan wordt daartoe een ambtenaar afgevaardigd door de raad voor maatschappelijk welzijn.

Wetshistoriek

§ 1 opgeheven bij art. 63 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).

Franse tekst gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).

[Art. 115bis [Franse taalgebied]

§ 1

Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn is burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de boetes opgelegd aan zijn voorzitter of aan diens plaatsvervanger, aan het lid of de leden van het vast bureau en de bijzondere comités of aan elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt, als gevolg van een overtreding begaan bij de gewone uitoefening van hun functies, behalve in geval van herhaling.

De vordering tot beroep van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn jegens zijn voorzitter of diens plaatsvervanger, jegens het lid of de leden van het vast bureau en de bijzondere comités of elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt, wordt in geval van veroordeling beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of gewoonlijk voorkomende lichte schuld.

§ 2

Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk