|
|
(B.S.,
5 augustus 1976, err., B.S., 26 november 1976)
Bekrachtiging
Artikel 38,
zoals gewijzigd bij B.W. Reg. 20 december 2007 (B.S.,
24 januari 2008), is bekrachtigd bij enig art. Decr. W. Parl. 19 juni
2008 (B.S., 25 juni 2008 (eerste uitg.)), met uitwerking van de
datum van zijn inwerkingtreding.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 2 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Verwijzingen
Zie Omz.
WEL/99-07 6 juni 1999 betreffende het overzicht van de diverse wijzigingen
die bij de decreten van 18 mei 1999 aangebracht werden in de organieke wet
van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 30 juni 1999).
Elke
persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel
eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan
de menselijke waardigheid.
Er worden
openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze
wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te
verzekeren.
Verwerping
van beroep
Artikel 1 van
de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet
(Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële vraag) (B.S.,
10 augustus 2002)).
Doordat het
niet bepaalt dat maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend voor de
periode die begint te lopen op datum van de aanvraag, schendt artikel 1
van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet
(Arbitragehof nr. 112/2003, 17 september 2003 (prejudiciële vraag) (B.S.,
7 november 2003 (tweede uitg.))).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1997
betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie
omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water (B.S., 15
november 1997) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Verwijzingen
Zie art. 23,
derde lid, 2°, G.W.
Geselecteerde
rechtspraak
Recht op
maatschappelijke dienstverlening (eerste lid)
De aanspraak op
maatschappelijke dienstverlening bestaat los van vergissingen, onwetendheid,
nalatigheid of fout van de aanvrager. Art. 1, eerste lid, W. 8 juli 1976
houdt echter niet in dat het O.C.M.W. steun dient te verlenen aan degene die
zich met bedrieglijk opzet van al zijn bestaansmiddelen ontdoet teneinde
aanspraak te kunnen maken op maatschappelijke dienstverlening (Cass. (3e k.) AR
S.99.0044.N, 10 januari 2000).
De aanspraak op
maatschappelijke dienstverlening bestaat los van de vergissingen, de onkunde,
de onwetendheid, de nalatigheid of de fout van de aanvrager. Uit art. 1
van de wet blijkt niet dat het recht op dienstverlening afhankelijk is van de
vraag of de betrokken persoon al dan niet door eigen toedoen in een mensonwaardige
toestand is geraakt of zelf zijn kansen heeft verbeurd. Het O.C.M.W. kan echter
van oordeel zijn dat de steunaanvrager, gelet op zijn bekwaamheid en zijn
talenten, ook zonder op het O.C.M.W. beroep te doen, een menswaardig leven kan
leiden. In die zin is het recht op maatschappelijke dienstverlening geen
absoluut maar een relatief recht (R.v.St. nr. 34.059, 15 februari 1990).
Openbare
centra voor maatschappelijk welzijn (tweede lid)
Een O.C.M.W.
is, luidens art. 2, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, en
volgens art. 1 rechtstreeks belast met een maatschappelijke
dienstverlening. Te dien einde heeft de organieke wet het O.C.M.W. op een
specifieke wijze georganiseerd en gestructureerd. Wanneer een O.C.M.W. zich van
zijn taak kwijt, moet het, behoudens uitdrukkelijke bepaling in de wet zelf,
het strikte juridisch kader van de organieke wet eerbiedigen (R.v.St. nr.
49.708, 17 oktober 1994).
De
openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn openbare instellingen met
rechtspersoonlijkheid. Zij vervangen de commissies van openbare onderstand
waarvan zij alle goederen, rechten, lasten en verplichtingen overnemen.
Iedere
gemeente van het Rijk wordt bediend door een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Geselecteerde
rechtspraak
De
omstandigheid dat het O.C.M.W. een openbare instelling is met eigen
rechtspersoonlijkheid, onderscheiden van de rechtspersoon van publiek recht die
de gemeente is, neemt niet weg dat het een openbare instelling is die organisch
verbonden is met de gemeente binnen dewelke het functioneert. Nu de gemeente
betrokken is in zijn beheer, is het O.C.M.W. een openbare dienst ‘‘beheerd door
de gemeente’’, in de zin van art. 1 W. 26 april 1962 tot
verlening der bevoegdheden van de gerechtelijke politie aan sommige
personeelsleden van het Hoog Comité van Toezicht (Cass. AR 2810, 16 mei 1989).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 1 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 2 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 3 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
Het 2[...] openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn wordt bestuurd door een raad voor maatschappelijk
welzijn bestaande uit:
|
–9 leden voor een bevolking die de 15.000 inwoners niet
overschrijdt; |
|
–11 leden voor een bevolking van 15.001 tot 50.000
inwoners; |
|
–13 leden voor een bevolking van 50.001 tot 150.000
inwoners; |
|
–15 leden voor een bevolking van meer dan 150.000
inwoners. |
Elk
werkend lid heeft een of meer opvolgers.
§ 2
2[...]
§ 3
2[Voor het bepalen van het aantal
leden wordt het bevolkingscijfer in aanmerking genomen dat als basis gediend
heeft voor het bepalen van de samenstelling van de gemeenteraad, die de raad
voor maatschappelijk welzijn kiest.]2
§ 4
1[Wanneer in de gemeenten van het
Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de raad voor maatschappelijk welzijn geen enkel
lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt,
maakt het eerste niet verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de niet in de
raad voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigde taalgroep, er van
rechtswege deel van uit, in afwijking van artikel 11; het aantal leden bepaald
in § 1 wordt in dit geval vermeerderd met één eenheid.]1
2[...]
1[In alle gevallen wordt de
taalaanhorigheid van de belanghebbende vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis
van de gemeentekieswet.]1
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd, § 2 opgeheven en § 3 vervangen bij art. 4 W.
5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 4
gewijzigd bij art. 4 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989) en
bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
4[...]
§ 2
2[...]
§ 3
3[In deze wet wordt als
bevolkingscijfer van de gemeente het bevolkingscijfer van de gemeente
gehanteerd vermeld in artikel 5 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005.]3
§ 4
1[Wanneer in de gemeenten van het
Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de raad voor maatschappelijk welzijn geen
enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid
telt, maakt het eerste niet verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de niet
in de raad voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigde taalgroep, er van
rechtswege deel van uit, in afwijking van artikel 11; het aantal leden bepaald
in § 1 wordt in dit geval vermeerderd met één eenheid.]1
2[...]
1[In alle gevallen wordt de
taalaanhorigheid van de belanghebbende vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis
van de gemeentekieswet.]1
Wetshistoriek
§ 1
opgeheven bij art. 276, 1° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, a) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 2
opgeheven bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 3
vervangen bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992)
en bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53,
§ 2).
§ 4
gewijzigd bij art. 4 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989) en
bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 4 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006
tot vaststelling van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden per gemeente,
het aantal te verkiezen leden van de raden voor maatschappelijk welzijn van
de randgemeenten en van de gemeente Voeren, het aantal te verkiezen
districtsraadsleden in Antwerpen en van het aantal te begeven schepenmandaten
per gemeente en het aantal leden van de districtscolleges in Antwerpen (B.S.,
19 mei 2006) |
Toekomstig recht
Artikel 6, uitgezonderd § 4, wordt
opgeheven bij art. 276, 1° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse
Regering te bepalen datum (art. 285, § 1).
§ 1
4[...]
§ 2
2[...]
§ 3
5[...]
§ 4
1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse
Hoofdstedelijk Gewest, de raad voor maatschappelijk welzijn geen enkel lid van
de Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, maakt het
eerste niet verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de niet in de raad voor
maatschappelijk welzijn vertegenwoordigde taalgroep, er van rechtswege deel van
uit, in afwijking van artikel 11; het aantal leden bepaald in § 1 wordt in
dit geval vermeerderd met één eenheid.]1
2[...]
1[In alle gevallen wordt de taalaanhorigheid van
de belanghebbende vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis van de
gemeentekieswet.]1
Verwijzingen
Zie art. 5
Gemeentedecreet 17 juli 2005 (B.S., 31 augustus 2005).
Om tot
werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen
gekozen worden moet men, op de dag van de verkiezing, 2[Belg of onderdaan van een andere
Lid-Staat van de Europese Unie]2 zijn, ten minste 1[achttien]1 jaar zijn, zijn hoofdverblijf
hebben in de gebiedsomschrijving van het centrum en zich niet bevinden in een
der gevallen van onverkiesbaarheid bepaald bij 2[artikel 65, lid 2]2 van de gemeentekieswet.
Het
tweede lid van dit artikel 66 is eveneens van toepassing wanneer de door deze
bepaling bedoelde inbreuken gepleegd werden in de uitoefening van eender welk
ander openbaar ambt.
2[De onderdanen van de andere
Lid-Staten van de Europese Unie moeten overeenkomstig artikel 1bis, § 2,
van de gemeentekieswet van 4 augustus 1932 hun wil hebben gegeven, hun
stemrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen in België uit te oefenen.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 5 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 1
Decr. D. Gem. R. 23 november 2000 (B.S., 30 december 2000
(tweede uitg.)), met ingang van 23 november 2000 (art. 4).
Om tot
werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot opvolger te kunnen
gekozen worden moet men, op de dag van de verkiezing, 2[ingeschreven zijn op de lijst van
de gemeenteraadskiezers van een gemeente van het Koninkrijk]2, ten minste 1[achttien]1 jaar zijn, zijn hoofdverblijf
hebben in de gebiedsomschrijving van het centrum en zich niet bevinden in een
der gevallen van onverkiesbaarheid bepaald bij artikel 66 van de
gemeentekieswet.
Het tweede
lid van dit artikel 66 is eveneens van toepassing wanneer de door deze bepaling
bedoelde inbreuken gepleegd werden in de uitoefening van eender welk ander
openbaar ambt.
2[De onderdanen van de andere
Lid-Staten van de Europese Unie die ten gevolge van een individuele
burgerrechtelijke beslissing of een strafrechtelijke beslissing in hun Staat
van herkomst, ontheven zijn van het recht om gekozen te worden krachtens het
recht van die Staat, zijn niet verkiesbaar.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 5 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 2
en 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 28 april 2000 (B.S.,
19 september 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 19 september 2000
(art. 6).
Geselecteerde
rechtspraak
De vraag naar
de juistheid van een beslissing waarbij iemands hoofdverblijfplaats wordt
vastgesteld, moet beantwoord worden vanuit het vermoeden van juistheid van de
bestaande inschrijving in het bevolkingsregister. Om te kunnen beslissen dat
een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn hoofdverblijfplaats niet
heeft op de plaats waar hij in de bevolkingsregisters is ingeschreven, moeten
er elementen zijn die dat vermoeden in redelijkheid weerleggen. Daarbij kan met
name uitgegaan worden van de criteria voor het bepalen van de hoofdverblijfplaats,
die op een niet-beperkende wijze worden opgesomd in art. 16 K.B.
16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het
vreemdelingenregister (R.v.St. nr. 66.922, 24 juni 1997).
4[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 2° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 5 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 2
Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)), met ingang van 30 juni 1999 (art. 5) en vervangen bij art. 3
Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede
uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van
de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).
Geselecteerde
rechtspraak
De vraag naar
de juistheid van een beslissing waarbij iemands hoofdverblijfplaats wordt
vastgesteld, moet beantwoord worden vanuit het vermoeden van juistheid van de
bestaande inschrijving in het bevolkingsregister. Om te kunnen beslissen dat
een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn hoofdverblijfplaats niet
heeft op de plaats waar hij in de bevolkingsregisters is ingeschreven, moeten
er elementen zijn die dat vermoeden in redelijkheid weerleggen. Daarbij kan met
name uitgegaan worden van de criteria voor het bepalen van de
hoofdverblijfplaats, die op een niet-beperkende wijze worden opgesomd in
art. 16 K.B. 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het
vreemdelingenregister (R.v.St. nr. 66.922, 24 juni 1997).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 2 Decr. Vl. Parl. 16 februari 2007 (B.S., 27 maart 2007),
met ingang van 1 januari 2007 (art. 3) en opgeheven bij art. 276, 3° Decr.
Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste
uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg.
3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Werkende
leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mogen geen bloed- of
aanverwanten zijn tot en met de derde graad, noch door de echt verbonden zijn.
Aanverwantschap
die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de raad, stelt geen
einde aan hun mandaat.
Tussen
als werkend lid verkozen personen wordt de orde van voorrang geregeld
overeenkomstig de met toepassing van artikel 15 bepaalde verkiezingsrang. Het
werkend lid geniet voorrang op degene die door opvolging lid van de raad wordt.
Tussen personen die gelijktijdig door opvolging lid van de raad worden, wordt
de voorrang bepaald door de verkiezingsrang van de werkende leden tot wier
opvolging zij geroepen worden.
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 4° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 2 en 3 Decr. Vl. Parl. 17 juli 2000 (B.S., 11 augustus
2000), met ingang van de eerstvolgende algehele vernieuwing van de raden voor
maatschappelijk welzijn (art. 6).
Mogen
geen deel uitmaken van de raad voor maatschappelijk welzijn:
|
a)4[de
leden van het Verenigd College, de leden van het college bedoeld in
artikel 83quinquies, § 2 van de bijzondere wet van 12 januari
1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, hierna “het rechtscollege”
genoemd, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement
Brussel-Hoofdstad;]4 |
|
b)de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van
de colleges van federaties van gemeenten en agglomeraties; |
|
c)met toepassing van de artikelen 293 en 300 van het
Gerechtelijk Wetboek, betreffende de onverenigbaarheden, de leden van de
hoven, rechtbanken, parketten en griffies; |
|
d)de ambtsdragers bij de Raad van State, overeenkomstig
de bepalingen van hoofdstuk VIII van de gecoördineerde wetten op de Raad van
State betreffende de onverenigbaarheden en tucht; |
|
e)4[de
leden van het personeel van het Rijk en van de Gemeenschappelijke
Gemeenschapscommissie die rechtstreeks deelnemen aan het uitoefenen van de
controle of het toezicht op het betrokken centrum, alsmede het personeel van
de door het centrum bediende gemeente, met uitzondering van het personeel van
het gemeentelijk onderwijs;]4 |
|
f)1[de
door het centrum bezoldigde personeelsleden alsmede alle overige in artikel
49, § 4, bedoelde personen die er werkzaam zijn;]1 |
|
g)3[elke
persoon die een ambt of mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat van
werkend lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in een lokale
basisoverheid van een andere Lid-Staat van de Europese Unie.]3 |
3[De bepalingen van het eerste lid,
a) tot d), zijn eveneens van toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de
Europese Unie die in België verblijven voor de uitoefening in een andere
Lid-Staat van de Europese Unie van ambten die gelijkwaardig zijn aan die
bedoeld in deze bepalingen.]3
Wetshistoriek
Lid 1:
|
–a) vervangen bij art. 2, 1° Ord. Ver. Verg. Gem.
Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52); |
|
–e) vervangen bij art. 2, 2° Ord. Ver. Verg. Gem.
Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52); |
|
–f) vervangen bij art. 1 W. 29 december 1988 (B.S.,
4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10); |
|
–g) ingevoegd bij art. 4, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem.
Comm. 28 april 2000 (B.S., 19 september 2000 (tweede
uitg.)), met ingang van 19 september 2000 (art. 6). |
Lid 2 ingevoegd
bij art. 4, 2° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 28 april 2000 (B.S.,
19 september 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 19 september 2000
(art. 6).
Voorgeschiedenis
Lid 1, e)
vervangen bij art. 6 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
5[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 5° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Lid 1:
|
–a) vervangen bij art. 4, 1° Decr. Vl. Parl. 7 juli
2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang
24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S.,
24 november 2006 (tweede uitg.))); |
|
–b) gewijzigd bij art. 4, 2° Decr. Vl. Parl. 7 juli
2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang
24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S.,
24 november 2006 (tweede uitg.))); |
|
–c) vervangen bij art. 4, 3° Decr. Vl. Parl. 7 juli
2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang
24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S.,
24 november 2006 (tweede uitg.))); |
|
–d) vervangen bij art. 4, 4° Decr. Vl. Parl. 7 juli
2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang
24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S.,
24 november 2006 (tweede uitg.))); |
|
–e) vervangen bij art. 6 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992) en opgeheven bij art. 4, 5° Decr. Vl. Parl. 7 juli
2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang
24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S.,
24 november 2006 (tweede uitg.))); |
|
–f) vervangen bij art. 1 W. 29 december 1988 (B.S.,
4 januari 1989); |
|
–g) ingevoegd bij art. 4, 2° Decr. Vl. Parl. 18 mei
1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)), met ingang van
30 juni 1999 (art. 5). |
Lid 2 ingevoegd
bij art. 4, 1° Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999
(tweede uitg.)), met ingang van 30 juni 1999 (art. 5).
Mogen
geen deel uitmaken van de raad voor maatschappelijk welzijn:
|
a)de provinciegouverneurs, de leden van de bestendige
deputaties, de provinciegriffiers en de arrondissementscommissarissen; |
|
b)de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van
de colleges van federaties van gemeenten en agglomeraties; |
|
c)met toepassing van de artikelen 293 en 300 van
het Gerechtelijk Wetboek, betreffende de onverenigbaarheden, de leden van de
hoven, rechtbanken, parketten en griffies; |
|
d)de ambtsdragers bij de Raad van State, overeenkomstig
de bepalingen van hoofdstuk VIII van de gecoördineerde wetten op de Raad van
State betreffende de onverenigbaarheden en tucht; |
|
e)2[de
leden van het personeel van het Rijk, de Gemeenschappen, de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad en de
provincies, die belast zijn met een leidinggevende functie en rechtstreeks
deelnemen aan het uitoefenen van de controle of het toezicht op het betrokken
centrum alsmede het personeel van de door het centrum bediende gemeente, met
uitzondering van het personeel van het gemeentelijk onderwijs;]2 |
|
f)1[de
door het centrum bezoldigde personeelsleden alsmede alle overige in
artikel 49, § 4, bedoelde personen die er werkzaam zijn;]1 |
|
g)3[de
leden van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap;]3 |
|
h)4[elke
persoon die een ambt of een mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat
van een werkend lid van de raad voor een maatschappelijk welzijn in een
lokale basisoverheid van een andere Lid-Staat van de Europese Unie.]4 |
4[De bepalingen van het eerste lid,
a) tot d), zijn eveneens van toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de
Europese Unie die in een andere Lid-Staat van de Europese Unie ambten
uitoefenen die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in deze bepalingen.]4
Wetshistoriek
Lid 1:
|
–e) vervangen bij art. 6 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992); |
|
–f) vervangen bij art. 1 W. 29 december 1988 (B.S.,
4 januari 1989); |
|
–g) ingevoegd bij art. 1 Decr. D. Gem. R. 2 mei
1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996
(art. 30); |
|
–h) ingevoegd bij art. 3, 1. Decr. D. Gem. R.
23 november 2000 (B.S., 30 december 2000 (tweede uitg.)),
met ingang van 23 november 2000 (art. 4). |
Lid 2 ingevoegd
bij art. 3, 2. Decr. D. Gem. R. 23 november 2000 (B.S.,
30 december 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 23 november 2000
(art. 4).
De raad
voor maatschappelijk welzijn mag ten hoogste voor één derde bestaan uit
gemeenteraadsleden die hun mandaat binnen de gebiedsomschrijving van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitoefenen.
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 6° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 2 Decr. Vl. R. 5 april 1995 (B.S., 26 augustus 1995).
§ 1
5[...]
§ 2
5[...]
§ 3
5[...]
§ 4
5[...]
§ 5
1[In de gemeenten van het Brusselse
Hoofdstedelijk Gewest kan in de voordrachten, bedoeld in § 1, melding
worden gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.
De
taalaanhorigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis, § 2, van
de gemeentekieswet met dien verstande dat in het eerste lid, 3°, van deze
bepaling, de woorden “twee aftredende gemeenteraadsleden” vervangen worden door
de woorden “twee aftredende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn”.
De Koning
bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten en de procedure
voor de behandeling van de klachten met betrekking tot de toetsing van de
taalaanhorigheid; wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden bedoeld in het
tweede lid, niet zijn vervuld, wordt de vermelding van de taalaanhorigheid geschrapt.]1
Wetshistoriek
§§ 1 tot 4
opgeheven bij art. 276, 7° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 5
vervangen bij art. 5 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).
Voorgeschiedenis
§ 1
vervangen bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006
(art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november
2006 (tweede uitg.))) en gewijzigd bij art. 2 Decr. Vl. Parl.
22 december 2006 (B.S., 29 december 2006 (zesde uitg.)), met
ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 2
gewijzigd bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992)
en vervangen bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006
(art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november
2006 (tweede uitg.))).
§ 3
opgeheven bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Oorspronkelijke
§ 4 vervangen en vernummerd tot § 3 bij art. 5 Decr. Vl. Parl.
7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met
ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S.,
24 november 2006 (tweede uitg.))).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van de Vlaamse Regering van 17 november
2006 betreffende de voordrachtsakte en de verkiezing van de leden van de
raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24 november 2006) |
§ 1
2[De kandidaat-werkende leden en de
kandidaat-opvolgers worden schriftelijk voorgedragen door één of meer
gemeenteraadsleden; de kandidaten stemmen in door een ondertekende verklaring
op de akte van voordracht. De burgemeester, bijgestaan door de
gemeentesecretaris en in tegenwoordigheid van een gemeenteraadslid van elke
politieke fractie die een kandidatenlijst indient, neemt de akten van
voordracht in ontvangst4[de
eerste maandag na de installatie van de gemeenteraad.]4]2
§ 2
De leden
van de raad van het 2[...] openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn worden gekozen door de gemeenteraad van de gemeente die
de gebiedsomschrijving van het centrum vormt. De burgemeester kondigt
onmiddellijk de verkiezingsuitslag af.
§ 3
2[...]
§ 4
3[Het Verenigd College]3 bepaalt de nadere regels en de
procedure die in acht moeten worden genomen bij de indiening van de
kandidatenlijsten en bij de verkiezingen.
§ 5
1[In de gemeenten van het Brusselse
Hoofdstedelijk Gewest kan in de voordrachten, bedoeld in § 1, melding
worden gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.
De
taalaanhorigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis, § 2, van
de gemeentekieswet met dien verstande dat in het eerste lid, 3°, van deze
bepaling, de woorden “twee aftredende gemeenteraadsleden” vervangen worden door
de woorden “twee aftredende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn”.
De Koning
bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten en de procedure
voor de behandeling van de klachten met betrekking tot de toetsing van de
taalaanhorigheid; wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden bedoeld in het
tweede lid, niet zijn vervuld, wordt de vermelding van de taalaanhorigheid
geschrapt.]1
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992)
en gewijzigd bij art. 2 Ord. Br. H. Parl. 26 oktober 2006 (B.S.,
9 november 2006), met ingang van 1 december 2006 (art. 4).
§ 2
gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 7 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 4
gewijzigd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
§ 5
vervangen bij art. 5 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 22 november 1976 betreffende de
verkiezing van de leden van de raden der plaatselijke openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 2 december 1976) |
§ 1
2[De kandidaat-werkende leden en de
kandidaat-opvolgers worden schriftelijk voorgedragen door één of meer
gemeenteraadsleden; de kandidaten stemmen in door een ondertekende verklaring
op de akte van voordracht. De burgemeester, bijgestaan door de
gemeentesecretaris en in tegenwoordigheid van een gemeenteraadslid van elke
politieke fractie die een kandidatenlijst indient, neemt de akten van
voordracht in ontvangst.]2
4[§ 1bis
Op één
voordracht mag het aantal kandidaat-werkende leden van hetzelfde geslacht niet
meer bedragen dan de helft van het totaal aantal kandidaat-werkende leden op
deze voordracht. Op dezelfde wijze mag op één voordracht het aantal
kandidaat-opvolgers van hetzelfde geslacht niet meer bedragen dan het totaal
aantal kandidaat-opvolgers op deze voordracht.
Indien
het aldus bekomen resultaat decimalen bevat, worden die naar boven afgerond.]4
§ 2
De leden
van de raad van het 2[...] openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn worden gekozen door de gemeenteraad van de gemeente die
de gebiedsomschrijving van het centrum vormt. De burgemeester kondigt onmiddellijk
de verkiezingsuitslag af.
§ 3
2[...]
§ 4
3[De Regering]3 bepaalt de nadere regels en de
procedure die in acht moeten worden genomen bij de indiening van de
kandidatenlijsten en bij de verkiezingen.
§ 5
1[In de gemeenten van het Brusselse
Hoofdstedelijk Gewest kan in de voordrachten, bedoeld in § 1, melding
worden gemaakt van de taalaanhorigheid van de kandidaten.
De
taalaanhorigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis, § 2, van
de gemeentekieswet met dien verstande dat in het eerste lid, 3°, van deze
bepaling, de woorden “twee aftredende gemeenteraadsleden” vervangen worden door
de woorden “twee aftredende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn”.
De Koning
bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten en de procedure
voor de behandeling van de klachten met betrekking tot de toetsing van de
taalaanhorigheid; wanneer wordt vastgesteld dat de voorwaarden bedoeld in het
tweede lid, niet zijn vervuld, wordt de vermelding van de taalaanhorigheid
geschrapt.]1
Wetshistoriek
§ 1
vervangen, § 2 gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 7 W.
5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1bis
ingevoegd bij art. 2 Decr. D. Gem. R. 23 november 2000 (B.S.,
30 december 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 23 november 2000 (art.
4).
§ 4
gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 mei 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 5
vervangen bij art. 5 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 22 november 1976 betreffende de
verkiezing van de leden van de raden der plaatselijke openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 2 december 1976) |
3[De verkiezing van de leden van de
raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats in openbare vergadering, op een
maandag, ten vroegste de tweede en uiterlijk de zevende volgend op de
installatie van de gemeenteraad die tot de verkiezing van de raad voor
maatschappelijk welzijn moet overgaan.]3Indien die datum op een wettelijke feestdag valt, wordt de verkiezing
verschoven naar de eerstvolgende werkdag.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 3 Ord. Br. H. Parl. 26 oktober 2006 (B.S.,
9 november 2006), met ingang van 1 december 2006 (art. 4).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij art.
2 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en bij art. 8 W.
5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
De
verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats 1[in openbare vergadering]1 3[de vierde maandag van de maand 4[...]]3 2[die tot de verkiezing van de raad
voor maatschappelijk welzijn moet overgaan]2. Indien die datum op een wettelijke feestdag valt, wordt
de verkiezing verschoven naar de eerstvolgende werkdag.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 2 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989), bij
art. 8 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij
art. 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S.,
23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007
(art. 6) en bij art. 22 Decr. D. Gem. Parl. 25 juni 2007 (B.S.,
26 oktober 2007 (tweede uitg.)), met ingang van 25 juni 2007
(art. 58).
4[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 8° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 2 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en bij art.
8 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen bij
art. 6 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Voor de
verkiezing van leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft elk
gemeenteraadslid één stem indien er minder dan vier leden te verkiezen zijn,
drie stemmen indien er vier of vijf leden te verkiezen zijn, vier indien er zes
of zeven, vijf indien er acht of negen, zes indien er tien of elf en acht
indien er twaalf of meer leden te verkiezen zijn.
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 9° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, b)
B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 7 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 10° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
De
verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn geschiedt bij
geheime stemming en in één enkele stemronde.
Elk
gemeenteraadslid ontvangt zoveel stembiljetten als hij stemmen heeft. Op elk
stembiljet brengt hij een stem uit voor een werkend lid 1[...].
De
gemeenteraadsleden kunnen hun stem geldig uitbrengen ten gunste van een bloed-
of aanverwant.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 3 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).
Geselecteerde
rechtspraak
De bepalingen
van art. 71, derde en vierde lid van de gemeentewet (thans art. 94
Nieuwe Gem.W.), die op de vergaderingen van de gemeenteraad in het algemeen van
toepassing zijn, dienen bij ontstentenis van andersluidende bepaling in de wet
van 8 juli 1976 nageleefd te worden wanneer de gemeenteraad vergadert om
de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn te verkiezen (R.v.St.,
12 juli 1977, Gemeente Gavere, nr. 18.376).
Luidens
art. 14 O.C.M.W.-wet worden de leden van de raad voor maatschappelijk
welzijn “in één enkele stemronde” aangewezen, met toepassing van het meervoudig
stemrecht (art. 13). Die regeling is uitgewerkt om de vertegenwoordiging
in de raad voor maatschappelijk welzijn van de minderheid in de gemeenteraad te
waarborgen. De vrijheid van stemming in hoofde van de individuele
gemeenteraadsleden kan echter met zich brengen dat het aantal kandidaten die
stemmen hebben verkregen – die dus voorkomen in het resultaat van de verkiezing
–, onvoldoende kan zijn om de raad voor maatschappelijk welzijn volledig in één
verkiezingsgang samen te stellen. De enige stemronde, waarbij de evenredige
vertegenwoordiging mogelijk was, moet dan gevolgd worden door een nieuwe,
vervolledigende verkiezing, waarbij de resterende mandaten op dezelfde wijze
worden toegekend in één stemronde, en met dien verstande dat verkozen is de
kandidaat die de meeste stemmen heeft verkregen, ervan uitgaande dat het
stemmenaantal waarover de gemeenteraadsleden beschikken, beperkt wordt in
functie van het aantal nog te begeven mandaten, zoals bepaald in art. 13
(R.v.St. nr. 54.580, 13 juli 1995).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 11° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 3 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).
1[De kandidaten die de meeste
stemmen hebben bekomen, zijn verkozen tot werkende leden.]1
Bij
staking van stemmen wordt voorrang verleend in de volgende orde:
|
1°aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing, een
mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bekleedt. Zijn
twee of meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt voorrang verleend aan hem
die zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend; |
|
2°aan de kandidaat die vroeger een mandaat in een
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft uitgeoefend. Zijn twee of
meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt de voorrang gegeven aan hem die
zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend en, bij gelijke duur,
aan hem die het laatst is afgetreden; |
|
3°aan de oudste kandidaat in jaren die de leeftijd van
zestig jaar niet heeft bereikt; |
|
4°aan de jongste in jaren van de kandidaten die de
leeftijd van zestig jaar hebben bereikt. |
Wie zou
verkozen zijn, doch wiens verkiezing vernietigd wordt wegens onverkiesbaarheid,
wordt vervangen door zijn opvolger.
1[De kandidaten die als opvolgers
van een verkozen werkend lid werden voorgedragen, zijn van rechtswege de
opvolgers van het voornoemde lid.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 4 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).
Verwerping
van beroep
Artikel 15 van
de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in
zoverre het bij staking van stemmen voorrang verleent aan de kandidaten die al
een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben
uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002
(prejudiciële vraag) (B.S., 10 januari 2003)).
Geselecteerde
rechtspraak
Al kan worden
aanvaard dat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de schepenen
vergelijkbare categorieën vormen, in zoverre zowel de enen als de anderen door
de gemeenteraad worden verkozen en een – aldus bij een getrapte verkiezing
verleend – lokaal publiek mandaat uitoefenen, toch volgt daaruit niet dat de
artikelen 10 en 11 G.W. vereisen dat de regels krachtens welke die mandaten
worden verleend, in alle opzichten met elkaar moeten overeenstemmen. In het
geval dat de wil tot verandering het niet heeft gehaald, zoals blijkt uit de
staking van stemmen tussen twee kandidaten voor de raad voor maatschappelijk
welzijn, van wie één kan worden verondersteld zich op meer ervaring te kunnen
beroepen dan de andere, handelt de wetgever niet op een kennelijk onredelijke
wijze door met dat element rekening te houden. Art. 15 W. 8 juli 1976
schendt de artikelen 10 en 11 G.W. niet, in zoverre het bij staking van stemmen
voorrang verleent aan de kandidaten die al een mandaat in een O.C.M.W. hebben
uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002 (prejudiciële
vraag)).
Om verkozen te
kunnen worden moet een kandidaat effectief stemmen hebben verkregen, en moet
minstens één gemeenteraadslid één stem op de kandidaat hebben uitgebracht
(R.v.St. nr. 54.580, 13 juli 1995).
1[De kandidaten die de meeste
stemmen hebben bekomen, zijn verkozen tot werkende leden.]1
Bij
staking van stemmen wordt voorrang verleend in de volgende orde:
|
2[1°aan de kandidaat van het geslacht dat bij de raad
voor maatschappelijk welzijn het minst vertegenwoordigd is. Zijn twee of
meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt de voorrang overeenkomstig de
onder de punten 2° tot 5° vastgelegde regels gegeven;]2 |
|
2[2°aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing,
een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bekleedt.
Zijn twee of meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt voorrang verleend
aan hem die zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend; |
|
2[3°aan de kandidaat die vroeger een mandaat in een openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn heeft uitgeoefend. Zijn twee of meerdere
kandidaten in dat geval, dan wordt de voorrang gegeven aan hem die zijn
mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend en, bij gelijke duur, aan
hem die het laatst is afgetreden; |
|
2[4°aan de oudste kandidaat in jaren die de leeftijd van
zestig jaar niet heeft bereikt; |
|
2[5°aan de jongste in jaren van de kandidaten die de
leeftijd van zestig jaar hebben bereikt. |
Wie zou
verkozen zijn, doch wiens verkiezing vernietigd wordt wegens onverkiesbaarheid,
wordt vervangen door zijn opvolger.
1[De kandidaten die als opvolgers
van een verkozen werkend lid werden voorgedragen, zijn van rechtswege de
opvolgers van het voornoemde lid.]1
2[Als alle met toepassing van dit
artikel verkozen leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van hetzelfde
geslacht zijn, wordt het lid met de laagste verkiezingsrang vervangen door het
eerst vervangend lid van het ander geslacht. Is er geen lid van het ander
geslacht, stelt de fractie die de voordracht heeft ingediend een nieuwe
kandidaat van het ander geslacht voor. Deze kandidaat geldt van rechtswege als
verkozen.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 4 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).
Lid 2:
|
–1° ingevoegd bij art. 2, § 1 Decr. D. Gem. Parl.
19 september 2006 (B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)),
met ingang van 5 januari 2007 (art. 6); |
|
–oorspronkelijk 1° vernummerd tot 2° bij art. 2,
§ 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S.,
23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007
(art. 6); |
|
–oorspronkelijk 2° vernummerd tot 3° bij art. 2,
§ 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S.,
23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007
(art. 6); |
|
–oorspronkelijk 3° vernummerd tot 4° bij art. 2,
§ 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S.,
23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007
(art. 6); |
|
–oorspronkelijk 4° vernummerd tot 5° bij art. 2,
§ 1 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S.,
23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007
(art. 6). |
Lid 5
ingevoegd bij art. 2, § 2 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006
(B.S., 23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van
5 januari 2007 (art. 6).
Verwerping
van beroep
Artikel 15 van
de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in
zoverre het bij staking van stemmen voorrang verleent aan de kandidaten die al
een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben
uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002
(prejudiciële vraag) (B.S., 10 januari 2003)).
Geselecteerde
rechtspraak
Al kan worden
aanvaard dat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de schepenen
vergelijkbare categorieën vormen, in zoverre zowel de enen als de anderen door
de gemeenteraad worden verkozen en een – aldus bij een getrapte verkiezing
verleend – lokaal publiek mandaat uitoefenen, toch volgt daaruit niet dat de
artikelen 10 en 11 G.W. vereisen dat de regels krachtens welke die mandaten
worden verleend, in alle opzichten met elkaar moeten overeenstemmen. In het
geval dat de wil tot verandering het niet heeft gehaald, zoals blijkt uit de
staking van stemmen tussen twee kandidaten voor de raad voor maatschappelijk welzijn,
van wie één kan worden verondersteld zich op meer ervaring te kunnen beroepen
dan de andere, handelt de wetgever niet op een kennelijk onredelijke wijze door
met dat element rekening te houden. Art. 15 W. 8 juli 1976 schendt de
artikelen 10 en 11 G.W. niet, in zoverre het bij staking van stemmen voorrang
verleent aan de kandidaten die al een mandaat in een O.C.M.W. hebben
uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002 (prejudiciële
vraag)).
Om verkozen te
kunnen worden moet een kandidaat effectief stemmen hebben verkregen, en moet
minstens één gemeenteraadslid één stem op de kandidaat hebben uitgebracht
(R.v.St. nr. 54.580, 13 juli 1995).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 12° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 4 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989) en vervangen
bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Verwerping
van beroep
Artikel 15 van
de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in
zoverre het bij staking van stemmen voorrang verleent aan de kandidaten die al
een mandaat in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben
uitgeoefend (Arbitragehof nr. 135/2002, 25 september 2002
(prejudiciële vraag) (B.S., 10 januari 2003)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 9 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 13° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
1[Dezelfde persoon kan opvolger van
twee of meer werkende leden zijn.
Evenzo
kan elk werkend lid twee of meerdere opvolgers hebben die zijn voorbestemd om
hem te vervangen in de orde die gevolgd werd bij de voordracht van hun
kandidaturen.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 5 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 14° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 5 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989).
Als het
uittredend lid van de raad voor maatschappelijk welzijn vóór het einde van zijn
mandaat het enige van het ander geslacht was, dan moet het met toepassing van
artikel 17, lid 1 of 2, verkozen nieuwe lid van hetzelfde geslacht
zijn.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S.,
23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007
(art. 6).
Wanneer een
werkend lid vóór het verstrijken van zijn mandaat ophoudt deel uit te maken van
de raad voor maatschappelijk welzijn en hij geen opvolger meer heeft, kunnen
alle nog in functie zijnde gemeenteraadsleden die de voordracht van het te
vervangen lid hadden ondertekend, gezamenlijk een kandidaat-werkend lid en een
of meer kandidaat-opvolgers voordragen. In dit geval zijn deze kandidaten
gekozen verklaard, de kandidaat-opvolgers in de orde van hun voordracht.
Is zulks
niet het geval, dan wordt in de vervanging voorzien bij een geheime stemming
waarbij elk gemeenteraadslid over één stem beschikt en de kandidaat die de
meeste stemmen behaalde als verkozen wordt verklaard; bij staking van stemmen,
is artikel 15 van toepassing.
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 15° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
In afwijking
van de artikelen 11 tot en met 17 worden de leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de
wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op
18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, rechtstreeks
gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers.
De
verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats
dezelfde dag als de gemeenteraadsverkiezingen.
De Koning
stelt de nadere regels vast voor die verkiezing, naar analogie van de procedure
bedoeld in de gemeentekieswet voor de verkiezing van de gemeenteraadsleden.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 11 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 26 augustus 1988 tot
vaststelling van de nadere regels voor de verkiezing van de raad voor
maatschappelijk welzijn in de gemeenten bedoeld bij artikel 7 van de wetten
op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
1966, en in de gemeenten Komen-Waasten en Voeren (B.S.,
31 augustus 1988) |
|
–Koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot
vaststelling van het model van de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van
de provincieraden en de gemeenteraden, voor de verkiezing van de districtsraden
en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 24 augustus 2000) |
In
afwijking van de 2[artikelen 8 tot en met 14 en
artikel 16 van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie
van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]2 worden de leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de
wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op
18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, rechtstreeks
gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers.
De
verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats
dezelfde dag als de gemeenteraadsverkiezingen.
De Koning
stelt de nadere regels vast voor die verkiezing, naar analogie van de procedure
bedoeld in de gemeentekieswet voor de verkiezing van de gemeenteraadsleden.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 11 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en
gewijzigd bij art. 272, 1° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 46°, B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 26 augustus 1988 tot vaststelling
van de nadere regels voor de verkiezing van de raad voor maatschappelijk
welzijn in de gemeenten bedoeld bij artikel 7 van de wetten op het gebruik
der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de
gemeenten Komen-Waasten en Voeren (B.S., 31 augustus 1988) |
|
–Koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot
vaststelling van het model van de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van
de provincieraden en de gemeenteraden, voor de verkiezing van de
districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 24 augustus 2000) |
|
–Besluit van de Vlaamse Regering van 28 april 2006
tot vaststelling van het aantal te verkiezen gemeenteraadsleden per gemeente,
het aantal te verkiezen leden van de raden voor maatschappelijk welzijn van
de randgemeenten en van de gemeente Voeren, het aantal te verkiezen
districtsraadsleden in Antwerpen en van het aantal te begeven schepenmandaten
per gemeente en het aantal leden van de districtscolleges in Antwerpen (B.S.,
19 mei 2006) |
4[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 16° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 9 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 3
W. 22 maart 1999 (B.S., 14 april 1999 (eerste uitg.)) en
vervangen bij art. 10 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl.
Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede
uitg.))).
Geselecteerde
rechtspraak
Wanneer de Raad
van State uitspraak doet over het beroep bedoeld bij art. 18 O.C.M.W.-Wet,
zetelt hij als rechter met volle rechtspraak en komt zijn beslissing in de
plaats van die van de bestendige deputatie. Voor de Raad kunnen enkel dezelfde
vorderingen aangebracht worden, gesteund op dezelfde gronden, als die welke
reeds voordien aan de bestendige deputatie werden voorgedragen (R.v.St. nr.
32.847, 27 juni 1989).
3[§ 1
Het
dossier van de verkiezing van de leden van de raden voor maatschappelijk
welzijn en hun opvolgers wordt onverwijld toegezonden aan het rechtscollege.
Elk
bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk bij het
rechtscollege worden ingediend binnen tien dagen volgend op de bekendmaking van
de verkiezingsuitslag.
Ongeacht
of bij het rechtscollege bezwaar is ingediend of niet, doet het uitspraak over
de geldigheid van de verkiezing binnen dertig dagen na ontvangst van het
dossier en zet het, in voorkomend geval, de bij het vaststellen van de
verkiezingsuitslag begane vergissingen recht. Indien binnen die termijn geen
uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.
Binnen
acht dagen na ontvangst van eendere klacht, deelt het rechtscollege zulks mede
aan het Verenigd College.
De
geldigheid van de verkiezing door het verstrijken van de termijn of de
beslissing van het rechtscollege, wordt door de zorg van de diensten van dat
college medegedeeld aan het Verenigd College, aan de gemeenteraad en aan het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Er wordt bij ter post
aangetekende brief kennis van gegeven aan de leden en opvolgers wier verkiezing
werd vernietigd, aan de opvolgers wier verkiezingsrang werd gewijzigd en aan
wie bezwaar heeft ingediend.
De in het
voorgaande lid bedoelde natuurlijke en rechtspersonen kunnen bij de Raad van
State beroep instellen binnen vijftien dagen na de mededeling of de
kennisgeving.
Binnen
acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State wordt
ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede aan het
Verenigd College, alsmede aan het betrokken openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad. Hij deelt hun het arrest van de
Raad van State mede.
Wanneer
een vernietiging definitief geworden is, wordt tot een nieuwe verkiezing
overgegaan. In dit geval is artikel 12 van toepassing met dien verstande
dat de termijn slechts een aanvang neemt de dag volgend op die waarop de
vernietiging aan de betrokken gemeenteraad is medegedeeld.]3
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 4 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 9 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 3
W. 22 maart 1999 (B.S., 14 april 1999 (eerste uitg.)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
Geselecteerde
rechtspraak
Wanneer de Raad
van State uitspraak doet over het beroep bedoeld bij art. 18 O.C.M.W.-Wet,
zetelt hij als rechter met volle rechtspraak en komt zijn beslissing in de
plaats van die van de bestendige deputatie. Voor de Raad kunnen enkel dezelfde
vorderingen aangebracht worden, gesteund op dezelfde gronden, als die welke
reeds voordien aan de bestendige deputatie werden voorgedragen (R.v.St. nr.
32.847, 27 juni 1989).
2[Het dossier van de verkiezing van
de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en hun opvolgers wordt
onverwijld toegezonden aan de Regering.
Elk
bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk bij de
Regering worden ingediend binnen tien dagen volgend op de afkondiging van de
verkiezingsuitslag.
De
Regering doet uitspraak over de geldigheid van de verkiezing binnen dertig
dagen na ontvangst van het dossier en herstelt, in voorkomend geval, de bij het
vaststellen van de verkiezingsuitslag begane vergissingen. Indien binnen deze
termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.
Het feit
dat de verkiezing geldigheid heeft verkregen door het verstrijken van de
termijn of de beslissing van de Regering, wordt door de zorg van de Regering
medegedeeld aan de betrokken gemeenteraad en aan het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn. Er wordt bij ter post aangetekende brief kennis van
gegeven aan de leden en opvolgers wier verkiezing werd vernietigd, aan de
opvolgers wier verkiezingsrang werd gewijzigd en aan de personen die bezwaren
hebben ingediend.]2
2[...]
Binnen
acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State wordt
ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede aan 1[de Regering]1, alsmede aan het betrokken
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de 1[gemeenteraad]1. Hij deelt hun het arrest van de
Raad van State mede.
Wanneer
een vernietiging definitief geworden is, wordt tot een nieuwe verkiezing
overgegaan. In dit geval is artikel 2 van toepassing met dien verstande
dat de termijn slechts een aanvang neemt de dag volgend op die waarop de
vernietiging aan de betrokken gemeenteraad werd medegedeeld.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 9 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 2
Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met
ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
§ 1
In afwijking
van artikel 18 is de in de artikelen 74 tot en met 77 van de gemeentekieswet
bepaalde regeling van de beroepen betreffende de verkiezing van de
gemeenteraad, van overeenkomstige toepassing voor de geschillen betreffende de
verkiezing van de raad of van het vast bureau van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn van een randgemeente bedoeld in artikel 7 van de wetten
op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
1966 en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren.
§ 2
In geval
van een geschil met betrekking tot de verkiezing van de raad of van het vast
bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten
Komen-Waasten en Voeren worden de bevoegdheden van de bestendige deputatie van
de provincieraad, bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 van de
gemeentekieswet, uitgeoefend door het in artikel 131bis van de provinciewet
bedoelde college van provinciegouverneurs.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 12 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).
§ 1
In
afwijking van 2[artikel 15 van het decreet van
19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn]2 is
de in de artikelen 74 tot en met 77 van de gemeentekieswet bepaalde regeling
van de beroepen betreffende de verkiezing van de gemeenteraad, van
overeenkomstige toepassing voor de geschillen betreffende de verkiezing van de
raad of van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van een randgemeente bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik
van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en van de
gemeenten Komen-Waasten en Voeren.
§ 2
In geval
van een geschil met betrekking tot de verkiezing van de raad of van het vast
bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten
Komen-Waasten en Voeren worden de bevoegdheden van de bestendige deputatie van
de provincieraad, bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 van de
gemeentekieswet, uitgeoefend door het in artikel 131bis van de provinciewet
bedoelde college van provinciegouverneurs.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 12 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en
gewijzigd bij art. 272, 2° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
In de
gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt bij het dossier van de
verkiezing gevoegd:
|
1)de naam en de voornamen van de eerste niet verkozen
kandidaat gemeenteraadslid van beide taalgroepen; |
|
2)in voorkomend geval, de naam van diegene van beide
voormelde kandidaten die van rechtswege deel uitmaakt van de raad voor
maatschappelijk welzijn met toepassing van artikel 6, § 4. |
Het in
artikel 18 bedoelde bezwaar en beroep kunnen eveneens ingediend,
respectievelijk ingesteld worden, tegen de voormelde aanwijzing van het lid van
rechtswege.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 6 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).
Het
mandaat van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn vangt aan 1[de eerste werkdag]1 van de derde maand volgend op de
datum van 1[het in functie treden]1 van de 1[gemeenteraad]1 verkozen na een volledige
vernieuwing, of ten laatste de eerste dag van de tweede maand volgend op
diegene tijdens dewelke de uitslag van 1[hun verkiezing]1
definitief is geworden. De leden blijven hun mandaat uitoefenen tot de
installatie van de leden die hen zullen opvolgen.
Het lid
dat ontslag neemt blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd.
De
opvolger of het ter plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het mandaat van
het lid dat hij opvolgt.
1[Is een lid verhinderd wegens de
vervulling van zijn actieve militaire dienstplicht of van zijn burgerdienst als
gewetensbezwaarde, dan wordt hij, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het
vast bureau, gedurende die periode vervangen door zijn opvolger.]1
1[Het lid dat een ouderschapsverlof
wenst te nemen, wegens de geboorte of de adoptie van een kind, wordt, op zijn
schriftelijk verzoek gericht aan het vast bureau, vervangen door zijn opvolger,
ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoedelijke datum van de geboorte
of van de adoptie, tot het einde van de achtste week na de dag van de geboorte
of de adoptie. Op zijn schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de
uitoefening van het mandaat na de achtste week verlengd met een duur gelijk aan
die gedurende dewelke hij zijn mandaat verder heeft uitgeoefend tijdens de
periode van zeven weken die de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan.
De
vervangingen bedoeld in het vierde en vijfde lid zijn evenwel slechts mogelijk
nadat het te vervangen lid beëdigd werd.]1
2[Wanneer, op de dag van de
installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn, het ontslag, dat bij
aangetekende brief is aangeboden door een verkozene waarvoor de in artikel 9,
e) of f), bedoelde onverenigbaarheid geldt, nog niet werd aanvaard of wanneer
dat ontslag het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de toeziende overheid,
wordt de verkozene vervangen door zijn eerste opvolger tot de dag waarop het
ontslag wordt aanvaard of het geschil is beslecht. Op dat ogenblik wordt de
opvolger opnieuw eerste opvolger van het werkend lid dat in aanmerking komt
voor de eedaflegging.
De eerste
opvolger van een verkozen lid van wie betwist wordt dat hij de eed mag
afleggen, moet, op straffe van nietigheid van de beraadslagingen en besluiten,
opgeroepen en geïnstalleerd worden op de installatievergadering, met dien
verstande dat artikel 9 ook op hem van toepassing is.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 10 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij enig
art. W. 2 september 1992 (B.S., 28 oktober 1992).
4[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 17° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 10 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij enig
art. W. 2 september 1992 (B.S., 28 oktober 1992) en bij art.
11, 1° en 2° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006 (art. 13 B. Vl.
Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november 2006 (tweede
uitg.))).
Alvorens
in functie te treden, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn 2[en de vertrouwenspersonen bedoeld
in artikel 20ter]2 tot de eedaflegging opgeroepen
door de burgemeester of afgevaardigde schepen 1[...] en zij leggen in zijn handen
de volgende eed af: “Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te
komen”.
In geval
van volledige vernieuwing van de raad heeft de eedaflegging plaats tijdens de
installatievergadering belegd op de datum van de aanvang van het mandaat
bedoeld bij artikel 19, eerste lid. Elke andere eedaflegging geschiedt enkel
ten overstaan van de burgemeester 1[en in aanwezigheid van de gemeentesecretaris]1, hiervan wordt een door de
burgemeester en de secretaris ondertekend proces-verbaal opgemaakt dat aan de
voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt gestuurd.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 11 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
2 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 18 januari 2007 (B.S.,
1 februari 2007 (eerste uitg.), err.,B.S., 13 februari 2007),
met ingang van 1 februari 2007 (art. 4).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 18° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 11 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen
bij art. 12 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
3[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
enig art. W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en
opgeheven bij art. 276, 19° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 13 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Indien de
burgemeester of afgevaardigde schepen nalaat de leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging op te roepen om de eed af te nemen,
worden de leden opgeroepen door 2[het Verenigd College]2 en leggen ze de eed af in zijn handen of in de handen van een door
hem aangeduide commissaris.
2[Het Verenigd College]2 neemt deze maatregelen binnen
dertig dagen nadat hij van het verzuim kennis heeft gekregen.
De kosten
van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of afgevaardigde schepen
die verzuimd heeft uitvoering te geven aan artikel 20 van deze wet.
De
invordering van die kosten geschiedt door de rijksontvanger, zoals inzake
directe belastingen, ten laste van de burgemeester of afgevaardigde schepen,
nadat 2[het Verenigd College]2 het bevelschrift uitvoerbaar
heeft verklaard.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
enig art. W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en
gewijzigd bij art. 5 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
2[Indien de burgemeester of
afgevaardigde schepen nalaat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn
tot de eedaflegging op te roepen, worden de leden opgeroepen door de Regering
en leggen ze de eed af voor haar.
De
Regering neemt deze maatregel binnen dertig dagen nadat zij van het verzuim
kennis heeft gekregen.
De kosten
van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of schepen die verzuimd
heeft uitvoering te geven aan artikel 20 van deze wet.]2
De
invordering van die kosten geschiedt door de rijksontvanger, zoals inzake
directe belastingen, ten laste van de burgemeester of afgevaardigde schepen,
nadat de 2[de Regering]2 het bevelschrift uitvoerbaar
heeft verklaard.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
enig art. W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en
gewijzigd bij art. 3 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 14 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 20° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Het lid
van de raad voor maatschappelijk welzijn dat wegens een handicap zijn mandaat
niet zelfstandig kan uitoefenen, kan zich voor de uitoefening van dit mandaat
laten bijstaan door een vertrouwenspersoon die gekozen wordt uit de kiezers van
de gemeente, voldoet aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van lid
van de raad voor maatschappelijk welzijn en geen personeelslid is van de
gemeentediensten of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van
de desbetreffende gemeente.
Voor de
toepassing van het eerste lid, stelt het Verenigd College de criteria vast
waaraan het gehandicapte raadslid moet voldoen.
Bij het
verlenen van de bijstand, heeft de vertrouwenspersoon dezelfde verplichtingen
en krijgt hij dezelfde middelen ter beschikking als het lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn, met inbegrip van het ontvangen van presentiegeld.
Het
Verenigd College stelt de soorten handicaps vast die het lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn recht geven op de bijstand van een specifiek opgeleide
persoon, alsook de wijze en het bedrag van de vergoeding van deze persoon voor
rekening van het centrum. Deze persoon hoeft niet noodzakelijk te worden
gekozen uit de kiezers van de gemeente, te voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden
voor het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en de eed af
te leggen als bedoeld in artikel 20ter. De eventuele steun van andere overheden
in het kader van de bijstand aan personen met een handicap wordt van zijn vergoeding
afgetrokken.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 18 januari 2007 (B.S.,
1 februari 2007 (eerste uitg.), err.,B.S., 13 februari 2007),
met ingang van 1 februari 2007 (art. 4).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 14 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 21° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 14 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 22° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 3 Decr. Vl. Parl. 22 december 2006 (B.S.,
29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 8 oktober 2006
(art. 22).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 14 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 23° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
2[§ 1]2
Wanneer
een lid na de eedaflegging niet meer voldoet aan een van de voorwaarden van
verkiesbaarheid of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren,
stelt de burgemeester 1[...]
of de voorzitter van de raad de 2[deputatie]2 hiervan onverwijld in kennis.
Afschrift van die kennisgeving wordt dezelfde dag bij aangetekend schrijven met
ontvangstmelding gezonden aan het betrokken raadslid dat zijn opmerkingen
schriftelijk binnen vijftien dagen kan mededelen aan de 2[deputatie]2.
Wanneer
het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het
raadslid vooraf op dezelfde wijze uit te nodigen om uit het onverenigbare ambt
ontslag te nemen. Het lid beschikt over vijftien dagen om aan die uitnodiging
gevolg te geven.
De 2[deputatie]2 doet uitspraak binnen dertig
dagen na ontvangst van de kennisgeving door de burgemeester.
Wanneer
de 2[deputatie]2 zelf een dergelijke toestand
vaststelt of hiervan kennis krijgt op klacht van een derde, geeft zij daarvan
kennis bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding aan het betrokken
raadslid en nodigt zij hem uit om binnen vijftien dagen schriftelijk zijn
opmerkingen te doen kennen of uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen.
Behoudens
in geval van ontslag, doet de 2[deputatie]2 uitspraak binnen dertig dagen na
de verzending van de kennisgeving.
De
beslissing van de 2[deputatie]2 wordt door de gouverneur, bij
aangetekend schrijven met ontvangstmelding, betekend aan het betrokken raadslid
en aan de eventuele bezwaarindieners; er wordt eveneens kennis van gegeven aan
de burgemeester 1[...] en aan de voorzitter van de
raad. Het raadslid, de bezwaarindieners en de gouverneur kunnen binnen vijftien
dagen na de kennisgeving tegen de beslissing van de 2[deputatie]2 beroep instellen bij de Raad van
State.
De met
toepassing van dit artikel door de 2[deputatie]2 uitgesproken vervallenverklaring
heeft uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken raadslid. Het beroep
bij de Raad van State is niet schorsend.
2[§ 2
Deze
bepaling geldt enkel voor de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de
wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op
18 juli 1966, en voor de toepassing van artikel 21bis.]2
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 12 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), genummerd bij art. 15 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1) en gewijzigd bij art. 272, 3° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
§ 2
ingevoegd bij art. 15 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot
regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van
State, in geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de
organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
Geselecteerde
rechtspraak
De bestendige
deputatie moet zich uitspreken binnen de dertig dagen. Na die termijn is de
bestendige deputatie niet meer bevoegd en is de verkiezing regelmatig (R.v.St.
nr. 22.172, 1 april 1982).
2[§ 1
Wanneer
een lid na de eedaflegging niet meer voldoet aan een van de voorwaarden van
verkiesbaarheid of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren, stelt
de burgemeester of de voorzitter van de raad het rechtscollege hiervan
onverwijld in kennis. Afschrift van die kennisgeving wordt dezelfde dag
gezonden aan het Verenigd College evenals, bij aangetekend schrijven met
ontvangstmelding, aan het betrokken raadslid dat zijn opmerkingen schriftelijk
binnen vijftien dagen kan mededelen aan het college.
Wanneer
het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het
raadslid vooraf op dezelfde wijze uit te nodigen om uit het onverenigbaar ambt
ontslag te nemen. Het lid beschikt over vijftien dagen om aan die uitnodiging
gevolg te geven.
Het
rechtscollege doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de
kennisgeving door de burgemeester.
Wanneer
het rechtscollege zelf een dergelijke toestand vaststelt of hiervan kennis
krijgt op klacht van een derde, geeft het daarvan kennis bij aangetekend
schrijven met ontvangstmelding aan het betrokken raadslid en nodigt hem uit om
binnen vijftien dagen schriftelijk zijn opmerkingen te doen kennen of uit het
onverenigbare ambt ontslag te nemen.
Behoudens
in geval van ontslag, doet het rechtscollege uitspraak binnen dertig dagen na
verzending van de kennisgeving.
De
beslissing van het rechtscollege wordt door zijn diensten, bij aangetekend
schrijven met ontvangstmelding, betekend aan het betrokken raadslid en aan de
eventuele bezwaarindieners; er wordt eveneens kennis van gegeven aan het
Verenigd College, de burgemeester en de voorzitter van de raad. Het raadslid en
de bezwaarindieners kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving tegen de
beslissing van het rechtscollege beroep instellen bij de Raad van State.
De met
toepassing van dit artikel door het rechtscollege uitgesproken
vervallenverklaring heeft uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken
raadslid. Het beroep bij de Raad van State is niet schorsend.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 6 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij art.
12 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
2[Wanneer een lid na de
eedaflegging niet meer voldoet aan een van de voorwaarden van verkiesbaarheid
of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren, stelt de
burgemeester of de voorzitter van de raad de Regering hiervan onverwijld in
kennis. Afschrift van die kennisgeving wordt dezelfde dag bij aangetekende
brief gezonden aan het betrokken raadslid dat zijn opmerkingen schriftelijk
binnen vijftien dagen kan mededelen aan de Regering.
Wanneer
het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het
raadslid vooraf op dezelfde wijze uit te nodigen om uit het onverenigbare ambt
ontslag te nemen. Het lid beschikt over vijftien dagen om aan die uitnodiging
gevolg te geven.
De
Regering doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving
door de burgemeester.
Wanneer
de Regering zelf een dergelijke toestand vaststelt of hiervan kennis krijgt op
klacht van een derde, geeft zij daarvan kennis bij aangetekende brief aan het
betrokken raadslid en nodigt zij hem uit om binnen vijftien dagen schriftelijk
zijn opmerkingen te doen kennen of uit het onverenigbare ambt ontslag te nemen.
Behoudens
in geval van ontslag van het betrokken lid, doet de Regering uitspraak binnen
dertig dagen na de verzending van de kennisgeving.]2
2[De Regering betekent haar
beslissing bij aangetekende brief aan het betrokken raadslid en aan de
eventuele bezwaarindieners; er wordt eveneens kennis gegeven aan de
burgemeester en aan de voorzitter van de raad.] Het raadslid, de
bezwaarindieners en 2[...] kunnen binnen vijftien dagen
na de kennisgeving tegen 2[de
beslissing van de Regering]2 beroep
instellen bij de Raad van State.
De met
toepassing van dit artikel 2[van
de Regering]2 uitgesproken vervallenverklaring
heeft uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken raadslid. Het beroep
bij de Raad van State is niet schorsend.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 4 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 12 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
In geval
van een geschil betreffende een lid van de raad of van het vast bureau van een
centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten KomenWaasten en Voeren,
worden, in afwijking van artikel 21, de bevoegdheden van de bestendige
deputatie van de provincieraad uitgeoefend door het college van
provinciegouverneurs, bedoeld in artikel 131bis van de provinciewet.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 13 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 16 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 24° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Verwijzingen
Zie B.Vl.Reg.
15 juni 2007 houdende vaststelling van de tuchtprocedure voor de
mandatarissen in uitvoering van artikelen 71 en 274 van het
gemeentedecreet, artikel 21ter van de OCMW-wet en artikel 69 van het
provinciedecreet (dl. II, datum).
3[§ 1]3
In geval
van zware nalatigheid of algemeen bekend wangedrag kunnen de leden van de raad
voor maatschappelijk welzijn door de bestendige deputatie geschorst of afgezet
worden, op voorstel van de raad voor maatschappelijk welzijn, van de 2[gemeenteraad]2 of zelfs van ambtswege. De
schorsing mag de tijd van drie maanden niet te boven gaan.
Het
betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, indien hij verschijnt, gehoord; het
advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt ingewonnen.
De
beslissing van de bestendige deputatie wordt ter kennis gebracht van de
betrokkene en medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de 2[gemeenteraad]2. Zij beschikken over het recht
beroep in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de betekening.
1[Als het een lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn van Komen-Waasten of Voeren betreft, worden de
bevoegdheden die door het eerste tot het derde lid worden toegewezen aan de
bestendige deputatie van de provincieraad, uitgeoefend door de provinciegouverneur
op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde
college van provinciegouverneurs.]1
3[§ 2
De
bepalingen van § 1, gelden enkel voor de gemeente Voeren.]3
Wetshistoriek
Oorspr. art.
gewijzigd bij art. 14 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus
1988), bij art. 13 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992)
en genummerd tot § 1 bij art. 17 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
§ 2
ingevoegd bij art. 17 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
Geselecteerde
rechtspraak
Bij het treffen
van een besluit overeenkomstig art. 22 W. 8 juli 1976, moet de bestendige
deputatie de in art. 104bis Prov. W. en in K.B. 17 september 1987 bepaalde
regels nakomen. Dit is niet gebeurd als de bestendige deputatie tot een
beslissing is gekomen op grond van een niet op tegenspraak gevoerd onderzoek
van haar administratieve diensten (R.v.St. nr. 87.281, 16 mei 2000).
3[Bij zware nalatigheid of algemeen
bekend wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door
het rechtscollege geschorst of afgezet worden, op voorstel van het Verenigd
College, van de raad voor maatschappelijk welzijn of van de gemeenteraad. De
schorsing mag de tijd van drie maanden niet te boven gaan.
Het
betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, indien hij verschijnt, gehoord; het
advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt gevraagd.
De
beslissing van het rechtscollege wordt ter kennis gebracht van de betrokkene en
meegedeeld aan het Verenigd College, aan de raad voor maatschappelijk welzijn
en aan de gemeenteraad. De betrokkene, de raad voor maatschappelijk welzijn en
de gemeenteraad kunnen beroep instellen bij de Raad van State binnen vijftien
dagen na de betekening.]3
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 7 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 14 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en bij
art. 13 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
3[In geval van zware nalatigheid of
algemeen bekend wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk
welzijn door de Regering geschorst of afgezet worden, op voorstel van de raad
voor maatschappelijk welzijn, van de gemeenteraad of zelfs van ambtswege. De
schorsing mag drie maanden niet te boven gaan.
Het
betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, indien hij verschijnt, gehoord het
advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt ingewonnen.]3
De
beslissing 3[van de Regering]3 wordt ter kennis gebracht van de
betrokkene en medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de 2[gemeenteraad]2. Zij beschikken over het recht
beroep in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de
betekening.
1[Als het een lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn van Komen-Waasten of Voeren betreft, worden de
bevoegdheden die door het eerste tot het derde lid worden toegewezen aan de
bestendige deputatie van de provincieraad, uitgeoefend door de
provinciegouverneur op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de
provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 14 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988), bij art.
13 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 5
Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met
ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
In
afwijking van artikel 22 gelden voor de Vlaamse Gemeenschap de volgende
bepalingen. De maximumduur van de schorsing bedraagt zes maanden. De door de
bestendige deputatie uitgesproken straf heeft uitwerking vanaf haar betekening
aan het betrokken raadslid. Het beroep bij de Raad van State is niet
schorsend.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 2 Decr. Vl. Parl. 4 februari 1997 (B.S., 22 februari
1997).
De Raad
van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het
verzoekschrift om, volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging, uitspraak
te doen over de beroepen ingediend met toepassing van de artikelen 18, 21 en 22
van deze wet.
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
Verwijzingen
Zie K.B.
12 januari 1977 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling
administratie van de Raad van State in geval van beroep als bedoeld door de
artikelen 18, 21 en 22 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Geselecteerde
rechtspraak
Als de Raad van
State vaststelt dat het bestreden besluit van de bestendige deputatie onwettig
is wegens de miskenning van substantiële vormvoorschriften, moet hij, wegens de
devolutieve werking van het beroep ingesteld door de betrokkene, zelf uitspraak
doen over de vraag waarover de bestendige deputatie zich heeft uitgesproken
(R.v.St. nr. 87.281, 16 mei 2000).
De Raad
van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het
verzoekschrift om, volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging, uitspraak
te doen over de beroepen ingediend met toepassing van de artikelen 1[...] 21 en 22 van deze wet.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 18 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 januari 1977 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, in
geval van beroep als bedoeld door de artikelen 18, 21 en 22 van de organieke
wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 26 januari 1977) |
Wetshistoriek
Afdeling 1
(art. 6 tot 23) vervangen door afdeling 1 (art. 6 tot 22) bij art. 2 Decr. W.
Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van
8 oktober 2006 (art. 22).
1[§ 1
Het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bestuurd door een raad voor
maatschappelijk welzijn bestaande uit:
|
–negen leden voor een bevolking die de vijftienduizend
inwoners niet overschrijdt; |
|
–elf leden voor een bevolking van vijftienduizend en één
tot vijftigduizend inwoners; |
|
–dertien leden voor een bevolking van vijftigduizend en
één tot honderdvijftigduizend inwoners; |
|
–vijftien leden voor een bevolking van meer dan
honderdvijftigduizend inwoners. |
§ 2
Voor de
bepaling van het aantal leden wordt het bevolkingscijfer in aanmerking genomen
dat als basis gediend heeft voor het bepalen van de samenstelling van de
gemeenteraad die de raad voor maatschappelijk welzijn zal kiezen.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Om tot lid van een raad voor
maatschappelijk welzijn verkozen te kunnen worden en om het te kunnen blijven,
moet men:
|
1°gemeenteraadskiezer zijn; |
|
2°ten minste achttien zijn; |
|
3°zijn hoofdverblijf hebben in de gebiedsomschrijving
van het centrum. |
Niet
verkiesbaar zijn:
|
1°zij die door veroordeling ontzet zijn van het recht om
gekozen te worden; |
|
2°zij die met toepassing van artikel 6 van het Kieswetboek
uitgesloten zijn van het kiesrecht; |
|
3°zij die overeenkomstig artikel 7 van hetzelfde Wetboek
in de uitoefening van het kiesrecht geschorst zijn; |
|
4°zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen
in 1° en 3°, veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de in de
artikelen 240, 241, 243 en 245 tot 248 van het Strafwetboek omschreven
misdrijven, gepleegd in de uitoefening van een gemeenteambt; waarbij deze
onverkiesbaarheid twaalf jaar na de veroordeling eindigt; |
|
5°de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die
ontheven of geschorst zijn van het verkiesbaarheidsrecht in hun Staat van
herkomst. In geval van twijfel over de verkiesbaarheid van de kandidaat kan
de bestendige deputatie eisen dat hij een attest van de bevoegde overheden
van zijn Staat van herkomst indient waarin verklaard wordt dat hij, op de
datum van de verkiezing, niet ontheven of geschorst is van het
verkiesbaarheidsrecht in deze Staat, of dat deze overheden daarvan niets
bekend is; |
|
6°zij die veroordeeld werden wegens overtredingen
bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme
of xenofobie ingegeven daden of op basis van de wet van 23 maart 1995 tot
bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren
van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse
nationaal-socialistische regime is gepleegd, waarbij deze onverkiesbaarheid
achttien jaar na de veroordeling eindigt; |
|
7°zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen
in 1° en 2°, bestuurder waren van een vereniging op de datum van de feiten
naar aanleiding waarvan zij veroordeeld zijn wegens één van de overtredingen
bepaald bij de wet van 30 juli 1981 en de wet van 23 maart 1995, waarbij deze
onverkiesbaarheid achttien jaar na de veroordeling eindigt. Het vorige lid is niet van toepassing op de bestuurders
die het bewijs leveren dat zij niet op de hoogte waren van de feiten waarop
de veroordeling gegrond was of dat ze binnen dito rechtspersoon uit hun ambt
zijn getreden zodra ze daarvan kennis genomen hebben; |
|
8°zij die uit hun mandaat ontzet zijn overeenkomstig
artikel 38, § 2 of § 4, van deze wet of overeenkomstig de artikelen L1122-7,
§ 2, L1123-17, § 1, L2212-7, § 2, of L2212-45, § 3, van het Wetboek van de
plaatselijke democratie en de decentralisatie, waarbij deze onverkiesbaarheid
eindigt zes jaar na de kennisgeving van de beslissing van de Regering of van
haar afgevaardigde waarbij de afzetting wordt vastgesteld. De verkiesbaarheidsvoorwaarden moeten uiterlijk op de
verkiezingsdag vervuld zijn.]1 |
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[De leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn mogen geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de
tweede graad, noch door de echt verbonden zijn of wettelijk samenwonen.
Aanverwantschap
die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de raad, stelt geen
einde aan hun mandaat.
De
kandidaat die tot het minst vertegenwoordigde geslacht behoort, met
uitzondering van de personen die het voorwerp zijn van dit motief van
onverenigbaarheid, krijgt de voorkeur.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Van de raden voor maatschappelijk
welzijn mogen niet deel uitmaken:
|
1°de provinciegouverneurs, de gouverneur en
vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de
adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant; |
|
2°de leden van het provinciecollege en de leden van het
college ingesteld bij artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van
2 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen; |
|
3°de provinciegriffiers; |
|
4°de arrondissementscommissarissen; |
|
5°de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van
de colleges van de agglomeraties en federaties van gemeenten; |
|
6°2[...]; |
|
7°elke persoon die personeelslid is of een toelage of
een wedde ontvangt van de gemeente, met uitzondering van de vrijwillige
brandweerlieden en van het onderwijspersoneel; |
|
8°elke persoon die personeelslid van het centrum is, met
inbegrip van de personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10
november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de
verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die
hun activiteiten uitoefenen in één van de instellingen of diensten van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten gevolge van een beslissing
van één van de organen van het centrum; |
|
9°de beambten van het bosbeheer, wanneer hun bevoegdheid
zich uitstrekt tot beboste eigendommen die aan het bosbeheer onderworpen zijn
en die toebehoren aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
waarin zij hun ambt wensen uit te oefenen; |
|
10°elke persoon die in een lokale basisoverheid van een
andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of mandaat uitoefent dat
gelijkwaardig is aan dat van adviseur voor maatschappelijk welzijn. De
Regering maakt een niet beperkende lijst op van de ambten of mandaten die als
gelijkwaardig beschouwd worden; |
|
11°de staatsraden bij de Raad van State; |
|
12°de leden van de hoven, rechtbanken, parketten en de
griffiers.]1 |
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Enig lid, 6°
opgeheven bij art. 2 Decr. W. Parl. 19 juli 2006 (B.S.,
11 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 11 augustus 2006
(art. 3).
Onverminderd
artikel L1531-2, § 6, van hetWetboek van de plaatselijke democratie
en de decentralisatie mag de voorzitter van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn geen zitting hebben als vast lid van een bestuursorgaan
van een intercommunale waaraan de gemeente of het centrum verbonden is.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 2 Decr.W. 6 oktober 2010 (BS 27 oktober 2010).
Een
raadslid voor maatschappelijk welzijn mag niet meer dan drie bezoldigde
mandaten van bestuurder bezitten in een intercommunale.
In de zin
van dit artikel wordt verstaan onder bezoldigd mandaat, het mandaat waarvoor de
houder ervan werkelijk een bezoldiging krijgt.
Het
aantal mandaten wordt berekend door optelling van de bezoldigde mandaten die
binnen de intercommunales bezeten worden, vermeerderd, in voorkomend geval, met
de bezoldigde mandaten waarover de verkozene in die instellingen zou beschikken
in zijn hoedanigheid van gemeente- of provincieraadslid.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 2 Decr.W. 6 oktober 2010 (BS 27 oktober 2010).
1[De zetels binnen de raad voor
maatschappelijk welzijn worden onder de politieke fracties verdeeld naar
verhouding van het aantal zetels waarover elke politieke fractie binnen de
gemeenteraad beschikt.
De zetels
binnen de raad voor maatschappelijk welzijn worden verdeeld door het aantal in
te vullen zetels te verdelen door het aantal gemeenteraadsleden,
vermenigvuldigd met het aantal zetels waarover elke fractie binnen de
gemeenteraad beschikt.
Het
aantal eenheden geeft het aantal rechtstreeks verworven zetels aan.
De
niet-toegekende zetels(s) wordt (worden) toegewezen in de orde van
belangrijkheid van de decimalen.
Bij
staking van stemmen wordt de zetel toegewezen aan de lijsten die aan het meerderheidspact
deelnemen.
Elke
politieke fractie, in de zin van artikel L1123-1, § 1, eerste lid, van het
Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie legt een
kandidatenlijst over.
Het
aantal kandidaten op de lijst stemt overeen met het aantal dat aan de politieke
fractie toekomt overeenkomstig het tweede en het derde lid.
Een lijst
is ontvankelijk voorzover ze door de meerderheid van de gemeenteraadsleden van
eenzelfde politieke fractie getekend en door de voorgedragen kandidaten
medeondertekend wordt. Als ze minstens drie personen telt, mag het aantal
kandidaten van elk geslacht niet hoger zijn dan twee derde van het aantal
toegewezen zetels, enerzijds, en dan één derde van de gemeenteraadsleden,
anderzijds.
Als ze
slechts twee personen telt, mag het niet hoger zijn dan de helft.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[De voorzitter van de
gemeenteraad, bijgestaan door de gemeentesecretaris, ontvangt de lijsten
uiterlijk tussen de derde en de vierde maandag van november na de
gemeenteverkiezingen.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[De leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn worden in openbare zitting aangewezen tijdens de
installatievergadering van de gemeenteraad van de gemeente die de
gebiedsomschrijving van het centrum vormt.
De
kandidaten die vermeld staan op een lijst getekend door een meerderheid van de
betrokken politieke fractie worden van rechtswege door de gemeenteraad gekozen.
Als alle
kandidaten evenwel van hetzelfde geslacht zijn, draagt de politieke fractie
waaraan overeenkomstig artikel 10 de laatste zetel is toegewezen, een kandidaat
van het andere geslacht voor.
De
voorzitter van de gemeenteraad kondigt onmiddellijk de verkiezingsuitslag af.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Als er tijdens de
installatievergadering van de gemeenteraad vastgesteld wordt dat een politieke
fractie geen lijst heeft overgelegd, zoals bedoeld in artikel 11, wordt de
gemeenteraad opnieuw bijeengeroepen binnen een termijn van minstens vijftien
dagen.
Als
betrokken fractie tijdens deze tweede vergadering een lijst overlegt die
voldoet aan de voorschriften van artikel 11, worden de kandidaten die erop
vermeld staan aangewezen.
Bij
gebreke daarvan worden de vacante zetels overeenkomstig artikel 10 onder de
overige politieke fracties verdeeld. Elke betrokken politieke fractie wordt
erom verzocht op haar beurt een bijkomende kandidatenlijst over te leggen die
voldoet aan de voorschriften van artikel 10. Als deze lijst getekend wordt door
een volstrekte meerderheid van de leden van betrokken politieke fractie, wordt
(worden) de kandidaat (kandidaten) die erop vermeld staat (staan) aangewezen.
Wanneer
een politieke fractie erom verzocht wordt verschillende kandidatenlijsten over
te leggen, zorgt zij ervoor dat het globaal aantal kandidaten van elk geslacht
niet hoger is dan twee derde van het aantal toegewezen zetels.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Wanneer een lid vóór het
verstrijken van zijn mandaat ophoudt deel uit te maken van de raad voor
maatschappelijk welzijn of om zijn vervanging vraagt overeenkomstig artikel 15,
§ 3, draagt de politieke fractie die hem voorgedragen heeft een kandidaat voor
van het geslacht van het vervangen lid, tenzij het geslacht van deze kandidaat
het minst vertegenwoordigd is binnen de raad.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[§ 1
Het
dossier van de verkiezing van de leden van de raden voor maatschappelijk
welzijn wordt onverwijld aan het provinciecollege toegezonden.
Elk
bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk bij het
provinciecollege worden ingediend binnen vijf dagen volgend op de afkondiging
van de verkiezingsuitslag.
Ongeacht
of bij haar al dan niet bezwaar is ingediend, doet de bestendige deputatie als
administratief rechtscollege uitspraak over de geldigheid van de verkiezing
binnen twintig dagen na ontvangst van het dossier en herstelt ze, in voorkomend
geval, de bij het vaststellen van de verkiezingsuitslag begane vergissingen.
Indien
binnen deze termijn geen uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als
regelmatig beschouwd.
Het feit
dat de verkiezing geldigheid heeft verkregen door het verstrijken van de
termijn of de beslissing van het provinciecollege, wordt door de zorg van de
gouverneur medegedeeld aan de gemeenteraad en aan het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn.
Er wordt
bij ter post aangetekende brief kennis van gegeven aan de leden wier verkiezing
werd vernietigd en aan de personen die bezwaren hebben ingediend.
De in het
voorgaande lid bedoelde natuurlijke en rechtspersonen kunnen bij de Raad van
State beroep instellen binnen vijftien dagen na de mededeling of de
kennisgeving.
De
gouverneur kan eenzelfde beroep instellen binnen vijftien dagen na de
beslissing van het provinciecollege of na het verstrijken van de termijn.
Binnen
acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State wordt
ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede aan de
gouverneur, alsmede aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn en aan de gemeenteraad.
Hij geeft
hen kennis van het arrest van de Raad van State.
Wanneer
een vernietiging definitief geworden is, wordt tot een nieuwe verkiezing
overgegaan.
§ 2
Het
mandaat van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn vangt aan op
1 januari volgend op de gemeenteverkiezingen.
De
installatievergadering vindt plaats uiterlijk 15 januari.
§ 3
Het lid
dat ontslag neemt, blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd.
Het ter
plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het mandaat van het lid dat hij
opvolgt. Het lid dat een ouderschapsverlof wenst te nemen, wegens de geboorte
of de adoptie van een kind, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het
vast bureau, vervangen ten vroegste vanaf de zevende week vóór de vermoedelijke
datum van de geboorte of van de adoptie tot het einde van de achtste week na de
dag van de geboorte of de adoptie. De vervanging bedoeld in het derde lid is
evenwel pas mogelijk na de beëdiging van het te vervangen lid.
§ 4
Wanneer,
op de dag van de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn, het
ontslag, dat bij aangetekende brief is aangeboden door een verkozene waarvoor
de in artikel 9, 8°, bedoelde onverenigbaarheid geldt, nog niet werd aanvaard
of wanneer dat ontslag het voorwerp uitmaakt van een beroep bij de toeziende
overheid, wordt de verkozene vervangen tot de dag waarop het ontslag wordt
aanvaard of het geschil is beslecht.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Het lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn dat wegens een handicap zijn mandaat niet alleen kan
uitoefenen, kan zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon die het kiest
uit de kiezers van de gemeente die voldoen aan de verkiesbaarheidsvereisten
voor het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, en die niet
deel uitmaken van het personeel van de gemeente of van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn van betrokken gemeente.
Voor de
toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de criteria ter
bepaling van de hoedanigheid van gehandicapt gemeenteraadslid.
Bij het
verstrekken van die bijstand beschikt de vertrouwenspersoon over dezelfde
middelen en is hij onderworpen aan dezelfde verplichtingen als het lid van de
raad voor maatschappelijk welzijn. Hij heeft evenwel geen recht op
aanwezigheidsgeld.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[§ 1
Alvorens
in functie te treden, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn
en de vertrouwenspersonen bedoeld in artikel 16 tot de eedaflegging opgeroepen
door de burgemeester of de afgevaardigde schepen.
Zij
leggen in zijn handen de volgende eed af : "Ik zweer de verplichtingen van
mijn ambt trouw na te komen".
In geval
van volledige vernieuwing van de raad heeft de eedaflegging plaats tijdens de
installatievergadering.
Elke
andere eedaflegging geschiedt enkel ten overstaan van de burgemeester en in
afwezigheid van de gemeentesecretaris.
Hiervan
wordt een door de burgemeester en de secretaris ondertekend proces-verbaal
opgemaakt dat aan de voorzitter van de raad voor sociale actie wordt gestuurd
§ 2
Indien de
burgemeester of afgevaardigde schepen nalaat de leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging op te roepen, worden de leden door
de gouverneur opgeroepen en leggen ze de eed af in zijn handen of in de handen
van een door hem aangeduide commissaris.
De
gouverneur neemt deze maatregelen binnen dertig dagen nadat hij kennis heeft
gekregen van het verzuim.
De kosten
van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of de afgevaardigde
schepen die verzuimd heeft uitvoering te geven aan dit artikel.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Wanneer een lid na de
eedaflegging niet meer voldoet aan één van de voorwaarden van verkiesbaarheid
of in een toestand van onverenigbaarheid komt te verkeren, stelt de
burgemeester of de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn de
Regering hiervan onverwijld in kennis.
Wanneer
het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de burgemeester het
raadslid vooraf op dezelfde wijze te verzoeken uit het onverenigbare ambt
ontslag te nemen.
Het lid
beschikt over vijftien dagen om gevolg te geven aan dat verzoek.
De
Regering of haar afgevaardigde, bij wie de zaak krachtens het vorige lid of
ambtshalve aanhangig is gemaakt, bezorgt betrokkene tegen bericht van ontvangst
een kennisgeving van de feiten die een ambtsneerlegging tot gevolg kunnen hebben.
Ten
vroegste acht dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het vorige lid
en na betrokkene, eventueel bijgestaan door de raadsman van zijn keuze, te
hebben gehoord op zijn verzoek, stelt de Regering of haar afgevaardigde het
ontslag vast in een gemotiveerde beslissing. Deze beslissing wordt door de
Regering of haar afgevaardigde meegedeeld aan de burgemeester, die de raad voor
maatschappelijk welzijn informeert. Een beroep, gegrond op artikel 16 van de
gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan tegen deze beslissing ingesteld
worden. Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Het ontslag uit het ambt van
raadslid wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn
en aan de gemeenteraad, die het aanvaardt op de eerste vergadering volgend op
de mededeling.
Het
ontslag heeft uitwerking op de datum waarop het door de raad aanvaard wordt.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[In geval van zware nalatigheid of
kennelijk wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn
door de Regering of haar afgevaardigde geschorst of afgezet worden op voorstel
van de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur, het
provinciecollege of zelfs van ambtswege. De schorsing mag niet langer dan drie
maanden duren.
Betrokken
lid wordt vooraf opgeroepen en, op zijn verzoek, gehoord, bijgestaan door de
raadsman van zijn keuze; het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn
wordt om advies verzocht.
De
beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde wordt ter kennis gebracht
van betrokkene en meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, de
gemeenteraad, de gouverneur en het provinciecollege. Betrokkene, de raad voor
maatschappelijk welzijn en de gemeenteraad beschikken over het recht om beroep
in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de mededeling of
na afloop van de termijn waarbinnen de Regering of haar afgevaardigde moet
beslissen.
In de
gevallen waarin zij zich over een voorstel tot schorsing of herroeping moet
uitspreken, beslist de Regering of haar afgevaardigde binnen een termijn van
drie maanden vanaf de dag waarop het voorstel haar is meegedeeld. Zij kan deze
termijn met drie maanden verlengen; de beslissing tot verlenging heeft slechts
gevolg als ze vóór het verstrijken van de aanvankelijke termijn van drie
maanden meegedeeld wordt aan de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk
welzijn, de gouverneur en het provinciecollege. Als een beslissing niet meegedeeld
wordt binnen de voorgeschreven termijn, eventueel verlengd, wordt het
stilzwijgen van de Regering of van haar afgevaardigde beschouwd als een
beslissing tot verwerping van het voorstel.
De
beslissing tot verlenging wordt binnen acht dagen aan betrokkene meegedeeld.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[De Raad van State beschikt over
een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift om volgens de
door de Koning bepaalde rechtspleging uitspraak te doen over de beroepen
ingediend met toepassing van artikel 15.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[§ 1
De
voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is het lid van deze raad
wiens identiteit vermeld staat in het meerderheidspact bedoeld in de artikelen
L1123-1 en volgende van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de
decentralisatie.
§ 2
Vóór de
aanneming van het meerderheidspact door de gemeenteraad, wordt de raad voor
maatschappelijk welzijn voorgezeten door de voorzitter verkozen onder de vorige
gemeentelijke legislatuur indien hij nog lid van de raad is en, bij gebreke
daarvan, door het raadslid met de grootste anciënniteit als raadslid voor
maatschappelijk welzijn onder de politieke fracties die voldoen aan de
democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten
van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen,
minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de
tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd
of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet
gewaarborgde rechten en vrijheden.
§ 3
Bij
verhindering van de voorzitter wordt zijn ambt waargenomen door het raadslid
dat door hem schriftelijk wordt aangewezen.
Bij
gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger
aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van
voorzitter waargenomen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid
voor maatschappelijk welzijn.
Als
verhinderd wordt beschouwd de voorzitter die het ambt van minister,
staatssecretaris, lid van een regering of gewestelijk staatssecretaris
uitoefent gedurende de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend. De voorzitter
die bij de geboorte of de adoptie van een kind ouderschapsverlof wenst op te
nemen, wordt op eigen verzoek, schriftelijk gericht aan het vast bureau,
vervangen tijdens de periode bedoeld in artikel 15, § 3.
§ 4
De
functies van de voorzitter eindigen wanneer hij ontslag neemt uit zijn ambt,
wanneer zijn mandaat van raadslid verstrijkt of wanneer de gemeenteraad jegens
hem een constructieve motie van wantrouwen stemt.
Het
ontslag uit het ambt van voorzitter wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad
voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die het in een gemotiveerde
beslissing aanvaardt op de eerste vergadering volgend op de mededeling.
Het
ontslag heeft uitwerking op de datum waarop het door de raad aanvaard wordt.
§ 5
In geval
van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om
een andere reden dan de volledige vernieuwing van de raad en onverminderd de
stemming van een motie van wantrouwen t.o.v. het gemeentecollege, wordt hij tot
de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen door het lid met de hoogste
anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn vervangen onder de
politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a.
in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981
tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren
van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse
nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van
genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.
§ 6
De
Regering bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de voorzitter.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 2 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De raad
voor maatschappelijk welzijn regelt alles wat tot de bevoegdheid van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort, tenzij de wet het anders
bepaalt.
Verwerping
van beroep
Artikel 24
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het aan de raad
voor maatschappelijk welzijn de tuchtrechtelijke bevoegdheid toevertrouwt ten
aanzien van de ontvanger van het O.C.M.W. (Arbitragehof nr. 141/2003,
29 oktober 2003 (prejudiciële vraag) (B.S., 20 januari 2004
(derde uitg.))).
Geselecteerde
rechtspraak
Uit de
samenlezing van art. 24 en de artt. 28, § 1, vierde lid, en 115,
§ 2, volgt dat de beslissing van het O.C.M.W. om in rechte te treden door
de raad voor maatschappelijk welzijn wordt genomen en dat het proces in de
regel door de voorzitter van die raad wordt gevoerd (Cass. AR S.93.0081.F, 28
maart 1994).
De beslissing
om hoger beroep tegen een vonnis in te stellen moet blijken uit een beslissing
van de raad van maatschappelijk welzijn, maar niets belet dat die beslissing de
bekrachtiging kan inhouden van een hoger beroep dat voorafgaandelijk werd
ingesteld (Cass. (3e k.) AR S.97.0004.N, 2 juni 1997).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 25° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
2[§ 1
Met
behoud van de toepassing van artikel 27ter verkiest de raad voor
maatschappelijk welzijn op de installatievergadering onder de raadsleden die
geen personeelslid zijn van de gemeente die door het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn wordt bediend 3[met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden en de leden van
de vrijwillige ambulancediensten]3 een voorzitter.
4[...]
§ 2
4[...]
§ 3
4[...]
§ 4
4[...]
§ 5
4[...]
De
bepalingen van § 1 tot § 4 zijn van toepassing op de vervulling van
de functie van ondervoorzitter, met dien verstande dat de ondervoorzitter of de
ondervoorzitters worden gekozen onder de leden van het vast bureau, er evenveel
stemrondes zijn als er in te vullen functies zijn bij een verkiezing
overeenkomstig § 3 en een ondervoorzitter bij feitelijke afwezigheid kan
worden vervangen door een door de raad verkozen plaatsvervangend
ondervoorzitter.
3[§ 6
4[...]]3
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, c) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§§ 2, 3 en
4 opgeheven bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 148°, c) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 5
gewijzigd bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 148°, c) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 6
ingevoegd bij art. 4, 3° Decr. Vl. Parl. 22 december 2006 (B.S.,
29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 8 oktober 2006
(art. 22) en opgeheven bij art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december
2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van
1 juli 2009 (art. 148°, c) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
Art. vervangen
bij art. 14 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij
art. 19 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
§ 1
gewijzigd bij art. 4, 1° en 2° Decr. Vl. Parl. 22 december 2006 (B.S.,
29 december 2006 (zesde uitg.)), met ingang van 8 oktober 2006
(art. 22).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)).
Toekomstig recht
Artikel 25, §§ 1 en 5 worden gewijzigd bij
art. 276, 26° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 7 januari 2013
(art. 3, 6°, a) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
2[§ 1
5[...]
4[...]
§ 2
4[...]
§ 3
4[...]
§ 4
4[...]
§ 5
4[...]
5[...]
3[§ 6
4[...]]3
Geselecteerde
rechtspraak
De voorzitter
wiens verkiezing vernietigd is door de Raad van State, bevindt zich niet in het
geval bedoeld in art. 25, derde lid (thans art. 25, § 3, tweede lid)
(Cass. AR 8365, 19 oktober 1989).
Verwijzingen
Zie Omz. BB
2007/06 van 13 juli 2007 (Procedure tot toekenning van eretitels aan
lokale en provinciale mandatarissen – Titel X van het besluit van de
Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende het statuut van de lokale en
provinciale mandataris) (B.S., 8 augustus 2007).
1[§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn kiest onder zijn leden een voorzitter.
§ 2
De
voorzitter verliest zijn voorzittersfunctie wanneer hij uit die functie ontslag
neemt of wanneer hij ophoudt raadslid te zijn.
§ 3
Bij
tijdelijke afwezigheid of verhindering van de voorzitter wordt zijn ambt
waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt aangewezen. Bij
gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger
aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van
voorzitter waargenomen door het oudste lid in jaren.
In geval
van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om
een andere reden dan de algehele vernieuwing van de raad, wordt hij vervangen
door het oudste lid in jaren, tot de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen.
§ 4
Als
verhinderd wordt beschouwd de voorzitter die het ambt van Minister, Staatssecretaris,
lid van een Executieve of gewestelijke Staatssecretaris uitoefent, voor de
periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend.
De
voorzitter die verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire
diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde wordt op zijn
schriftelijk verzoek, gericht aan het vast bureau, gedurende die periode
vervangen.
De
voorzitter die een ouderschapsverlof wenst te nemen wegens de geboorte of de
adoptie van een kind wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het vast
bureau, vervangen voor de periode zoals bepaald in artikel 19, vijfde lid.
§ 5
2[Het Verenigd College]2 bepaalt de ambtskledij of het
onderscheidingsteken van de voorzitter.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 14 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 5
gewijzigd bij art. 8 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van
het onderscheidingsteken van de voorzitters van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 9 februari 1993) |
Geselecteerde
rechtspraak
De voorzitter
wiens verkiezing vernietigd is door de Raad van State, bevindt zich niet in het
geval bedoeld in art. 25, derde lid (thans art. 25, § 3, tweede lid)
(Cass. AR 8365, 19 oktober 1989).
1[§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn kiest onder zijn leden een voorzitter.
§ 2
De
voorzitter verliest zijn voorzittersfunctie wanneer hij uit die functie ontslag
neemt of wanneer hij ophoudt raadslid te zijn.
§ 3
Bij
tijdelijke afwezigheid of verhindering van de voorzitter wordt zijn ambt
waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt aangewezen. Bij
gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger
aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van
voorzitter waargenomen door het oudste lid in jaren.
In geval
van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om
een andere reden dan de algehele vernieuwing van de raad, wordt hij vervangen
door het oudste lid in jaren, tot de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen.
§ 4
Als
verhinderd wordt beschouwd de voorzitter die het ambt van Minister,
Staatssecretaris, lid van een Executieve of gewestelijke Staatssecretaris
uitoefent, voor de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend.
De
voorzitter die verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire
diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde wordt op zijn
schriftelijk verzoek, gericht aan het vast bureau, gedurende die periode
vervangen.
De
voorzitter die een ouderschapsverlof wenst te nemen wegens de geboorte of de
adoptie van een kind wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het vast
bureau, vervangen voor de periode zoals bepaald in artikel 19, vijfde lid.
§ 5
2[De Regering]2 bepaalt de ambtskledij of het
onderscheidingsteken van de voorzitter.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 14 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 5 gewijzigd
bij art. 23 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december
1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van
het onderscheidingsteken van de voorzitters van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 9 februari 1993) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 20 april 2006 tot
bepaling van het onderscheidingsteken van de voorzitters van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 28 april 2006) |
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 3 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 14 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd
bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april
1998).
De
voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten
bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken,
gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en
Voeren, wordt door de bevoegde gemeenschapsoverheid op voorstel van de raad
benoemd uit de leden van de raad.
Hij legt
de in artikel 20 voorgeschreven eed af in handen van de provinciegouverneur.
Wanneer bij de installatie van de raad na een algehele vernieuwing geen
voorzitter is benoemd, wijst de raad een raadslid aan om, in afwachting van die
benoeming, het ambt van voorzitter waar te nemen.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 15 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).
De
voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten
bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in
bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten
Komen-Waasten en Voeren, wordt door de bevoegde gemeenschapsoverheid op
voorstel van de raad benoemd uit de leden van de raad.
Hij legt
de in 2[artikel 16 van het decreet van
19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn]2
voorgeschreven eed af in handen van de provinciegouverneur. Wanneer bij de
installatie van de raad na een algehele vernieuwing geen voorzitter is benoemd,
wijst de raad een raadslid aan om, in afwachting van die benoeming, het ambt
van voorzitter waar te nemen.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 15 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en
gewijzigd bij art. 272, 4° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
§ 1
In de
gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8, 3° tot 10°, van de wetten op het
gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, moet
de voorzitter, elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en eenieder die
het ambt van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn waarneemt,
voor het uitoefenen van zijn ambt, van de taal van het taalgebied waarin de
gemeente gelegen is, de kennis hebben die nodig is om het bedoeld mandaat uit
te oefenen.
§ 2
Door het
feit van hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in § 1
bedoelde mandatarissen de in die paragraaf bedoelde taalkennis bezitten.
Dat
vermoeden is onweerlegbaar ten aanzien van elke voor het uitgeoefende mandaat
rechtstreeks door de bevolking verkozen mandataris en ten aanzien van de
voorzitter die tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1989 gedurende
minstens drie jaar ononderbroken een mandaat van voorzitter heeft uitgeoefend.
Ten
aanzien van andere mandatarissen kan dat vermoeden worden weerlegd op verzoek
van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Daartoe moet de verzoeker
het bewijs leveren van ernstige aanwijzingen die dat vermoeden kunnen
weerleggen en afgeleid uit een rechterlijke beslissing, de bekentenis van de
mandataris of de uitoefening van zijn ambt als individuele bestuursoverheid.
§ 3
Het in
paragraaf 2 bedoelde verzoek wordt bij verzoekschrift ingediend bij de afdeling
administratie van de Raad van State binnen een termijn van zes maanden te
rekenen vanaf de dag van de eedaflegging als voorzitter of als
niet-rechtstreeks gekozen raadslid of van het voor het eerst waarnemen van de
functie van voorzitter, overeenkomstig artikel 25 of artikel 25bis, tweede lid.
§ 4
De Raad
van State doet uitspraak, met voorrang boven alle andere zaken.
Een in
Ministerraad overlegd koninklijk besluit regelt de rechtspleging voor de Raad
van State.
§ 5
Indien de
Raad van State ten aanzien van een voorzitter van een raad voor maatschappelijk
welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt de
benoeming vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene
niet opnieuw tot voorzitter worden benoemd, noch het ambt ervan waarnemen met
toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.
Indien de
Raad van State ten aanzien van degene die het ambt van voorzitter waarneemt met
toepassing van artikel 25 of van artikel 25bis, beslist dat het vermoeden van
taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste geacht het ambt van voorzitter nooit
te hebben uitgeoefend. In dat geval wordt het ambt van voorzitter vanaf de dag
van de kennisgeving van het arrest waargenomen door een ander lid van de raad
met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.
Indien de
Raad van State ten aanzien van een niet-rechtstreeks gekozen lid van een raad
voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is
weerlegd, wordt zijn verkiezing vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de
raad kan de betrokkene niet opnieuw tot raadslid worden verkozen.
§ 6
De
miskenning van de bepalingen van § 5 door diegenen ten aanzien van wie het
vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van
artikel 22.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 15 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 22 december 1988 tot
regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van
State in geval van beroep als bedoeld bij artikel 25ter van de organieke wet
van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn, en bij artikel 68bis van de gemeentekieswet (B.S.,
29 december 1988) |
§ 1
In de
gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8, 3° tot 10°, van de wetten op het
gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, moet
de voorzitter, elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en eenieder die
het ambt van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn waarneemt,
voor het uitoefenen van zijn ambt, van de taal van het taalgebied waarin de
gemeente gelegen is, de kennis hebben die nodig is om het bedoeld mandaat uit
te oefenen.
§ 2
Door het
feit van hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in § 1
bedoelde mandatarissen de in die paragraaf bedoelde taalkennis bezitten.
Dat
vermoeden is onweerlegbaar ten aanzien van elke voor het uitgeoefende mandaat
rechtstreeks door de bevolking verkozen mandataris en ten aanzien van de
voorzitter die tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1989 gedurende
minstens drie jaar ononderbroken een mandaat van voorzitter heeft uitgeoefend.
Ten
aanzien van andere mandatarissen kan dat vermoeden worden weerlegd op verzoek
van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Daartoe moet de verzoeker
het bewijs leveren van ernstige aanwijzingen die dat vermoeden kunnen
weerleggen en afgeleid uit een rechterlijke beslissing, de bekentenis van de
mandataris of de uitoefening van zijn ambt als individuele bestuursoverheid.
§ 3
Het in
paragraaf 2 bedoelde verzoek wordt bij verzoekschrift ingediend bij de afdeling
administratie van de Raad van State binnen een termijn van zes maanden te
rekenen vanaf de dag van de eedaflegging als voorzitter of als
niet-rechtstreeks gekozen raadslid of van het voor het eerst waarnemen van de
functie van voorzitter, overeenkomstig 2[artikel 25bis, tweede lid, of artikel 53 en 54 van het decreet van
19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn]2.
§ 4
De Raad
van State doet uitspraak, met voorrang boven alle andere zaken.
Een in
Ministerraad overlegd koninklijk besluit regelt de rechtspleging voor de Raad
van State.
§ 5
Indien de
Raad van State ten aanzien van een voorzitter van een raad voor maatschappelijk
welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt de
benoeming vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene
niet opnieuw tot voorzitter worden benoemd, noch het ambt ervan waarnemen met
toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.
Indien de
Raad van State ten aanzien van degene die het ambt van voorzitter waarneemt met
toepassing van artikel 25 of van artikel 25bis, beslist dat het vermoeden van
taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste geacht het ambt van voorzitter nooit
te hebben uitgeoefend. In dat geval wordt het ambt van voorzitter vanaf de dag
van de kennisgeving van het arrest waargenomen door een ander lid van de raad
met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.
Indien de
Raad van State ten aanzien van een niet-rechtstreeks gekozen lid van een raad
voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is
weerlegd, wordt zijn verkiezing vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de
raad kan de betrokkene niet opnieuw tot raadslid worden verkozen.
§ 6
De
miskenning van de bepalingen van § 5 door diegenen ten aanzien van wie het
vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van
artikel 22.]1
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 15 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).
§ 3
gewijzigd bij art. 272, 5° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 22 december 1988 tot
regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van
State in geval van beroep als bedoeld bij artikel 25ter van de organieke wet
van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn, en bij artikel 68bis van de gemeentekieswet (B.S.,
29 december 1988) |
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 20 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 27° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, d) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
4[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 28° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, d) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 1 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984), vervangen bij art. 15 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992) en bij art. 21 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)).
2[§ 1
De
burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van de raad voor
maatschappelijk welzijn bijwonen. Hij kan er zich laten vertegenwoordigen door
een schepen aangewezen door het college van burgemeester en schepenen.
Wanneer
de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze voorzitten indien hij
dat wenst.
§ 2
Ten
minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een delegatie van de raad
voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Deze
delegaties vormen samen het overlegcomité. Zij omvatten in elk geval de
burgemeester of de schepen die de burgemeester aanwijst en de voorzitter van de
raad voor maatschappelijk welzijn.
3[Het Verenigd College]3 kan de voorwaarden en nadere
regelen van dat overleg vaststellen.
Behoudens
andersluidende bepalingen vastgesteld door 3[het Verenigd College]3, gelden voor dat overleg de regelen welke worden
vastgesteld in een huishoudelijk reglement, aangenomen door de gemeenteraad en
de raad voor maatschappelijk welzijn.
De
secretarissen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn nemen het secretariaat waar van het overlegcomité.]2
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 15 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 2
gewijzigd bij art. 9 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 1 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van
de voorwaarden en modaliteiten van het overleg bedoeld in artikel 26, §
2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 1992 (B.S.,
9 februari 1993) |
2[§ 1
De
burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van de raad voor
maatschappelijk welzijn bijwonen. Hij kan er zich laten vertegenwoordigen door
een schepen aangewezen door het college van burgemeester en schepenen.
Wanneer
de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze voorzitten indien hij
dat wenst.
§ 2
Ten
minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een delegatie van de raad
voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Deze
delegaties vormen samen het overlegcomité. Zij omvatten in elk geval de
burgemeester of de schepen die de burgemeester aanwijst en de voorzitter van de
raad voor maatschappelijk welzijn.
3[De Regering]3 kan de voorwaarden en nadere
regelen van dat overleg vaststellen.
Behoudens
andersluidende bepalingen vastgesteld door 3[de Regering]3, gelden voor dat overleg de regelen welke worden vastgesteld in een
huishoudelijk reglement, aangenomen door de gemeenteraad en de raad voor
maatschappelijk welzijn.
De
secretarissen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn nemen het secretariaat waar van het overlegcomité.]2
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 15 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 2
gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 1 K.B. nr. 244, 31 december 1984 (B.S., 25 januari
1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van
de voorwaarden en modaliteiten van het overleg bedoeld in artikel 26, §
2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 1992 (B.S.,
9 februari 1993) |
2[§ 1
De
burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van de raad voor
maatschappelijk welzijn bijwonen. 4[...]
Wanneer
de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze voorzitten indien hij
dat wenst.
§ 2
Ten
minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een delegatie van de raad
voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Deze
delegaties vormen samen het overlegcomité. Zij omvatten in elk geval de
burgemeester of de schepen die de burgemeester aanwijst en de voorzitter van de
raad voor maatschappelijk welzijn.
3[Als het overleg een
ziekenhuisaangelegenheid betreft, worden een afvaardiging van het beheerscomité
en de directeur van het ziekenhuis verzocht het overleg met raadgevende stem
bij te wonen.]3
De 3[Regering]3 kan de voorwaarden en nadere
regelen van dat overleg vaststellen.
Behoudens
andersluidende bepalingen vastgesteld door de 3[Regering]3, gelden voor dat overleg de
regelen welke worden vastgesteld in een huishoudelijk reglement, aangenomen
door de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.
De
secretarissen van de gemeente en van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn nemen het secretariaat waar van het overlegcomité.]2
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 15 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
gewijzigd bij art. 4 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 2
gewijzigd bij art. 4 en 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 1 K.B. nr. 244, 31 december 1984 (B.S., 25 januari
1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot bepaling van
de voorwaarden en modaliteiten van het overleg bedoeld in artikel 26, §
2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 1992 (B.S.,
9 februari 1993) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[§ 1
Over de
volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:
|
1°de begroting van het centrum alsook die van de
ziekenhuizen welke van het centrum afhangen; |
|
2°het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie; |
|
3°het vaststellen of wijzigen van het administratief en
geldelijk statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging
een financiële weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het
gemeentelijk personeel wordt afgeweken; |
|
4°de indienstneming van bijkomend personeel, behalve in
gevallen van hoogdringendheid zoals bepaald in artikel 56; |
|
5°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en
de uitbreiding van de bestaande; |
|
6°het oprichten van verenigingen overeenkomstig de
artikelen 118 en volgende; |
|
7°de begrotingswijzigingen, zodra deze van aard zijn dat
ze de tegemoetkoming van de gemeente zullen verhogen 3[of verminderen]3 evenals de beslissingen met
betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt; |
|
8°4[het
beleidsprogramma bedoeld in artikel 72.]4 |
§ 2
Over de
volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden slechts beslissen
indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:
|
1°het vaststellen of wijzigen van het administratief en
geldelijk statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende
beslissingen een weerslag kunnen hebben op de begroting en het beheer van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn; |
|
2°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met
een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande. |
§ 3
De lijst
van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan worden aangevuld in het
huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26, § 2.
§ 4
Het voorstel
dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de notulen van de
overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd wanneer deze aan de
toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.
§ 5
Het
overlegcomité waakt erover dat elk jaar een verslag wordt opgesteld met
betrekking tot de schaalvoordelen en het opheffen van overlappingen of het
dooreenlopen van activiteiten van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn en van de gemeente. Dit verslag wordt aan de begroting van het centrum
gehecht.]2]1
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 2 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984) en vervangen bij art. 16 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 1, enig
lid:
|
–7° gewijzigd bij art. 1 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993); |
|
–8° ingevoegd bij art. 2 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm.
7 maart 2002 (B.S., 8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang
van 8 mei 2002 (art. 4). |
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1983 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984)
2[§ 1
Over de
volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:
|
1°de begroting van het centrum alsook die van de
ziekenhuizen welke van het centrum afhangen; |
|
2°het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie; |
|
3°het vaststellen of wijzigen van het administratief en
geldelijk statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging
een financiële weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het
gemeentelijk personeel wordt afgeweken; |
|
4°de indienstneming van bijkomend personeel, behalve in
gevallen van hoogdringendheid zoals bepaald in artikel 56; |
|
5°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en
de uitbreiding van de bestaande; |
|
6°het oprichten van verenigingen overeenkomstig de
artikelen 118 en volgende; |
|
7°de begrotingswijzigingen, zodra deze van aard zijn dat
ze de tegemoetkoming van de gemeente zullen verhogen 3[...] evenals de beslissingen met
betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt. |
§ 2
Over de
volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden slechts beslissen
indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:
|
1°het vaststellen of wijzigen van het administratief en
geldelijk statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende
beslissingen een weerslag kunnen hebben op de begroting en het beheer van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn; |
|
2°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met
een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande. |
§ 3
De lijst
van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan worden aangevuld in het
huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26, § 2.
§ 4
Het
voorstel dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de notulen van de
overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd wanneer deze aan de
toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.
§ 54[...]]2]1
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 2 KB nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984) en vervangen bij art. 16 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 1 enig
lid, 7° gewijzigd bij art. 1 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993).
§ 5
gewijzigd bij art. 6 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
2[§ 1
Over de
volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:
|
1°de begroting van het centrum alsook die van de
ziekenhuizen welke van het centrum afhangen; |
|
2°het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie; |
|
3°het vaststellen of wijzigen van het administratief en
geldelijk statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging
een financiële weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het
gemeentelijk personeel wordt afgeweken; |
|
4°4[de
indienstneming van bijkomend personeel, behalve als het om het
ziekenhuispersoneel gaat of als de indienstneming overeenkomstig de
bepalingen van artikel 56 geschiedt;]4 |
|
5°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en
de uitbreiding van de bestaande 4[behalve als het gaat om het ziekenhuis waarvan de overeenkomstig
artikel 89 goedgekeurde rekeningen en de begrotingsvooruitzichten niet op een
tekort wijzen]4; |
|
6°het oprichten van verenigingen overeenkomstig de
artikelen 118 en volgende; |
|
7°de begrotingswijzigingen, zodra deze van aard zijn dat
ze de tegemoetkoming van de gemeente zullen verhogen 4[...] evenals de beslissingen met
betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt. |
§ 2
Over de
volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden slechts beslissen
indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité:
|
1°het vaststellen of wijzigen van het administratief en
geldelijk statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende
beslissingen een weerslag kunnen hebben op de begroting en het beheer van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn; |
|
2°het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met
een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande. |
§ 3
De lijst
van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan worden aangevuld in het
huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26, § 2.
§ 4
Het
voorstel dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de notulen van de
overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd wanneer deze aan de
toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.
§ 5
5[Het overlegcomité zorgt voor het
jaarlijks opmaken van een verslag over het geheel van de bestaande en de te
ontwikkelen samenwerkingsverbanden tussen de gemeente en het centrum voor
maatschappelijk welzijn. Dat verslag heeft ook betrekking op de
kostenbesparingen en de afschaffingen van de dubbele banen of de overlappingen
van activiteiten van het centrum voor maatschappelijk welzijn en de gemeente.
Dat rapport wordt bij de begroting van het centrum gevoegd.
Dat
rapport wordt overgelegd op een jaarlijkse gemeenschappelijke en openbare
vergadering van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.]5]2]1
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 2 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984) en vervangen bij art. 16 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 1, enig
lid:
|
–4° vervangen bij art. 5, 1° Decr. W. Gew. R.
2 april 1998 (B.S., 28 april 1998); |
|
–5° gewijzigd bij art. 5, 2° Decr. W. Gew. R.
2 april 1998 (B.S., 28 april 1998); |
|
–7° gewijzigd bij art. 5, 3° Decr. W. Gew. R.
2 april 1998 (B.S., 28 april 1998). |
§ 5
vervangen bij art. 5 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Voorgeschiedenis
§ 1, enig
lid, 7° gewijzigd bij art. 1 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
7[...]
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 2 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984) en opgeheven bij art. 22 Decr. Vl. Parl. 7 juli
2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de
eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk
welzijn (art. 53, § 1).
Voorgeschiedenis
Art. vervangen
bij art. 16 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1, enig
lid:
|
–1° vervangen bij art. 2, 1° Decr. Vl. Parl.
17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van
1 januari 2003, behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk
welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft
vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte
van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27,
§ 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000
(B.S., 18 juli 2000)); |
|
–4° tot 6° vervangen bij art. 2 Decr. Vl. Parl.
14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met ingang van
1 juni 1998 (art. 1 B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S.,
12 september 1998)); |
|
–6° gewijzigd bij art. 2 Decr. Vl. Parl. 18 mei
1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede uitg.)); |
|
–7° gewijzigd bij art. 1 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B.
21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)), vervangen bij art.
2, 1° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel
of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december
1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000
(B.S., 18 juli 2000)). |
§ 2, enig
lid, 1° vervangen bij art. 2, 2° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S.,
6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien
van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een
datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het
geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van
17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg.
17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art.
1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).
§ 2
opgeheven bij art. 303, 1° Decr. Vl. Parl. 15 juli 2005 (B.S.,
31 augustus 2005 (derde uitg.)), zelf opgeheven bij art. 49 Decr. Vl.
Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met
ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor
maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).
§ 3
gewijzigd bij art. 301 Decr. Vl. Parl. 15 juli 2005 (B.S.,
31 augustus 2005 (derde uitg.)), zelf opgeheven bij art. 49 Decr. Vl.
Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met
ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor
maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).
§ 5
opgeheven bij art. 2, 3° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S.,
6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien
van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een
datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het
geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van
17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg.
17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art.
1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1983 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984)
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 50 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)).
2[Bij gebreke aan overleg, op
afdoende wijze vastgesteld, te wijten aan de gemeentelijke overheden, beslist
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de toepassing
van het administratief toezicht.]2]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 1 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986) en vervangen bij art. 17 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
2[Bij gebreke aan overleg, op
afdoende wijze vastgesteld, te wijten aan de gemeentelijke overheden, beslist
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de toepassing
van het administratief toezicht.]2]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 1 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986) en vervangen bij art. 17 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 1 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986) en opgeheven bij art. 23 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 17 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 50 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)).
§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn 2[richt in zijn midden een vast bureau op]2 6[...]
§ 2
6[...]
§ 3
6[...]
Voor elk
bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag
evenwel, met inbegrip van zijn voorzitter, niet minder tellen dan:
|
1°drie leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn
van negen leden; |
|
2°vier leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn
van elf of dertien leden; |
|
3°vijf leden voor een raad voor maatschappelijk welzijn
van vijftien leden. |
6[...]
5[§ 3bis
6[...]]5
§ 4
1[Wanneer in de gemeenten van het
Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het vast bureau geen enkel lid van de
Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, neemt een
lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het
vast bureau vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de
vergaderingen van dit bureau.
Het in
het eerste lid bedoelde lid is het eerst gerangschikte lid van de niet
vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis daarvan, het lid van de raad
dat van rechtswege aangewezen is met toepassing van artikel 6, § 4.]1
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 2
opgeheven bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 3
gewijzigd bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 3bis
opgeheven bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 3bis
ingevoegd bij art. 24, 2° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1) en opgeheven bij art. 276, 29° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, e) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
§ 4
vervangen bij art. 7 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989), met
ingang van 17 juni 1989 (art. 52, § 1).
Voorgeschiedenis
§ 1, lid 1
gewijzigd bij art. 18, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 3, 1° tot 3° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S.,
6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien
van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een
datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het
geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van
17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg.
17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art.
1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).
§ 1, lid 2
gewijzigd bij art. 2 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari
1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)).
§ 1, lid 3
ingevoegd bij art. 3, 1° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S.,
6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien
van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een
datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het
geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van
17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg.
17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art.
1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).
§ 1, lid 4
vervangen bij art. 18, 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 1, lid
4:
|
–inleidende bepaling gewijzigd bij art. 3, 2° Decr. Vl.
Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang
van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor
maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel
of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december
1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000
(B.S., 18 juli 2000)); |
|
–4° opgeheven bij art. 3, 3° Decr. Vl. Parl.
17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met ingang van
1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk
welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft
vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte
van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27,
§ 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000
(B.S., 18 juli 2000)). |
§ 1, lid 5
opgeheven bij art. 3, 3° Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S.,
6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien
van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een
datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het
geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van
17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg.
17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art.
1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).
§ 3
vervangen bij art. 18, 3° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 24, 1° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
Toekomstig recht
Artikel 27, §§ 1 en 3 worden gewijzigd bij
art. 276, 29° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang 7 januari 2013
(art. 3, 6°, b) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 1
6[...]7[...]
§ 2
6[...]
§ 3
6[...]7[...]
5[§ 3bis
6[...]]5
§ 4
1[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse
Hoofdstedelijk Gewest het vast bureau geen enkel lid van de Nederlandse of geen
enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, neemt een lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het vast bureau
vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van
dit bureau.
Het in het eerste lid bedoelde lid is het eerst
gerangschikte lid van de niet vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis
daarvan, het lid van de raad dat van rechtswege aangewezen is met toepassing
van artikel 6, § 4.]1
Geselecteerde
rechtspraak
Uit de redactie
van de art. 24, 27 en 115 van de wet volgt dat alleen de raad bevoegd is
om te beslissen over een beroep bij de Raad van State en dat die bevoegdheid
niet aan het vast bureau kan worden overgedragen (R.v.St. nr. 35.021, 29 mei
1990).
§ 1
4[De raad voor maatschappelijk
welzijn kan in zijn midden een vast bureau oprichten dat belast is met het
afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere
wel omschreven bevoegdheden kan overdragen.]4
Onverminderd
de toepassing van artikel 94, kan de raad in zijn midden eveneens bijzondere
comités oprichten waaraan hij wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. Er
kunnen evenwel geen bijzondere comités worden opgericht zolang geen bijzonder
comité voor de sociale dienst werd aangesteld. 3[Bovendien kan de raad voor
maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat
plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de bijzondere
comités mogen vervangen, wanneer die belet zijn. De plaatsvervangers dienen op
dezelfde akte van voordracht voor te komen als de betrokken effectieve leden.]3
2[Overdracht van bevoegdheden aan
het vast bureau of aan de bijzondere comités is niet toegelaten voor de
beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor
beslissingen die aan de machtiging of goedkeuring van een toezichthoudende
overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen omtrent:
|
1°de vervreemding, de verdeling en de ruil van
onroerende goederen of onroerende rechten; |
|||
|
2°de leningen, de dadingen, de verwerving van onroerende
goederen en de vaste beleggingen van kapitalen; |
|||
|
3°het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het
centrum; |
|||
|
4°de aanneming van werken, leveringen en diensten
waarvan de waarde hoger is dan:
|
5[De Regering]5 kan, telkens als de
omstandigheden zulks verantwoorden, overgaan tot de aanpassing van de hierboven
vermelde bedragen.]2
§ 2
Het vast
bureau blijft in funktie tot de installatie van de nieuwe raad. De bijzondere
comités kunnen worden aangesteld voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur,
doch hun bestaansduur kan nooit verder reiken dan de installatie van de nieuwe
raad.
De
overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen worden.
§ 3
2[Het vast bureau telt, met
inbegrip van zijn voorzitter:
|
3 leden voor een raad van 9 leden; |
|
4 leden voor een raad van 11 of 13 leden; |
|
5 leden voor een raad van 15 leden. |
Voor elk
bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag
evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan:
|
3 leden voor een raad van 9 leden; |
|
4 leden voor een raad van 11 of 13 leden; |
|
5 leden voor een raad van 15 leden. |
De
voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter
van het vast bureau en van de bijzondere comités. Nochtans kunnen het vast
bureau en de bijzondere comités, in aanwezigheid van de voorzitter, een
ondervoorzitter aanwijzen belast met het voorzitterschap van de vergaderingen
in de plaats van het oudste lid in jaren zoals voorzien in artikel 25.
De leden
van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité worden, met
uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in één enkele stemronde
aangewezen, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van
stemmen is de oudste kandidaat in jaren verkozen.
Behoudens
in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, zijn de leden van
het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de
bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij lid zijn.
Wanneer
het mandaat van een lid van het vast bureau of van een bijzonder comité een
einde neemt, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid
dat voorgesteld was op dezelfde voordrachtakte waarvan sprake is in artikel 11,
§ 1, behalve in geval het lid in het vast bureau of bijzonder comité was
verkozen als oudste in jaren bij staking van stemmen.
Bij
gebrek aan leden die zijn voorgesteld op de in het zesde lid bedoelde
voordrachtakte of in geval het lid waarvan het mandaat een einde neemt was
verkozen in het vast bureau of het bijzonder comité als oudste in jaren bij
staking van stemmen, mag eender welk lid verkozen worden.]2
7[§ 3bis
Als de
met toepassing van dit artikel verkozen leden van het vast bureau, met
uitzondering van de van rechtswege aangewezen voorzitter, van hetzelfde geslacht
zijn, wordt het op basis van het kleinste aantal stemmen verkozen lid vervangen
door een lid van het ander geslacht vermeld op de in artikel 11, § 1,
bedoelde voordracht. Wanneer op deze voordracht geen lid van het ander geslacht
staat, kan elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat tot het
vereiste geslacht behoort, worden verkozen.
Als het
uittredend lid in het vast bureau, met uitzondering van de van rechtswege
aangewezen voorzitter, vóór het einde van zijn mandaat het enige van het ander
geslacht was, dan kan elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van dit
geslacht worden verkozen, wanneer op de in artikel 11 § 1 vermelde
voordracht geen lid van het vereiste geslacht staat.]7
§ 4
1[Wanneer in de gemeenten van het
Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het vast bureau geen enkel lid van de
Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, neemt een
lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het
vast bureau vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de
vergaderingen van dit bureau.
Het in
het eerste lid bedoelde lid is het eerst gerangschikte lid van de niet
vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis daarvan, het lid van de raad
dat van rechtswege aangewezen is met toepassing van artikel 6, § 4.]1
§ 5
4[In de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn waar de raad voor maatschappelijk welzijn geen vast
bureau overeenkomstig § 1 heeft opgericht, worden de in de
artikelen 19, 20 en 84 van die wet bedoelde opdrachten van het vast bureau
door de voorzitter uitgevoerd. Het in artikel 25, § 4, bedoeld
verzoek van die voorzitter moet worden gericht aan de raad voor maatschappelijk
welzijn.]4
Wetshistoriek
§ 1, lid 1
vervangen bij art. 7 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 april 1995 (art. 30).
§ 1, lid 2
gewijzigd bij art. 2 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari
1993).
§ 1, lid 3
vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 1, lid
3, 4° gewijzigd bij art. 55 Decr. D. Gem. R. 7 januari 2002 (B.S.,
12 september 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2002
(art. 64).
§ 1, lid 4
vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 3
vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 3bis
ingevoegd bij art. 4 Decr. D. Gem. Parl. 19 september 2006 (B.S.,
23 november 2006 (derde uitg.)), met ingang van 5 januari 2007
(art. 6).
§ 4
vervangen bij art. 7 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).
§ 5
ingevoegd bij art. 7 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 april 1995 (art. 30).
§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn 2[richt in zijn midden een vast bureau op]2 dat belast is met het afhandelen
van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel
omschreven bevoegdheden kan overdragen.
Onverminderd
de toepassing van artikel 94, kan de raad in zijn midden eveneens bijzondere
comités oprichten waaraan hij wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. Er
kunnen evenwel geen bijzondere comités worden opgericht zolang geen bijzonder
comité voor de sociale dienst werd aangesteld. 3[Bovendien kan de raad voor
maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat
plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de bijzondere
comités mogen vervangen, wanneer die belet zijn. De plaatsvervangers dienen op
dezelfde akte van voordracht voor te komen als de betrokken effectieve leden.]3
2[Overdracht van bevoegdheden aan
het vast bureau of aan de bijzondere comités is niet toegelaten voor de
beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor
beslissingen die aan de machtiging of goedkeuring van een toezichthoudende
overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen omtrent:
|
1°de vervreemding, de verdeling en de ruil van
onroerende goederen of onroerende rechten; |
|||
|
2°de leningen, de dadingen, de verwerving van onroerende
goederen en de vaste beleggingen van kapitalen; |
|||
|
3°het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het
centrum; |
|||
|
4°de aanneming van werken, leveringen en diensten
waarvan de waarde hoger is dan:
|
5[Het Verenigd College]5 kan, telkens als de
omstandigheden zulks verantwoorden, overgaan tot de aanpassing van de hierboven
vermelde bedragen.]2
§ 2
Het vast
bureau blijft in funktie tot de installatie van de nieuwe raad. De bijzondere
comités kunnen worden aangesteld voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur,
doch hun bestaansduur kan nooit verder reiken dan de installatie van de nieuwe
raad.
De
overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen worden.
§ 3
2[Het vast bureau telt, met inbegrip
van zijn voorzitter:
|
3 leden voor een raad van 9 leden; |
|
4 leden voor een raad van 11 of 13 leden; |
|
5 leden voor een raad van 15 leden. |
Voor elk
bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag
evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan:
|
3 leden voor een raad van 9 leden; |
|
4 leden voor een raad van 11 of 13 leden; |
|
5 leden voor een raad van 15 leden. |
De
voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter
van het vast bureau en van de bijzondere comités. Nochtans kunnen het vast
bureau en de bijzondere comités, in aanwezigheid van de voorzitter, een
ondervoorzitter aanwijzen belast met het voorzitterschap van de vergaderingen
in de plaats van het oudste lid in jaren zoals voorzien in artikel 25.
De leden
van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité worden, met
uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in één enkele stemronde
aangewezen, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van
stemmen is de oudste kandidaat in jaren verkozen.
Behoudens
in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, zijn de leden van
het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de
bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij lid zijn.
Wanneer
het mandaat van een lid van het vast bureau of van een bijzonder comité een
einde neemt, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid
dat voorgesteld was op dezelfde voordrachtakte waarvan sprake is in artikel 11,
§ 1, behalve in geval het lid in het vast bureau of bijzonder comité was
verkozen als oudste in jaren bij staking van stemmen.
Bij
gebrek aan leden die zijn voorgesteld op de in het zesde lid bedoelde
voordrachtakte of in geval het lid waarvan het mandaat een einde neemt was
verkozen in het vast bureau of het bijzonder comité als oudste in jaren bij
staking van stemmen, mag eender welk lid verkozen worden.]2
§ 4
1[Wanneer in de gemeenten van het
Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het vast bureau geen enkel lid van de
Nederlandse of geen enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, neemt een
lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het
vast bureau vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de
vergaderingen van dit bureau.
Het in
het eerste lid bedoelde lid is het eerst gerangschikte lid van de niet
vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis daarvan, het lid van de raad
dat van rechtswege aangewezen is met toepassing van artikel 6, § 4.]1
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), bij art. 2 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993),
bij art. 10 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52) en bij
art. 1 B.Ver.Coll.Gem.Gem.Comm. 24 september 2009 (BS
12 november 2009).
§ 3
vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 4
vervangen bij art. 7 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 1 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 13 november 1997 (B.S.,
23 december 1997).
Geselecteerde
rechtspraak
Uit de redactie
van de art. 24, 27 en 115 van de wet volgt dat alleen de raad bevoegd is
om te beslissen over een beroep bij de Raad van State en dat die bevoegdheid
niet aan het vast bureau kan worden overgedragen (R.v.St. nr. 35.021, 29 mei
1990).
§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn 2[richt in zijn midden een vast bureau op]2 dat belast is met het afhandelen
van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel
omschreven bevoegdheden kan overdragen.
Onverminderd
de toepassing van artikel 94, kan de raad in zijn midden eveneens bijzondere
comités oprichten waaraan hij wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. Er
kunnen evenwel geen bijzondere comités worden opgericht zolang geen bijzonder
comité voor de sociale dienst werd aangesteld. 3[Bovendien kan de raad voor
maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat
plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de bijzondere
comités mogen vervangen, wanneer die belet zijn. De plaatsvervangers dienen op
dezelfde akte van voordracht voor te komen als de betrokken effectieve leden.]3
2[Overdracht van bevoegdheden aan het
vast bureau of aan de bijzondere comités is niet toegelaten voor de
beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor
beslissingen die aan de machtiging of goedkeuring van een toezichthoudende
overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen omtrent:
|
1°de vervreemding, de verdeling en de ruil van
onroerende goederen of onroerende rechten; |
|
2°de leningen, de dadingen, de verwerving van onroerende
goederen en de vaste beleggingen van kapitalen; |
|
3°het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het
centrum; |
|
4°5[de
opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten behalve de
gevallen bedoeld in artikel 84.]5 |
5[...]]2
§ 2
Het vast
bureau blijft in funktie tot de installatie van de nieuwe raad. De bijzondere
comités kunnen worden aangesteld voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur,
doch hun bestaansduur kan nooit verder reiken dan de installatie van de nieuwe
raad.
De
overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen worden.
§ 3
7[Het vast bureau en elk bijzonder
comité tellen leden van elk geslacht.
Het vast
bureau telt, met inbegrip van zijn voorzitter:
|
–drie leden voor een raad van negen leden; |
|
–vier leden voor een raad van elf of dertien leden; |
|
–vijf leden voor een raad van vijftien leden; |
Voor elk
bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag
evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan:
|
–drie leden voor een raad van negen leden; |
|
–vier leden voor een raad van elf of dertien leden; |
|
–vijf leden voor een raad van vijftien leden.]7 |
§ 4
7[De voorzitter van de raad is van
rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter van het vast bureau en van de
bijzondere comités. Het vast bureau en de bijzondere comités kunnen evenwel, in
aanwezigheid van de voorzitter, binnen hun midden een ondervoorzitter aanwijzen
die het voorzitterschap van de zittingen zal waarnemen in de plaats van het
raadslid dat de zittingen moet voorzitten krachtens artikel 22, § 3.]7
7[§ 5
De leden
van het vast bureau en van de bijzondere comités mogen geen bloed- of
aanverwant zijn tot en met de derde graad.
§ 6
8[Het vast bureau en de bijzondere
comités tellen leden van beide geslachten.
De leden
van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité worden, met
uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in één enkele stemronde
aangewezen, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van
stemmen wordt de oudste kandidaat verkozen.
Indien,
na de stemming, het gemengd karakter binnen het vast bureau en een bijzonder
comité niet gewaarborgd is, wordt de uitslag ongeldig verklaard.
Er wordt
voor het geheel van de zetels, behalve die van de voorzitter, een nieuwe
geheime stemming in één enkele stemronde gehouden tot de aanwezigheid van beide
geslachten binnen het vast bureau en de bijzondere comités gewaarborgd is.
Behoudens
in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, worden de leden
van het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de
bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij lid zijn.
Wanneer
het mandaat van een lid van het vast bureau of van een bijzonder comité
eindigt, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat
op dezelfde lijst is verkozen.
Er wordt
van het zesde lid afgeweken wanneer geen ander lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn is verkozen op dezelfde lijst als die van het te
vervangen lid van het vast bureau of bijzonder comité of wanneer laatsgenoemd
lid bij staking van stemmen zijn verkiezing binnen het vast bureau of het
bijzonder comité slechts aan zijn leeftijd te danken heeft. In beide gevallen
kan elk raadslid verkozen worden.
Er wordt
eveneens van het vierde lid afgeweken wanneer, na toepassing ervan, het vast
bureau of een bijzonder comité uitsluitend leden van hetzelfde geslacht zou
tellen. In dit geval kan elk raadslid verkozen worden dat tot het andere
geslacht behoort.]8]7
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), bij art. 2 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)
en bij art. 2, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S.,
12 juni 2002 (tweede uitg.)).
§ 3
vervangen bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 4
vervangen bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 5
ingevoegd bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 6 ingevoegd
bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22) en vervangen bij art. 2
Decr. W. Parl. 19 juli 2006 (B.S., 11 augustus 2006 (tweede
uitg.)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 3
vervangen bij art. 18 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en gewijzigd bij art. 3 Decr. W. Gew. R. 6 februari 2003 (B.S.,
17 februari 2003).
§ 4
vervangen bij art. 7 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 1
In de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in
artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken,
gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren
is de oprichting van een vast bureau verplicht.
De leden
van het vast bureau worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de
gemeenteraadskiezers op de wijze bepaald bij artikel 2bis van de gemeentewet.
2[In het aantal leden van het vast
bureau, zoals het is vastgesteld in artikel 27, § 3, wordt de voorzitter
alleen dan meegerekend als hij rechtstreeks is verkozen als lid van het vast
bureau.]2
§ 2
Het vast
bureau van bovenvermelde openbare centra voor maatschappelijk welzijn beslist
bij consensus. Bij gebrek aan consensus wordt de zaak door de voorzitter
voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn.]1
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 17 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).
§ 1
gewijzigd bij art. 8 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot
vaststelling van het model van de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van
de provincieraden en de gemeenteraden, voor de verkiezing van de
districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 24 augustus 2000) |
§ 1
In de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in
artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken,
gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren
is de oprichting van een vast bureau verplicht.
De leden
van het vast bureau worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de
gemeenteraadskiezers op de wijze bepaald bij artikel 2bis van de gemeentewet.
2[In het aantal leden van het vast
bureau, zoals het is vastgesteld 3[bij artikel 60, § 3, van het decreet van 19 december 2008
betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]3, wordt de voorzitter alleen dan
meegerekend als hij rechtstreeks is verkozen als lid van het vast bureau.]2
§ 2
Het vast
bureau van bovenvermelde openbare centra voor maatschappelijk welzijn beslist
bij consensus. Bij gebrek aan consensus wordt de zaak door de voorzitter
voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn.]1
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 17 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988).
§ 1
gewijzigd bij art. 8 W. 16 juni 1989 (B.S., 17 juni 1989) en
bij art. 272, 6° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot
vaststelling van het model van de oproepingsbrieven voor de verkiezingen van
de provincieraden en de gemeenteraden, voor de verkiezing van de
districtsraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 24 augustus 2000) |
3[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)), met ingang van 30 juni 1999 (art. 5) en opgeheven bij art. 276,
30° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, f)
B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 25 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
1[§ 1]1
De voorzitter
van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn leidt de
aktiviteiten van dit centrum.
Hij zorgt
voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad, aan het vast
bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd.
Hij roept
deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.
Hij is
belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het vast bureau
en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en de bijzondere comités
genomen beslissingen worden ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn
gebracht. 1[De notulen van de vergaderingen
van het overlegcomité dienen ter kennis te worden gebracht van de raad voor
maatschappelijk welzijn.]1 Hij
vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de
gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.
2[Wanneer een dakloze persoon een
beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de
voorzitter hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen
vastgesteld door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk
welzijn, mits zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging
aan de raad voor te leggen.]2
§ 2
1[De beslissingen van de raad voor
maatschappelijk welzijn, van het vast bureau en van de bijzondere comités, de
bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn worden ondertekend door de voorzitter en door de
secretaris.
De
voorzitter kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan
een of meerdere leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij kan deze
opdracht te allen tijde herroepen. Het lid of de leden aan wie de opdracht is
gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening,
naam en functie, melding maken van die opdracht.
De raad
voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau kan de secretaris van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn machtigen de medeondertekening
van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum.
Deze opdracht geschiedt schriftelijk en is te allen tijde herroepbaar; de raad
voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn
eerstvolgende vergadering. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is
gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening,
naam en functie, melding maken van die opdracht.]1
1[§ 3]1
De
voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het
huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, zelf tot
hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de raad te onderwerpen op de
eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging.
§ 4
1[De voorzitter woont, op zijn
verzoek of op uitnodiging van de burgemeester, met raadgevende stem de
vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen bij teneinde
gehoord te worden betreffende aangelegenheden die verband houden met het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Te dien einde ontvangt de
voorzitter de agenda van de vergaderingen van het college.]1
Wetshistoriek
§ 1
vernummerd bij art. 19 en gewijzigd bij art. 19bis W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992) en bij art. 3 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993).
§ 2
vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 3
vernummerd en § 4 vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
1[§ 1]1
De
voorzitter van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
leidt de aktiviteiten van dit centrum.
Hij zorgt
voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad, aan het vast
bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd.
Hij roept
deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.
Hij is
belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het vast bureau
en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en de bijzondere comités
genomen beslissingen worden ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn
gebracht. 1[De notulen van de vergaderingen
van het overlegcomité dienen ter kennis te worden gebracht van de raad voor
maatschappelijk welzijn.]1 Hij
vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de
gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.
2[Wanneer een dakloze persoon een
beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de
voorzitter hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen
vastgesteld door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk
welzijn, mits zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging
aan de raad voor te leggen.]2
§ 2
1[De beslissingen van de raad voor
maatschappelijk welzijn, van het vast bureau en van de bijzondere comités, de
bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn worden ondertekend door de voorzitter en door de
secretaris.
De
voorzitter kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan
een of meerdere leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij kan deze
opdracht te allen tijde herroepen. Het lid of de leden aan wie de opdracht is
gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening,
naam en functie, melding maken van die opdracht.
De raad
voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau kan de secretaris van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn machtigen de medeondertekening
van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum.
Deze opdracht geschiedt schriftelijk en is te allen tijde herroepbaar; de raad
voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn
eerstvolgende vergadering. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is
gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening,
naam en functie, melding maken van die opdracht.]1
1[§ 3]1
De
voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het
huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, zelf tot
hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de raad te onderwerpen op de
eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging.
§ 4
3[Behoudens aangelegenheden inzake
de vestiging en de invordering van de gemeentebelastingen en inzake
tuchtmaatregelen, woont de voorzitter, op zijn verzoek of op uitnodiging van de
burgemeester, met raadgevende stem de vergaderingen bij van het college van
burgemeester en schepenen. Daartoe ontvangt de voorzitter de agenda van de
vergaderingen van het college op hetzelfde tijdstip als de schepenen.]3
Wetshistoriek
§ 1
vernummerd bij art. 19 en gewijzigd bij art. 19bis W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992) en bij art. 3 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993).
§ 2
vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 3
vernummerd bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 4
vervangen bij art. 11 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
§ 4
vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
5[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 31° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 19bis W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), vernummerd bij art. 19 en gewijzigd bij art. 3 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B.
21 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993)) en bij art. 26,
1° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede
uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van
de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).
§ 2
vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S.,
6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien
van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een
datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het
geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van
17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg.
17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art.
1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).
§ 3
vernummerd bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 4
vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en opgeheven bij art. 26, 2° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)).
1[§ 1]1
De
voorzitter van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
leidt de aktiviteiten van dit centrum.
Hij zorgt
voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad, aan het vast
bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd.
Hij roept
deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.
Hij is
belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het vast bureau
en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en de bijzondere comités
genomen beslissingen worden ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn
gebracht. 1[De notulen van de vergaderingen
van het overlegcomité dienen ter kennis te worden gebracht van de raad voor
maatschappelijk welzijn.]1 Hij
vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de
gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.
2[Wanneer een dakloze persoon een
beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de
voorzitter hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen
vastgesteld door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk
welzijn, mits zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging
aan de raad voor te leggen 3[of
aan het orgaan waaraan de raad deze bevoegdheid heeft overgedragen]3.]2
§ 2
1[De beslissingen van de raad voor
maatschappelijk welzijn, van het vast bureau en van de bijzondere comités, de
bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn worden ondertekend door de voorzitter en door de
secretaris.
De
voorzitter kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan
een of meerdere leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij kan deze
opdracht te allen tijde herroepen. Het lid of de leden aan wie de opdracht is
gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening,
naam en functie, melding maken van die opdracht.
De raad
voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau kan de secretaris van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn machtigen de medeondertekening
van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum.
Deze opdracht geschiedt schriftelijk en is te allen tijde herroepbaar; de raad
voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn
eerstvolgende vergadering. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is
gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening,
naam en functie, melding maken van die opdracht.]1
1[§ 3]1
De
voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het
huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, zelf tot
hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de raad 3[of aan het orgaan waaraan de raad
deze bevoegdheid heeft overgedragen]3 te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar
bekrachtiging.
§ 4
1[De voorzitter woont, op zijn
verzoek of op uitnodiging van de burgemeester, met raadgevende stem de
vergaderingen van het 4[gemeentelijk
college]4 bij teneinde gehoord te worden
betreffende aangelegenheden die verband houden met het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn. Te dien einde ontvangt de voorzitter de agenda van de
vergaderingen van het college.]1
Wetshistoriek
§ 1
vernummerd bij art. 19 en gewijzigd bij art. 19bis W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992), bij art. 3 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993) en bij art. 6, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 2
vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 3
vernummerd bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en gewijzigd bij art. 6, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 4
vervangen bij art. 19 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 27 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 32° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
De raad
voor maatschappelijk welzijn vergadert ten minste éénmaal in de maand, na
bijeenroeping door de voorzitter, op de dagen en uren vastgesteld door het
huishoudelijk reglement.
Bovendien
roept de voorzitter de raad bijeen telkens hij dit noodzakelijk acht.
De
voorzitter is ertoe gehouden de raad voor maatschappelijk welzijn bijeen te
roepen, hetzij op aanvraag van de burgemeester 1[...], hetzij op aanvraag van een
derde van de zitting hebbende leden, op dag en uur met de agendapunten door hen
bepaald.
1[De aanvraag dient bij de
voorzitter toe te komen ten minste twee vrije dagen voordat de termijn van ten
minste vijf vrije dagen, bepaald in artikel 30, begint te lopen.]1
De
vergaderingen van de raad hebben plaats in de zetel van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn, tenzij de raad voor een bepaalde vergadering
anders beslist.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 20 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
De raad
voor maatschappelijk welzijn vergadert ten minste éénmaal in de maand, na
bijeenroeping door de voorzitter, op de dagen en uren vastgesteld door het
huishoudelijk reglement.
Bovendien
roept de voorzitter de raad bijeen telkens hij dit noodzakelijk acht.
De
voorzitter is ertoe gehouden de raad voor maatschappelijk welzijn bijeen te
roepen, hetzij op aanvraag van de burgemeester 1[...], hetzij op aanvraag van een
derde van de zitting hebbende leden, op dag en uur met de agendapunten door hen
bepaald.
1[De aanvraag dient bij de
voorzitter toe te komen ten minste twee vrije dagen voordat de termijn van ten
minste vijf vrije dagen, bepaald in artikel 30, begint te lopen.]1
De
vergaderingen van de raad hebben plaats in de zetel van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn, tenzij de raad voor een bepaalde vergadering
anders beslist.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 20 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 33° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 20 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
2 Decr. Vl. Parl. 23 mei 2003 (B.S., 12 juni 2003 (eerste
uitg.)).
1[De bijeenroeping geschiedt
schriftelijk en aan huis, ten minste vijf vrije dagen vóór de dag van de
vergadering en vermeldt de agenda. Deze termijn kan worden ingekort in
spoedeisende gevallen en zal teruggebracht worden tot twee vrije dagen in geval
na twee oproepingen niet de bij artikel 32 vereiste meerderheid aanwezig is.
Buiten de
agendapunten mag geen enkel onderwerp behandeld worden behalve bij dringende
noodzakelijkheid. Tot de dringende noodzakelijkheid moet worden besloten door
ten minste twee derden van de aanwezige leden. De namen van die leden worden in
de notulen vermeld.]1
Elk
voorstel dat uitgaat van een lid van de raad en dat ten minste twaalf dagen
vóór de datum van de vergadering van de raad aan de voorzitter wordt bezorgd,
moet ingeschreven worden op de agenda van die vergadering.
De
volledige dossiers worden ter beschikking van de leden van de raad gesteld ten
zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedurende de in het
eerste lid bepaalde termijn, met uitzondering van de zaterdagen, de zondagen en
de wettelijke feestdagen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 21 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Geselecteerde
rechtspraak
Artt. 30,
vierde lid, en 36, eerste lid, O.C.M.W.-wet moeten de raadsleden in staat
stellen met kennis van zaken hun mandaat uit te oefenen en goed geïnformeerd
deel te nemen aan de besluitvorming in de raad voor maatschappelijk welzijn. De
raadsleden hebben er dan ook een functioneel belang bij een beslissing van de
raad voor maatschappelijk belang aan te vechten die tot stand is gekomen zonder
dat zij de mogelijkheid hebben gehad om, onder de door artt. 30, vierde
lid, en 36, eerste lid, bepaalde voorwaarden, kennis te nemen van alle
relevante stukken van het dossier (R.v.St. (9e k.) nr. 89.802, 26 september
2000).
In het dossier
dat ter beschikking van de raadsleden wordt gesteld, moeten zich de stukken
bevinden waarvan de kennis van belang is voor de besluitvorming. Wanneer in de
aanhef van een te nemen beslissing of een goed te keuren overeenkomst wordt
verwezen naar bepaalde stukken of gegevens, moet verondersteld worden dat die
elementen van belang worden geacht voor de besluitvorming (R.v.St. (9e k.) nr.
89.802, 26 september 2000).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 34° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 21 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
1[De bijeenroeping geschiedt
schriftelijk en aan huis, ten minste vijf vrije dagen vóór de dag van de
vergadering en vermeldt de agenda. Deze termijn kan worden ingekort in spoedeisende
gevallen en zal teruggebracht worden tot twee vrije dagen in geval na twee
oproepingen niet de bij artikel 32 vereiste meerderheid aanwezig is.
Buiten de
agendapunten mag geen enkel onderwerp behandeld worden behalve bij dringende
noodzakelijkheid. Tot de dringende noodzakelijkheid moet worden besloten door
ten minste twee derden van de aanwezige leden. De namen van die leden worden in
de notulen vermeld.]1
2[Elk voorstel dat uitgaat van een
lid van de raad en dat ten minste twaalf dagen vóór de vergadering van de raad
aan de voorzitter wordt overgemaakt, moet op de agenda van die vergadering
voorkomen en vergezeld gaan van een verklarende nota of van elk document ter
informatie van de raad voor maatschappelijk welzijn.]2
De
volledige dossiers worden ter beschikking van de leden van de raad gesteld ten
zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedurende de in het
eerste lid bepaalde termijn, met uitzondering van de zaterdagen, de zondagen en
de wettelijke feestdagen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 21 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
6bis Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De
vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn worden gehouden met
gesloten deuren.
De
vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn worden gehouden met
gesloten deuren.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 35° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 2 Decr. Vl. Parl. 5 juli 2002 (B.S., 14 augustus 2002 (eerste
uitg.)) en gewijzigd bij art. 28 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006
(art. 53, § 2).
Verwijzingen
Zie Omz. BA –
2002/19 van Vl. Min. Binn. Aangel. en Vl. Min. Welzijn van 6 december 2002
betreffende de openbaarheid van vergaderingen van de raad voor maatschappelijk
welzijn, de bijzondere comités en het vast bureau, de O.C.M.W. –
meerjarenplanning en het samenwerkingsakkoord tussen gemeente en O.C.M.W. (B.S.,
9 januari 2003; err., B.S., 20 januari 2003; tweede
bekendmaking in B.S., 14 januari 2003).
Zie Omz.
BA-2003/08 van Vl. Min. Binn. Aangel. en Vl. Min. Welzijn van 18 juli 2003
betreffende de openbaarheid van de vergaderingen in de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 19 augustus 2003).
De wet
van 11 april 1994 en het decreet van de Waalse Gewestraad van
30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur zijn van toepassing
op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn al naar gelang de daden van
beheer respectievelijk tot de bevoegdheid van de Federale Staat of van het
Waalse Gewest behoren.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 6ter Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De raad
voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de bijzondere comités mogen
alleen beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van hun zitting
hebbende leden aanwezig is.
Zij
kunnen echter, indien zij tweemaal bijeengeroepen werden zonder dat het
vereiste aantal leden opgekomen is, na een nieuwe en laatste bijeenroeping,
geldig beraadslagen en beslissen, welk ook het aantal der aanwezige leden zij,
over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda staan.
De tweede
en derde bijeenroeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van
artikel 30 en er moet vermeld worden dat de bijeenroeping voor de tweede of de
derde maal geschiedt. Bovendien moet de derde bijeenroeping de tekst van de
eerste twee leden van het onderhavig artikel woordelijk herhalen.
Geselecteerde
rechtspraak
Het feit dat
een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is aangewezen om het secretariaat
van de vergadering waar te nemen, eerder dan een personeelslid van het
O.C.M.W., belet niet dat de betrokkene de hoedanigheid van raadslid heeft en
dat hij met beslissende stem aan de vergadering kan deelnemen. Zijn
aanwezigheid moet dan ook in aanmerking genomen worden voor de berekening van
het aantal aanwezigen, in de zin van art. 32, eerste lid, O.C.M.W.-wet
(R.v.St. nr. 87.733, 31 mei 2000).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 36° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
De raad
voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de bijzondere comités mogen
alleen beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van hun zitting
hebbende leden aanwezig is.
Zij
kunnen echter, indien zij tweemaal bijeengeroepen werden zonder dat het
vereiste aantal leden opgekomen is, na een nieuwe en laatste bijeenroeping,
geldig beraadslagen en beslissen, welk ook het aantal der aanwezige leden zij,
over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda staan.
De tweede
en derde bijeenroeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van
artikel 30 en er moet vermeld worden dat de bijeenroeping voor de tweede of de
derde maal geschiedt. Bovendien moet de derde bijeenroeping de tekst van de
eerste twee leden van het onderhavig artikel woordelijk herhalen.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[§ 1
De
beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
De leden
van de raad stemmen mondeling. De voorzitter van de raad, of het raadslid dat
hem vervangt krachtens artikel 25, § 3, stemt het laatst en bij staking
van stemmen is zijn stem beslissend.
§ 2
De leden
stemmen echter geheim als het om personen gaat, behoudens in geval van
individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening.
Is er bij
geheime stemming staking van stemmen, dan is het voorstel verworpen.
§ 3
Voor elke
benoeming tot ambten en elke contractuele indienstneming, wordt tot een
afzonderlijke stemming overgegaan.
In deze
gevallen evenals bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten tot mandaten
of ambten, indien de volstrekte meerderheid niet werd verkregen bij de eerste
stembeurt, heeft herstemming plaats voor de twee kandidaten die de meeste
stemmen hebben bekomen; in voorkomend geval wordt de deelneming aan die
herstemming bepaald met voorrang van de oudste in jaren. In geval van staking
van stemmen bij de tweede stembeurt krijgt de oudste kandidaat de voorkeur.
§ 4
Er wordt
geen rekening gehouden met de onthoudingen en de blanco of nietige
stembiljetten.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 22 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 37° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 22 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
1[§ 1
De
beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
De leden
van de raad stemmen mondeling. De voorzitter van de raad, of het raadslid dat
hem vervangt krachtens artikel 25, § 3, stemt het laatst en bij staking
van stemmen is zijn stem beslissend.
2[§ 1bis
De raad
voor maatschappelijk welzijn stemt het geheel van de begroting en het geheel
van de jaarrekeningen.
Elk lid
kan echter de afzonderlijke stemming van één of meer door hem aangewezen
artikelen of groepen van artikelen eisen als het om de begroting gaat, of van
één of meer door hem aangewezen artikelen of posten als het om de
jaarrekeningen gaat.
In dit
geval kan de algemene stemming slechts plaatsvinden na de stemming van de aldus
aangewezen artikelen, groepen van artikelen of posten; ze heeft betrekking op
de artikelen of posten waarvan geen enkel lid de afzonderlijke stemming heeft
gevraagd, en op de artikelen die reeds bij afzonderlijke stemming zijn
goedgekeurd.]2
§ 2
De leden
stemmen echter geheim als het om personen gaat, behoudens in geval van
individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening.
Is er bij
geheime stemming staking van stemmen, dan is het voorstel verworpen.
§ 3
Voor elke
benoeming tot ambten en elke contractuele indienstneming, wordt tot een
afzonderlijke stemming overgegaan.
In deze
gevallen evenals bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten tot mandaten
of ambten, indien de volstrekte meerderheid niet werd verkregen bij de eerste
stembeurt, heeft herstemming plaats voor de twee kandidaten die de meeste
stemmen hebben bekomen; in voorkomend geval wordt de deelneming aan die
herstemming bepaald met voorrang van de oudste in jaren. In geval van staking
van stemmen bij de tweede stembeurt krijgt de oudste kandidaat de voorkeur.
§ 4
Er wordt
geen rekening gehouden met de onthoudingen en de blanco of nietige
stembiljetten.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 22 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1bis
ingevoegd bij art. 6quater Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 23 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en opgeheven
bij art. 276, 38° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 29 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)).
Voor de
zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens de zitting,
voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de burgemeester de
bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda verdagen, behalve
wanneer het betrekking heeft op de individuele toekenning of terugvordering van
maatschappelijke dienstverlening. De redenen van de beslissing van de
burgemeester worden vermeld in de notulen van de vergadering.
In dat
geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien
dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.
De
burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts éénmaal
uitoefenen voor hetzelfde punt.
2[Het Verenigd College]2 kan de toepassingsmodaliteiten
van de bepalingen van dit artikel nader bepalen.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 23 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd
bij art. 12 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voor de
zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens de zitting,
voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de burgemeester de
bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda verdagen, behalve
wanneer het betrekking heeft op de individuele toekenning of terugvordering van
maatschappelijke dienstverlening. De redenen van de beslissing van de
burgemeester worden vermeld in de notulen van de vergadering.
In dat
geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien
dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.
De
burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts éénmaal
uitoefenen voor hetzelfde punt.
2[De Regering]2 kan de toepassingsmodaliteiten
van de bepalingen van dit artikel nader bepalen.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 23 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd
bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december
1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Voor de
zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens de zitting,
voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de burgemeester de
bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda verdagen, behalve
wanneer het betrekking heeft op de individuele toekenning of terugvordering van
maatschappelijke dienstverlening. De redenen van de beslissing van de
burgemeester worden vermeld in de notulen van de vergadering.
In dat
geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien
dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.
De
burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts éénmaal
uitoefenen voor hetzelfde punt.
2[De Regering]2 kan de toepassingsmodaliteiten
van de bepalingen van dit artikel nader bepalen.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 23 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd
bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april
1998).
De
notulen van de vorige vergadering worden hetzij aan de leden medegedeeld samen
met de bijeenroeping tot de vergadering, hetzij ter hunner beschikking gesteld
volgens de regelen bepaald bij het laatste lid van artikel 30. Na goedkeuring
worden zij door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
Telkens
als de raad het gewenst acht, worden de notulen, geheel of gedeeltelijk,
staande de vergadering opgemaakt en door de aanwezige leden ondertekend.
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 39° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 30 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Bovenop
de verplichting opgelegd bij artikel 26bis, § 5, tweede lid, kan de raad voor
maatschappelijk welzijn gemeenschappelijke zittingen met de gemeenteraad
houden.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 7 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De
vergaderingen van het vast bureau en, behoudens een met redenen omklede
andersluidende beslissing van het betrokken comité, die van de bijzondere
comités, worden gehouden op de plaats aangeduid in het huishoudelijk reglement.
De
bepalingen van de artikelen 30 tot en met 34 zijn van toepassing op de
vergaderingen van het vast bureau en van de bijzondere comités.
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 40° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 3 Decr. Vl. Parl. 23 mei 2003 (B.S., 12 juni 2003 (eerste
uitg.)) en bij art. 31 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
De leden
van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben het recht om ter plaatse kennis
te nemen van alle akten, stukken en dossiers betreffende het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn.
De leden
van de raad, alsmede alle andere personen, die krachtens de wet de
vergaderingen van de raad, het vast bureau en de bijzondere comités bijwonen,
zijn tot geheimhouding verplicht.
De leden
van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben het recht om ter plaatse kennis
te nemen van alle akten, stukken en dossiers betreffende het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn.
1[Wat de akten, stukken en dossiers
van het ziekenhuis betreft, beschikken de leden van het beheerscomité die
raadgevende stem hebben, over hetzelfde recht.]1
De leden
van de raad 1[en van het beheerscomité van het
ziekenhuis]1, alsmede alle andere personen,
die krachtens de wet de vergaderingen van de raad, het vast bureau 1[, de bijzondere comités en het
beheerscomité van het ziekenhuis]1 bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht.
1[Met uitzondering van de akten en
stukken betreffende de door het centrum verleende individuele hulp of de
invordering van deze hulp, en van de akten en stukken betreffende de dossiers
die het centrum nog niet heeft goedgekeurd, kunnen de leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn, onder de voorwaarden bepaald bij het door de raad
opgemaakte huishoudelijk reglement, een afschrift verkrijgen van de akten en
stukken betreffende de administratie van het O.C.M.W.
De
vergoeding die eventueel wordt geëist voor het afschrift, mag in geen geval de
kostprijs overschrijden.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 7 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 41° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, f) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 3 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998),
met ingang van 1 juni 1998 (art. 1 B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S.,
12 september 1998)) en gewijzigd bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 5 juli
2002 (B.S., 14 augustus 2002 (eerste uitg.)).
Geselecteerde
rechtspraak
Als een lid van
een raad voor maatschappelijk welzijn o.m. aan de pers zijn zienswijze naar
buiten brengt over de wijze waarop het O.C.M.W. de problematiek benadert van
het verlenen, in noodgevallen, van onderdak aan asielzoekers die aan het
O.C.M.W. zijn toegewezen, en als dat lid daarbij geen individuele informatie
naar buiten brengt m.b.t. dossiers die, omdat zij betrekking hebben op gevallen
van individuele hulpverlening, onder de geheimhoudingsplicht van art. 36, derde
lid, W. 8 juli 1976 vallen, dan kan de raad voor maatschappelijk welzijn
in die mededelingen geen reden vinden om tegen het betrokken raadslid een
tuchtprocedure op te starten (R.v.St. nr. 87.281, 16 mei 2000).
Het is de
leden van de raad en de personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de
raad mogen bijwonen, verboden:
|
1°Tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit
over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde,
rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met
de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen
tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van
bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad; |
|
2°rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige
overeenkomst, enige aanbesteding, levering, verkoop of aankoop voor het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Dit verbod is eveneens van
toepassing op de handelsvennootschappen waarin het lid van de raad, de
burgemeester of zijn afgevaardigde vennoot, zaakvoerder, beheerder of
lasthebber is; |
|
3°als advokaat, notaris, zaakwaarnemer of deskundige,
belangen te behartigen die strijdig zijn met die van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn of, anders dan kosteloos, in dezelfde
hoedanigheid de belangen van het centrum te verdedigen. |
Deze
bepalingen gelden eveneens voor de leden van de bijzondere beheersorganen die
met toepassing van artikel 94 zouden worden opgericht.
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 42° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, g) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 4, 1° en 2° Decr. Vl. Parl. 23 mei 2003 (B.S., 12 juni
2003 (eerste uitg.)) en bij art. 32 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 1, 48°, g) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009).
Het is de
leden van de raad en de personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de
raad mogen bijwonen, verboden:
|
1°tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit
over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde,
rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met
de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen
tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van
bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad; |
|
2°rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige
overeenkomst, enige aanbesteding, levering, verkoop of aankoop voor het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Dit verbod is eveneens van
toepassing op de handelsvennootschappen waarin het lid van de raad, de
burgemeester of zijn afgevaardigde vennoot, zaakvoerder, beheerder of
lasthebber is; |
|
3°als advokaat, notaris, zaakwaarnemer of deskundige,
belangen te behartigen die strijdig zijn met die van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn of, anders dan kosteloos, in dezelfde
hoedanigheid de belangen van het centrum te verdedigen; |
|
4°1[als
raadsman van een personeelslid in tuchtzaken tussen te komen; |
|
5°als afgevaardigde of technicus van een vakorganisatie
in een onderhandelings- of overlegcomité van de gemeente of het Openbaar
Centrum voor maatschappelijk welzijn tussen te komen.]1 |
Deze
bepalingen gelden eveneens voor de leden van de bijzondere beheersorganen die
met toepassing van artikel 94 zouden worden opgericht.
Wetshistoriek
Lid 1, 4° en 5°
ingevoegd bij art. 5 Decr. W. Gew. R. 6 april 1995 (B.S.,
25 mei 1995).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[§ 1]2
1[2[De wedde, het vakantiegeld, de
eindejaarspremie en het stelsel van sociale zekerheid van de voorzitter zijn
dezelfde als die van de schepenen van de gemeente waar de zetel van het
openbaar centrum gevestigd is. Het Verenigd College van de Gemeenschappelijke
Gemeenschapscommissie kan de nadere regels voor de toepassing van deze bepaling
vaststellen, rekening houdend met inzonderheid de toepassing van § 2.]2
2[Binnen de perken en volgens de
toekenningsvoorwaarden en de wijze van toekenning bepaald door het Verenigd
College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kent de raad voor maatschappelijk
welzijn presentiegeld toe aan zijn leden.]2
De
gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde
pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente
waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.
De kosten
die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de uitvoering van
opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk welzijn in het kader van
zijn bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd, worden hun terugbetaald. 4[Het Verenigd College]4 kan de nadere regels van deze
terugbetalingen bepalen.]1
3[§ 2
De som
van de wedde van de voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn en van
de vergoedingen, wedden en presentiegelden die hij ontvangt voor activiteiten
die hij buiten zijn mandaat uitoefent, is gelijk aan of lager dan anderhalf
maal het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer van
Volksvertegenwoordigers en van de Senaat.
Voor de
berekening van dat bedrag komen in aanmerking de vergoedingen, de wedden of de
presentiegelden voortvloeiend uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een
openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard.
Zo het in
het eerste lid bedoelde plafond wordt overschreden, wordt de wedde van de
voorzitter verminderd tot het passende beloop.
Als de
buiten het mandaat van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn
uitgeoefende activiteiten in de loop van het mandaat beginnen of eindigen,
geeft de betrokken voorzitter de raad voor maatschappelijk welzijn hiervan kennis.]3
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 24 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
genummerd bij art. 2, § 1 en gewijzigd bij art. 2, §§ 2 en 3 Ord.
Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 29 maart 2001 (B.S., 24 april 2003
(derde uitg.)), met ingang van 1 januari 2001 (art. 4) en bij art. 13 Ord.
Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003),
met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
§ 2
ingevoegd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 29 maart 2001 (B.S.,
24 april 2003 (derde uitg.)), met ingang van 31 januari 2001 (art.
4).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de
bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de
raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977) |
1[2[6[...]
De
voorzitter of het lid dat de voorzitter vervangt geniet dezelfde
socialezekerheidsregeling als deze die van toepassing is voor de schepenen van
de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
gevestigd is.]2
5[...]
6[...]
De
gewezen voorzitters4[, de gewezen ondervoorzitters]4 en hun rechtverkrijgenden
genieten hetzelfde pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de
schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.
5[...]]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 24 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), gewijzigd
bij art. 2, 2° Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999
(tweede uitg.)), bij art. 33, 3° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1), bij art. 276, 43° Decr. Vl. Parl. 19 december
2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van
1 juli 2009 (art. 1, 48°, h) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)) en bij art. 276, 43° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 42, 3° B.Vl.Reg. 5 juni 2009 (BS 19 juni 2009
(ed. 2)) en art. 11, 3° B.Vl.Reg. 5 juni 2009 (BS
19 juni 2009 (ed. 3))).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 2, 1° Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999
(tweede uitg.)), bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 17 juli 2000 (B.S.,
11 augustus 2000), met ingang van de eerstvolgende algehele vernieuwing
van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 6) en bij art. 33, 1°, 2°
en 4° Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006
(tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van de Vlaamse regering van 22 september
1998 betreffende de bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van
de leden van de raden voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
13 november 1998) |
|
–Besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari
2007 houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris (B.S.,
9 februari 2007) |
1[3[De wedde, het vakantiegeld en de
eindejaarspremie alsmede de socialezekerheidsregeling van de voorzitter worden
door de Regering vastgesteld. Zij mogen niet gunstiger zijn dan die van de
schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.
De Regering kan de voorwaarden en modaliteiten voor de toekenning ervan
bepalen.]3
Binnen de
perken en volgens de voorwaarden en modaliteiten van toekenning door 2[de Regering]2 bepaald, kan de raad voor
maatschappelijk welzijn een presentiegeld toekennen aan zijn leden.
De
gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde
pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente
waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.
De kosten
die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de uitvoering van
opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk welzijn in het kader van
zijn bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd, worden hun terugbetaald. 2[De Regering]2 kan de nadere regels van deze
terugbetalingen bepalen.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 24 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), gewijzigd
bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december
1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30) en bij art. 38 Decr. D.
Gem. R. 23 oktober 2000 (B.S., 5 december 2000).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de
bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de
raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977) |
3[§ 1]3
1[3[De wedde, het vakantiegeld, de
eindejaarspremie en de sociale zekerheidsregeling van de voorzitter zijn
dezelfde als die van de schepenen van de overeenstemmende gemeente. De Regering
kan de toekenningsvoorwaarden en wijze ervan bepalen.]3
5[De bepalingen betreffende het
stelsel inzake compensatie van inkomensverlies dat voor de schepenen geldt, is
mutatis mutandis op de O.C.M.W.-voorzitters toepasselijk.]5
Binnen de
perken en volgens de voorwaarden en modaliteiten van toekenning door de 2[Regering]2 bepaald, 5[kent]5de raad voor maatschappelijk
welzijn een presentiegeld 5[toe]5 aan zijn leden.
De
gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde
pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente
waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.
De kosten
die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de uitvoering van
opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk welzijn in het kader van
zijn bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd, worden hun terugbetaald.
De 2[Regering]2 kan de nadere regels van deze
terugbetalingen bepalen.]1
4[§ 2
8[De som van het presentiegeld van
het raadslid voor maatschappelijk welzijn en van de bezoldiging en voordelen in
natura die hij ontvangt vanwege zijn oorspronkelijk mandaat, zijn afgeleide
mandaten en zijn openbare mandaten, functies en activiteiten van politieke aard
zoals omschreven in artikel L 5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke
democratie en de decentralisatie, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer
het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer van
volksvertegenwoordigers en van de Senaat.
Bij
overschrijding van de grens die in het eerste lid vastligt, wordt het bedrag
van het presentiegeld en/of de bezoldiging en de voordelen in natura die het
raadslid voor maatschappelijk welzijn ontvangt vanwege zijn afgeleide mandaten
en zijn openbare mandaten, functies en activiteiten van politieke aard in
evenredige mate verminderd.]8]4
6[§ 3
8[De functies van de raadsleden
voor maatschappelijk welzijn die ook een mandaat van gemeenteraadslid
uitoefenen, worden gelijkgesteld met openbare mandaten, functies en
activiteiten van politieke aard voor de toepassing van de regels vermeld in het
vijfde deel van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de
decentralisatie dat op hen van toepassing is.]8]6
6[§ 4
8[De raadsleden voor het
maatschappelijk welzijn worden, als ze geen lid zijn van de gemeenteraad,
gelijkgesteld met de gemeenteraadsleden voor de toepassing van de regels
opgenomen in het vijfde deel van het Wetboek van de plaatselijke democratie en
de decentralisatie, die op hen van toepassing is.
Voor de
toepassing van artikel L5421-2, § 2, van het Wetboek van de
plaatselijke democratie en de decentralisatie, gebeurt de terugbetaling ten
bate van de raad voor het maatschappelijk welzijn.]8]6
6[§ 5
8[Voor de toepassing van
artikel L 5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de
decentralisatie wordt onder niet-verkozen personen verstaan de personen die
geen raadslid voor maatschappelijk welzijn zijn en die na een beslissing van
één van de organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
verantwoordelijkheden uitoefenen in het beheer van een rechtspersoon of een
feitelijke vereniging.]8]6
8[§ 6
De som
van de wedde van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de
bezoldiging en voordelen in natura die hij ontvangt vanwege zijn
oorspronkelijke mandaten, zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten,
functies en activiteiten van politieke aard is gelijk aan of lager dan
anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de
Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat.
Bij
overschrijding van de grens die in het eerste lid vastligt, wordt het bedrag
van de wedde van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en/of de
bezoldiging en de voordelen in natura die de voorzitter van de raad voor
maatschappelijk welzijn ontvangt vanwege zijn afgeleide mandaten en zijn
openbare mandaten, functies en activiteiten van politieke aard in evenredige
mate verminderd.]8
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 24 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en
gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 1
genummerd en gewijzigd bij art. 2 Decr. W. Gew. R. 1 april 1999 (B.S.,
29 april 1999) en bij art. 4 en 5, 1° Decr. W. Gew. R.
6 februari 2003 (B.S., 17 februari 2003).
§ 2
ingevoegd bij art. 1 Decr. W. Gew. R. 1 april 1999 (B.S.,
29 april 1999), met ingang van 8 oktober 2000 (art. 3) en vervangen
bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari
2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).
§ 3
ingevoegd bij art. 9 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22) en vervangen
bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari
2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).
§ 4
ingevoegd bij art. 8 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22) en vervangen bij
art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari
2008, err., B.S., 17 maart 2008), met ingang van 24 januari
2008 (art. 3).
§ 5
ingevoegd bij art. 8 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22) en vervangen
bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S., 24 januari
2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).
§ 6
ingevoegd bij art. 2 B. W. Reg. 20 december 2007 (B.S.,
24 januari 2008), met ingang van 24 januari 2008 (art. 3).
Voorgeschiedenis
§ 2
gewijzigd bij art. 5, 2° Decr. W. Gew. R. 6 februari 2003 (B.S.,
17 februari 2003) en vervangen bij art. 9 Decr. W. Gew. R. 8 december
2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006
(art. 22).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de
bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de
raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 5 Decr. Vl. Parl. 17 juli 2000 (B.S., 11 augustus 2000),
met ingang van de eerstvolgende algehele vernieuwing van de raden voor
maatschappelijk welzijn (art. 6) en opgeheven bij art. 276, 44° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, i) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 34 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Wanneer
een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig
vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.
1[Als de waarnemend voorzitter een
wedde ontvangt, vervalt de wedde van de voorzitter.
Het
eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
ondervoorzitter of ondervoorzitters.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 35 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1).
Toekomstig recht
Artikel 39 wordt opgeheven bij art. 276, 45°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, i)
B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
2[...]
Wanneer
een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig
vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.
1[Het Verenigd College]1 bepaalt de regelen voor de
berekening van deze wedde en voor de verdere uitkering van de wedde van de verkozen
voorzitter, evenals de invloed van die uitkeringen op de pensioenvorming.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 14 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de
bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de
raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977) |
Wanneer
een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig
vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.
1[De Regering]1 bepaalt de regelen voor de
berekening van deze wedde en voor de verdere uitkering van de wedde van de
verkozen voorzitter, evenals de invloed van die uitkeringen op de
pensioenvorming.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de
bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de
raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977) |
Wanneer
een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig
vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.
De 1[Regering]1 bepaalt de regelen voor de
berekening van deze wedde en voor de verdere uitkering van de wedde van de
verkozen voorzitter, evenals de invloed van die uitkeringen op de
pensioenvorming.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 15 december 1977 betreffende de
bezoldiging van de voorzitters en de presentiegelden van de leden van de
raden voor maatschappelijk welzijn (B.S., 22 december 1977) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De
huishoudelijke reglementen voor de raad, het vast bureau, de bijzondere
comités, alsmede voor de diensten en instellingen van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, worden vastgesteld door de raad.
2[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 15 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 25 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 46° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, i) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 25 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
5 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998),
met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor
maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
1[De huishoudelijke reglementen
voor de raad, het vast bureau, de bijzondere comités, alsmede voor de diensten
en instellingen, van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden
vastgesteld door de raad.
Zij
worden onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad. Elke beslissing tot
niet-goedkeuring moet met redenen worden omkleed. De goedkeuring van de
gemeenteraad wordt geacht toegekend te zijn, indien aan het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn geen beslissing wordt betekend binnen zestig
dagen.
Bij
niet-goedkeuring door de gemeenteraad wordt het volledig dossier door de zorg
van het centrum voor goedkeuring doorgestuurd aan de Regering.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 8 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
De
huishoudelijke reglementen voor de raad, het vast bureau, de bijzondere
comités, alsmede voor de diensten en instellingen van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, worden vastgesteld door de raad.
3[De raad legt deontologische en
ethische regels vast in zijn huishoudelijk reglement. Deze regels bekrachtigen
o.a. de weigering tot aanvaarding van een mandaat dat niet ten volle
waargenomen zou kunnen worden, de regelmatige deelname aan de zittingen van de
raad, van het vast bureau of van een bijzonder comité, de relaties tussen de
verkozenen en de plaatselijke administratie, het luisteren naar en de
informatieverstrekking aan de burger.]3
2[Het beheerscomité van het
ziekenhuis maakt zijn huishoudelijk reglement op en onderwerpt het aan de
goedkeuring van de raad voor maatschappelijk welzijn.]2
2[De in het eerste en tweede lid
bedoelde huishoudelijke reglementen]2 worden onderworpen aan de goedkeuring van de 1[gemeenteraad]1. Elke beslissing tot
niet-goedkeuring moet met redenen worden omkleed.
Bij
niet-goedkeuring door 1[de
gemeenteraad]1 wordt het volledig dossier door
de zorg van het centrum voor beslissing doorgestuurd aan de
provinciegouverneur.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 25 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 8
Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en bij
art. 10 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 36 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende algehele
vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn (art. 53,
§ 1) en opgeheven bij art. 276, 47° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, i) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Elk
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft een secretaris en een
ontvanger.
2[Elk openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn heeft een secretaris en een ontvanger. De plaatselijke
ontvanger van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een
gemeente die 20.000 inwoners of minder telt kan tot ontvanger van de gemeente
benoemd worden; hij mag evenwel niet tot ontvanger van een andere gemeente,
ontvanger van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een andere
gemeente of ontvanger van een intergemeentelijk openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn benoemd worden.
De
secretaris en de ontvanger worden door de raad voor maatschappelijk welzijn
geëvalueerd onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die de Regering
bepaalt.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 2 Decr.W. 30 april 2009 (BS 22 mei 2009), met ingang
van 1 juli 2009 (art. 6).
1[§ 1
Elk
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft een secretaris en een
ontvanger.
§ 2
2[...]
§ 3
2[...]
§ 4
2[...]
§ 5
2[...]]1
Wetshistoriek
§§ 2 tot 5
opgeheven bij art. 276, 48° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, j) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 37 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53,
§ 2).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling
: art. 52 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)).
Toekomstig recht
Artikel 41, § 1 wordt opgeheven bij art.
276, 48° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen
datum (art. 285, § 1).
§ 1
3[...]
§ 2
2[...]
§ 3
2[...]
§ 4
2[...]
§ 5
2[...]
1[Elk openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn heeft een secretaris, een ontvanger en een
maatschappelijk werker. Elk centrum is ertoe verplicht ten minste een
maatschappelijk werker met voltijdse betrekking aan te stellen. Dit ambt kan
eveneens door meerdere maatschappelijke werkers uitgeoefend worden.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 9 Decr. D. Gem 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met
ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
De raad
voor maatschappelijk welzijn bepaalt de personeelsformatie, waarin, benevens de
ambten bedoeld door het vorig artikel, ten minste een maatschappelijk werker is
voorzien.
1[Voor het ziekenhuis dat van het
centrum afhangt, bepaalt de raad voor maatschappelijk welzijn een afzonderlijke
personeelsformatie, na advies van het in artikel 94, § 2, bedoelde
beheerscomité.
Door de
raad wordt tevens bepaald op welke wijze de overplaatsing van het personeel
tussen het ziekenhuis en de overige instellingen of diensten van het centrum
kan plaatshebben.
4[Het Verenigd College]4 kan ter zake voorwaarden en
regelen vaststellen.]1
Het
personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geniet
hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente
waar de zetel van het centrum gevestigd is.
1[2[De raad voor maatschappelijk
welzijn stelt de afwijkingen van het in het vorige lid bedoelde statuut vast,
voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het
centrum het nodig zou maken, en bepaalt het administratief en geldelijk statuut
inzake de betrekkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak evenals
dat van het personeel van het ziekenhuis.]2
Voor de
toepassing van het vorige lid kan 4[het Verenigd College]4 algemene bepalingen vaststellen binnen welke perken de raad voor
maatschappelijk welzijn dient te handelen.]1
3[De betrekkingen in het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn zijn toegankelijk voor alle onderdanen van
de Europese Unie.]3
4[Het Verenigd College]4 stelt de benoemingsvoorwaarden voor
de maatschappelijke werkers vast, er rekening mede houdend dat zij een van de
te vervullen taken aangepaste sociale vorming moeten waarborgen.
De wet
van 25 april 1933 betreffende de pensioenregeling van het
gemeentepersoneel is van toepassing op de personeelsleden van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn.
4[De beslissingen door de raad voor
maatschappelijk welzijn genomen bij toepassing van onderhavig artikel, zijn
onderworpen aan de goedkeuring van het Verenigd College.]4
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 2 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986), bij art. 26 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992),
bij art. 5 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 28 april 2000 (B.S.,
19 september 2000 (tweede uitg.)), met ingang van 19 september 2000
(art. 6) en bij art. 16, 1° tot 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm.
3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003, err., B.S.,
18 maart 2004), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot
vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 maart
1977) |
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende
bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid
te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest van 4 december 2008 tot vaststelling van de algemene bepalingen
inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de
ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
16 december 2008 (tweede uitg.)) |
1[De raad voor maatschappelijk
welzijn bepaalt de personeelsformatie van het centrum.
Voor het
ziekenhuis en de inrichtingen, die van het centrum afhangen, bepaalt de raad
voor maatschappelijk welzijn een afzonderlijke personeelsformatie, na advies
van het in artikel 94, § 2 bedoelde beheerscomité, wat de
personeelsformatie van het ziekenhuis betreft.
Door de
raad wordt deze tevens bepaald op welke wijze de overplaatsing van het
personeel tussen het ziekenhuis en de overige instellingen of diensten van het
centrum plaatsheeft.
De
Regering kan ter zake voorwaarden en regelen vaststellen.
Het
personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geniet
hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente
waar de zetel van het centrum gevestigd is.
2[De personeelsleden van het
Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten het recht op
loopbaanonderbreking onder dezelfde voorwaarden als het personeel van de
bovenvermelde gemeente. Voor de toepassing van die regeling moeten in de
desbetreffende wettelijke bepalingen de woorden “gemeentesecretaris”,
“gemeentelijke overheid” en “ontvanger” resp. als “secretaris van het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn”, “bevoegde overheid van het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn” en “ontvanger van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn” gelezen worden.]2
De raad
voor maatschappelijk welzijn stelt de afwijkingen van het in het vorige lid
bedoelde statuut vast, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten
en inrichtingen van het centrum het nodig zou maken, en bepaalt het
administratief en geldelijk statuut inzake de betrekkingen die niet bestaan op
het gemeentelijk vlak evenals dat van het personeel van het ziekenhuis.
Voor de
toepassing van het vorig lid kan de Regering de perken vaststellen waarbinnen
de raad voor maatschappelijk welzijn dient te handelen.
De wet
van 25 april 1933 betreffende de pensioenregeling van het
gemeentepersoneel is van toepassing op de personeelsleden van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn.
De
beslissingen genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn met toepassing
van onderhavig artikel zijn onderworpen aan de goedkeuring van de
gemeenteraad.
De
goedkeuring van de gemeenteraad zal als toegezegd worden beschouwd, indien aan
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen beslissing wordt
betekend binnen zestig dagen.
Bij
niet-goedkeuring door de gemeenteraad wordt het volledig dossier door de zorg
van het centrum voor goedkeuring doorgestuurd aan de Regering.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 10 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30) en gewijzigd bij art. 67 Decr. D.
Gem. R. 29 juni 1998 (B.S., 18 juli 1998).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot
vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 maart 1977) |
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling
van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te
stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
|
–Koninklijk besluit van 20 juli 1993 tot vaststelling
van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van
de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 17 augustus 1993) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 4 maart 1999
tot bepaling van het aantal gehandicapte personen die door de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn moeten worden tewerkgesteld (B.S., 26
maart 1999) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 tot
vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en
geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 juni 1999) |
De raad
voor maatschappelijk welzijn bepaalt de personeelsformatie, waarin, benevens de
ambten bedoeld door het vorig artikel, ten minste een maatschappelijk werker is
voorzien.
3[De personeelsformatie vermeldt
het maximum aantal en het soort betrekkingen die voorbehouden zijn aan het
contractuele personeel.]3
3[Het tweede lid is niet van
toepassing op de personeelsformatie van het ziekenhuis waarvoor de raad voor
maatschappelijk welzijn een afzonderlijke personeelsformatie vastlegt, noch op
het contractuele personeel dat in dienst genomen wordt krachtens een programma
voor werkloosheidsbestrijding of krachtens artikel 60, § 7.]3
Door de
raad wordt tevens bepaald op welke wijze de overplaatsing van het personeel
tussen het ziekenhuis en de overige instellingen of diensten van het centrum
kan plaatshebben.
De 3[Regering]3 kan ter zake voorwaarden en
regelen vaststellen.
3[De Regering bepaalt eveneens het
aantal gehandicapte personen die de O.C.M.W.'s in dienst moeten nemen naar
gelang van de en de omvang van de diensten.]3
Het
personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geniet
hetzelfde administratief en geldelijk statuut als het personeel van de gemeente
waar de zetel van het centrum gevestigd is.
4[De betrekkingen binnen het
centrum voor maatschappelijk welzijn van secretaris, plaatselijk ontvanger
alsmede alle betrekkingen die al dan niet rechtstreeks deelneming aan de
uitoefening van openbaar gezag inhouden en aan ambten waarbij het behartigen
van het algemeen belang wordt nagestreefd, kunnen door alle onderdanen van de
Europese Unie worden bekleed.]4
2[De raad voor maatschappelijk
welzijn stelt de afwijkingen van het in het vorige lid bedoelde statuut vast,
voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het
centrum het nodig zou maken, en bepaalt het administratief en geldelijk statuut
inzake de betrekkingen die onbestaande zijn op het gemeentelijk vlak evenals
dat van het personeel van het ziekenhuis.]2
3[Voor de toepassing van het
achtste lid kan de Regering bepalen binnen welke perken de raad voor
maatschappelijk welzijn dient te handelen.]3
De 3[Regering]3 stelt de benoemingsvoorwaarden
voor de maatschappelijke werkers vast, er rekening mede houdend dat zij een van
de te vervullen taken aangepaste sociale vorming moeten waarborgen.
5[De bepalingen betreffende de
politieke verloven van het gemeentepersoneel zijn mutatis mutandis op het
O.C.M.W.-personeel toepasselijk.]5
3[De bepalingen van de nieuwe
gemeentewet betreffende de pensioenen van het gemeentepersoneel zijn van
toepassing op de personeelsleden van de O.C.M.W.'s.]3
De
beslissingen door de raad voor maatschappelijk welzijn genomen met toepassing
van onderhavig artikel zijn onderworpen aan het advies van het 6[gemeentelijk college]6, alsmede aan de goedkeuring van
de provinciegouverneur. Het advies zal als gunstig worden beschouwd indien het
niet aan de gouverneur ter kennis wordt gebracht binnen dertig dagen na
ontvangst van het dossier.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 2 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986), bij art. 26 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992),
bij art. 9 en 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april
1998), bij art. 5 Decr. W. Gew. R. 19 oktober 2000 (B.S.,
27 oktober 2000), bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 6 februari 2003 (B.S.,
17 februari 2003) en bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005
(B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art.
22).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot
vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 maart 1977) |
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling
van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te
stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 4 maart 1999
tot bepaling van het aantal gehandicapte personen die door de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn moeten worden tewerkgesteld (B.S., 26
maart 1999) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 tot
vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en
geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 juni 1999) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
9[...]
10[...]
De wet
van 25 april 1933 betreffende de pensioenregeling van het
gemeentepersoneel is van toepassing op de personeelsleden van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn.
6[De raad stelt de secretaris, de
ontvanger en alle personeelsleden de middelen ter beschikking die noodzakelijk
zijn om hun bevoegdheden uit te oefenen.]6
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 6 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)), bij art. 276, 49° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009, met
uitzondering van het vereiste van 1 maatschappelijk werker, als vermeld in
het eerste lid (art. 1, 48°, k) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)) en bij art. 276, 49° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van
1 januari 2011 (art. 157, lid 1, 3° B.Vl.Reg. 12 november
2010 (BS 3 december 2010 (ed. 2))).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 2 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986), bij art. 26 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992),
bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)), bij art. 1 Decr. Vl. Parl. 19 december 1997 (B.S.,
10 februari 1998) en bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S.,
10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl.
Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)), bij art. 12
Decr. Vl. Parl. 14 maart 2003 (B.S., 24 april 2003 (derde
uitg.)), met ingang van 1 januari 2001 (art. 13) en bij art. 2 Decr. Vl.
Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot
vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 maart
1977) |
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende
bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid
te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
|
–Besluit van de Vlaamse Regering van 7 december
2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de
rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het
provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie
van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 24 december 2007) |
Toekomstig recht
Artikel 42 wordt gewijzigd bij art. 276, 49°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum
(art. 285, § 1).
9[...]
10[...]
De wet van 25 april 1933 betreffende de
pensioenregeling van het gemeentepersoneel is van toepassing op de
personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
11[...]
Verwijzingen
De bepalingen
van W. 25 april 1933 zijn thans terug te vinden in artt. 165-169 Nieuwe
Gemeentewet.
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004) en
opgeheven bij art. 276, 50° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, l) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Alle
personeelsleden worden aangeworven of benoemd door de raad voor maatschappelijk
welzijn.
Onverminderd
het bepaalde in artikel 56, moeten de aanwervingen en benoemingen geschieden
overeenkomstig vooraf bepaalde aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en
binnen de perken van de personeelsformatie.
Op deze
regels wordt echter volgende uitzondering gemaakt: in de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn waar het uitoefenen van het ambt van ontvanger geen
volledige dagtaak vereist, wordt dat ambt aan een gewestelijke ontvanger
gegeven 1[onverminderd de toepassing van
artikel 52, § 2, van de nieuwe gemeentewet]1. De Koning bepaalt de voorwaarden
en de modaliteiten met betrekking tot de aanduiding van de gewestelijke
ontvangers en de wijze waarop zij hun ambt waarnemen.
1[Voor zover het centrum toepassing
maakt van artikel 52, § 2, van de nieuwe gemeentewet, wordt de
plaatselijke ontvanger van het centrum benoemd door de raad voor
maatschappelijk welzijn. In dat geval oefent hij zijn functie van ontvanger van
het centrum uit in de lokalen ervan en volgens een tijdsverdeling welke wordt
bepaald in overleg tussen het centrum en de gemeente.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 27 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende de
aanduiding van gewestelijke ontvangers voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 31 maart 1977) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 tot
vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en
geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 juni 1999) |
Alle
personeelsleden worden aangeworven of benoemd door de raad voor maatschappelijk
welzijn.
Onverminderd
het bepaalde in artikel 56, moeten de aanwervingen en benoemingen geschieden
overeenkomstig vooraf bepaalde aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en
binnen de perken van de personeelsformatie.
2[...]
3[De burgers met een andere dan de
Belgische nationaliteit en die geen onderdaan zijn van de Europese Unie of de
Europese Economische Ruimte, komen in aanmerking voor burgerlijke ambten bij de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook bij de verenigingen zoals
bedoeld in hoofdstuk XII, alsook bij de koepelvereniging zoals bedoeld in
hoofdstuk XIIbis, voor deze betrekkingen die geen rechtstreekse of
onrechtstreekse deelneming aan het openbaar gezag inhouden of geen
werkzaamheden omvatten strekkende tot de bescherming van de algemene belangen
van de Staat of andere openbare instanties.]3
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 17 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52) en bij
art. 3 Ord. Br. H. R. 1 april 2004 (B.S., 23 april 2004
(tweede uitg.)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 27 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende de
aanduiding van gewestelijke ontvangers voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 31 maart 1977) |
§ 1
4[...] Onverminderd artikel 56
moeten de aanwervingen en benoemingen geschieden overeenkomstig vooraf bepaalde
aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en binnen de perken van de
personeelsformatie.
§ 2
4[...]
§ 3
4[...]
§ 4
4[...]
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 276, 51° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, m) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§§ 2 tot 4
opgeheven bij art. 276, 51° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, m) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 27 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 7
Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998), met
ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor
maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)) en vervangen bij art. 38 Decr. Vl. Parl. 7 juli
2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang van
30 augustus 2006 (art. 53, § 2).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling
: art. 52 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende de
aanduiding van gewestelijke ontvangers voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 31 maart 1977) |
|
–Besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober
2008 betreffende de bijdrage van de besturen in de uitgaven die verbonden
zijn aan de gewestelijk ontvangers (B.S., 7 november 2008) |
Toekomstig recht
Artikel 43, § 1 wordt opgeheven bij art.
276, 51° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen
datum (art. 285, § 1).
§ 1
4[...]
5[...]
§ 2
4[...]
§ 3
4[...]
§ 4
4[...]
Verwijzingen
Zie
samenwerkingsakkoord 9 december 1997 betreffende de wijze van omslag van
de kosten van de gewestelijke ontvangers en de wijze van inhouding van de
bijdrage in die kosten door de besturen, goedgekeurd bij W. 23 juni 1999 (B.S.,
26 augustus 1999), bij Decr. Vl. Parl. 2 maart 1999 (B.S.,
7 december 2000), bij Decr. W. Gew. R. 23 juni 2000 (B.S.,
7 december 2000), bij Decr. Dts. Gem. R. 19 maart 2001 (B.S.,
7 juni 2001).
Alle
personeelsleden worden aangeworven of benoemd door de raad voor maatschappelijk
welzijn.
Onverminderd
het bepaalde in artikel 56, moeten de aanwervingen en benoemingen geschieden
overeenkomstig vooraf bepaalde aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden en
binnen de perken van de personeelsformatie.
(...)
2[Voor zover het centrum toepassing
maakt van artikel 52, § 2, van de nieuwe gemeentewet, wordt de
plaatselijke ontvanger van het centrum benoemd door de raad voor
maatschappelijk welzijn. In dat geval oefent hij zijn functie van ontvanger van
het centrum uit in de lokalen ervan en volgens een tijdsverdeling welke wordt
bepaald in overleg tussen het centrum en de gemeente.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 27 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
9bis Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 23 maart 1977 betreffende de
aanduiding van gewestelijke ontvangers voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 31 maart 1977) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 20 mei 1999 tot
vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en
geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 25 juni 1999) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Redactionele
opmerking
De Nederlandse
vertaling van art. 9bis Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 werd niet
gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 2 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 52° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 53° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 4 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 54° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 5 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 55° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 6 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 56° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 7 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 57° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 8 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S., 30 juni 1999 (tweede
uitg.)) en opgeheven bij art. 276, 58° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
1[Alvorens in dienst te treden,
leggen de secretaris, de ontvanger en de maatschappelijk werkers in handen van
de voorzitter de in artikel 20 bedoelde eed af. Van de eedaflegging wordt
proces-verbaal opgemaakt.
Na een
door de raad voor maatschappelijk welzijn vast te stellen proefperiode leggen
de maatschappelijk werkers verbonden door een arbeidsovereenkomst eveneens de
in het vorige lid bedoelde eed af.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 4 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).
1[Alvorens in dienst te treden,
leggen de secretaris, de ontvanger en de maatschappelijk werkers in handen van
de voorzitter de in artikel 20 bedoelde eed af. Van de eedaflegging wordt
proces-verbaal opgemaakt.
Na een
door de raad voor maatschappelijk welzijn vast te stellen proefperiode leggen
de maatschappelijk werkers verbonden door een arbeidsovereenkomst eveneens de
in het vorige lid bedoelde eed af.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 4 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 59° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 4 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993) en gewijzigd
bij art. 39 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
§ 1
De
secretaris woont, zonder beraadslagende stem, de vergaderingen bij van de raad
en van het vast bureau. Hij is in het bijzonder belast met het opmaken van de
notulen van die vergaderingen. 1[Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels,
vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de
door de wet voorgeschreven vermeldingen in de beslissingen worden opgenomen.]1
Hij is
verantwoordelijk voor het overbrengen van de notulen van die vergaderingen en
van de beslissingen van die organen in daartoe bestemde registers. De notulen
en beslissingen worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.
De
secretaris kan de vergaderingen bijwonen van alle bijzondere comités.
Onder het
gezag van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn onderzoekt de
secretaris de zaken, leidt hij de administratie en is hij het hoofd van het
personeel. Hij bewaart het archief.
De secretaris
is verantwoordelijk voor de boeking van de erkende vorderingen en van de
vastgelegde uitgaven en voor het opmaken van de bevelschriften tot betaling of
tot invordering. Die bevelschriften worden ondertekend door de voorzitter en de
secretaris.
De secretaris
maakt de voorontwerpen van begroting op.
Hij is
verplicht zich te gedragen naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door
de voorzitter, de raad en het vast bureau.
§ 2
Bij
verhindering van de secretaris of bij vacature van het ambt kan de raad voor
maatschappelijk welzijn een personeelslid als tijdelijk secretaris aanstellen.
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 28 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
4[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 60° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, n) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 28 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), vervangen bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S.,
6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien
van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een
datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het
geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van
17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg.
17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art.
1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)) en gewijzigd
bij art. 40 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
§ 1
De
secretaris woont, zonder beraadslagende stem, de vergaderingen bij van de raad
en van het vast bureau. Hij is in het bijzonder belast met het opmaken van de
notulen van die vergaderingen. 1[Hij herinnert in voorkomend geval aan de geldende rechtsregels,
vermeldt de feitelijke gegevens waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de
door de wet voorgeschreven vermeldingen in de beslissingen worden opgenomen.]1
Hij is
verantwoordelijk voor het overbrengen van de notulen van die vergaderingen en
van de beslissingen van die organen in daartoe bestemde registers. De notulen
en beslissingen worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.
De
secretaris kan de vergaderingen bijwonen van alle bijzondere comités.
Onder het
gezag van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn onderzoekt de
secretaris de zaken, leidt hij de administratie en is hij het hoofd van het
personeel. Hij bewaart het archief.
2[Ten gevolge van de beslissing tot
betaalbaarstelling of invordering door het bevoegde orgaan is de secretaris
verantwoordelijk voor het opmaken van de bevelschriften tot betaling en de
invorderingsstaten. Deze bevelschriften en invorderingsstaten moeten door de
voorzitter en de secretaris ondertekend worden.
Het
voorontwerp van begroting en de voorontwerpen van begrotingswijzigingen worden
door de secretaris uitgewerkt.
Hij zorgt
voor de budgettaire opvolging en kan elk ogenblik kennis nemen van de geboekte
gegevens. De ontvanger bezorgt de secretaris een afschrift van elk document dat
hij overmaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau of een
bijzonder comité.]2
Hij is
verplicht zich te gedragen naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door
de voorzitter, de raad en het vast bureau.
§ 2
Bij verhindering
van de secretaris of bij vacature van het ambt kan de raad voor maatschappelijk
welzijn een personeelslid als tijdelijk secretaris aanstellen.
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 28 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 10 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[§ 1
De
ontvanger heeft tot taak om, onder zijn eigen verantwoordelijkheid, de
ontvangsten van het centrum voor maatschappelijk welzijn te innen en tegen
regelmatige bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope hetzij
van het bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, hetzij van een
bijzonder krediet of van een voorlopig krediet of van het bedrag van de
overeenkomstig artikel 91 overgedragen kredieten.
Hij dient
alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval te verrichten, tot alle
beslagleggingen te doen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving of de
vernieuwing van elke titel die daarvoor vatbaar is ten kantore der hypotheken
te vorderen aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn kennis te
geven van de vervallen huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit
dat de rechten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt.
Indien de
ontvanger een door het bevoegde orgaan betaalbaar gestelde uitgave weigert te
betalen of zulks uitstelt, wordt de betaling ervan vervolgd, zoals inzake
directe belastingen, nadat het bevelschrift op verzoek van dit orgaan, door het
Verenigd College uitvoerbaar is verklaard, na de ontvanger vooraf gehoord te
hebben. De beslissing van het Verenigd College geldt als een regelmatig
bevelschrift dat de ontvanger ambtshalve moet uitvoeren.
De
ontvanger staat onder het gezag van de voorzitter.
§ 2
De
ontvanger is verplicht tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in geld, in
effecten of in de vorm van hypotheken, een bankwaarborg of een verzekering te
stellen.
Het
Verenigd College bepaalt het minimum- en het maximumbedrag van de zekerheid,
volgens de categorie van gemeenten bedoeld in artikel 28, § l, van de
nieuwe gemeentewet, evenals de voorwaarden en de regels volgens welke de
zekerheid in de vorm van een bankwaarborg en een verzekering wordt erkend.
De raad
voor maatschappelijk welzijn stelt, op de eerste vergadering van de raad voor
maatschappelijk welzijn na de eedaflegging en binnen de grenzen bepaald met
toepassing van vorig lid, het bedrag vast van de zekerheid die de ontvanger
moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt.
De
zekerheid wordt bij de Deposito- en Consignatiekas gedeponeerd; de intrest die
zij opbrengt komt aan de ontvanger toe.
De akten
van zekerheidsinstelling worden zonder kosten voor het centrum, voor de
burgemeester van de gemeente waar het centrum is gelegen verleden.
Wanneer
de door de raad voor maatschappelijk welzijn bepaalde zekerheid wegens toeneming
van de jaarlijkse ontvangsten of om enige andere reden ontoereikend wordt
geacht, moet de ontvanger binnen een beperkte tijd een aanvullende zekerheid
verschaffen, ten aanzien waarvan dezelfde regels gelden als voor de
oorspronkelijke.
De
voorzitter zorgt dat de zekerheid van de ontvanger van het centrum werkelijk
gesteld en te bekwame tijd hernieuwd wordt.
De
ontvanger die zijn zekerheid of aanvullende zekerheid niet binnen de
voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt,
wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen.
Alle
kosten betreffende de vestiging van de zekerheid vallen ten laste van de
ontvanger.
Is er een
tekort in de kas van het centrum, dan heeft het centrum een voorrecht op de
zekerheid van de ontvanger.
§ 3
In geval
van gewettigde afwezigheid kan de ontvanger binnen drie dagen, op eigen
verantwoordelijkheid, voor een termijn van dertig dagen een plaatsvervanger
aanwijzen die aanvaard wordt door de raad voor maatschappelijk welzijn. Deze
aanwijzing kan voor dezelfde afwezigheid tweemaal hernieuwd worden. Gebeurt dat
niet, dan kan de raad een waarnemend ontvanger aanwijzen.
Hij is
ertoe verplicht wanneer de afwezigheid langer duurt dan drie maanden.
De
waarnemend ontvanger moet voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden om het
ambt van ontvanger uit te oefenen. De bepalingen van artikel 44 en van
§ 2 van dit artikel zijn op hem van toepassing.
De
waarnemend ontvanger oefent alle bevoegdheden van de ontvanger uit. Bij zijn
ambtsaanvaarding en -neerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de
kas en de boeken onder het toezicht van de raad voor maatschappelijk welzijn
overgedragen.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 18 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd en § 2 vervangen bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling
van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te
stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
§ 1
4[...]
§ 2
3[...]4[...]
§ 3
4[...]
§ 4
4[...]
§ 5
4[...]
§ 6
4[...] Bij zijn ambtsaanvaarding en
zijn ambtsneerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de
boeken overgedragen, onder toezicht van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Wetshistoriek
§ 1
opgeheven bij art. 276, 61°, a) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 2
gewijzigd bij art. 276, 61°, c) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2009 (art.
285, § 2) en bij art. 276, 61°, b) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§§ 3 en 4
opgeheven bij art. 276, 61°, d) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 5
opgeheven bij art. 276, 61°, e) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 6
gewijzigd bij art. 276, 61°, f) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, o) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Art. vervangen
bij art. 9 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
§ 1
gewijzigd bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 2 vervangen
bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende
bepaling van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid
te stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
Toekomstig recht
Artikel 46 wordt gewijzigd bij art. 276, 61°,
f) Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum
(art. 285, § 1).
§ 1
4[...]
§ 2
3[...]4[...]
§ 3
4[...]
§ 4
4[...]
§ 5
4[...]
§ 6
4[...]5[...]
§ 1
De
ontvanger heeft tot taak om, onder zijn verantwoordelijkheid, de ontvangsten
van het centrum voor maatschappelijk welzijn te innen en tegen regelmatige
bevelschriften de betaalbaar gestelde uitgaven te doen ten belope hetzij van
het bedrag bepaald in elk artikel van de begroting, hetzij van een bijzonder
krediet of van het bedrag van de overeenkomstig artikel 91 overgedragen
kredieten. 1[De ontvanger staat onder het
gezag van de voorzitter.]1
Hij dient
alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval te verrichten, tot alle
beslagleggingen te doen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving of de
vernieuwing van elke titel die daarvoor vatbaar is ten kantore der hypotheken
te vorderen, aan de leden van de raad kennis te geven van het vervallen van de
huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit dat de rechten van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt.
Indien de
ontvanger weigert het bedrag van een regelmatig bevelschrift te betalen of
zulks uitstelt, wordt de betaling ervan vervolgd zoals inzake directe
belastingen, nadat het bevelschrift op verzoek van de schuldeiser door de raad
voor maatschappelijk welzijn of, bij in gebreke blijven ervan, door 2[de Regering]2 invorderbaar is verklaard.
§ 2
1[De plaatselijke ontvanger is
verplicht tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in geld, in effekten of
in de vorm van een of meerdere hypotheken te stellen.
2[De Regering]2 bepaalt het minimum- en het
maximumbedrag van de zekerheid, volgens de categorie van gemeenten b2edoeld in
artikel 28, § 1, van de nieuwe gemeentewet.
De raad
voor maatschappelijk welzijn stelt, op de eerste vergadering na de eedaflegging
en binnen de grenzen bepaald in toepassing van vorig lid, het bedrag vast van
de zekerheid welke de ontvanger moet stellen, alsmede de termijn waarover hij
daartoe beschikt.
De
zekerheid wordt bij de Deposito- en Consignatiekas gedeponeerd; de intrest die
zij opbrengt komt aan de ontvanger toe.
De akten
van zekerheidsstelling worden zonder kosten voor het centrum; voor de
burgemeester van de gemeente waar het centrum is gelegen, verleden.
Indien er
registratierechten verschuldigd zijn, worden deze herleid tot het algemeen vast
recht en zijn zij ten laste van de ontvanger.
3[De ontvanger mag de
zekerheidstelling vervangen door hetzij de hoofdelijke borgstelling van een
door de Regering erkende vereniging, hetzij een bankwaarborg of verzekering die
beantwoordt aan de modaliteiten bepaald door de Regering.
De in
vorig lid vermelde vereniging moet de vorm van een coöperatieve vennootschap
aannemen en zich gedragen naar de voorschriften van het Wetboek van Koophandel
m.b.t. deze vennootschapsvorm; zij behoudt niettemin haar burgerlijk karakter.]3
Het
besluit tot erkenning van de vereniging alsmede de goedgekeurde statuten worden
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De
vereniging kan de kas en de boekhouding controleren van de ontvanger voor wie
zij zich borg heeft gesteld, mits de raad voor maatschappelijk welzijn instemt
met de contractuele bepalingen waarbij dit recht wordt gevestigd en met de
wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend.
Wanneer
de door de raad voor maatschappelijk welzijn bepaalde zekerheid wegens
toeneming van de jaarlijkse ontvangsten of om enige andere reden ontoereikend
wordt geacht, moet de ontvanger binnen een beperkte tijd een aanvullende
zekerheid verschaffen, ten aanzien waarvan dezelfde regels gelden als voor de
eerste.
De
voorzitter zorgt dat de zekerheid van de ontvanger werkelijk gesteld en te
bekwamer tijd vernieuwd wordt.
De
ontvanger die zijn zekerheid of aanvullende zekerheid niet binnen de
voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt,
wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen.
Alle
kosten betreffende de vestiging der zekerheid vallen ten laste van de
ontvanger.
Is er een
tekort in de kas van het centrum, dan heeft het centrum een voorrecht op de
zekerheid van de ontvanger.]1
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 11 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 2 gewijzigd
bij art. 11 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december
1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30) en bij art. 18 Decr.
D. Gem. R. 7 januari 2002 (B.S., 12 september 2002 (tweede
uitg.)), met ingang van 1 januari 2002 (art. 64).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling
van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te
stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
§ 1
2[De plaatselijke of gewestelijke
ontvanger heeft tot taak om, op eigen verantwoordelijkheid, de ontvangsten van
het O.C.M.W. te innen en tegen regelmatige bevelschriften de betaalbaar
gestelde uitgaven te doen ten belope hetzij van het bedrag bepaald in elk
artikel van de begroting, hetzij van de voorlopige kredieten, hetzij van de
krachtens artikel 91, § 1, derde lid, overgedragen kredieten, hetzij van
een overeenkomstig artikel 88, § 2, toegekend krediet.]2
Hij dient
alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval te verrichten, tot alle
beslagleggingen te doen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving of de
vernieuwing van elke titel die daarvoor vatbaar is ten kantore der hypotheken
te vorderen, aan de leden van de raad kennis te geven van het vervallen van de
huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit dat de rechten van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt.
Indien de
ontvanger weigert het bedrag van een regelmatig bevelschrift te betalen of
zulks uitstelt, wordt de betaling ervan vervolgd zoals inzake directe
belastingen, nadat het bevelschrift op verzoek van de schuldeiser door de raad
voor maatschappelijk welzijn of, bij in gebreke blijven ervan, door de
provinciegouverneur invorderbaar is verklaard.
§ 2
1[De plaatselijke ontvanger is
verplicht tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in geld, in effekten of
in de vorm van een of meerdere hypotheken te stellen.
De 2[Regering]2 bepaalt het minimum- en het
maximumbedrag van de zekerheid, volgens de categorie van gemeenten bedoeld in
artikel 28, § 1, van de nieuwe gemeentewet.
De raad
voor maatschappelijk welzijn stelt, op de eerste vergadering na de eedaflegging
en binnen de grenzen bepaald in toepassing van vorig lid, het bedrag vast van
de zekerheid welke de ontvanger moet stellen, alsmede de termijn waarover hij
daartoe beschikt.
De
zekerheid wordt bij de Deposito- en Consignatiekas gedeponeerd; de intrest die
zij opbrengt komt aan de ontvanger toe.
De akten
van zekerheidsstelling worden zonder kosten voor het centrum; voor de
burgemeester van de gemeente waar het centrum is gelegen, verleden.
Indien er
registratierechten verschuldigd zijn, worden deze herleid tot het algemeen vast
recht en zijn zij ten laste van de ontvanger.
3[De ontvanger kan de zekerheid
vervangen ofwel door de medeborg van een door de Regering erkende vereniging,
ofwel door een bankgarantie of een verzekering die voldoen aan de voorwaarden
vastgelegd in de wetgeving betreffende de gemeentelijke ontvanger.]3
Deze moet
de vorm van een coöperatieve vennootschap aannemen en zich gedragen naar de
voorschriften van boek I, titel IX, afdeling 7, van het Wetboek van Koophandel;
zij behoudt niettemin haar burgerlijk karakter.
Het
besluit tot erkenning van de vereniging alsmede de goedgekeurde statuten worden
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De
vereniging kan de kas en de boekhouding controleren van de ontvanger voor wie
zij zich borg heeft gesteld, mits de raad voor maatschappelijk welzijn instemt
met de contractuele bepalingen waarbij dit recht wordt gevestigd en met de
wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend.
Wanneer
de door de raad voor maatschappelijk welzijn bepaalde zekerheid wegens
toeneming van de jaarlijkse ontvangsten of om enige andere reden ontoereikend
wordt geacht, moet de ontvanger binnen een beperkte tijd een aanvullende
zekerheid verschaffen, ten aanzien waarvan dezelfde regels gelden als voor de
eerste.
De
voorzitter zorgt dat de zekerheid van de ontvanger werkelijk gesteld en te
bekwamer tijd vernieuwd wordt.
De
ontvanger die zijn zekerheid of aanvullende zekerheid niet binnen de
voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt,
wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen.
Alle
kosten betreffende de vestiging der zekerheid vallen ten laste van de
ontvanger.
Is er een
tekort in de kas van het centrum, dan heeft het centrum een voorrecht op de
zekerheid van de ontvanger.]1
2[§ 3
De
plaatselijke of gewestelijke ontvanger, die onder het gezag van het vast bureau
staat, is belast met de boekhouding van het centrum.
De
ontvanger kan door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord worden over
elke aangelegenheid met een financiële of budgettaire weerslag.
§ 4
Onder
voorbehoud van de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn of van
het vast bureau krachtens § 3, alsook van de verplichtingen en de
verantwoordelijkheid die hem krachtens § 1 opgelegd zijn, oefent de
plaatselijke ontvanger zijn ambt uit onder het gezag van de voorzitter en de
gewestelijke ontvanger onder het gezag van de gouverneur of de
arrondissementscommissaris. De gewestelijke ontvanger staat echter onder het
functionele gezag van de voorzitter voor de diensten die hij voor het O.C.M.W.
verstrekt.
Onverminderd
de afwijkende bepalingen die de Regering krachtens artikel 43, derde lid, heeft
vastgelegd, valt hij onder de toepassing van de bepalingen van de gemeentewet
betreffende de gewestelijke ontvanger.
Voor de
toepassing van de in het vorige lid bedoelde bepalingen moet verstaan worden
onder “gemeenteraad en 4[gemeentelijk
college]4” de raad voor maatschappelijk
welzijn en onder “gemeentekas” de kas van het O.C.M.W.
§ 5
In geval
van gewettigde afwezigheid kan de plaatselijke ontvanger binnen drie dagen, op
eigen verantwoordelijkheid, voor een termijn van maximum dertig dagen een
plaatsvervanger aanwijzen die erkend is door de raad voor maatschappelijk
welzijn of het vast bureau. Deze maatregel kan voor dezelfde afwezigheid
tweemaal toegepast worden.
In de
andere gevallen kan de raad voor maatschappelijk welzijn een waarnemend
plaatselijke ontvanger aanwijzen.
Hij is
ertoe verplicht wanneer de afwezigheid langer duurt dan drie maanden.
De
waarnemend plaatselijke ontvanger moet voldoen aan de voorwaarden die gesteld
worden om het ambt van plaatselijk ontvanger uit te oefenen. De bepalingen
betreffende de eedaflegging en de zekerheid zijn op hem van toepassing.
De
waarnemend plaatselijke ontvanger oefent alle bevoegdheden van de plaatselijke
ontvanger uit.
Bij zijn
ambtsaanvaarding en -neerlegging wordt de eindrekening opgemaakt en worden de
kas en de boeken onder toezicht van de voorzitter overgedragen.
§ 6
|
1°De ontvanger is niet aansprakelijk voor de ontvangsten
die de raad voor maatschappelijk welzijn doet invorderen door bijzondere
agenten; deze agenten zijn aansprakelijk voor de ontvangsten waarvan de
invordering hun wordt opgedragen; wat de invordering van die ontvangsten
betreft, zijn ze aan dezelfde verplichtingen onderworpen als de ontvanger. De raad voor maatschappelijk welzijn kan eisen dat ze een
zekerheid stellen waarvan hij het bedrag en de aard bepaalt; dezelfde
beslissing vermeldt de termijn waarover zij daartoe beschikken; de bepalingen
betreffende de eedaflegging en de zekerheid zijn mutatis mutandis van
toepassing op de bijzondere agenten. Wat betreft de eed, de vervanging, het opmaken van de
eindrekening en de bij de bestendige deputatie van de provincieraad
ingestelde beroepen, zijn de bijzondere agenten aan dezelfde regels
onderworpen als de plaatselijke ontvangers. Ze mogen geen enkele uitgave boeken op de rekeningen die
ze beheren. De geïnde ontvangsten worden regelmatig en ten minste om
de veertien dagen aan de ontvanger van het O.C.M.W. overgemaakt, waarbij de
laatste storting van het boekjaar op de laatste werkdag van de maand december
moet plaatsvinden. Bij elke storting bezorgt de bijzondere agent de
ontvanger een gedetailleerde lijst van de budgettaire aanrekeningen, de
gestorte bedragen en de desbetreffende schuldenaars. De rekeningen van de bijzondere agent worden, samen met
de bewijsstukken, voor verificatie en visering aan de raad voor
maatschappelijk welzijn voorgelegd. Ze worden vervolgens met alle bewijsstukken aan de
ontvanger overgemaakt om bij de begrotingsrekening te worden gevoegd. Artikel 93 is mutatis mutandis van toepassing op de
bijzondere agent; wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn een tekort
vaststelt, wordt mutatis mutandis gehandeld overeenkomstig artikel 93,
§§ 3 en 4, eerste, tweede, vijfde en zesde lid. |
|
2°De raad voor maatschappelijk welzijn kan sommige
agenten van het O.C.M.W. op eigen verantwoordelijkheid belasten met een
bijkomend ambt dat bestaat in de vastlegging en de betaling van kleine
uitgaven en in de invordering van ontvangsten in contanten, wanneer het recht
op ontvangst vaststaat. De kleine uitgaven worden verricht op grond van een
voorschot waarvoor de Regering de aanleg- en gebruikswijze bepaalt. De in het eerste lid bedoelde agenten zijn niet gehouden
tot de verplichtingen die aan de in 1° bedoelde bijzondere agenten opgelegd
worden. Ze moeten de geïnde bedragen dagelijks of met korte
tussentijden integraal overmaken aan de ontvanger, overeenkomstig zijn
richtlijnen en met een per begrotingsartikel uitvoerige invorderingsstaat als
bewijsstuk. |
§ 7
|
1°Er wordt een eindrekening opgemaakt wanneer de
ontvanger of de in § 6, 1°, bedoelde bijzondere agent zijn ambt
definitief neerlegt en in de gevallen bedoeld in § 5, zesde lid, van dit
artikel en 54bis, § 2, van de nieuwe gemeentewet. |
|
2°De eindrekening van de plaatselijke ontvanger of de
bijzondere agent wordt, eventueel samen met zijn opmerkingen of die van zijn
rechthebbenden als hij overleden is, voorgelegd aan de raad voor
maatschappelijk welzijn die ze vastlegt en verklaart dat de rekenplichtige
niets meer verschuldigd is of een verschuldigd bedrag vaststelt. De beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten,
wordt door toedoen van de raad voor maatschappelijk welzijn bij ter post
aangetekend schrijven aan de rekenplichtige betekend of, bij diens
overlijden, aan zijn rechthebbenden. Ze gaat eventueel vergezeld van een
verzoek om het tekort te vereffenen. |
|
3°De beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten
en aan de ontvanger of de bijzondere agent kwijting wordt verleend, brengt
van rechtswege de teruggave van de zekerheid mee. |
|
4°Artikel 93, § 4, is van toepassing wanneer de
rekenplichtige verzocht wordt het tekort te vereffenen.]2 |
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 11, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).
§ 2
vervangen bij art. 29 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), gewijzigd bij art. 11, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35) en bij art. 3
Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede
uitg.)).
§ 3
ingevoegd bij art. 11, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).
§ 4
ingevoegd bij art. 11, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35) en gewijzigd
bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§§ 5 tot 7
ingevoegd bij art. 11, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).
Voorgeschiedenis
§ 2
gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling
van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te
stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan, op advies van de ontvanger, sommige
ambtenaren van het centrum belasten met de inning van ontvangsten in speciën,
op het ogenblik waarop het recht op ontvangst wordt gevestigd, voor zover ze
verenigbaar is met het uitoefenen van hun functie. Voor deze inning, werken
deze ambtenaren onder de verantwoordelijkheid en het gezag van de ontvanger.
Ze
storten de geïnde bedragen integraal aan de ontvanger van het centrum,
overeenkomstig zijn richtlijnen en leggen, per begrotingsartikel, een
uitvoerige invorderingsstaat als bewijsstuk voor.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 19 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Met het
oog op de contante betaling van kleine dagelijkse uitgaven, kan de raad voor
maatschappelijk welzijn, op advies van de ontvanger, een provisie ter
beschikking stellen van sommige personeelsleden, die met naam genoemd worden en
die het aanvaarden.
De
beslissing bepaalt welke soorten van uitgaven contant mogen worden betaald met
deze provisie en wat het bedrag ervan is.
Ieder
betrokken personeelslid beheert zijn provisie onder het gezag en de
verantwoordelijkheid van de ontvanger.
Het
Verenigd College kan de regels voor de toepassing van dit artikel vaststellen.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 20 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van 18 december 2003 van het Verenigd College
van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 december 2003 in
toepassing van artikel 46ter van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, ingelast bij
ordonnantie van 2 juni 2003 betreffende het administratief toezicht en
de financiële, budgettaire en boekhoudkundige voorschriften van het O.C.M.W.,
houdende vaststelling van de modaliteiten van de toekenning van een provisie
voor geringe uitgaven (B.S., 11 februari 2004) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest van 23 oktober 2008 houdende vaststelling van de modaliteiten van
de toekenning van een provisie voor geringe uitgaven in toepassing van
artikel 46ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ingelast bij ordonnantie van
3 juni 2003 betreffende het administratief toezicht en de financiële,
budgettaire en boekhoudkundige voorschriften van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 6 november 2008) |
§ 1
Er wordt
een eindrekening gemaakt wanneer de ontvanger de uitoefening van zijn functies
definitief stopzet of wanneer hij wordt vervangen door een waarnemend ontvanger
die door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt aangewezen.
§ 2
De
eindrekening van de ontvanger, indien nodig aangevuld met zijn opmerkingen of,
zo hij overleden is, met die van zijn rechtverkrijgenden, wordt voorgelegd aan
de raad voor maatschappelijk welzijn die de eindrekening vaststelt. De
eindrekening wordt binnen de vijftien dagen overgezonden aan het Verenigd
College met het oog op de definitieve vaststelling ervan. De procedure bedoeld
in artikel 89, § 2 met betrekking tot de goedkeuring van de rekening
en het verlenen van de kwijting aan de ontvanger is, behoudens de nodige
aanpassingen, van toepassing.
§ 3
De
beslissingen waarbij de eindrekening definitief wordt vastgesteld en aan de
rekenplichtige kwijting wordt verleend, brengen van rechtswege de teruggave van
de zekerheid mee.
§ 4
Artikel 93,
§ 4 is van toepassing wanneer de ontvanger verzocht wordt het tekort bij
te passen.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 21 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
§ 1
De
maatschappelijk werker heeft als opdracht, met het oog op de verwezenlijking
van de bij artikel 1 bepaalde doelstellingen, en ter uitvoering van de taken
hem opgedragen door de secretaris, namens de raad, het vast bureau of het
bijzonder comité voor de sociale dienst, de personen en gezinnen te helpen bij
het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden.
Hiertoe doet hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen
beslissingen, verstrekt documentatie en raadgevingen en verzekert de
maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen.
§ 2
De
verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk
welzijn, het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst of de
secretaris in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn
taak vaststelt en hij stelt de maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen.
Hij neemt
deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij
kan bovendien uitgenodigd worden deel te nemen aan de besprekingen van de raad
of van het vast bureau telkens als over de problemen gehandeld wordt die de
sociale dienst aanbelangen.
§ 3
Wanneer
de met het dossier belaste maatschappelijk werker er wegens bijzondere en
uitzonderlijke redenen van vertrouwelijke aard om heeft verzocht, neemt de
raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst niet
eerder een beslissing over een individueel geval van dienstverlening dan na de
betrokken maatschappelijk werker gehoord te hebben.
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 62° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 11, 48°, p) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 1
De
maatschappelijk werker heeft als opdracht, met het oog op de verwezenlijking
van de bij artikel 1 bepaalde doelstellingen, en ter uitvoering van de taken
hem opgedragen door de secretaris, namens de raad, het vast bureau of het
bijzonder comité voor de sociale dienst, de personen en gezinnen te helpen bij
het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden.
Hiertoe doet hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen
beslissingen, verstrekt documentatie en raadgevingen en verzekert de
maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen.
1[De maatschappelijk werker die
belast is met het dossier van een hulpverzoeker, kan niet verplicht worden het
O.C.M.W. te vertegenwoordigen in de rechtsvorderingen die de verzoeker
krachtens artikel 71 van deze wet bij de Arbeidsrechtbank instelt.]1
§ 2
De
verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk
welzijn, het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst of de
secretaris in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn
taak vaststelt en hij stelt de maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen.
Hij neemt
deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij
kan bovendien uitgenodigd worden deel te nemen aan de besprekingen van de raad
of van het vast bureau telkens als over de problemen gehandeld wordt die de
sociale dienst aanbelangen.
§ 3
Wanneer
de met het dossier belaste maatschappelijk werker er wegens bijzondere en
uitzonderlijke redenen van vertrouwelijke aard om heeft verzocht, neemt de
raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst niet
eerder een beslissing over een individueel geval van dienstverlening dan na de
betrokken maatschappelijk werker gehoord te hebben.
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 11bis Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De raad
voor maatschappelijk welzijn bepaalt de regelen volgens dewelke de beoefenaars
van de geneeskunst toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de
instellingen en diensten van het centrum.
Ingeval
die beoefenaars van de geneeskunst niet benoemd worden noch bezoldigd volgens
statutaire bepalingen, dan worden hun betrekkingen met het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn, dat de inrichting of de dienst beheert, geregeld
op basis van een schriftelijke overeenkomst.
De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de
regelen volgens dewelke de beoefenaars van de geneeskunst toegelaten worden tot
de uitoefening van hun beroep in de instellingen en diensten van het centrum.
Ingeval die beoefenaars van de geneeskunst niet
benoemd worden noch bezoldigd volgens statutaire bepalingen, dan worden hun
betrekkingen met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat de
inrichting of de dienst beheert, geregeld op basis van een schriftelijke
overeenkomst.
(...)
Toekomstig recht
Artikel 48 wordt opgeheven bij art. 276, 63°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum
(art. 285, § 1).
1[...]
De raad
voor maatschappelijk welzijn bepaalt de regelen volgens dewelke de beoefenaars
van de geneeskunst toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de
instellingen en diensten van het centrum.
Ingeval
die beoefenaars van de geneeskunst niet benoemd worden noch bezoldigd volgens
statutaire bepalingen, dan worden hun betrekkingen met het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn, dat de inrichting of de dienst beheert, geregeld
op basis van een schriftelijke overeenkomst.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 1
1[De personeelsleden van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen, hetzij zelf, hetzij door
middel van een tussenpersoon, geen enkele bezigheid verrichten die kan schaden
aan het vervullen van hun ambtsplichten of met de waardigheid van het ambt in
strijd is.]1
§ 2
1[Bovendien mogen de
personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen
enkele zelfs onbezoldigde opdracht of dienst in particuliere zaken met
winstoogmerk volbrengen.]1
Deze
bepaling vindt echter geen toepassing op voogdij en op curatele over
onbekwamen, evenmin als op de opdrachten die in naam van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn in private ondernemingen of verenigingen worden
uitgevoerd.
§ 3
Van de
vorige paragraaf kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, door de
raad voor maatschappelijk welzijn afgeweken worden, meer bepaald waar het om
het beheer van familiebelangen gaat 1[of wanneer het ambt niet voltijds uitgeoefend wordt in het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn. Deze afwijkingen kunnen in geval van
misbruik worden ingetrokken]1.
§ 4
1[De hoedanigheid van personeelslid
van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met inbegrip van de
personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967
betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de
paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die ingevolge een
beslissing van één der organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn hun werkzaamheden uitoefenen in één der inrichtingen of diensten van
het centrum is onverenigbaar met:
|
1°het mandaat van burgemeester of gemeenteraadslid in de
gemeente waarvoor het centrum bevoegd is; |
|
2°het lidmaatschap van het beheerscomité als
afgevaardigde van een gemeente, die overeenkomstig artikel 109 van de wet op
de ziekenhuizen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus
1987, bijdraagt in de tekorten van het ziekenhuis van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn.]1 |
Wetshistoriek
§§ 1 en 4
vervangen en §§ 2 en 3 gewijzigd bij art. 6 W. 29 december 1988 (B.S.,
4 januari 1989).
§ 1
1[De personeelsleden van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen, hetzij zelf, hetzij door
middel van een tussenpersoon, geen enkele bezigheid verrichten die kan schaden
aan het vervullen van hun ambtsplichten of met de waardigheid van het ambt in
strijd is.]1
§ 2
1[Bovendien mogen de
personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen
enkele zelfs onbezoldigde opdracht of dienst in particuliere zaken met
winstoogmerk volbrengen.]1
Deze
bepaling vindt echter geen toepassing op voogdij en op curatele over
onbekwamen, evenmin als op de opdrachten die in naam van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn in private ondernemingen of verenigingen worden
uitgevoerd.
§ 3
Van de
vorige paragraaf kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, door de
raad voor maatschappelijk welzijn afgeweken worden, meer bepaald waar het om
het beheer van familiebelangen gaat 1[of wanneer het ambt niet voltijds uitgeoefend wordt in het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn. Deze afwijkingen kunnen in geval van
misbruik worden ingetrokken]1.
§ 4
1[De hoedanigheid van personeelslid
van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met inbegrip van de
personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967
betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische
beroepen en de geneeskundige commissies, die ingevolge een beslissing van één
der organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hun
werkzaamheden uitoefenen in één der inrichtingen of diensten van het centrum is
onverenigbaar met:
|
1°het mandaat van burgemeester of gemeenteraadslid in de
gemeente waarvoor het centrum bevoegd is; |
|
2°het lidmaatschap van het beheerscomité als
afgevaardigde van een gemeente, die overeenkomstig artikel 109 van de wet op
de ziekenhuizen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus
1987, bijdraagt in de tekorten van het ziekenhuis van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn.]1 |
Wetshistoriek
§§ 1 en 4
vervangen en §§ 2 en 3 gewijzigd bij art. 6 W. 29 december 1988 (B.S.,
4 januari 1989).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 64° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, q) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
vervangen en §§ 2 en 3 gewijzigd bij art. 6 W. 29 december 1988 (B.S.,
4 januari 1989).
§ 4
vervangen bij art. 6 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989).
§ 4,
lid 1, 1° vervangen bij art. 41 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang 24 november 2006
(art. 13 B. Vl. Reg. 17 november 2006 (B.S., 24 november
2006 (tweede uitg.))).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 65° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, q) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 42 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53,
§ 2).
De
bepalingen van 1[artikel 36, derde lid]1, en van het artikel 371[, eerste, tweede en derde lid]1 zijn mede van toepassing op de
personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 12 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Aan de personeelsleden van het
OCMW, met uitzondering van het personeel dat in dienst is genomen bij
arbeidsovereenkomst, kunnen de tuchtstraffen worden opgelegd bepaald in artikel
283 van de nieuwe gemeentewet.
Die
straffen kunnen worden opgelegd wegens de tekortkomingen en handelingen vermeld
in artikel 282, 1° en 2°, van de nieuwe gemeentewet, alsmede wegens overtreding
van het verbod bedoeld in de artikelen 49, §§ 1 tot 4, en 50 van deze
wet.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
1[Aan de personeelsleden van het OCMW, met
uitzondering van het personeel dat in dienst is genomen bij
arbeidsovereenkomst, kunnen de tuchtstraffen worden opgelegd bepaald in artikel
283 van de nieuwe gemeentewet.
Die straffen kunnen worden opgelegd wegens de
tekortkomingen en handelingen vermeld in artikel 282, 1° en 2°, van de nieuwe
gemeentewet, alsmede wegens overtreding van het verbod bedoeld in de artikelen
49, §§ 1 tot 4, en 50 van deze wet.]1
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 66° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 9 B.Vl.Reg. 15 mei 2009 (BS 29 mei 2009
(ed. 2))).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
1[Titel XIV van de nieuwe
gemeentewet, uitgezonderd de artikelen 287, § 2, en 289 tot 296, is van
toepassing op de in het vorige artikel bedoelde personeelsleden, met dien
verstande dat de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden gemeente,
gemeenteraad, college van burgemeester en schepenen, burgemeester en
gemeentesecretaris, respectievelijk moeten worden gelezen als openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn, raad voor maatschappelijk welzijn, vast bureau,
voorzitter en secretaris.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Beperking
toepassing
Opgeheven, voor
het Nederlands taalgebied, met uitzondering wat betreft de toepassing van art.
287, § 3 van de Nieuwe Gemeentewet, bij art. 276, 67° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 9 B.Vl.Reg. 15 mei 2009 (BS
29 mei 2009 (ed. 2))).
Verwerping
van beroep
Artikel 52 van
de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in
zoverre het aan de raad voor maatschappelijk welzijn de tuchtrechtelijke
bevoegdheid toevertrouwt ten aanzien van de ontvanger van het O.C.M.W.
(Arbitragehof nr. 141/2003, 29 oktober 2003 (prejudiciële vraag) (B.S.,
20 januari 2004 (derde uitg.))).
Geselecteerde
rechtspraak
Op grond van
artt. 24 en 52 O.C.M.W.-wet en 287, § 1, Nieuwe Gemeentewet staat het
aan de raad voor maatschappelijk welzijn om de tuchtsanctie van ambtshalve
ontslag op te leggen. Geen bepaling schrijft voor dat de raad het vast bureau
moet belasten met een onderzoek en met het eventueel aanhangig maken van de
zaak bij de raad. Gelet op de structuur van het actief bestuur, door de wet
gewild, kan geen schending van het algemeen beginsel van de onpartijdigheid
worden afgeleid uit het enkele feit dat de raad achtereenvolgens heeft beslist
om een tuchtvordering in te stellen, het onderzoek heeft gedaan en beslist
heeft over de sanctie (R.v.St. nr. 86.566, 4 april 2000).
1[Titel XIV van de nieuwe
gemeentewet, uitgezonderd de artikelen 287, § 2, en 289 tot 296, is van
toepassing op de in het vorige artikel bedoelde personeelsleden, met dien
verstande dat de in de nieuwe gemeentewet voorkomende woorden gemeente,
gemeenteraad, 2[gemeentelijk college]2, burgemeester en
gemeentesecretaris, respectievelijk moeten worden gelezen als openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn, raad voor maatschappelijk welzijn, vast bureau,
voorzitter en secretaris.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd
bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Verwerping
van beroep
Artikel 52 van
de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in
zoverre het aan de raad voor maatschappelijk welzijn de tuchtrechtelijke
bevoegdheid toevertrouwt ten aanzien van de ontvanger van het O.C.M.W.
(Arbitragehof nr. 141/2003, 29 oktober 2003 (prejudiciële vraag) (B.S.,
20 januari 2004 (derde uitg.))).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 68° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 9 B.Vl.Reg. 15 mei 2009 (BS 29 mei 2009
(ed. 2))).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
1[§ 1
2[De beslissingen waarbij, bij
wijze van tuchtmaatregel, het ontslag van ambtswege of de afzetting worden
uitgesproken, worden onderworpen aan de goedkeuring van het Verenigd College.
Desalniettemin worden ze voorlopig uitgevoerd, tenzij de raad voor
maatschappelijk welzijn anders beslist.]2
§ 2
Een
personeelslid kan bij 2[het
Verenigd College]2 bezwaar inbrengen tegen een
besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot opheffing van zijn
betrekking of tot vermindering van de aan die betrekking verbonden wedde.
Het
bezwaar moet worden ingediend binnen vijftien dagen na kennisgeving van het
besluit aan de betrokkene. 2[Het
Verenigd College]2 kan haar goedkeuring aan dat
besluit alleen onthouden indien het klaarblijkelijk strekt tot een bedekte
afzetting of terugzetting in rang.
2[Het Verenigd College]2 moet beslissen binnen een termijn
van drie maanden vanaf de dag waarop de klacht haar ter kennis wordt gebracht.
§ 3
2[...]]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
vervangen bij art. 22, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
§ 2
gewijzigd bij art. 22, 2° tot 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm.
3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
§ 3
opgeheven bij art. 22, 5° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
1[§ 1
De
beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, een schorsing voor ten
minste drie maanden, een terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de
afzetting worden uitgesproken, worden onderworpen aan de goedkeuring van de
gemeenteraad. Zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd, tenzij de raad voor
maatschappelijk welzijn anders beslist.
De
goedkeuring van de gemeenteraad wordt geacht toegekend te zijn indien aan het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen beslissing wordt betekend
binnen zestig dagen.
Bij
niet-goedkeuring door de gemeenteraad wordt het volledig dossier door de zorg
van het centrum voor goedkeuring doorgestuurd aan de Regering.
§ 2
Een
personeelslid kan bij de Regering bezwaar uitbrengen tegen een besluit van de
raad voor maatschappelijk welzijn tot opheffing van zijn betrekking of tot
vermindering van de aan de betrekking verbonden wedde.
Het
bezwaar moet worden ingediend binnen vijftien dagen na kennisgeving van het
besluit aan de betrokkene. De Regering kan alleen gevolg geven aan het bezwaar,
indien de beslissing klaarblijkelijk strekt tot een bedekte afzetting of
terugzetting in rang.
De
Regering moet beslissen binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop
de klacht haar ter kennis wordt gebracht.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 12 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
1[§ 1
De
beslissingen waarbij, bij wijze van tuchtmaatregel, een schorsing voor drie
maanden, een terugzetting in graad, het ontslag van ambtswege of de afzetting
worden uitgesproken, worden onderworpen aan het advies van het 3[gemeentelijk college]3 alsmede aan de goedkeuring van 3[het provinciecollege]3. Zij worden bij voorraad ten
uitvoer gelegd, tenzij de raad anders beslist.
§ 2
Een
personeelslid kan bij 3[het
provinciecollege]3 bezwaar inbrengen tegen een
besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn tot opheffing van zijn
betrekking of tot vermindering van de aan die betrekking verbonden wedde.
Het
bezwaar moet worden ingediend binnen vijftien dagen na kennisgeving van het
besluit aan de betrokkene. 3[Het
provinciecollege]3 kan haar goedkeuring aan dat
besluit alleen onthouden indien het klaarblijkelijk strekt tot een bedekte
afzetting of terugzetting in rang.
3[Het provinciecollege]3 moet beslissen binnen een termijn
van drie maanden vanaf de dag waarop de klacht haar ter kennis wordt gebracht.
§ 3
Het
betrokken personeelslid en de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen tegen de
beslissing van 3[het provinciecollege]3, genomen op grond van § 1 of
§ 2, bij de 2[Regering]2 beroep instellen binnen vijftien
dagen na de kennisgeving die hun ervan wordt gedaan door 3[het provinciecollege]3.
De 2[Regering]2 moet beslissen binnen een termijn
van drie maanden te rekenen van de dag waarop de akte Hem werd overgezonden;
Hij kan evenwel de oorspronkelijke termijn met 3 maanden verlengen indien Hij,
vóór het verstrijken van de termijn, ter kennis brengt dat Hij slechts kan
beslissen binnen de verlengde termijn.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
gewijzigd bij art. 15, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 2
gewijzigd bij art. 15, 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 3
gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998) en bij art. 15, 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
2[§ 1
Het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalt de voorwaarden en de
procedure voor de evaluatie van de personeelsleden van het Centrum.
§ 2
Het kan,
als negatief gevolg van de evaluatie, voorzien in het ambtshalve ontslag wegens
beroepsonbekwaamheid van de personeelsleden van het Centrum, met uitzondering
van het personeel dat krachtens een arbeidscontract in dienst genomen is.
De Raad
voor maatschappelijk welzijn bepaalt op algemene wijze de modaliteiten voor de
berekening en de betaling van de vertrekvergoeding die aan het personeelslid
gestort wordt. De vergoeding is evenredig aan de anciënniteit van het
personeelslid binnen het Centrum en mag in geen geval minder bedragen dan:
|
–drie maanden loon voor de personeelsleden met minder
dan tien jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van
hetzelfde ambtsgebied; |
|
–zes maanden loon voor de personeelsleden met tien tot
twintig jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van
hetzelfde ambtsgebied; |
|
–negen maanden loon voor de personeelsleden met meer dan
twintig jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van
hetzelfde ambtsgebied.]2 |
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 1 Decr.W. 30 april 2009 (BS 27 mei 2009
(ed. 1)).
Voorgeschiedenis
Opgeheven bij
art. 30 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
De
beslissing waarbij een personeelslid ambtshalve ontslagen wordt wegens
beroepsonbekwaamheid, wordt, na verhoor, door de Raad uitgesproken.
Ze wordt
onverwijld aan betrokkene meegedeeld, hetzij bij ter post aangetekend
schrijven, hetzij door afgifte tegen bericht van ontvangst. Bij gebrek aan
kennisgeving binnen tien werkdagen wordt ze geacht ingetrokken te zijn.
In de
kennisgeving wordt gewag gemaakt van de beroepen waarin de wet of het decreet
voorziet en van de termijn waarbinnen ze ingesteld kunnen worden.
§ 2
Het
personeelslid beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de
eerste werkdag die volgt op de kennisgeving van de beslissing waarbij het
ambtshalve ontslagen wordt, om de zaak bij aangetekend schrijven aanhangig te
maken bij de Kamer van beroep bedoeld in artikel 54ter. De aanhangigmaking
van de kamer van beroep schort de beslissing van de Raad voor maatschappelijk
welzijn op tot de beslissing van de Regering of tot het verstrijken van de
termijn waarover de Regering beschikt om te beslissen.
De kamer
van beroep geeft de Regering een gemotiveerd advies over de beraadslaging van
de raad voor maatschappelijk welzijn houdende beslissing tot ambsthalve ontslag
wegens beroepsonbekwaamheid. Dat advies is “gunstig” of “ongunstig”. Het wordt
gegeven en samen met het volledige dossier meegedeeld binnen een termijn van
zestig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de beslissing.
§ 3
Bij
gebrek aan aanhangigmaking bij de kamer van beroep binnen de toegestane
termijn, richt de Raad voor maatschappelijk welzijn zijn beraadslaging, samen
met het volledige dossier, aan de Regering. In afwijking van de
artikelen 109, 110 en 112, kan de Regering de beslissing tot ambtshalve
ontslag wegens beroepsonbekwaamheid vernietigen wanneer ze de wet schendt of
het algemeen belang schaadt. Bij gebrek aan beslissing binnen een termijn van
veertig dagen, eventueel verlengd met twintig dagen, te rekenen van de datum
van ontvangst van de beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn,
kan de akte niet meer vernietigd worden.
De
beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid wordt opgeschort
totdat de termijn van dertig dagen bedoeld in § 1, eerste lid, verstreken
is.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 2 Decr.W. 30 april 2009 (BS 27 mei 2009
(ed. 1)).
Er wordt
een gewestelijke kamer van beroep opgericht om kennis te nemen van de beroepen
ingesteld tegen beslissingen tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid.
De
artikelen L1218-1 tot 1218-10 van het Wetboek van de plaatselijke
democratie en de decentralisatie zijn van toepassing.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 Decr.W. 30 april 2009 (BS 27 mei 2009
(ed. 1)).
§ 1
In
afwijking van de artikelen 109, 110 en 112, kan de Regering, op basis van
het advies bedoeld in artikel 54bis, § 2, tweede lid, of in het geval
bedoeld in artikel 54ter, § 3, tweede lid, wanneer de kamer van
beroep geen advies uitbrengt binnen de voorgeschreven termijn, de beslissing
tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid vernietigen wanneer ze de
wet schendt of het algemeen belang schaadt.
§ 2
De
Regering neemt haar beslissing en deelt ze aan de Raad voor maatschappelijk
welzijn en aan het personeelslid mee binnen dertig dagen na ontvangst van het
advies en van het volledige dossier of, bij gebrek aan beraadslaging van de
Raad voor maatschappelijk welzijn, samen met het volledige dossier. Zij kan die
termijn één keer verlengen met een maximumduur van vijftien dagen.
Na afloop
van die termijn kan de Regering de beslissing tot ambtshalve ontslag niet meer
vernietigen. Bij gebrek aan vernietiging door de Regering binnen de termijn
bedoeld in § 2, heeft de beslissing tot ambtshalve ontslag volkomen
gevolg.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 4 Decr.W. 30 april 2009 (BS 27 mei 2009
(ed. 1)).
§ 1
De
Minister die het maatschappelijk welzijn in zijn bevoegdheid heeft kan een of
meer openbare centra voor maatschappelijk welzijn machtigen om voor de door hem
bepaalde betrekkingen 1[van
de maatschappelijk werkers]1 van
het verplegend en verzorgend personeel, van het hulppersoneel en van het
meesters-, vak- en dienstpersoneel, tot een contractuele aanwerving over te
gaan.
In dit geval
moet de raad voor maatschappelijk welzijn bij de vaststelling van de
personeelsformatie uitdrukkelijk die vorm van aanwerving voor de bedoelde
betrekkingen voorzien en bij de aanstelling een schriftelijke overeenkomst met
het betrokken personeelslid sluiten.
§ 2
1[De raad voor maatschappelijk
welzijn kan overgaan tot de indienstneming onder arbeidsovereenkomst van
personen van vreemde nationaliteit voor de niet leidinggevende betrekkingen.]1
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd en § 2 vervangen bij art. 31 en 32 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 1
2[Het O.C.M.W. kan overgaan tot een
contractuele werving om te voorzien in een vacature in de personeelsformatie
voor zover de indienstneming betrekking heeft op een met een wervingsgraad
overeenstemmende betrekking en de personeelsformatie voor die betrekking in de
mogelijkheid voorziet om die wervingswijze toe te passen.
In dit
geval moet de raad voor maatschappelijk welzijn bij de aanwijzing van het
betrokken personeelslid een geschreven overeenkomst met hem sluiten.]2
§ 2
1[3[Onverminderd artikel 42, achtste
lid]3 kan de raad voor maatschappelijk
welzijn overgaan tot de indienstneming onder arbeidsovereenkomst van personen
van vreemde nationaliteit voor de niet leidinggevende betrekkingen.]1
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 13 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 2
vervangen bij art. 31 en 32 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992) en gewijzigd bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 19 oktober
2000 (B.S., 27 oktober 2000).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 31 en 32 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 69° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 31 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en vervangen bij art. 5 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S.,
10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl.
Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).
§ 2
vervangen bij art. 32 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Het
personeel van een ziekenhuis dat van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn afhangt kan binnen de door de raad voor maatschappelijk welzijn
goedgekeurde personeelsformatie, en zonder de machtiging bedoeld in artikel 55,
§ 1, eerste lid, bij contract worden aangeworven. Dit contract wordt
schriftelijk afgesloten.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986).
2[Het personeel van een ziekenhuis
en van de andere inrichtingen die van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn afhangen kan binnen de door de raad van maatschappelijk welzijn goedgekeurde
personeelsformatie, en zonder de machtiging bedoeld in artikel 55,
§ 1, eerste lid, bij contract worden aangeworven.
Dit
contract wordt schriftelijk afgesloten.]2]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986)
en vervangen bij art. 13 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Het
personeel van een ziekenhuis dat van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn afhangt kan binnen de door de raad voor maatschappelijk welzijn
goedgekeurde personeelsformatie 2[...] bij contract worden aangeworven. Dit contract wordt schriftelijk
afgesloten.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986) en gewijzigd bij art. 14 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[...]]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus
1986) en opgeheven bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S.,
10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl.
Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).
§ 1
3[...]
§ 2
3[...]
§ 3
1[De indienstnemingen op grond van 3[...] artikel 60, § 7, worden
geregeld door de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.]1
3[...]
§ 4
3[...]
§ 5
3[...]
Wetshistoriek
§§ 1 en 2
opgeheven bij art. 276, 70° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 3
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 276, 70° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§§ 4 en 5
opgeheven bij art. 276, 70° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 2
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 4 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli
2004).
§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn en, indien hun hiervoor de bevoegdheid werd
overgedragen, het vast bureau en het bijzonder comité, kunnen in dringende
gevallen en voor de instellingen of diensten waar de bestendige aanwezigheid
van een bepaald personeel onontbeerlijk is, binnen de perken van de
personeelsformatie en met 1[...]
gedeeltelijke afwijking op de vastgestelde aanwervingsvoorwaarden, het
personeel in dienst nemen dat nodig is om functies waar te nemen die voorlopig
zonder titularis zijn of waarvan de titularis tijdelijk afwezig is en die
betrekking hebben op 1[de maatschappelijk werkers]1, het verplegend en verzorgend
personeel, het hulppersoneel en het meesters-, vak- en dienstpersoneel.
1[2[Het Verenigd College kan]2 de lijst van de in het eerste lid
bedoelde functies uitbreiden.]1
§ 2
In geval
van ramp kan de raad voor maatschappelijk welzijn eveneens, eventueel buiten de
perken van de personeelsformatie, het personeel in dienst nemen dat nodig is om
dringende en onvoorziene taken te vervullen.
1[...]
§ 3
1[De indienstnemingen op grond van
dit artikel evenals die op grond van artikel 55 of van artikel 60, § 7,
worden geregeld door de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.]1
De wetten
die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn
er niet op toepasselijk.
§ 4
De aanwerving
voor bedieningen die voorlopig zonder titularis zijn mag slechts plaatshebben
voor ten hoogste zes maanden.
Indien
het noodzakelijk is, kan de overeenkomst hernieuwd worden voor één of meer
periodes die samen met de eerste aanwerving één jaar niet mogen overschrijden.
§ 5
In geval
van tijdelijke afwezigheid van de titularis van een bediening mag de
overeenkomst gesloten worden voor de duur van de afwezigheid.
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992)
en bij art. 23 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
§ 2
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 3
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn en, indien hun hiervoor de bevoegdheid werd
overgedragen, het vast bureau en het bijzonder comité, kunnen in dringende
gevallen en voor de instellingen of diensten waar de bestendige aanwezigheid
van een bepaald personeel onontbeerlijk is, binnen de perken van de
personeelsformatie en met 1[...]
gedeeltelijke afwijking op de vastgestelde aanwervingsvoorwaarden, het
personeel in dienst nemen dat nodig is om functies waar te nemen die voorlopig
zonder titularis zijn of waarvan de titularis tijdelijk afwezig is en die
betrekking hebben op 1[de maatschappelijk werkers]1, het verplegend en verzorgend
personeel, het hulppersoneel en het meesters-, vak- en dienstpersoneel.
1[2[De Regering]2 kan, 1[...], de lijst van de in het
eerste lid bedoelde functies uitbreiden.]1
§ 2
3[De raad voor maatschappelijk
welzijn kan ook het personeel in dienst nemen dat noodzakelijk is om dringende
en onvoorziene taken te vervullen. Die aanwerving kan ook buiten de perken van
de personeelsformatie gebeuren.]3
§ 3
1[De indienstnemingen op grond van
dit artikel evenals die op grond van artikel 55 of van artikel 60, § 7,
worden geregeld door de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.]1
De wetten
die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn
er niet op toepasselijk.
§ 4
De
aanwerving voor bedieningen die voorlopig zonder titularis zijn mag slechts
plaatshebben voor ten hoogste zes maanden.
Indien
het noodzakelijk is, kan de overeenkomst hernieuwd worden voor één of meer
periodes die samen met de eerste aanwerving één jaar niet mogen overschrijden.
§ 5
In geval
van tijdelijke afwezigheid van de titularis van een bediening mag de
overeenkomst gesloten worden voor de duur van de afwezigheid.
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 2
vervangen bij art. 20 Decr. D. Gem. R. 20 mei 1997 (B.S.,
2 juli 1997), met ingang van 2 juli 1997 (art. 29).
§ 3
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 1
2[In dringende gevallen kan het
O.C.M.W., binnen de perken van de personeelsformatie en, eventueel, in
afwijking van de vereisten inzake de leeftijd, het examen of het vergelijkend
examen, het personeel in dienst nemen dat nodig is om de ambten waar te nemen
die voorlopig zonder titularis zijn of waarvan de titularis tijdelijk afwezig
is.]2
§ 2
2[In spoedgevallen of om een
specifieke opdracht van bepaalde duur te vervullen in het kader van een
initiatief dat gesubsidieerd wordt door de Europese Gemeenschap, de Staat, het
Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of elke andere overheid, of van een
handeling waarover beslist wordt in samenspraak met het 3[gemeentelijk college]3, kan het O.C.M.W. bij
arbeidsovereenkomst personeel in dienst nemen waarin de personeelsformatie niet
voorziet.
In geval
van gesubsidieerde opdrachten wordt de wervingsduur beperkt tot de door de
subsidie gedekte periode.]2
§ 3
1[De indienstnemingen op grond van
dit artikel evenals die op grond van artikel 55 of van artikel 60, § 7,
worden geregeld door de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.]1
De wetten
die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn
er niet op toepasselijk.
§ 4
De
aanwerving voor bedieningen die voorlopig zonder titularis zijn mag slechts
plaatshebben voor ten hoogste zes maanden.
Indien
het noodzakelijk is, kan de overeenkomst hernieuwd worden voor één of meer
periodes die samen met de eerste aanwerving één jaar niet mogen overschrijden.
§ 5
In geval
van tijdelijke afwezigheid van de titularis van een bediening mag de
overeenkomst gesloten worden voor de duur van de afwezigheid.
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 15 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 2
vervangen bij art. 15 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R.
8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van
8 oktober 2006 (art. 22).
§ 3
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Voorgeschiedenis
§§ 1 en 2
gewijzigd bij art. 33 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
1[§ 1
Onverminderd
het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren
waartoe de gemeenschap gehouden is.
Het
verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. 11[Het bevordert de maatschapelijke
participatie van de gebruikers.]11
Deze
dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige,
sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.
§ 2
5[In afwijking van de andere
bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot:
|
1°het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het
gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; |
|
2°het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat
de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te
komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met
zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. |
9[In het geval bedoeld in 2°, wordt
de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is
voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een
federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald
door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de
personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt
gewaarborgd.]9]5
De Koning
kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
Een
vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als
dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de
asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een 3[...] bevel om het grondgebied te
verlaten is betekend.
De
maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende
was op het ogenblik dat hem een 3[...] bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met
uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de
vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van
het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.
Van het
bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt
noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te
verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn
uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten,
weergeeft; deze termijn mag in geen geval 10[de termijn welke vastgelegd is door artikel 7, 4°,
van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en
van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen]10 overschrijden.
De
hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend.
Het centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van de
intentieverklaring.]2
4[Indien het gaat om een
vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van 7[artikel 433quaterdecies van
het strafwetboek]7, kan de in het vierde en vijfde
lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een
onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter.]4
§ 3
Het
centrum oefent de voogdij uit over of verzekert althans de bewaring, het
onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die door de wet, de
ouders of overheidsorganen aan het centrum zijn toevertrouwd.
§ 4
Het
centrum voert de taken uit die hem door de wet, de Koning of de gemeenteoverheid
zijn toevertrouwd.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 151 W. 30 december 1992 (B.S., 9 januari 1993).
§ 1
gewijzigd bij art. 215 W. 25 april 2007 (B.S., 8 mei 2007
(derde uitg.)).
§ 2
vervangen bij art. 65 W. 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996),
met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B. 12 december 1996 (B.S.,
31 december 1996 (derde uitg.)), gedeeltelijk vernietigd bij arrest
Arbitragehof nr. 43/98, 22 april 1998 (B.S., 29 april
1998 (tweede uitg.)), gewijzigd bij art. 184 W. 2 augustus 2002 (B.S.,
29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 29 augustus 2002
(art. 207), bij art. 483 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)), bij art. 41 W. 10 augustus
2005 (B.S., 2 september 2005 (eerste uitg.)), bij art. 22 W.
27 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)) en
bij art. 68 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.), err., B.S., 7 juni 2007), met ingang van 1 juni 2007
(art. 2 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.))).
Voorgeschiedenis
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
§ 2, lid
2, zoals vervangen bij art. 483 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003) vernietigd met handhaving van de gevolgen van de
vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling en
uiterlijk tot 31 maart 2006 (Arbitragehof nr. 131/2005, 19 juli
2005 (B.S., 8 augustus 2005)).
Beperking
toepassing
Zo geïnterpreteerd
dat het de maatschappelijke dienstverlening aan de illegaal in het Rijk
verblijvende ouders van een minderjarig kind dat, omwille van een zware
handicap, in de absolute onmogelijkheid verkeert om het grondgebied te
verlaten, beperkt tot dringende medische hulp, schendt artikel 57, § 2, 1°
de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet (Arbitragehof nr. 194/2005,
21 december 2005 (B.S., 10 februari 2006 (eerste uitg.)).
Verwerping
van beroep
Artikel 57,
§ 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële
vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).
Artikel 57,
§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd
bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van
toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en
die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van
22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt
niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 23 en 191, van de Grondwet (Arbitragehof nr. 203/2004,
21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 25 februari 2005
(tweede uitg.))).
Artikel 57,
§ 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn, dat niet van toepassing is op de
vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een
regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december
1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen
met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Artikel 57,
§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij
artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing
is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een
regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december
1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen
met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens (Arbitragehof nr. 204/2004,
21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 3 maart 2005
(tweede uitg.))).
Artikel 57,
§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd
bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing
is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een
regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december
1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, en dat ook van toepassing
is op de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling die een aanvraag
tot machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van artikel 9, derde lid, van
de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, zolang hij niet tot verblijf
in het Rijk is gemachtigd, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23 en 191 van
de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten en met artikel 13 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens (Arbitragehof nr. 205/2004,
21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 4 maart 2005
(tweede uitg.))).
Artikel 57, §
2, eerste lid, 2°, en tweede lid, van dezelfde wet schendt de artikelen 22, 23,
tweede en derde lid, en 191 van de Grondwet niet in zoverre het aan de Koning
de zorg toevertrouwt om de voorwaarden en modaliteiten vast te stellen voor de
toekenning van materiële hulp die in een federaal opvangcentrum wordt verstrekt
aan een minderjarige vreemdeling met onwettig verblijf (Arbitragehof
nr. 43/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S.,
19 mei 2006 (tweede uitg.))).
Artikel 57,
§ 2, eerste lid, 1°, onder het in B.5 vermelde voorbehoud, schendt de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in samenhang gelezen met de artikelen
22, 23 en 191 ervan, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Internationaal
Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 8 van het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens alsmede met artikel 3.1 van het Vierde Aanvullend
Protocol bij dat Verdrag (Arbitragehof nr. 44/2006, 15 maart 2006
(prejudiciële vraag) (B.S., 23 mei 2006 (tweede uitg.))).
Artikel 57, §
2, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003 en onder het in
B.10 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet,
al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 van het
Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (Arbitragehof
nr. 32/2006, 1 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S.,
29 mei 2006)).
Artikel 57, §
2, eerste lid, 1°, onder het in B.4 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen
10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 22, 23 en 191 van de Grondwet, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27
van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 8
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede met artikel 3.1
van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Arbitragehof
nr. 35/2006, 1 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S.,
29 mei 2006)).
Onder het in
B.10 vermelde voorbehoud, schendt artikel 57, § 2 niet de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met
de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de
rechten van het kind (Arbitragehof nr. 66/2006, 3 mei 2006
(prejudiciële vraag) (B.S., 25 juli 2006 (eerste uitg.))).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 66 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 december 1996
betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in
het Rijk verblijven (B.S., 31 december 1996) |
|
–Besluit van de Vlaamse regering van 16 september
1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie
omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water (B.S.,
15 november 1997) |
|
–Koninklijk besluit van 24 juni 2004 tot bepaling
van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp
aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk
verblijft (B.S., 1 juli 2004) |
Verwijzingen
Zie ook:
|
–Omz. Min. Mtsch. Integratie van 16 augustus 2004
betreffende het koninklijk besluit tot bepaling van de voorwaarden en de
modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige
vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft (B.S.,
9 december 2004). |
|
–Omz. Min. Mtsch. Integratie van 14 juli 2005
(Dringende medische hulpverlening aan vreemdelingen die illegaal in het land
verblijven) (B.S., 16 augustus 2005). |
|
–Omz. Min. Mtsch. Integratie van 22 augustus 2007
betreffende de nieuwe asielprocedure en zijn gevolgen voor de
maatschappelijke dienstverlening (B.S., 18 september 2007). |
Geselecteerde
rechtspraak
Dienstverlening
(§ 1)
De individuele
dienstverlening, toegekend overeenkomstig art. 57, kan om het even welke
hulp in contanten of in natura zijn, die zowel van lenigende, curatieve of
preventieve aard kan zijn. De wet preciseert niet waarin die hulp bestaat, noch
onder welke voorwaarden zij wordt toegekend, tenzij dat die hulp eenieder in de
mogelijkheid moet stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke
waardigheid (art. 1, eerste lid). Zij kan worden toegekend met het oog op
het aanvullen van het bestaansminimum, maar ook aan diegene die geen recht
heeft op dat minimum (Arbitragehof nr. 103/98, 21 oktober 1998 (prejudiciële
vraag) ; Arbitragehof nr. 50/2002, 13 maart 2002 (prejudiciële vraag)).
De
maatschappelijke dienstverlening, toegekend overeenkomstig art. 57, kan om
het even welke hulp in contanten of in natura zijn, die zowel van lenigende als
van curatieve of preventieve aard kan zijn (art. 57, § 1, tweede
lid); de dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige,
sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn (art. 57, § 1,
derde lid); verder wordt bepaald dat de materiële hulp in de meest passende
vorm wordt verstrekt (art. 60, § 3). Het behoort tot de bevoegdheid
van het betrokken O.C.M.W. en, in geval van conflict, tot die van de rechter,
om uitspraak te doen over het bestaan van een behoefte aan dienstverlening,
over de omvang daarvan en om ‘de meest passende middelen voor te stellen om
daarin te voorzien’. Er bestaan immers geen wettelijke normen die bepalen in
welke mate en in welke vorm bijstand moet worden verleend. Het O.C.M.W. kan
bijgevolg, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, bijstand verlenen om
de op het ogenblik van de beslissing nog bestaande gevolgen te verhelpen van
een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid, in zoverre die de
betrokkene beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de
menselijke waardigheid (zie art. 1 W. 8 juli 1976) (Arbitragehof
nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële vraag)); (Arbitragehof
nr. 112/2003, 17 september 2003 (prejudiciële vraag)).
De W.
8 juli 1976 bepaalt dat elke persoon recht heeft op maatschappelijke
dienstverlening (art. 1). De wetgever kent hieraan een verstrekkende
doelstelling toe door te bepalen dat zij tot doel heeft “eenieder in de
mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke
waardigheid”; voor het overige preciseert de wetgever niet onder welke
voorwaarden die maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend. Die
dienstverlening, toegekend overeenkomstig art. 57, kan om het even welke vorm
aannemen, zoals hulp in contanten of in natura, en kan zowel van lenigende als
van curatieve of preventieve aard zijn (art. 57, § 1, tweede lid); de
dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige,
sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn (art. 57, § 1, derde lid);
bovendien is bepaald dat de materiële hulp in de meest passende vorm wordt
verstrekt (art. 60, § 3). Door de W. 26 mei 2002 betreffende het recht op
maatschappelijke integratie aan te nemen, heeft de wetgever een eventuele
subsidiaire toepassing van W. 8 juli 1976 ten gunste van een persoon die
niet of niet langer het recht op maatschappelijke integratie zou kunnen
genieten, niet willen uitsluiten (Arbitragehof nr. 74/2004, 5 mei 2004
(prejudiciële vraag)).
Art. 57, § 1,
dat niet van toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied
verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van W. 22
december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde
categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk,
zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt artt. 10 en 11 G.W. niet,
al dan niet in samenhang gelezen met art. 23 G.W. en met art. 3 E.V.R.M. (Arbitragehof
nr. 204/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag)).
De wet zegt
niet wat onder ‘recht op maatschappelijke dienstverlening’ of ‘dienstverlening
waartoe de gemeenschap gehouden is’, precies moet worden verstaan. In sommige
artikelen en inzonderheid in art. 60, geeft de wet weliswaar bepaalde
vormen aan welke ‘maatschappelijke dienstverlening’ kan aannemen, maar hij somt
de wijzen waarop die dienstverlening kan geschieden niet op beperkende wijze
op. Hieruit volgt dat het O.C.M.W. in ieder geval moet nagaan of en hoe de
‘maatschappelijke dienstverlening’ moet worden verleend (R.v.St. nr. 21.891, 13
januari 1982).
Dringende
medische hulpverlening aan vreemdelingen (§ 2)
Art. 57,
§ 2, schendt artt. 10 en 11 G.W. in zoverre het van toepassing is op
vreemdelingen aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend en
die om medische redenen, in de absolute onmogelijkheid zijn om er gevolg aan te
geven (Arbitragehof nr. 80/99, 30 juni 1999 ; Arbitragehof nr. 131/2001, 30
oktober 2001 (prejudiciële vraag)).
Artikel 57,
§ 2, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1992 en 15 juli
1996 en door het gevolg van het arrest gewezen door het Arbitragehof op
22 april 1998, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen
in samenhang met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet, 3, 6 en 13 van het
E.V.R.M. en 1, 6, 16 en 23 van het Verdrag van New York van 28 september
1954 betreffende de status van staatlozen, doordat dit artikel 57, § 2, de
hulp die aan vreemdelingen kan worden verleend, tot de dringende medische hulp
beperkt, wanneer het vreemdelingen betreft die een bevel om het grondgebied te
verlaten hebben ontvangen dat definitief is geworden, ofwel omdat geen beroep
werd ingesteld, ofwel omdat de rechtsmiddelen tegen dat bevel zijn uitgeput, en
die voor de rechtbanken van de Belgische rechterlijke orde een vordering hebben
ingesteld tot erkenning als staatloze, vordering die nog niet het voorwerp
heeft uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane beslissing (Arbitragehof
nr. 17/2001, 14 februari 2001 (B.S., 24 april 2001)).
Art. 57,
§ 2, schendt artt. 10 en 11 G.W. niet doordat het het recht op
maatschappelijke dienstverlening beperkt tot de dringende medische hulp voor de
vreemdeling van wie de herhaalde aanvraag om als vluchteling te worden erkend
niet in aanmerking is genomen door de bevoegde minister of zijn gemachtigde met
toepassing van art. 51/8 Vreemdelingenwet 15 december 1980, ook al is
het beroep van de vreemdeling tot nietigverklaring van die beslissing nog niet
beslecht door de Raad van State (Arbitragehof nr. 21/2001, 1 maart 2001
(prejudiciële vraag) ; Arbitragehof nr. 148/2001, 20 november 2001
(prejudiciële vraag); Arbitragehof nr. 50/2002, 13 maart 2002 (prejudiciële
vraag)).
Bij de
totstandkoming van W. 22 december 1999 betreffende de regularisatie van
het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het
grondgebied van het Rijk, werd in de parlementaire voorbereiding meermaals
beklemtoond dat een aanvraag tot regularisatie niet de juridische verblijfsstatus
van de betrokkenen wijzigt en als dusdanig geen recht op maatschappelijke
dienstverlening doet ontstaan. Voor de regularisatieaanvragers die zich bij de
totstandkoming van W. 22 december 1999 op illegale wijze op het
grondgebied bevonden, hetzij doordat zij zich zonder toestemming toegang tot
het grondgebied hadden verschaft en in de clandestiniteit waren gebleven,
hetzij doordat zij op het grondgebied verblijven na het verstrijken van de
periode waarvoor zij de vereiste toestemming hadden verkregen, hetzij doordat
zij, na een asielaanvraag te hebben ingediend, uitgeprocedeerd waren en geen
gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten, is het recht
op maatschappelijke dienstverlening beperkt tot dringende medische hulp. Hun
situatie is objectief verschillend van de situatie van degenen die, vóór de
totstandkoming van W. 22 december 1999, op grond van de daartoe geëigende
procedures, een wettige verblijfsstatus hadden verkregen of voor de bevoegde
instanties nog een asielaanvraag hangende hadden. Het is niet kennelijk
onredelijk dat, in afwachting van de afronding van de regularisatieprocedure,
en zolang derhalve niet vaststaat dat aan de voorwaarden voor regularisatie is
voldaan, de maatschappelijke dienstverlening gewaarborgd aan illegaal op het
grondgebied verblijvende aanvragers beperkt blijft tot de dringende medische
hulp.
De
regularisatieaanvragers wier dienstverlening volgens art. 57, § 2,
beperkt is tot dringende medische hulp, zijn vreemdelingen die zich niet hebben
gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering, doordat ze geen
gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten of de vereiste
toelating tot verblijf op het grondgebied niet hebben verkregen of niet hadden
gevraagd. In afwachting van de afronding van de regularisatieprocedure,
verschilt hun verblijfssituatie juridisch niet van die van de andere
vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven, zodat het niet
onredelijk is dat zij inzake maatschappelijke dienstverlening gelijk worden
behandeld (Arbitragehof nr. 131/2001, 30 oktober 2001 (prejudiciële vraag) ;
Arbitragehof nr. 14/2002, 17 januari 2002 (prejudiciële vraag); Arbitragehof
nr. 89/2002, 5 juni 2002 (prejudiciële vraag)).
Artikel 57, §
2, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de
artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind,
in zoverre het, ten aanzien van minderjarigen wier ouders illegaal op het
grondgebied van het Rijk verblijven, zelfs de maatschappelijke dienstverlening
die zou voldoen aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, uitsluit (Arbitragehof
nr. 106/2003, 22 juli 2003 (prejudiciële vraag) . In dezelfde zin: Arbitragehof
nr. 185/2004, 24 november 2004).
Artikel 57, §
2, al dan niet gelezen in samenhang met art. 14 van de wet van 22 december
1999, moet door de verwijzende rechters zo worden geïnterpreteerd dat het de
vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie indienen, zolang hun
verblijfsstatus niet is geregulariseerd, enkel dringende medische hulp
waarborgt (Arbitragehof nr. 203/2004, 21 december 2004 (prejudiciële vraag)).
Art. 57, § 2,
dat van toepassing is op de illegaal op het grondgebied verblijvende
vreemdeling die een aanvraag tot machtiging tot verblijf in het Rijk op grond
van art. 9, derde lid, W. 15 december 1980 heeft ingediend, zolang hij niet tot
verblijf in het Rijk is gemachtigd, schendt niet artt. 10 en 11 G.W., al dan
niet in samenhang gelezen met artt. 23 en 191 G.W., met art. 11.1 I.V.E.S.C.R.
en met art. 13 E.V.R.M. (Arbitragehof nr. 205/2004, 21 december 2004
(prejudiciële vraag)).
Art. 1,
tweede lid, bepaalt dat er O.C.M.W.’s worden opgericht die, ‘onder de door deze
wet bepaalde voorwaarden’, tot opdracht hebben de in art. 1, eerste lid,
bedoelde maatschappelijke dienstverlening te verzekeren. Art. 57,
§ 2, preciseert die voorwaarden t.a.v. de vreemdelingen die zich in een
van de daarin bedoelde toestanden bevinden (Cass. AR S.95.23.F, 13 november
1995).
Zo
geïnterpreteerd dat het de maatschappelijke dienstverlening aan de illegaal in
het Rijk verblijvende ouders van een minderjarig kind dat omwille van een zware
handicap in de absolute onmogelijkheid verkeert om het grondgebied te verlaten,
beperkt tot dringende medische hulp schendt art. 57 § 2.18 de art. 10, 11 en 22
G.W. (Arbitragehof nr. 194/2005, 21 december 2005 (prejudiciële vraag)).
Artikel 57,
§ 2 eerste lid beperkt het recht op maatschappelijke dienstverlening tot
het verlenen van dringende medische hulp wanneer het gaat om een vreemdeling
die illegaal in het Rijk verblijft. De vreemdeling die een
regularisatieaanvraag heeft ingediend wordt door art. 14 van de wet van
22 december 1999 toegelaten zijn verblijf te verlengen tijdens de
behandeling van zijn regularisatieaanvraag. Rekening houdend met art. 23
G.W. en art. 1 OCMW-wet is de beperking van art. 57 § 2 eerste lid op de
vreemdeling t.a.v. wie feitelijk niet kan overgegaan worden tot verwijdering
niet van toepassing (Cass. (3e k.) AR S.01.0148.F, 17 juni 2002).
Het behoort aan
de vreemdeling die wordt uitgewezen en die zich beroept op overmacht waardoor
hij het land niet kan verlaten, om die overmacht te bewijzen. (Cass. AR S.
07.0078.N, 19 mei 2008).
1[§ 1
Onverminderd
het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren
waartoe de gemeenschap gehouden is.
Het
verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. 11[Het bevordert de maatschapelijke
participatie van de gebruikers.]11
Deze
dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige,
sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.
§ 2
5[In afwijking van de andere
bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn beperkt tot:
|
1°het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het
gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; |
|
2°het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat
de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te
komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met
zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. |
9[In het geval bedoeld in 2°, wordt
de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is
voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een
federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald
door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de
personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt
gewaarborgd.]9]5
De Koning
kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
Een
vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als
dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de
asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een 3[...] bevel om het grondgebied te
verlaten is betekend.
De
maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk
steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een 3[...] bevel om het grondgebied te
verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische
hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het
grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn
van het bevel om het grondgebied te verlaten.
Van het
bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt
noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te
verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn
uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten,
weergeeft; deze termijn mag in geen geval 10[de termijn welke vastgelegd is door artikel 7, 4°,
van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en
van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen]10 overschrijden.
De
hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend.
Het centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de
toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van
vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van de
intentieverklaring.]2
4[Indien het gaat om een
vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van 7[artikel 433quaterdecies van
het strafwetboek]7, kan de in het vierde en vijfde
lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een
onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter.]4
§ 3
Het
centrum oefent de voogdij uit over of verzekert althans de bewaring, het
onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die door de wet, de
ouders of overheidsorganen aan het centrum zijn toevertrouwd.
§ 4
Het
centrum voert de taken uit die hem door 12[de wet, het decreet, de Koning of de Vlaamse Regering]12 zijn toevertrouwd.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 151 W. 30 december 1992 (B.S., 9 januari 1993).
§ 1
gewijzigd bij art. 215 W. 25 april 2007 (B.S., 8 mei 2007
(derde uitg.)).
§ 2
vervangen bij art. 65 W. 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996),
met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B. 12 december 1996 (B.S.,
31 december 1996 (derde uitg.)), gedeeltelijk vernietigd bij arrest
Arbitragehof nr. 43/98, 22 april 1998 (B.S., 29 april
1998 (tweede uitg.)), gewijzigd bij art. 184 W. 2 augustus 2002 (B.S.,
29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 29 augustus 2002
(art. 207), bij art. 483 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)), bij art. 41 W. 10 augustus
2005 (B.S., 2 september 2005 (eerste uitg.)), bij art. 22 W.
27 december 2005 (B.S., 30 december 2005 (tweede uitg.)) en
bij art. 68 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.), err., B.S., 7 juni 2007), met ingang van 1 juni 2007
(art. 2 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.))).
§ 4
gewijzigd bij art. 272, 7° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
§ 2, lid
2, zoals vervangen bij art. 483 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003) vernietigd met handhaving van de gevolgen van de
vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe bepaling en
uiterlijk tot 31 maart 2006 (Arbitragehof nr. 131/2005, 19 juli
2005 (B.S., 8 augustus 2005)).
Beperking
toepassing
Zo
geïnterpreteerd dat het de maatschappelijke dienstverlening aan de illegaal in
het Rijk verblijvende ouders van een minderjarig kind dat, omwille van een
zware handicap, in de absolute onmogelijkheid verkeert om het grondgebied te
verlaten, beperkt tot dringende medische hulp, schendt artikel 57, § 2, 1°
de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet (Arbitragehof nr. 194/2005,
21 december 2005 (B.S., 10 februari 2006 (eerste uitg.)).
Verwerping
van beroep
Artikel 57,
§ 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële
vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).
Artikel 57,
§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd
bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van
toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en
die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van
22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt
niet de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 23 en 191, van de Grondwet (Arbitragehof nr. 203/2004,
21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 25 februari 2005
(tweede uitg.))).
Artikel 57,
§ 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn, dat niet van toepassing is op de
vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een
regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december
1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen
met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Artikel 57,
§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij
artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van toepassing
is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een
regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december
1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, schendt de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen
met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens (Arbitragehof nr. 204/2004,
21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 3 maart 2005
(tweede uitg.))).
Artikel 57,
§ 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd
bij artikel 14 van de wet van 22 december 1999 en dat dus van
toepassing is op de vreemdeling die onwettig op het grondgebied verblijft en
die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van
22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, en dat ook
van toepassing is op de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdeling
die een aanvraag tot machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van artikel
9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, zolang hij
niet tot verblijf in het Rijk is gemachtigd, schendt niet de artikelen 10
en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 23
en 191 van de Grondwet, met artikel 11.1 van het Internationaal Verdrag
inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 13 van het
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Arbitragehof nr. 205/2004,
21 december 2004 (prejudiciële vraag) (B.S., 4 maart 2005
(tweede uitg.))).
Artikel 57, §
2, eerste lid, 2°, en tweede lid, van dezelfde wet schendt de artikelen 22, 23,
tweede en derde lid, en 191 van de Grondwet niet in zoverre het aan de Koning
de zorg toevertrouwt om de voorwaarden en modaliteiten vast te stellen voor de
toekenning van materiële hulp die in een federaal opvangcentrum wordt verstrekt
aan een minderjarige vreemdeling met onwettig verblijf (Arbitragehof
nr. 43/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S.,
19 mei 2006 (tweede uitg.))).
Artikel 57,
§ 2, eerste lid, 1°, onder het in B.5 vermelde voorbehoud, schendt de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in samenhang gelezen met de artikelen
22, 23 en 191 ervan, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27 van het Internationaal
Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 8 van het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens alsmede met artikel 3.1 van het Vierde Aanvullend
Protocol bij dat Verdrag (Arbitragehof nr. 44/2006, 15 maart 2006
(prejudiciële vraag) (B.S., 23 mei 2006 (tweede uitg.))).
Artikel 57, §
2, zoals gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003 en onder het in
B.10 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet,
al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2.2, 3.2, 9, 10 en 27 van het
Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (Arbitragehof
nr. 32/2006, 1 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S.,
29 mei 2006)).
Artikel 57, §
2, eerste lid, 1°, onder het in B.4 vermelde voorbehoud, schendt de artikelen
10 en 11 van de Grondwet niet, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 22, 23 en 191 van de Grondwet, met de artikelen 2, 3, 24, 26 en 27
van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, met artikel 8
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens alsmede met artikel 3.1
van het Vierde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Arbitragehof
nr. 35/2006, 1 maart 2006 (prejudiciële vraag) (B.S.,
29 mei 2006)).
Onder het in
B.10 vermelde voorbehoud, schendt artikel 57, § 2 niet de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met
de artikelen 2.2, 3.2, 9 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake de
rechten van het kind (Arbitragehof nr. 66/2006, 3 mei 2006
(prejudiciële vraag) (B.S., 25 juli 2006 (eerste uitg.))).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 66 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 12 december 1996
betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in
het Rijk verblijven (B.S., 31 december 1996) |
|
–Besluit van de Vlaamse regering van 16 september
1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie
omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water (B.S.,
15 november 1997) |
|
–Koninklijk besluit van 24 juni 2004 tot bepaling
van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp
aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft
(B.S., 1 juli 2004) |
|
–Besluit van de Vlaamse Regering van 19 november
2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid (BS
8 december 2010 (ed. 1)) |
3[Onder de door de Koning bepaalde
voorwaarden, kennen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een
installatiepremie toe aan de persoon die de hoedanigheid van dakloze verliest
door een woning te betrekken die hem tot hoofdverblijfplaats dient.]3
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 5 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang
van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)), opgeheven bij art. 383 W. 24 december 2002 (B.S.,
31 december 2002 (eerste uitg.)) en opnieuw opgenomen bij art. 2 W.
23 augustus 2004 (B.S., 27 september 2004 (eerste uitg.)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 21 september 2004 tot toekenning
van een installatiepremie door het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn aan bepaalde personen die hun hoedanigheid van dakloze verliezen (B.S.,
5 oktober 2004) |
7[De maatschappelijke
dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien een vreemdeling
die gehouden is zich in te schrijven in een welbepaalde plaats overeenkomstig
artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de
opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen,
materiële hulp ontvangt van een opvangstructuur die belast is met het verlenen
van de noodzakelijke dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden.
In
afwijking van artikel 57, § 1 kan een asielzoeker aan wie in
toepassing van artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007
betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van
vreemdelingen als verplichte plaats van inschrijving een opvangstructuur is
aangewezen die beheerd wordt door het Agentschap of één van zijn partners,
slechts in deze opvangstructuur gebruik maken van de maatschappelijke
dienstverlening overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de
opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.]7
6[...]]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 152 W. 30 december 1992 (B.S., 9 januari 1993),
gewijzigd bij art. 71 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei
2007 (eerste uitg.)), met ingang van 7 mei 2007 (art. 1 K.B.
9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.))) en bij
art. 69 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.), err., B.S., 7 juni 2007), met ingang van 1 juni 2007
(art. 2 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.))).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 66 W. 15 juli 1996 (B.S., 5 oktober 1996), met ingang van
10 januari 1997 (art. 1 K.B. 12 december 1996 (B.S.,
31 december 1996 (derde uitg.))), bij art. 3 W. 7 mei 1999 (B.S.,
15 mei 1999), met ingang van 18 april 1999 (art. 7), bij art. 118 W.
24 december 1999 (B.S., 31 december 1999 (derde uitg.)), met
ingang van 15 november 1999 (art. 119) en bij art. 70, 1° tot 4° W.
2 januari 2001 (B.S., 3 januari 2001 (tweede uitg.), err., B.S.,
13 januari 2001 (tweede uitg.)), met ingang van 3 januari 2001 (art.
82).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 66 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 17 maart 2000 houdende de
toekenning van een financiële tegemoetkoming aan het Overlegcentrum voor
Integratie van Vluchtelingen v.z.w. voor de opvang van
kandidaat-vluchtelingen in 2000 (B.S., 21 april 2000) |
|
–Ministerieel besluit van 27 juni 2003 tot vaststelling
van de delegaties van bevoegdheden bij het Federaal Agentschap voor de Opvang
van Asielzoekers (B.S., 24 juli 2003) |
Verwijzingen
Zie ook
art. 153 W. 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen (B.S.,
9 januari 1993).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 71 W. 2 januari 2001 (B.S., 3 januari 2001 (tweede
uitg.), err., B.S., 13 januari 2001 (tweede uitg.)), met ingang van
3 januari 2001 (art. 82) en opgeheven bij art. 72 W. 12 januari
2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni
2007 (art. 2 K.B. 9 april 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.))).
Voorgeschiedenis
§ 1,
lid 1, 1° gewijzigd bij art. 109 W. 9 juli 2004 (B.S.,
15 juli 2004 (tweede uitg.)), nooit in werking getreden en bij
art. 220 W. 27 december 2004 (B.S., 31 december 2004
(tweede uitg.)), nooit in werking getreden.
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 66 W. 12 januari 2007 (B.S., 7 mei 2007 (eerste
uitg.)).
Indien
een vreemdeling, die krachtens artikel 54 van de wet van 15 december 1980
betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen, beschikt over een verplichte plaats van
inschrijving, wordt aangetroffen in een woning bedoeld in 2[artikel 433quaterdecies van
het Strafwetboek]2, dan is het bevoegde OCMW van de
verplichte plaats van inschrijving ertoe gehouden binnen dertig dagen na de
uitdrijving uit de bedoelde woning, een huisvesting ter beschikking te stellen
van de vreemdeling op het grondgebied van zijn gemeente.
Voor de
periode die begint op de dag van de uitdrijving en die een einde neemt op de
dag dat het bevoegde centrum een huisvesting ter beschikking stelt, wordt de
vreemdeling op kosten van het centrum geherhuisvest en verstrekt het centrum
aan de vreemdeling de maatschappelijke dienstverlening.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 185 W. 2 augustus 2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede
uitg.)), met ingang van 29 augustus 2002 (art. 207) en gewijzigd bij
art. 42 W. 10 augustus 2005 (B.S., 2 september 2005
(eerste uitg.)).
4[§ 1
5[Voor de persoon van vreemde
nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van zijn
nationaliteit geen aanspraak kan maken op het recht op maatschappelijke
integratie en gerechtigd is op een financiële maatschappelijke hulp, kan het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn financieel tussenkomen in de
kosten die verbonden zijn aan de inschakeling van deze persoon in het
beroepsleven.]5
§ 2
De Koning
bepaalt voor welke vormen van inschakeling het centrum financieel tussenkomt
alsmede het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de modaliteiten van deze
financiële tegemoetkoming. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor de toegang
tot de verschillende inschakelings- en tewerkstellingsprogramma's.
§ 3
In
afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de
bescherming van het loon der werknemers, kan de financiële steun vanwege het
centrum in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Deze aftrek
geschiedt dadelijk na de inhouding toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid,
1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde, bepaald in
artikel 23, tweede lid. Een financiële steun die aldus in mindering wordt
gebracht op het loon van de werknemer, wordt niettemin voor de toepassing van
de sociale en fiscale wetgeving als loon beschouwd.
§ 4
De Koning
kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de
voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers die genieten van een financiële
steun in hun loon vanwege het centrum:
|
1°in afwijkingen voorzien op de bepalingen van de wet
van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, inzake het naleven
van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de
werknemer wanneer hij in dienst genomen wordt in het kader van een andere
arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie; |
|
2°in een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke vrijstelling
voorzien van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel
38, §§ 3 en 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene
beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van de
werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§ 3
en 3bis, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de
maatschappelijke zekerheid van mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.]4]1 |
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 172 W. 25 januari 1999 (B.S., 6 februari 1999), met
ingang van 1 januari 1998 (art. 173) en vervangen bij art. 186 W.
2 augustus 2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met
ingang van 1 oktober 2002 (art. 207).
§ 1
vervangen bij art. 484 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 72 W. 2 januari 2001 (B.S., 3 januari 2001
(tweede uitg.), err., B.S., 13 januari 2001 (tweede uitg.)), met
ingang van 3 januari 2001 (art. 82).
§ 2
gewijzigd bij art. 207, 1° en 2° W. 12 augustus 2000 (B.S.,
31 augustus 2000), met ingang van 1 september 2000 (art. 208).
§ 3
gewijzigd bij art. 207, 3° W. 12 augustus 2000 (B.S.,
31 augustus 2000), met ingang van 1 september 2000 (art. 208).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële
maatschappelijke hulp die wordt aangeworven in het kader van het Activaplan (B.S.,
29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële
maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma (B.S.,
29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële
maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale
inschakelingsinitiatief (B.S., 29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 23 september 2004 tot
vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn voor de begeleiding en de toeleiding van een
gerechtigde op maatschappelijke integratie of een financiële maatschappelijke
hulp naar een tewerkstelling in een onderneming (B.S., 27 september
2004) |
3[§ 1
Een
aanvraag betreffende maatschappelijke dienstverlening, waarover het centrum een
beslissing moet nemen, wordt, de dag van haar ontvangst, chronologisch
ingeschreven in het daartoe door het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn gehouden register.
De
schriftelijke aanvraag wordt ondertekend door de belanghebbende of de persoon
die hij schriftelijk heeft aangewezen.
Wanneer
de aanvraag mondeling wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de
schriftelijk aangewezen persoon in het daartoe voorziene vak van het register
bedoeld in het eerste lid.
§ 2
Het
centrum zendt of overhandigt dezelfde dag aan de aanvrager een ontvangstbewijs.
§ 3
Wanneer
een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een steunaanvraag ontvangt
waarvoor het zich onbevoegd acht, zendt het deze aanvraag over binnen de vijf
kalenderdagen aan het volgens hem bevoegd openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn. Binnen dezelfde termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis
gesteld van deze overzending.
Op
straffe van nietigheid gebeurt de overzending van de aanvraag aan het bevoegd
geachte openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, evenals de kennisgeving
van de overzending aan de aanvrager, door een brief met vermelding van de redenen
van onbevoegdheid.
De
aanvraag zal evenwel worden gevalideerd op de datum van ontvangst bij het
eerste openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, zoals bepaald in
§ 1.
Het
openbaar centrum voor maatschappelijke integratie dat deze verplichting niet naleeft,
moet overeenkomstig de door deze wet gestelde voorwaarden maatschappelijke
dienstverlening verlenen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de
redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld.
De
beslissing van onbevoegdheid kan worden genomen door de Voorzitter mits zijn
beslissing aan de raad of het bevoegd orgaan te onderwerpen op de eerstvolgende
vergadering met het oog op haar bekrachtiging.]3
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 279 W. 22 februari 1998 (B.S., 3 maart 1998) en opnieuw
opgenomen bij art. 486 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 34 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vervult zijn opdracht volgens de
meest aangepaste methoden van het maatschappelijk werk en met eerbiediging van
de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging van de betrokkenen.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
§ 1
De
tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal
onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de
omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt
om daarin te voorzien.
De
betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te
geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat
een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.
3[Het verslag van het sociaal
onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt
tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die
daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.]3
6[Het centrum dat een asielzoeker
steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die
het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van
de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal
onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van
het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de
door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee
het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal
onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen
waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten
voldoen.]6
§ 2
Het
centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen
om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij
krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.
§ 3
Het
verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.
3[De financiële hulpverlening kan
bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in
9[de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11
en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op
maatschappelijke integratie]9.
Indien
deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op
voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd
of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een
maand.
In geval
van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op
financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden
geschorst.]3
§ 4
Het
verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de
psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig
heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.
Het houdt
rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting
ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen
reeds heeft uitgedrukt.
§ 5
2[Indien de persoon aan wie hulp
wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de
betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek
aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en
invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een
persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.]2
§ 6
1[Waar de noodzakelijkheid zich voordoet,
richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het
kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal,
curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.
De
noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een
dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften
van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of
diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van
functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die
moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een
vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.
De
oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking
kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de
investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van
een dossier waaruit blijkt dat de door de organieke wetgeving of reglementering
voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen
worden.
Onverminderd
de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het
besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor
goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad 2[...], zodra het besluit van die aard is dat het een
tegemoetkoming uit de gemeentebegroting zal meebrengen of deze zal verhogen.]1
§ 7
8[Wanneer een persoon het bewijs
moet leveren, van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van
bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de
betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn alle maatregelen om hem een 10[...] betrekking te bezorgen. In voorkomend geval verschaft het deze
vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te
treden.
10[De periode van de tewerkstelling
bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde
persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.]10
In
afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987
betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking
stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers
verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, met toepassing van deze paragraaf, door deze centra
ter beschikking worden gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk
of intercommunales met een sociaal, cultureel of ecologisch doel,
vennootschappen met een sociaal oogmerk zoals bedoeld in artikel 164bis van de
gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, een ander openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn, een vereniging waarvan sprake in hoofdstuk Xll
van deze wet, een openbaar ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de
Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke
overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de initiatieven
die door de minister bevoegd voor sociale economie zijn erkend of de partners
die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst
hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.]8
10[Indien de in het vorig lid
bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en
de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld
met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de
inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en
37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke
integratie.]10
§ 8
2[De raad voor maatschappelijk
welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de
bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke
basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk
Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn
instellingen.
De
ontvanger is met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de secretaris
eventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn
deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.]2
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 6 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari
1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)) en bij art. 67 W. 15 juli 1996 (B.S.,
5 oktober 1996), met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B.
12 december 1996 (B.S., 31 december 1996 (derde uitg.))).
§ 3
gewijzigd bij art. 6 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari
1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)) en bij art. 58, 1° W. 26 mei 2002 (B.S.,
31 juli 2002), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 60).
§ 5
vervangen bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 6
vervangen bij art. 3 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984) en gewijzigd bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 7
vervangen bij art. 120 W. 24 december 1999 (B.S., 31 december
1999 (derde uitg.)) en gewijzigd bij art. 187, 1° tot 3° W. 2 augustus
2002 (B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van
1 oktober 2002 (art. 207).
§ 8
vervangen bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Voorgeschiedenis
§ 7
gewijzigd bij art. 34 W. 22 december 1995 (B.S., 30 december
1995 (derde uitg.)), met ingang van 1 januari 1996 (art. 166 W.
29 april 1996 (B.S., 30 april 1996)), bij art. 168, § 1
W. 29 april 1996 (B.S., 30 april 1996 (tweede uitg.)), met
ingang van 1 januari 1996 (art. 168, § 2) en vervangen bij art. 276
W. 22 februari 1998 (B.S., 3 maart 1998), met ingang van
1 januari 1998 (art. 278).
Verwerping
van beroep
Artikel 60,
§§ 1 en 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële
vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).
Artikel 60,
§ 1 tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 74/2004, 5 mei 2004 (prejudiciële
vraag) (B.S., 30 augustus 2004)).
Artikel 60,
§ 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet niet (Arbitragehof nr. 45/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële
vraag) (B.S., 23 mei 2006 (tweede uitg.))).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 29 mei 1997 tot uitvoering
van artikel 60, § 1, vierde lid, van de organieke wet van 8 juli
1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
18 juli 1997) |
|
–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot
vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de
toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor
een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60,
par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een gerechtigde op
maatschappelijke integratie (B.S., 31 juli 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot
vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van gerechtigden op
maatschappelijke integratie die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een
privé-onderneming (B.S., 31 juli 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot toekenning
van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen
de sociale economie (B.S., 31 juli 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 4 september 2002 tot
vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met
toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die ter beschikking wordt
gesteld van een privé-onderneming (B.S., 2 oktober 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de
toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor
een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60,
par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een rechthebbende op
financiële maatschappelijke hulp (B.S., 29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale
inschakeling, binnen de sociale economie, voor rechthebbenden op financiële
maatschappelijke hulp (B.S., 29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met
toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die ter beschikking
wordt gesteld van een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van rechthebbenden
op financiële maatschappelijke hulp die bij overeenkomst worden tewerkgesteld
bij een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002) |
|
–Ministerieel besluit van 10 oktober 2004 tot
vaststelling van de lijst van de initiatieven voor sociale economie met het
oog op de toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale
inschakeling, binnen de sociale economie (B.S., 30 november 2004) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Verwijzingen
I.v.m.
art. 60, § 7, zie Omz. Staatssecr. Mtsch. Integratie 20 juni
1996 (B.S., 16 juli 1996).
Geselecteerde
rechtspraak
Krachtens
art. 60, § 3, O.C.M.W.-wet kan de financiële hulp door het centrum
worden gekoppeld aan de voorwaarden die zijn bepaald in art. 6 W.
7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.
Volgens voornoemd art. 6 moet de betrokkene voor de toekenning en het
behoud van het bestaansminimum blijk hebben gegeven van zijn bereidheid tot
tewerkstelling, tenzij dat om gezondheidsredenen of redenen van billijkheid
onmogelijk blijkt te zijn (voorwaarde thans in art. 3 W. 26 mei 2002
betreffende het recht op maatschappelijke integratie). Het toekennen van
maatschappelijke dienstverlening hangt dus niet alleen af van de voorwaarde dat
de persoon in staat van behoeftigheid verkeert (Cass. (3e k.) AR S.99.0160.F,
28 februari 2000).
Uit
artt. 1 en 60, § 3, O.C.M.W.-wet volgt dat bij het onderzoek van een
vraag om dienstverlening van de door de hulpvrager zelf voorgestane vorm van
hulpverlening moet worden uitgegaan. Er kan dan ook gesteld worden dat het
beginsel van de vrije keuze van bejaardentehuis bij het bepalen van de meest
aangewezen vorm van hulpverlening centraal dient te staan. Die vrije keuze kan
evenwel niet zonder meer in alle gevallen in acht worden genomen. Die vrije
keuze zal niet gevolgd worden, en de voorkeur zal gegeven worden aan een
plaatsing in een andere instelling indien het O.C.M.W. daartoe gegronde redenen
naar voren brengt. Zulks zal het geval zijn wanneer het O.C.M.W. kan aantonen
dat het verblijf in het rusthuis waar de bejaarde wenst te verblijven, een niet
verantwoorde meeruitgave meebrengt, of wanneer dit aanleiding zou geven tot een
zware financiële last van het O.C.M.W., terwijl het verblijf in een andere
instelling even goed aan de noden van de betrokkene beantwoordt (R.v.St. nr.
57.701, 22 januari 1996).
Een O.C.M.W.
dat een rusthuis afstoot, niet omdat er geen nood meer zou bestaan aan de
desbetreffende rust-huisbedden, maar omdat een kwalitatief en economisch beheer
ervan een grotere schaal vereist, komt tekort aan de opdracht die art. 60,
(§ 6), O.C.M.W.- wet oplegt om, waar de noodzakelijkheid zich voordoet en op
grond van een behoeftenonderzoek, bepaalde diensten of instellingen op te
richten met het oog op maatschappelijke dienstverlening (R.v.St. nr. 75.542, 31
juli 1998).
Art. 60, § 6,
verplicht het O.C.M.W. niet een rusthuis te hebben, maar laat het discretionair
oordelen over de noodzakelijkheid ervan. Het O.C.M.W. kan ook oordelen dat de
nood aan een eigen rusthuis niet meer, of minder, bestaat. Een dergelijke
beslissing is op zich de uitoefening van een dus niet het verzaken aan zijn
wettelijke bevoegdheid om de wijze te bepalen waarop het de maatschappelijke
dienstverlening zal verzekeren (R.v.St. nr. 82.234, 13 september 1999).
§ 1
De
tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal
onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de
omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen
voorstelt om daarin te voorzien.
De
betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te
geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat
een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.
3[Het verslag van het sociaal
onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt
tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die
daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.]3
6[Het centrum dat een asielzoeker
steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die
het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van
de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal
onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van
het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de
door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee
het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal
onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen
waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten
voldoen.]6
§ 2
Het
centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen
om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij
krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.
§ 3
Het
verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.
3[De financiële hulpverlening kan
bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in
9[de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11
en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op
maatschappelijke integratie]9.
Indien
deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op
voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd
of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een
maand.
In geval
van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op
financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden
geschorst.]3
§ 4
Het
verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de
psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig
heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.
Het houdt
rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot
voortzetting ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn
vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.
§ 5
2[Indien de persoon aan wie hulp
wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de
betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek
aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en
invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een
persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.]2
§ 6
1[Waar de noodzakelijkheid zich
voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend
in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met
sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.
De
noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een
dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften
van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of
diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van
functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die
moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een
vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.
De
oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking
kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de
investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van
een dossier waaruit blijkt dat de door de 12[organieke wetgeving, het decreet van 19 december 2008
betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
of de reglementering]12 voor het toekennen van deze
toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.
Onverminderd
de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het
besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor
goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad 2[...], zodra het besluit van die aard is dat het een
tegemoetkoming uit 12[het gemeentelijk budget]12 zal meebrengen of deze zal
verhogen.]1
§ 7
8[Wanneer een persoon het bewijs
moet leveren, van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van
bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de
betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn alle maatregelen om hem een 10[...] betrekking te bezorgen. In voorkomend geval verschaft het deze
vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te
treden.
10[De periode van de tewerkstelling
bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de
tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale
uitkeringen.]10
In
afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende
de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van
werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens
een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
met toepassing van deze paragraaf, door deze centra ter beschikking worden
gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk of 12[verenigingen vermeld in het
decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking]12 met een sociaal, cultureel of
ecologisch doel, vennootschappen met een sociaal oogmerk zoals bedoeld in
artikel 164bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, een
ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging waarvan
sprake in 12[titel VIII, hoofdstuk I
van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn]12, een openbaar ziekenhuis dat van
rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de
provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor
sociale zekerheid, de initiatieven die door de minister bevoegd voor sociale
economie zijn erkend of de partners die met het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van
onderhavige organieke wet.]8
10[Indien de in het vorig lid
bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en
de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld
met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de
inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en
37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke
integratie.]10
§ 8
2[De raad voor maatschappelijk
welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de
bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke
basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk
Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn
instellingen.
De
ontvanger is met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de secretaris
eventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn
deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.]2
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 6 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari
1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)), bij art. 67 W. 15 juli 1996 (B.S.,
5 oktober 1996), met ingang van 10 januari 1997 (art. 1 K.B.
12 december 1996 (B.S., 31 december 1996 (derde uitg.))).
§ 3
gewijzigd bij art. 6 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari
1993), met ingang van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)) en bij art. 58, 1° W. 26 mei 2002 (B.S.,
31 juli 2002), met ingang van 1 oktober 2002 (art. 60).
§ 5
vervangen bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 6
vervangen bij art. 3 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984), gewijzigd bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992) en bij art. 272, 9° en 10° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
§ 7
vervangen bij art. 120 W. 24 december 1999 (B.S., 31 december
1999 (derde uitg.)), gewijzigd bij art. 187, 1° tot 3° W. 2 augustus 2002
(B.S., 29 augustus 2002 (tweede uitg.)), met ingang van
1 oktober 2002 (art. 207) en bij art. 272, 11° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
§ 8
vervangen bij art. 35 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
§ 7
gewijzigd bij art. 34 W. 22 december 1995 (B.S., 30 december
1995 (derde uitg.)), met ingang van 1 januari 1996 (art. 166 W.
29 april 1996 (B.S., 30 april 1996)), bij art. 168, § 1
W. 29 april 1996 (B.S., 30 april 1996 (tweede uitg.)), met
ingang van 1 januari 1996 (art. 168, § 2) en vervangen bij art. 276
W. 22 februari 1998 (B.S., 3 maart 1998), met ingang van
1 januari 1998 (art. 278).
Verwerping
van beroep
Artikel 60,
§§ 1 en 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 80/2002, 8 mei 2002 (prejudiciële
vraag) (B.S., 10 augustus 2002)).
Artikel 60,
§ 1 tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet niet (Arbitragehof nr. 74/2004, 5 mei 2004 (prejudiciële
vraag) (B.S., 30 augustus 2004)).
Artikel 60,
§ 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet niet (Arbitragehof nr. 45/2006, 15 maart 2006 (prejudiciële
vraag) (B.S., 23 mei 2006 (tweede uitg.))).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 29 mei 1997 tot uitvoering
van artikel 60, § 1, vierde lid, van de organieke wet van 8 juli
1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
18 juli 1997) |
|
–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot
vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de
toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor
een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60,
par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een gerechtigde op
maatschappelijke integratie (B.S., 31 juli 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling
van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn, voor de omkadering en opleiding van gerechtigden op maatschappelijke
integratie die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een
privé-onderneming (B.S., 31 juli 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot toekenning
van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen
de sociale economie (B.S., 31 juli 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 4 september 2002 tot
vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met
toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die ter beschikking wordt
gesteld van een privé-onderneming (B.S., 2 oktober 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de
toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor
een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60,
par. 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een rechthebbende op
financiële maatschappelijke hulp (B.S., 29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen
de sociale economie, voor rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp
(B.S., 29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met
toepassing van artikel 60, par. 7, van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die ter beschikking
wordt gesteld van een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van rechthebbenden
op financiële maatschappelijke hulp die bij overeenkomst worden tewerkgesteld
bij een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002) |
|
–Ministerieel besluit van 10 oktober 2004 tot
vaststelling van de lijst van de initiatieven voor sociale economie met het
oog op de toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale
inschakeling, binnen de sociale economie (B.S., 30 november 2004) |
Toekomstig recht
Artikel 60 wordt gewijzigd bij art. 272, 8° en
12° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum
(art. 285, § 1).
§ 1
De tussenkomst van het centrum is, zo nodig,
voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose
nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest
passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.
De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige
inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te
brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem
wordt verleend.
3[Het verslag van het sociaal onderzoek
opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld 13[in artikel 75 van het
decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn]13 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft
de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn
opgetekend.]3
6[Het centrum dat een asielzoeker steunt die
niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum
bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de
werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal
onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van
het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de
door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee
het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal
onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen
waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten
voldoen.]6
§ 2
Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen
en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en
voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse
wetten aanspraak kunnen maken.
§ 3
Het verstrekt materiële hulp in de meest
passende vorm.
3[De financiële hulpverlening kan bij beslissing
van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in 9[de artikelen 3, 5° en
6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het
recht op maatschappelijke integratie]9.
Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd
kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker
belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden
geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.
In geval van herhaling binnen een termijn van
ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten
hoogste drie maanden worden geschorst.]3
§ 4
Het verzekert, met eerbiediging van de vrije
keus van de betrokkene, de psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die
de geholpen persoon nodig heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven
te komen.
Het houdt rekening met de reeds verstrekte
begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting ervan door het andere
centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.
§ 5
2[Indien de persoon aan wie hulp wordt geboden
niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de betrokkene lid van
een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek aan een dergelijke
keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de mate van
het mogelijke wordt er een persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.]2
§ 6
1[Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader
van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief
of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.
De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden
van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een
onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de
gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een
beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de
kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk,
inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten
mogelijk maken.
De oprichting of de uitbreiding van
inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van
toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan
alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de 12[organieke wetgeving,
het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de reglementering]12 voor het toekennen van
deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.
Onverminderd de machtigingen te verkrijgen
vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een
dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de
gemeenteraad 2[...], zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming
uit 12[het gemeentelijk
budget]12 zal meebrengen of deze
zal verhogen.]1
§ 7
8[Wanneer een persoon het bewijs moet leveren,
van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van bepaalde
sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de betrokkene
te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle
maatregelen om hem een 10[...] betrekking te bezorgen. In voorkomend geval verschaft
het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als
werkgever op te treden.
10[De periode van de tewerkstelling bedoeld in
vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde
persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.]10
In afwijking van de bepalingen van artikel 31
van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de
uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van
gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst
met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van deze
paragraaf, door deze centra ter beschikking worden gesteld van gemeenten,
verenigingen zonder winstoogmerk of 12[verenigingen vermeld in het decreet van
6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking]12 met een sociaal,
cultureel of ecologisch doel, vennootschappen met een sociaal oogmerk zoals
bedoeld in artikel 164bis van de gecoördineerde wetten op de
handelsvennootschappen, een ander openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, een vereniging waarvan sprake in 12[titel VIII, hoofdstuk I van
het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn]12, een openbaar
ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale
zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de
Rijksdienst voor sociale zekerheid, de initiatieven die door de minister
bevoegd voor sociale economie zijn erkend of de partners die met het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis
van onderhavige organieke wet.]8
10[Indien de in het vorig lid bedoelde partner
een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten
volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld met deze
onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de inschakeling van de
persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en 37 van de wet van
26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.]10
§ 8
2[De raad voor maatschappelijk welzijn organiseert,
bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de bewaring en de teruggave
van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke basis, die hem ingevolge de
artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden
toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn instellingen.
De 13[financieel beheerder]13 is met de
inbewaarneming belast of duidt in overleg met de secretaris eventueel de
personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn deze deposito's
te ontvangen, te bewaren en terug te geven.]2
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn neemt alle initiatieven met het
oog op de bekendmaking van de verschillende door het centrum verstrekte vormen
van dienstverlening, en rapporteert hierover jaarlijks in de beleidsnota.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 36 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Het
centrum kan een beroep doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of
diensten, die, opgericht hetzij door openbare besturen, hetzij op
privé-initiatief, in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking
van de verschillende oplossingen die zich opdringen, met eerbiediging van de
vrije keuze van de betrokkene.
Het
centrum kan de eventuele kosten van deze samenwerking dragen wanneer deze niet
in uitvoering van een andere wet, een reglement, een overeenkomst of een
rechterlijke beslissing worden gedekt.
1[Met hetzelfde doel kan het
centrum overeenkomsten sluiten, hetzij met een ander openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, een ander openbaar bestuur of instelling van openbaar
nut, hetzij met een privé-persoon of een privé-instelling. In afwijking van de
bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de
tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van
werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens
een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
met toepassing van dit lid, door deze centra ter beschikking worden gesteld aan
de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een
overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 121 W. 24 december 1999 (B.S., 31 december 1999 (derde
uitg.)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van de Vlaamse regering van 16 september 1997
betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie
omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water (B.S., 15
november 1997) |
|
–Koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling
van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn, voor de omkadering en opleiding van gerechtigden op maatschappelijke
integratie die bij overeenkomst worden tewerkgesteld bij een
privé-onderneming (B.S., 31 juli 2002) |
|
–Koninklijk besluit van 14 november 2002 tot
vaststelling van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn, voor de omkadering en opleiding van rechthebbenden
op financiële maatschappelijke hulp die bij overeenkomst worden tewerkgesteld
bij een privé-onderneming (B.S., 29 november 2002) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Geselecteerde
rechtspraak
Door het
sluiten van een door art. 61 voorziene overeenkomst betrekt een O.C.M.W.
een derde bij de uitoefening van zijn eigen wettelijke taken, maar beperkt het
zijn eigen beslissingsbevoegdheid uiteindelijk niet, laat staan dat het die uit
handen geeft (R.v.St. nr. 49.708, 17 oktober 1994).
Als een
O.C.M.W. zijn rusthuis overdraagt aan een andere rechtspersoon, gaat de
besslissingsbevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn t.a.v. dat
rusthuis volkomen teloor. Aldus onttrekt het O.C.M.W. zich aan zijn wettelijke
verplichtingen, en plaatst het zich buiten het kader dat door de wetgever is
vastgelegd voor het beheer van instellingen die door een O.C.M.W. zijn
opgericht om te voldoen aan noden van maatschappelijke dienstverlening. Een
dergelijke overdracht kan niet beschouwd worden als een overeenkomst in de zin
van art. 61 O.C.M.W.- wet, aangezien de in dat artikel bedoelde overeenkomsten
de beslissingsbevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn t.a.v. de
diensten en instellingen van het O.C.M.W. onverminderd laat voortbestaan
(R.v.St. nr. 75.542, 31 juli 1998).
2[Het centrum kan de instellingen
en diensten die binnen het ambtsgebied van het centrum een sociale activiteit
of specifieke activiteiten uitoefenen, voorstellen om gezamenlijk een of meer
comités in te stellen waarin het centrum en die instellingen en diensten hun
werkzaamheden kunnen coördineren en overleg plegen over de individuele of
collectieve behoeften en de middelen om daarin te voorzien.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 7 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang
van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 37 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
2[De beslissing inzake individuele
hulpverlening genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn of door één van
de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen, wordt aan de
persoon die de hulp heeft aangevraagd schriftelijk en aangetekend of tegen
ontvangstbewijs meegedeeld, op de wijze die door de Koning kan worden bepaald.
De
beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid tot het instellen
van beroep, de beroepstermijn, de vorm van het verzoekschrift, het adres van de
bevoegde beroepsinstantie en de dienst of persoon, die binnen het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn kan gecontacteerd worden voor het geven van
toelichting.]2]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
enig art. W. 13 juni 1985 (B.S., 12 juli 1985) en vervangen
bij art. 38 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot
uitvoering van artikel 62bis, eerste lid, van de organieke wet van
8 juli 1976, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 9 februari 1993) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
2[De beslissing inzake individuele
hulpverlening genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn4[, door de voorzitter van de raad
voor maatschappelijk welzijn, of in voorkomend geval de ondervoorzitter
ingevolge artikel 58, § 2 en § 3, en artikel 59 van het decreet van
19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn]4 of
door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen, wordt
aan de persoon die de hulp heeft aangevraagd schriftelijk en aangetekend of
tegen ontvangstbewijs meegedeeld, op de wijze die door de Koning kan worden
bepaald.
De
beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid tot het instellen
van beroep, de beroepstermijn, de vorm van het verzoekschrift, het adres van de
bevoegde beroepsinstantie en de dienst of persoon, die binnen het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn kan gecontacteerd worden voor het geven
van toelichting.]2]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
enig art. W. 13 juni 1985 (B.S., 12 juli 1985), vervangen bij
art. 38 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd
bij art. 272, 13° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 21 januari 1993 tot
uitvoering van artikel 62bis, eerste lid, van de organieke wet van
8 juli 1976, betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 9 februari 1993) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Iedere
minderjarige over wie niemand het ouderlijk gezag, de voogdij of de materiële
bewaring heeft, wordt toevertrouwd aan het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Geselecteerde
rechtspraak
Wanneer iemand
niettegenstaande zijn meerderjarigheid verder in een instelling van kinderen
verblijft, is het O.C.M.W. van de gemeente waar hij in deze instelling
verblijft, tot steunverlening gehouden (art. 1 en 2 Wet 2 april 1965 ten
laste nemen steun C.O.O.). Voor de meerderjarigheidsvraag, is het eigen recht van
de betrokkene van kracht (R.v.St. nr. 25.805, 4 november 1985).
De
jeugdrechtbank of het comité voor de jeugdbescherming kunnen aan het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn de kinderen toevertrouwen over wie het
centrum reeds de materiële bewaring heeft en van wie de ouders geheel of
gedeeltelijk uit het ouderlijk gezag zijn ontzet.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
De
jeugdrechtbank of het 1[bureau
van de Raad van jeugdbijstand]1 kunnen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de
kinderen toevertrouwen over wie het centrum reeds de materiële bewaring heeft
en van wie de ouders geheel of gedeeltelijk uit het ouderlijk gezag zijn
ontzet.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
1[In de gevallen bedoeld in de twee
voorgaande artikelen wijst de raad voor maatschappelijk welzijn onder haar
leden een persoon aan die de taak van voogd zal vervullen alsook een persoon
die de taak van toeziend voogd zal vervullen.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 82 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001 (tweede uitg.)),
met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).
Indien
die kinderen goederen bezitten, oefent de ontvanger ten aanzien van die
goederen dezelfde functies uit als ten aanzien van de goederen van het centrum.
Als waarborg voor de voogdij geldt de zekerheid gesteld door de ontvanger.
De
kapitalen die aan die kinderen toebehoren of ten deel vallen, worden belegd bij
de Algemene Spaar- en Lijfrentekas of gebruikt voor de aankoop van obligaties
of kasbons uitgegeven door de openbare besturen en instellingen opgesomd in
artikel 78, § 1, tweede lid.
De
voogdij van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn neemt een einde:
|
1°zodra is voorzien in voogdij met toepassing van de
regels van het Burgerlijk Wetboek; |
|
2°in geval van adoptie, pleegvoogdij, erkenning, 1[...] of herstel van de ouders
die uit het ouderlijk gezag waren ontzet, in de rechten die hun waren
ontnomen. |
Wetshistoriek
Enig lid, 2°
gewijzigd bij art. 83 W. 29 april 2001 (B.S., 31 mei 2001
(tweede uitg.)), met ingang van 1 augustus 2001 (art. 90).
Impliciete
wijziging
Impliciet
opgeheven bij W. 31 maart 1987 tot wijziging van een aantal bepalingen
betreffende de afstamming (B.S., 27 mei 1987).
Wetshistoriek
Afdeling 3
(art. 68bis tot 68quater ) ingevoegd bij art. 1 W. 8 mei 1989 (B.S.,
1 juni 1989).
6[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 2 W. 8 mei 1989 (B.S., 1 juni 1989), met ingang van
1 september 1989 (art. 5) en opgeheven bij art. 30, 1° W. 21 februari
2003 (B.S., 28 maart 2003 (derde uitg.)), met ingang van
1 oktober 2005 (art. 1 K.B. 10 augustus 2005 (B.S.,
30 augustus 2005)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 200, 1° W. 29 december 1990 (B.S.,
9 januari 1991).
§ 2, lid
1:
|
–1° en 2° gewijzigd bij art. 200, 2° en 3° W.
29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991); |
|
–3° gewijzigd bij art. 200, 4° W. 29 december 1990
(B.S., 9 januari 1991) en bij art. 22, 1° en 2° K.B.
11 december 2001 (B.S., 22 december 2001 (tweede uitg.)),
met ingang van 1 januari 2002 (art. 23). |
§ 3
gewijzigd bij art. 200, 5° W. 29 december 1990 (B.S.,
9 januari 1991).
§ 5
gewijzigd bij art. 58, 2° W. 26 mei 2002 (B.S., 31 juli 2002),
met ingang van 1 oktober 2002 (art. 60).
5[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 W. 8 mei 1989 (B.S., 1 juni 1989), met ingang van
1 september 1989 (art. 5) en opgeheven bij art. 30, 2° W. 21 februari
2003 (B.S., 28 maart 2003 (derde uitg.)), met ingang van
1 oktober 2005 (art. 1 K.B. 10 augustus 2005 (B.S.,
30 augustus 2005)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 201, 2° W. 29 december 1990 (B.S.,
9 januari 1991).
§ 2
gewijzigd bij art. 341 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2004
(art. 341).
§§ 3 tot 6
opgeheven bij art. 341 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2004
(art. 341).
§ 7
opgeheven bij art. 201, 2° W. 29 december 1990 (B.S.,
9 januari 1991).
§§ 8 en 9
opgeheven bij art. 341 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2004
(art. 341).
4[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 4 W. 8 mei 1989 (B.S., 1 juni 1989), met ingang van
1 september 1989 (art. 5) en opgeheven bij art. 30, 3° W. 21 februari
2003 (B.S., 28 maart 2003 (derde uitg.)), met ingang van
1 oktober 2005 (art. 1 K.B. 10 augustus 2005 (B.S.,
30 augustus 2005)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 202 W. 29 december 1990 (B.S., 9 januari 1991) en bij
art. 341 W. 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003
(eerste uitg.)), met ingang van 1 juni 2004 (art. 341) et par
l'art. 341 de la L. du 22 décembre 2003 (M.B.,
31 décembre 2003 (première éd.)), en vigueur le 1er juin
2004 (art. 341).
Wetshistoriek
Afdeling 4
(art. 68quinquies) ingevoegd bij art. 99 W. 9 juli 2004 (B.S.,
15 juli 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2005
(art. 100) en vervangen bij art. 82 W. 27 december 2006 (B.S.,
28 december 2006 (derde uitg.)).
Voorgeschiedenis
Art.
68quinquies ingevoegd bij art. 99 W. 9 juli 2004 (B.S.,
15 juli 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2005
(art. 100).
§ 1
Het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is belast met het toekennen van
een specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van
kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen.
§ 2
Het recht
op hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van
bijdragen voor geplaatste kinderen wordt verleend wanneer de volgende
voorwaarden vervuld zijn:
|
1°de onderhoudsplichtige heeft recht op het leefloon of
op een gelijkwaardige financiële maatschappelijke hulp; |
|||
|
2°de onderhoudsplichtige is een persoon die:
|
|||
|
3°de onderhoudsplichtige levert het bewijs van de
betaling van dit onderhoudsgeld of van deze bijdrage. |
§ 3
De
specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden of van bijdragen voor
geplaatste kinderen bedraagt 50 pct. van het bedrag van de betaalde
onderhoudsgelden of bijdragen, met een maximum van 1100 EUR per jaar.
§ 4
De Koning
bepaalt de regels voor de indiening van de aanvraag bij het bevoegd centrum,
voor de kennisgeving van de beslissing en voor de uitkering van de specifieke
hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van
bijdragen voor geplaatste kinderen. Hij bepaalt de te volgen procedure in geval
van onbevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarbij
de aanvraag wordt ingediend.
§ 5
De Staat
kent het bevoegd centrum een toelage toe, gelijk aan 100 pct. van het
bedrag van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste
van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen. Voorschotten in
mindering van het bedrag dat door de Staat ten laste wordt genomen, kunnen
toegekend worden onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald door de
Koning.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 82 W. 27 december 2006 (B.S., 28 december 2006
(derde uitg.)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 5 december 2004 tot
uitvoering van artikel 68quinquies, §§ 4, van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 13 december 2004) |
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 8 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang
van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)).
1[Eenieder kan bij de
arbeidsrechtbank in beroep gaan]1 tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen
opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft
overgedragen.
Hetzelfde
geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de
ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te
nemen. 2[Deze termijn van één maand loopt,
in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag van
de overzending.]2
4[Het beroep moet5[, op straffe van verval,]5 worden ingesteld binnen de drie
maanden na hetzij de kennisgeving van de beslissing, hetzij de datum van het
ontvangstbewijs, 5[...]]4
5[Bij ontstentenis van een
beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de in
het tweede lid bepaalde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, worden
ingediend binnen de drie maanden na de vaststelling van deze ontstentenis van
een beslissing.]5
Het
beroep werkt niet schorsend.
1[Wanneer het beroep aanhangig is
gemaakt door een dakloze persoon, wijst de arbeidsrechtbank, zo nodig, het
bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan, na dit centrum in
de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de uiteindelijke
tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of door
de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965
betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 9 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang
van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)), bij art. 487 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)), bij art. 191 W. 20 juli 2006 (B.S.,
28 juli 2006 (tweede uitg.)) en bij art. 4, 1° tot 3° W.
22 december 2008 (B.S., 29 december 2008 (vierde uitg.)).
Verwerping
van beroep
Artikel 71,
gewijzigd bij de wet van 11 april 1995, zoals die van kracht was op
1 januari 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doordat
de verzoeker of begunstigde van een individuele dienstverlening over een
termijn van één maand beschikt om een beroep in te stellen voor de
arbeidsrechtbank tegen een beslissing die te zijnen aanzien is genomen door een
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, terwijl de verzoeker of
begunstigde van het bestaansminimum over een termijn van drie maanden beschikt
(Arbitragehof nr. 103/98, 21 oktober 1998 (B.S.,
1 december 1998 (tweede uitg.))).
Artikel 71
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. (Grondwettelijk Hof
nr. 79/2009, 14 mei 2009 (prejudiciële vraag) (BS 6 juli
2009 (ed. 1)).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Geselecteerde
rechtspraak
Art. 71 heeft
slechts betrekking op het beroep tegen een beslissing genomen door de raad van
een O.C.M.W. Het heeft geen betrekking op de vordering die, bij stilzitten van
het O.C.M.W., tegen dat O.C.M.W. wordt ingesteld (Cass. (3e k.) AR S.96.0111.F,
21 april 1997).
1[Eenieder kan bij de
arbeidsrechtbank in beroep gaan]1 tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen
opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn6[, door de voorzitter van de raad
voor maatschappelijk welzijn, of in voorkomend geval de ondervoorzitter
ingevolge artikel 58, § 2 en § 3, en artikel 59 van het decreet van
19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn]6 of
door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen.
Hetzelfde
geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de
ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te
nemen. 2[Deze termijn van één maand loopt,
in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag van
de overzending.]2
4[Het beroep moet5[, op straffe van verval,]5 worden ingesteld binnen de drie
maanden na hetzij de kennisgeving van de beslissing, hetzij de datum van het
ontvangstbewijs, 5[...]]4
5[Bij ontstentenis van een
beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de in
het tweede lid bepaalde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, worden
ingediend binnen de drie maanden na de vaststelling van deze ontstentenis van
een beslissing.]5
Het
beroep werkt niet schorsend.
1[Wanneer het beroep aanhangig is
gemaakt door een dakloze persoon, wijst de arbeidsrechtbank, zo nodig, het
bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan, na dit centrum in
de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de uiteindelijke
tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of door
de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965
betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 9 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang
van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)), bij art. 487 W. 22 december 2003 (B.S.,
31 december 2003 (eerste uitg.)), bij art. 191 W. 20 juli 2006 (B.S.,
28 juli 2006 (tweede uitg.)), bij art. 272, 13° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 46° B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)) en bij art. 4, 1° tot 3° W. 22 december 2008 (B.S.,
29 december 2008 (vierde uitg.)).
Verwerping
van beroep
Artikel 71,
gewijzigd bij de wet van 11 april 1995, zoals die van kracht was op
1 januari 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet doordat
de verzoeker of begunstigde van een individuele dienstverlening over een
termijn van één maand beschikt om een beroep in te stellen voor de
arbeidsrechtbank tegen een beslissing die te zijnen aanzien is genomen door een
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, terwijl de verzoeker of begunstigde
van het bestaansminimum over een termijn van drie maanden beschikt
(Arbitragehof nr. 103/98, 21 oktober 1998 (B.S.,
1 december 1998 (tweede uitg.))).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 8 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993), met ingang
van 1 maart 1993 (art. 1 K.B. 21 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993)).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 30 W. 12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).
Wetshistoriek
Afdeling 1
(art. 72 en 73) ingevoegd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm.
7 maart 2002 (B.S., 8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang van
8 mei 2002 (art. 4).
Bij de
eerste begroting van het jaar dat volgt op de algehele vernieuwing van de raad
voor maatschappelijke welzijn, wordt een beleidsprogramma voor de duur van zijn
mandaat gevoegd, dat minstens de belangrijkste beleidsplannen en de
begrotingsmiddelen bevat.
Dat
beleidsprogramma wordt overeenkomstig artikel 26bis, § 1, 8°, aan het
overlegcomité voorgelegd.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 7 maart 2002 (B.S.,
8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 8 mei 2002 (art. 4).
Het door
de raad voor maatschappelijk welzijn goedgekeurde beleidsprogramma wordt aan de
gemeenteraad met vermelding van de uitgebrachte stemmen bezorgd.
Het
beleidsprogramma wordt toegelicht door de O.C.M.W.-voorzitter en besproken
tijdens de vergadering van de gemeenteraad die de goedkeuring van de in artikel
72 bedoelde begroting op de agenda heeft.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 7 maart 2002 (B.S.,
8 mei 2002 (tweede uitg.)), met ingang van 8 mei 2002 (art. 4).
De
goederen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden beheerd en
bestuurd op de wijze door de wet vastgesteld voor de gemeentegoederen, onder
voorbehoud van de volgende bepalingen.
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 71° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
De
goederen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden beheerd en
bestuurd op de wijze door de wet vastgesteld voor de gemeentegoederen, onder
voorbehoud van de volgende bepalingen.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 1
1[...]
De
vervreemding van onroerende goederen kan door de hogere overheden niet worden
opgelegd dan krachtens een wet, behalve in geval van onteigening ten algemenen
nutte.
§ 2
1[...]
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd en § 2 opgeheven bij art. 39, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 72° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd en § 2 opgeheven bij art. 39, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 39, 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 73° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Opgeheven bij
art. 39, 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en
opnieuw opgenomen bij art. 17, § 1, 1° Decr. Vl. Parl. 18 juli 2003 (B.S.,
19 september 2003 (eerste uitg.)).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 74° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, r) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
opgeheven en § 2 gewijzigd bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
1[De Regering kan, na advies van
het college van burgemeester en schepenen, de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn machtigen om over te gaan tot onteigeningen, inzien zij
van mening is dat de aanschaffing van de betrokkene goederen de algemene nut
dient.
Benevens
de ambtenaren van de comités tot aankoop van onroerende goederen is de
burgemeester van de gemeente die door het centrum wordt bediend, bevoegd tot
het verlijden van de desbetreffende akte.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 14 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 1
1[...]
§ 2
De 2[Regering]2 kan, na advies van het 3[gemeentelijk college]3, de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn machtigen om over te gaan tot onteigeningen te
algemenen nutte.
1[Benevens de ambtenaren van de
comités tot aankoop van onroerende goederen voor rekening van de Staat, is de
gouverneur van de provincie, waar de zetel van het centrum gevestigd is,
evenals de burgemeester van de gemeente die door het centrum wordt bediend,
bevoegd tot het verlijden van de desbetreffende akte.]1
Wetshistoriek
§ 1
opgeheven bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 2
gewijzigd bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992),
bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april
1998) en bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[De raad voor maatschappelijk
welzijn is bevoegd om het kapitaal van het centrum aan te wenden voor de bouw
of de aankoop van woningen voor bejaarden, mindervaliden of andere personen die
niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien, voor de aankoop van bossen en
gronden, voor participaties in bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen.
De raad
kan het kapitaal van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in
maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken
van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum
ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen
118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een
intercommunale vereniging.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 41 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
2[§ 1]2
1[De raad voor maatschappelijk
welzijn is bevoegd om het kapitaal van het centrum aan te wenden voor de bouw
of de aankoop van woningen voor bejaarden, mindervaliden of andere personen die
niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien, voor de aankoop van bossen en
gronden, voor participaties in bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen.
De raad
kan het kapitaal van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in
maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken
van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum
ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen
118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een
intercommunale vereniging.]1
2[§ 2
Om te
voldoen aan specifieke behoeften waarin zijn diensten niet voorzien en in het
kader van een verwante activiteit die geen belangrijk deel van zijn handeling
uitmaakt, kan het O.C.M.W., overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 waarbij
aan de verenigingen zonder winstoogmerk en aan de instellingen van openbaar nut
rechtspersoonlijkheid wordt verleend, ook beslissen lid te worden van een
andere vereniging zonder winstoogmerk dan een intercommunale vereniging die
opgericht is met andere overheden en/of met andere natuurlijke of
rechtspersonen dan die met een winstoogmerk, met inachtneming van de volgende
voorwaarden:
|
1°de beraadslaging van de raad voor maatschappelijk
welzijn moet, samen met de statuten van de v.z.w. en een opgave van de
geplande inbrengen ten gunste van de vereniging, onderworpen worden aan de
goedkeuring van de gouverneur; |
|
2°de onroerende goederen, namelijk de terreinen en
gebouwen die het centrum toebehoren, mogen niet om niet worden afgestaan; |
|
3°de wettelijke opdrachten die aan het O.C.M.W.
voorbehouden zijn, mogen niet door de v.z.w. vervuld worden; |
|
4°het O.C.M.W. moet binnen de organen van de vereniging
vertegenwoordigd worden door leden van de raad voor maatschappelijk welzijn,
de secretaris of bevoegde personeelsleden van het centrum. De leden van de
raad voor maatschappelijk welzijn worden na één enkele stemming aangewezen; |
|
5°als het centrum bijdragen verleent, is het O.C.M.W.
ertoe gemachtigd de bewijsstukken te controleren en ter plaatse na te gaan of
die bijdragen gebruikt worden om de door het centrum opgedragen taken te
vervullen; |
|
6°het jaarverslag, de begroting en de rekeningen van de
vereniging worden jaarlijks overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk
welzijn. |
Van elk
document moet een exemplaar worden bezorgd aan de ontvanger van het O.C.M.W.
die een eensluidend afschrift van de bewijsstukken kan eisen om na te gaan of
de vereniging haar financiële verplichtingen ten aanzien van het centrum
nakomt.
Het
O.C.M.W. kan ook deelnemen in een vennootschap met een maatschappelijk doel.
In dit
geval zijn de in deze paragraaf vastgelegde voorwaarden van deelneming in een
v.z.w. mutatis mutandis van toepassing.
§ 3
Voor
ziekenhuisactiviteiten kan het O.C.M.W., op de voordracht van het beheerscomité
van het ziekenhuis, beslissen lid te worden van een vereniging zonder
winstoogmerk met als doel:
|
a.hetzij een opdracht i.v.m. coördinatie, preventie,
onderzoek of steun voor het beheer; |
|
b.hetzij de oprichting, de aankoop of het beheer van een
zware apparatuur of van zware medisch-technische diensten in het kader van
een vereniging in de zin van artikel 69, 3°, van de wet op de ziekenhuizen,
gecoördineerd op 7 augustus 1987, met het oog op de oprichting van een
groepering of een samenwerkingsvereniging; |
|
c.hetzij de rationalisatie van het aanbod van
uitrustingen en dienstenverleningen van openbare of privéziekenhuizen, in het
kader van een groepering in de zin van artikel 69, 3°, van de wet op de
ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987. |
Naast de
in § 2, 2°, 3° en 5°, bedoelde deelnemingsvoorwaarden zijn de volgende
voorwaarden van toepassing:
|
1°de beraadslaging moet, samen met de statuten van de
vereniging en een opgave van de geplande inbrengen ten gunste van de
vereniging, onderworpen worden aan de goedkeuring van de gemeenteraad en de
Regering; |
|
2°het O.C.M.W. moet binnen de verschillende organen van
de vereniging vertegenwoordigd worden door leden van het beheerscomité van
het ziekenhuis en door personen die binnen het ziekenhuis een leidende taak
vervullen. De stemgerechtigde leden van het beheerscomité van het ziekenhuis
die zitting houden binnen de organen van de v.z.w., worden door de raad voor
maatschappelijk welzijn na één enkele stemming aangewezen; |
|
3°het jaarverslag, de begrotingen en de rekeningen van
de vereniging moeten worden overgemaakt aan het beheerscomité en aan de
penningmeester van het ziekenhuis die een eensluidend afschrift van de
bewijsstukken kan eisen om na te gaan of de vereniging haar financiële
verplichtingen ten aanzien van het ziekenhuis nakomt.]2 |
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 41 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
genummerd bij art. 16, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§§ 2 en 3
ingevoegd bij art. 16, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
5[...]
De raad
kan 3[de middelen]3 van het centrum ook aanwenden met
het oog op deelneming in maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die
verband houden met de taken van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die
de werking van het centrum ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de
bepalingen van de artikelen 118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm
aannemen van een intercommunale vereniging]1 4[of
van een vereniging of vennootschap overeenkomstig de bepalingen van de
artikelen 135novies tot en met 135ter decies]4
2[De raad kan, met het oog op de
gehele of gedeeltelijke exploitatie van een ziekenhuis, ook de middelen van het
centrum aanwenden voor deelneming in een vereniging zonder winstoogmerk. Dit
kan echter uitsluitend voor zover die vereniging zonder winstoogmerk de
bepalingen van de artikelen 135bis tot en met 135septies eerbiedigt.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 41 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), gewijzigd
bij art. 7 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september
1998), met ingang van 1 juni 1998 (art. 1 B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S.,
12 september 1998)), bij art. 3 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S.,
30 juni 1999 (tweede uitg.)), bij art. 10 Decr. Vl. Parl. 17 december
(B.S., 6 februari 1998), met ingang van 1 januari 2003,
behalve ten aanzien van die raden voor maatschappelijk welzijn waarvoor de
Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf
1 januari 1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van
het decreet van 17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl.
Reg. 17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij
art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)) en bij
art. 276, 75° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, s) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Toekomstig recht
Artikel 79 wordt opgeheven bij art. 276, 75°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum
(art. 285, § 1).
5[...]
6[...]
De
schenkingen en legaten gedaan aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn zijn onderworpen 1[aan
de aanvaarding van de raad voor maatschappelijk welzijn]1.
Indien er
verzet is geweest, wordt 1[de
beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn]1 binnen acht dagen na haar
dagtekening bij ter post aangetekend schrijven aan de indiener van het bezwaar
betekend.
Elk
bezwaar 1[wordt]1 ingebracht uiterlijk dertig dagen
na die betekening.
1[...]
Bij
inbrenging van bezwaren beslist altijd 2[de Regering]2 over
de aanneming, de verwerping of de vermindering van de schenking of van het
legaat.
De giften
bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig
de bepalingen van de wet van 12 juli 1931.
Notarissen
en andere ministeriële ambtenaren alsmede ontvangers van de erfenisrechten zijn
verplicht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kennis te geven
van de beschikkingen die te hunnen voordele zijn opgemaakt en waarvan zij
wegens hun ambt kennis hebben.
De
openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen, zonder bijzondere
machtiging, giften van hand tot hand ontvangen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 42 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met
ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
De
schenkingen en legaten gedaan aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn zijn onderworpen 1[aan
de aanvaarding van de raad voor maatschappelijk welzijn]1.
Indien er
verzet is geweest, wordt 1[de
beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn]1 binnen acht dagen na haar
dagtekening bij ter post aangetekend schrijven aan de indiener van het bezwaar
betekend.
Elk
bezwaar 1[wordt]1 ingebracht uiterlijk dertig dagen
na die betekening.
1[...]
Bij
inbrenging van bezwaren beslist altijd de 2[Regering]2 over de aanneming, de verwerping of de vermindering van de schenking
of van het legaat.
De giften
bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig
de bepalingen van de wet van 12 juli 1931.
Notarissen
en andere ministeriële ambtenaren alsmede ontvangers van de erfenisrechten zijn
verplicht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kennis te geven van
de beschikkingen die te hunnen voordele zijn opgemaakt en waarvan zij wegens
hun ambt kennis hebben.
De
openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen, zonder bijzondere
machtiging, giften van hand tot hand ontvangen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 42 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 76° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, t) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 42 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en vervangen
bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september
1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli
1998 (B.S., 12 september 1998)).
Onverminderd
de toepassing van de bijzondere wetten en besluiten, worden de goederen
toebehorende aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verhuurd bij
openbare aanbesteding of uit de hand.
2[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 43 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 1 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 77° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, t) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 1 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989) en bij art. 43
W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Onverminderd
de toepassing van de bijzondere wetten en besluiten, worden de goederen
toebehorende aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verhuurd bij
openbare aanbesteding of uit de hand.
2[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 43 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 1 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 44 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 2 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 44 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 3 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).
§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn kiest de wijze waarop de opdrachten voor aanneming
van werken, leveringen en diensten worden toegewezen en stelt de voorwaarden
ervan vast.
2[Hij kan die bevoegdheden voor de
opdrachten die betrekking hebben op het dagelijks beheer van het centrum
overdragen aan het vast bureau, binnen de perken van de daartoe op de gewone
begroting ingeschreven kredieten.
In
gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene
omstandigheden, kan het vast bureau op eigen initiatief de in het eerste lid
bedoelde bevoegdheden uitoefenen. Zijn besluit wordt meegedeeld aan de raad
voor maatschappelijk welzijn die er op zijn eerstvolgende vergadering akte van
neemt.]2
§ 2
De raad
voor maatschappelijk welzijn zet de procedure in en wijst de opdracht toe.
2[...]
De
toewijzing van de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten
die door de Staat of voor rekening van de Staat worden gesubsidieerd, wordt
echter onderworpen aan de goedkeuring van de Minister die de toelage verleent.
2[...]
Wetshistoriek
§§ 1 en 2
gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989)
en bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
4[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 78° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, t)
B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
Art; vervangen
bij art. 11 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
§§ 1 en 2
gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989)
en bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
4[§ 1
Wat de
gewone uitgaven betreft, kiest de raad voor maatschappelijk welzijn binnen de
perken van de op de begroting uitgetrokken kredieten de wijze van toewijzing
van de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, bepaalt
hij de voorwaarden daarvan, leidt hij de procedure in en wijst hij de opdracht
toe.
Hij kan
deze bevoegdheden opdragen aan het vast bureau, de bijzondere comités, de
secretaris of aan een andere ambtenaar. De opdracht aan de secretaris of aan
een andere ambtenaar is beperkt tot de opdrachten van minder dan
2000 euro.
§ 2
Wat de
buitengewone uitgaven betreft, kan de raad voor maatschappelijk welzijn de in
§ 1 bedoelde bevoegdheden opdragen aan het vast bureau voor de opdrachten
waarvan de waarde kleiner is dan:
|
a)15.000 euro in het openbare centrum voor
maatschappelijk welzijn van een gemeente met minder dan 15.000 inwoners; |
|
b)30.000 euro in het openbare centrum voor
maatschappelijk welzijn van een gemeente met 15.000 tot 49.999 inwoners; |
|
c)60.000 euro in het openbare centrum voor
maatschappelijk welzijn van een gemeente met 50.000 inwoners en meer. |
§ 3
In geval
van dringende noodzakelijkheid voortvloeiend uit onvoorzienbare gebeurtenissen
kan het vast bureau op eigen initiatief de in de vorige leden bedoelde
bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn
beslissing wordt medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn die er
akte van neemt bij zijn volgende zitting.
§ 4
Telkens
als de omstandigheden het rechtvaardigen, kan de Regering de in de §§ 1 en
2 bedoelde bedragen aanpassen.]4
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 4 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002
(tweede uitg.)).
Voorgeschiedenis
§§ 1 en 2
gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989),
bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij
art. 17 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 46 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Wetshistoriek
Oude afdeling 1
(art. 75 tot 85) vernummerd tot afdeling 1bis (art. 75 tot 85) bij art. 3 Ord.
Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 7 maart 2002 (B.S., 8 mei 2002
(tweede uitg.)), met ingang van 8 mei 2002 (art. 4).
De
goederen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden beheerd en
bestuurd op de wijze door de wet vastgesteld voor de gemeentegoederen, onder
voorbehoud van de volgende bepalingen.
§ 1
1[...]
De
vervreemding van onroerende goederen kan door de hogere overheden niet worden
opgelegd dan krachtens een wet, behalve in geval van onteigening ten algemenen
nutte.
§ 2
1[...]
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd en § 2 opgeheven bij art. 39, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 39, 2° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 1
1[...]
§ 2
2[Het Verenigd College kan, na
advies van het college van burgemeester en schepenen, de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn machtigen om over te gaan tot onteigeningen te
algemenen nutte, indien het oordeelt dat het verkrijgen van de betrokken
onroerende goederen noodzakelijk is voor het algemeen belang.
Benevens
de ambtenaren van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor rekening
van de Staat, is de burgemeester van de gemeente die door het centrum wordt
bediend bevoegd tot het verlijden van de desbetreffende akten.]2
Wetshistoriek
§ 1
opgeheven bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 2
vervangen bij art. 24 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
§ 2
gewijzigd bij art. 40 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
1[De raad voor maatschappelijk
welzijn is bevoegd om het kapitaal van het centrum aan te wenden voor de bouw
of de aankoop van woningen voor bejaarden, mindervaliden of andere personen die
niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien, voor de aankoop van bossen en
gronden, voor participaties in bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen.
De raad
kan het kapitaal van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in
maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken
van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum
ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen
118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een
intercommunale vereniging.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 41 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Geselecteerde
rechtspraak
Gebruik maken
van de mogelijkheid die art. 79, tweede lid, biedt, houdt in dat het
O.C.M.W. als dusdanig, en niet door de eenvoudige aanwijzing van enkele leden
die samen met enkele privé-personen een maatschappij oprichten en mede
beslissingen nemen die het O.C.M.W. niet rechtstreeks binden, deelneemt in een
maatschappij die geen andere maatschappij kan zijn (‘‘voor zover’’) dan een
door art. 118 e.v. beheerste ‘‘vereniging’’ of een ‘‘intercommunale
vereniging’’. De oprichting van een vereniging zonder winstoogmerk kan niet
ingepast worden in de door art. 79 voorziene mogelijkheid van ‘‘deelneming
in maatschappijen’’ (R.v.St. nr. 49.708, 17 oktober 1994).
De
schenkingen en legaten gedaan aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn zijn onderworpen 1[aan
de aanvaarding van de raad voor maatschappelijk welzijn]1.
Indien er
verzet is geweest, wordt 1[de
beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn]1 binnen acht dagen na haar
dagtekening bij ter post aangetekend schrijven aan de indiener van het bezwaar
betekend.
Elk
bezwaar 1[wordt]1 ingebracht uiterlijk dertig dagen
na die betekening.
1[...]
Bij
inbrenging van bezwaren beslist altijd 2[het Verenigd College]2 over de aanneming, de verwerping of de vermindering van de schenking
of van het legaat.
De giften
bij akte onder de levenden worden altijd voorlopig aangenomen, overeenkomstig
de bepalingen van de wet van 12 juli 1931.
Notarissen
en andere ministeriële ambtenaren alsmede ontvangers van de erfenisrechten zijn
verplicht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn kennis te geven
van de beschikkingen die te hunnen voordele zijn opgemaakt en waarvan zij
wegens hun ambt kennis hebben.
De
openbare centra voor maatschappelijk welzijn mogen, zonder bijzondere
machtiging, giften van hand tot hand ontvangen.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 42 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij
art. 25 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Verwijzingen
Zie W.
12 juli 1931 betreffende de uitbreiding tot alle rechtspersonen van het
voordeel van de voorlopige aanvaarding van bij akten gedane schenkingen onder
de levenden (B.S., 15 juli 1931), gewijzigd bij W. 2 mei 2002
(B.S., 11 december 2002).
Onverminderd
de toepassing van de bijzondere wetten en besluiten, worden de goederen
toebehorende aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verhuurd bij
openbare aanbesteding of uit de hand.
2[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 43 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 1 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 44 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 2 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 44 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 3 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).
§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn kiest de wijze waarop de opdrachten voor aanneming
van werken, leveringen en diensten worden toegewezen en stelt de voorwaarden
ervan vast.
3[...]
§ 2
De raad
voor maatschappelijk welzijn zet de procedure in en wijst de opdracht toe.
2[...]
De
toewijzing van de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten
die door 3[andere overheden]3 of 3[voor rekening van andere
overheden]3 worden gesubsidieerd, wordt
echter onderworpen aan de goedkeuring van de Minister die de toelage verleent.
2[...]
3[§ 3
Onder
voorbehoud van de bepalingen van artikel 27, kan de raad voor
maatschappelijk welzijn alle of een deel van de hem door §§ 1 en 2 van dit
artikel toegekende bevoegdheden overdragen aan het vast bureau. In geval van
dringende noodzaak die voortvloeit uit onvoorziene omstandigheden, kan het vast
bureau deze bevoegdheden op eigen initiatief uitoefenen. Zijn besluit wordt
meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, die er op zijn
eerstvolgende vergadering akte van neemt.]3
Wetshistoriek
§ 1
gewijzigd bij art. 26, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
§ 2
gewijzigd bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 26, 2° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
§ 3
ingevoegd bij art. 26, 3° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989)
en bij art. 45 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 2
gewijzigd bij art. 4 K.B. 24 maart 1989 (B.S., 29 april 1989).
Geselecteerde
rechtspraak
Uit
art. 84, § 2, eerste lid, moet worden afgeleid dat de raad voor
maatschappelijk welzijn en niet het vast bureau bevoegd is om een
overheidsopdracht toe te wijzen. Wanneer de beslissing van het vast bureau om
de opdracht toe te wijzen aan de betrokken aanbesteder is betekend en gevolgen
sorteert, moet de procedure van toewijzing echter als beëindigd worden
beschouwd. De vernietiging van die beslissing om de reden dat het vast bureau
niet bevoegd was, heeft niet tot gevolg dat de raad voor maatschappelijk
welzijn een nieuwe beslissing zou kunnen nemen (R.v.St. nr. 35.262, 26 juni
1990).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 46 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Het
financiële dienstjaar van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar.
De
verrichtingen betreffende de invordering van de middelen en de betaling van de
uitgaven die op de rekening van het dienstjaar moeten komen, mogen evenwel
voortgezet worden tot 31 maart van het volgende jaar.
Als tot
een dienstjaar behorend worden alleen aangemerkt de diensten verleend aan en de
rechten verkregen door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en
zijn schuldeisers gedurende het jaar waarnaar het dienstjaar is genoemd.
1[Het financiële dienstjaar van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn begint op 1 januari en
eindigt op 31 december van hetzelfde jaar. Als tot een dienstjaar
behorend, worden alleen aangemerkt, de rechten verkregen door het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn en de verbintenissen aangegaan ten
opzichte van zijn schuldeisers tijdens dit dienstjaar, ongeacht het dienstjaar
waarin ze worden vereffend.]1
Wetshistoriek
Vevangen bij
art. 27 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 79° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, t) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 12 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
1[Het boekjaar van het O.C.M.W.
stemt overeen met het kalenderjaar. Het heeft alleen betrekking op de door het
centrum verkregen rechten en de tijdens die periode ten opzichte van zijn
schuldeisers aangegane verplichtingen, ongeacht het boekjaar waarin ze worden
aangegaan.
2[Onverminderd de bevoegdheden die
hij aan het vast bureau en aan de bijzondere comités kan verlenen en
onverminderd artikel 87bis, is de raad voor maatschappelijk welzijn belast met
de bepaling van de rechten op ontvangsten, de betaalbaarstelling van de
uitgaven van het O.C.M.W. en met het toezicht op de boekhouding. Deze laatste
bevoegdheid mag echter niet opgedragen worden.]2]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 18 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998),
met ingang van 1 januari 1998 (art. 35) en gewijzigd bij art. 5 Decr. W.
Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002 (tweede uitg.)).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[§ 1
3[...]
De
boekhouding van elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn omvat al zijn
transacties, bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen, van welke
aard ook.
§ 2
3[...]
§ 3
3[...]]2
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 13 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
§ 1
gewijzigd bij art. 276, 80° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, u) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§§ 2 en 3
opgeheven bij art. 276, 80° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, u) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende
bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van
de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13
augustus 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 9 december 1987 betreffende
het instellen van provisies met het oog op het verlenen van dringende hulp
door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 21
december 1987) |
|
–Besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997
betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 8 april 1998) |
Toekomstig recht
Artikel 87, § 1 wordt opgeheven bij art.
276, 80° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2014 (art. 206, 8°
B.Vl.Reg. 25 juni 2010 (BS 7 oktober 2010 (ed. 1))).
2[§ 1
3[...]
4[...]
§ 2
3[...]
§ 3
3[...]]2
Verwijzingen
Zie het M.B.
20 juni 2001 tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden betreffende de
boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 24 juli 2001).
Onverminderd
de toepassing van de bepalingen 1[van de artikelen 91, § 1 en 94]1 en onder voorbehoud van eventuele
door 3[de Regering]3 bepaalde afwijkende regelingen zijn
de voorschriften die gelden inzake de gemeentecomptabiliteit, toepasselijk op
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
2[De openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van het Duitse taalgebied passen op hun boekhouding tot
op een van de Regering te bepalende datum de regeling toe van het besluit van
de Regent van 10 februari 1945 houdende algemeen reglement op de
gemeentecomptabiliteit, gewijzigd bij het besluit van de Regent van
28 februari 1947, het koninklijk besluit van 16 november 1953, de wet
van 5 juli 1963 en het koninklijk besluit van 15 december 1987.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 47 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 1
Decr. D. Gem. R. 19 december 1994 (B.S., 23 maart 1995), met
ingang van 1 januari 1995 (art. 2) en bij art. 29 Decr. D. Gem. R.
2 mei 1995 (B.S., 12 december 1995), met ingang van
1 januari 1996 (art. 30).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden
van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
8 januari 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende
bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van
de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13
augustus 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 9 december 1987 betreffende
het instellen van provisies met het oog op het verlenen van dringende hulp
door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 21
december 1987) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997
betreffende de inventaris van het patrimonium van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997
betreffende de gemeentelijke comptabiliteit voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997) |
3[Het algemeen reglement van de
gemeenteboekhouding is van toepassing op de O.C.M.W.'s, met uitzondering van de
ziekenhuizen die ervan afhangen en onder voorbehoud van de door de Regering
vastgestelde afwijkende regels.
4[...]]3
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 19 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en
gewijzigd bij art. 6 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S.,
12 juni 2002 (tweede uitg.)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 47 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 2
Decr. W. Gew. R. 22 december 1994 (B.S., 24 februari 1995).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden bijgehouden
van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
8 januari 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende
bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van
de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13
augustus 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 9 december 1987 betreffende
het instellen van provisies met het oog op het verlenen van dringende hulp
door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 21
december 1987) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997
betreffende de inventaris van het patrimonium van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997
betreffende de gemeentelijke comptabiliteit voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
3[Het Verenigd College stelt de
budgettaire, financiële en boekhoudkundige regels vast van de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn.]3
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 28 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 2 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 27 oktober 1994 (B.S.,
3 december 1994), met ingang van 1 januari 1995 (art. 3) en bij art.
2 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 27 april 1995 (B.S.,
2 september 1995), met ingang van 1 januari 1995 (art. 4).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende
bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van
de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13
augustus 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 9 december 1987 betreffende
het instellen van provisies met het oog op het verlenen van dringende hulp
door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 21
december 1987) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 13 april
1995 waarbij de conceptuele analyse van de nieuwe comptabiliteit van de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest verplichtend worden gemaakt (B.S., 24 juni 1995) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 26 oktober 1995 houdende algemeen
reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 5 december
1995) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van
7 november 1996 houdende, in uitvoering van artikel 43 van het algemeen
reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vaststelling van de
rekeningstelsels (B.S., 29 januari 1997) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van
7 november 1996 houdende conceptuele analyse van de nieuwe
comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 29 januari 1997) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 12
februari 1998 houdende conceptuele analyse van de nieuwe comptabiliteit van
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 16 september 1998) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 19 februari 1998 tot
vaststelling van de rekeningstelsels die van toepassing zijn op de
comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het
tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad (B.S., 16 september 1998) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 19 maart
1998 tot vaststelling van de modellen van de jaarrekeningen van de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S.,
16 september 1998) |
|
–Ministerieel besluit van 26 november 1998 tot
vaststelling, in uitvoering van artikel 93 van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
van het formulier met toepassing van controle van de kas en de boekingen van
de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de uitvoeringsregels van dit onderzoek
(B.S., 23 januari 1999) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 25
februari 1999 tot vaststelling van het model voor de begroting van de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest (B.S., 21 april 1999) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van
4 juli 2002 tot aanduiding van de Commissie voor boekhoudkundige normen
van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest (B.S., 20 juli 2002) |
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van
4 december 2008 tot vaststelling van de opdracht en samenstelling van de
Commissie voor boekhoudkundige normen van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S.,
16 december 2008 (tweede uitg.)) |
Verwijzingen
Zie:
|
–B. Ver. Coll. Gem. Gem.Comm. 3 juni 1999 tot
vaststelling, ter uitvoering van artikel 74 van het algemeen reglement op de
comptabiliteit van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van de ratio’s, tabel van financiering en
grafieken die bij de totaalbalans moeten worden gevoegd (B.S.,
28 september 1999). |
|
–B. Ver. Coll. Gem. Gem.Comm. 16 december 1999
houdende aanvulling van de rekeningstelsels ter uitvoering van artikel 43 van
het algemeen reglement op de comptabiliteit van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (B.S.,
2 maart 2000). |
|
–B. Ver. Coll. Gem. Gem. Comm. 7 november 2002
houdende aanvulling van de rekeningstelsels ter uitvoering van
artikel 43 van het algemeen reglement op de comptabiliteit van de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest (B.S., 5 mei 2003). |
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 14 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van inwerkingtreding
heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of voor een
gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997 (art. 27,
§ 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)) en opgeheven bij art. 276, 81° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, v) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
2[Telkens als de betaling van de
sociale hulp of van het bestaansminimum zich opdringt, stelt het orgaan van het
centrum dat de sociale hulp of het bestaansminimum heeft besloten toe te
kennen, de lijst van de uitgaven tijdens de zitting op, die, zodra ze door de
aanwezige leden ondertekend is, als ordonnancering geldt en in de notulen wordt
vermeld. De verzending van deze lijst, die door de voorzitter en de secretaris
ondertekend is, geldt als machtiging tot betaling.]2]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 20 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en
vervangen bij art. 7 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S.,
12 juni 2002 (tweede uitg.)).
§ 1
2[De raad voor maatschappelijk
welzijn stelt ieder jaar, voor het volgende dienstjaar, de begroting van
ontvangsten en uitgaven vast van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder
zijn beheer staat. 3[Aan deze begrotingen wordt een
algemene beleidsnota gehecht evenals het verslag bedoeld in artikel 26bis,
§ 5.]3
Deze
begrotingen worden vóór 15 september van het jaar dat aan het dienstjaar
voorafgaat, onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad 3[...].
Op de
vergaderingen van de gemeenteraad 3[...] waar de goedkeuring van deze begrotingen op de agenda staat,
worden deze toegelicht door de voorzitter van het centrum. Indien de voorzitter
geen deel uitmaakt van de gemeenteraad wordt hij hiervan ten minste vijf vrije
dagen vóór de dag van de vergadering verwittigd door het college van
burgemeester en schepenen.
3[De beslissing moet aan het
centrum worden doorgestuurd binnen een termijn van veertig dagen te rekenen
vanaf de dag waarop de begrotingen aan de gemeente werden overgezonden, bij
gebreke waarvan de gemeenteraad geacht wordt zijn goedkeuring te hebben
verleend.]3
Elke
beslissing tot wijziging of tot niet-goedkeuring moet met redenen worden
omkleed. Bij niet-goedkeuring 3[...] of in geval van wijzigingen aan de begroting wordt het volledig
dossier door de zorg van het centrum vóór 15 november van hetzelfde jaar
ter goedkeuring overgelegd aan de bestendige deputatie.
De
gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van de gemeenten en van de ziekenhuizen die van dit centrum afhangen,
ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, deze verminderen, vermeerderen
of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.
De
bestendige deputatie heeft dezelfde bevoegdheid betreffende de begroting van de
3[...] openbare centra voor
maatschappelijk welzijn en betreffende de begroting van de ziekenhuizen die
afhangen van deze centra, van een intercommunale vereniging of een vereniging
bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet.]2
§ 2
Indien na
goedkeuring van de begroting kredieten moeten worden uitgetrokken of
vermeerderd om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, gaat de raad
voor maatschappelijk welzijn over tot wijziging van de begroting. Die wijziging
is onderworpen aan de 3[goedkeuringen]3 bepaald in § 1.
3[In de gevallen waar de geringste
vertraging onbetwistbaar schade zou berokkenen, kan de raad voor
maatschappelijk welzijn met toestemming van het college van burgemeester en
schepenen, in de uitgave voorzien onder verplichting om zonder verwijl de
nodige kredieten door een begrotingswijziging in te schrijven. In dat geval zal
de ontvanger de betaling doen zonder de goedkeuring van de begrotingswijziging
af te wachten.]3
§ 3
2[Het ontwerp van begroting evenals
de bijhorende algemene beleidsnota of het ontwerp van begrotingswijziging en de
daarbijhorende verklarende en stavende nota, opgemaakt door het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn, worden aan ieder lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn besteld ten minste zeven vrije dagen vóór de dag van de
vergadering waarop deze zullen worden besproken.]2
§ 4
Blijft de
raad voor maatschappelijk welzijn in gebreke de begroting vast te stellen of te
voorzien in een begrotingswijziging die nodig blijkt hetzij om het hoofd te
bieden aan onvoorziene omstandigheden, hetzij tot betaling van een schuld van
het centrum die erkend en opeisbaar is, dan zal worden gehandeld overeenkomstig
artikel 113.
3[Laat de raad voor maatschappelijk
welzijn na om de begroting van het centrum binnen de wettelijke bepaalde
termijn vast te stellen, dan kan het college van burgemeester en schepenen het
centrum in gebreke stellen. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn nalaat
om de begroting vast te stellen binnen de twee maanden na de ingebrekestelling,
kan de gemeenteraad zich in de plaats stellen van de raad voor maatschappelijk
welzijn en de begroting van het centrum vaststellen in de plaats van de raad
voor maatschappelijk welzijn. Deze begroting wordt door de gemeenteraad
betekend aan de raad voor maatschappelijk welzijn en ter goedkeuring overgelegd
aan de bestendige deputatie, die dezelfde bevoegdheid heeft als deze bepaald in
§ 1, zevende lid.]3
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 7, 1° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10) en gewijzigd bij art. 48,
1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
§ 2
gewijzigd bij art. 48, 2° en 3° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 3
vervangen bij art. 7, 2° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10).
§ 4
gewijzigd bij art. 48, 4° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Voorgeschiedenis
§ 1
vervangen bij art. 4 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
§ 1
2[De raad voor maatschappelijk
welzijn stelt ieder jaar, voor het volgende dienstjaar, de begroting van
ontvangsten en uitgaven vast van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder
zijn beheer staat. 3[Aan deze begrotingen wordt een
algemene beleidsnota gehecht evenals het verslag bedoeld in artikel 26bis,
§ 5.]3
Deze
begrotingen worden vóór 15 september van het jaar dat aan het dienstjaar
voorafgaat, onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad 3[...] 4[en tezelfdertijd toegezonden aan
het Verenigd College]4.
Op de
vergaderingen van de gemeenteraad 3[...] waar de goedkeuring van deze begrotingen op de agenda staat,
worden deze toegelicht door de voorzitter van het centrum. Indien de voorzitter
geen deel uitmaakt van de gemeenteraad wordt hij hiervan ten minste vijf vrije
dagen vóór de dag van de vergadering verwittigd door het college van
burgemeester en schepenen.
4[De beslissing moet aan het
centrum worden doorgestuurd binnen een termijn van veertig dagen te rekenen
vanaf de dag waarop de begrotingen aan de gemeente werden overgezonden, bij
gebrek hieraan wordt de gemeenteraad geacht zijn goedkeuring te hebben
verleend. Het centrum stuurt het volledige dossier door aan het Verenigd
College binnen vijftien dagen na de ontvangst van de beslissing van de
gemeenteraad tot goedkeuring van de begroting of na het verstrijken van de
termijn van veertig dagen waardoor de goedkeuring stilzwijgend verleend wordt.]4
4[Elke beslissing tot herziening of
tot niet-goedkeuring moet met redenen worden omkleed. Bij niet-goedkeuring of
in geval van herziening van de begroting, wordt deze door het centrum binnen
veertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing van de
gemeenteraad, ter goedkeuring overgelegd aan het Verenigd College.
Het
Verenigd College dient haar beslissing aan het centrum en aan de gemeenteraad
te bezorgen binnen een termijn van veertig dagen, die niet verlengbaar is, te
rekenen vanaf de dag waarop de hervormde of niet goedgekeurde begroting aan dit
College werd toegestuurd. Bij gebrek hieraan wordt de begroting geacht te zijn
goedgekeurd zoals zij door de raad voor maatschappelijk welzijn is aangenomen.]4
De
gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van de gemeenten en van de ziekenhuizen die van dit centrum afhangen,
ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, deze verminderen, vermeerderen
of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.
4[Het Verenigd College]4 heeft dezelfde bevoegdheid
betreffende de begroting van de 3[...] openbare centra voor maatschappelijk welzijn en betreffende de
begroting van de ziekenhuizen die afhangen van deze centra, van een
intercommunale vereniging of een vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van deze
wet.]2
§ 2
Indien na
goedkeuring van de begroting kredieten moeten worden uitgetrokken of
vermeerderd om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, gaat de raad
voor maatschappelijk welzijn over tot wijziging van de begroting. Die wijziging
is onderworpen aan de 3[goedkeuringen]3 bepaald in § 1.
3[In de gevallen waar de geringste
vertraging onbetwistbaar schade zou berokkenen, kan de raad voor
maatschappelijk welzijn met toestemming van het college van burgemeester en
schepenen, in de uitgave voorzien onder verplichting om zonder verwijl de
nodige kredieten door een begrotingswijziging in te schrijven. In dat geval zal
de ontvanger de betaling doen zonder de goedkeuring van de begrotingswijziging
af te wachten.]3
§ 3
2[Het ontwerp van begroting evenals
de bijhorende algemene beleidsnota of het ontwerp van begrotingswijziging en de
daarbijhorende verklarende en stavende nota, opgemaakt door het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn, worden aan ieder lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn besteld ten minste zeven vrije dagen vóór de dag van de
vergadering waarop deze zullen worden besproken.]2
§ 4
Blijft de
raad voor maatschappelijk welzijn in gebreke de begroting vast te stellen of te
voorzien in een begrotingswijziging die nodig blijkt hetzij om het hoofd te
bieden aan onvoorziene omstandigheden, hetzij tot betaling van een schuld van
het centrum die erkend en opeisbaar is, dan zal worden gehandeld overeenkomstig
artikel 113.
3[Laat de raad voor maatschappelijk
welzijn na om de begroting van het centrum binnen de wettelijke bepaalde
termijn vast te stellen, dan kan het college van burgemeester en schepenen het
centrum in gebreke stellen. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn nalaat
om de begroting vast te stellen binnen de twee maanden na de ingebrekestelling,
kan de gemeenteraad zich in de plaats stellen van de raad voor maatschappelijk
welzijn en de begroting van het centrum vaststellen in de plaats van de raad
voor maatschappelijk welzijn. Deze begroting wordt door de gemeenteraad
betekend aan de raad voor maatschappelijk welzijn en ter goedkeuring overgelegd
aan 4[het Verenigd College dat]4 dezelfde bevoegdheid heeft als
deze bepaald in § 1, zevende lid.]3
4[§ 5
Bij
gebrek aan een uitvoerbare begroting op 1 januari van het dienstjaar in
kwestie, kunnen uitgaven vastgelegd worden op voorlopige kredieten, waarvan de
modaliteiten en grenzen worden bepaald door het Verenigd College.]4
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 7, 1° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), gewijzigd bij art. 48, 1°
W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 29,
1° tot 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
§ 2
gewijzigd bij art. 48, 2° en 3° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 3
vervangen bij art. 7, 2° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10).
§ 4
gewijzigd bij art. 48, 4° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 29, 5° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
§ 5
ingevoegd bij art. 29, 6° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
Voorgeschiedenis
§ 1
vervangen bij art. 4 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
7[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 82° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, v) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Art. vervangen
bij art. 15 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)), onverminderd de §§ 1 en 2 die in werking treden op
6 februari 1998, met betrekking tot het dienstjaar 1999 en volgende,
waarbij “budget” desgevallend dient te worden gelezen als “begroting” (art. 27,
§ 1, 3°, zelf gewijzigd bij art. 11 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S.,
30 juni 1999 (tweede uitg.)).
§ 1
vervangen bij art. 4 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984), bij art. 7, 1° W. 29 december 1988 (B.S.,
4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), gewijzigd
bij art. 48, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij
art. 4 Decr. Vl. Parl. 5 juli 2002 (B.S., 14 augustus 2002
(eerste uitg.)) en bij art. 43 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
§ 2
gewijzigd bij art. 48, 2° en 3° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 3
vervangen bij art. 7, 2° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10).
§ 4
gewijzigd bij art. 48, 4° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Overgangsbepaling
Overgangsbepaling:
art. 282 Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)).
Verwijzingen
Zie Omz. WEL –
98/04 van Vl. Min. Cult., Gezin en Welzijn van 16 juni 1998 (‘‘OCMW –
meerjarenplan 1999-2001’’) (B.S., 22 september 1998).
§ 1
2[4[De raad voor maatschappelijk
welzijn maakt de ontvangsten- en uitgavenbegroting van het centrum jaarlijks op
voor het komende boekjaar en, op de voordracht van het beheerscomité van het
ziekenhuis, de begroting van elk ziekenhuis dat van het centrum afhangt. Bij
deze begrotingen wordt een algemene beleidsnota gevoegd, alsook een verslag dat
het in artikel 26bis, § 5, bedoelde verslag opneemt, een verslag over het
ziekenhuisbeleid en de doelstellingen en samenwerkingsmogelijkheden in ziekenhuisverband.
De raad
voor maatschappelijk welzijn moet zich uitspreken binnen veertig dagen na de
betekening van het voorstel van het beheerscomité; bij gebreke daarvan wordt de
raad geacht het voorstel te hebben goedgekeurd.
De raad
moet op deze begrotingen jaarlijks alle verplichte uitgaven boeken die
krachtens wets- of verordeningsbepalingen ten laste komen van het O.C.M.W.,
meer bepaald de wedden en uitkeringen van de voorzitter, de secretaris, de
ontvanger en de personeelsleden, de uitgaven voor sociale hulp, het abonnement
op het Belgisch Staatsblad en op het Bestuursmemoriaal, de vaststaande
en opeisbare schulden van het centrum en de schulden die uit uitvoerbare
rechterlijke veroordelingen voortvloeien, de bureaukosten, het onderhoud van de
gebouwen, de huurgelden van de door het centrum gebruikte gebouwen en de kosten
die aan de boekhouding van het centrum gebonden zijn.
De raad
moet op deze begrotingen jaarlijks alle nader bepaalde ontvangsten van het
O.C.M.W. boeken, evenals de krachtens een wets- of verordeningsbepaling
toegekende ontvangsten en de overschotten van de vorige boekjaren.]4
Deze
begrotingen worden vóór 15 september van het jaar dat aan het dienstjaar
voorafgaat, onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad 3[...].
Op de
vergaderingen van de gemeenteraad 3[...] waar de goedkeuring van deze begrotingen op de agenda staat,
worden deze toegelicht door de voorzitter van het centrum. 5[...]
3[De beslissing moet aan het
centrum worden doorgestuurd binnen een termijn van veertig dagen te rekenen
vanaf de dag waarop de begrotingen aan de gemeente werden overgezonden, bij
gebreke waarvan de gemeenteraad geacht wordt zijn goedkeuring te hebben
verleend.]3
Elke
beslissing tot wijziging of tot niet-goedkeuring moet met redenen worden
omkleed. Bij niet-goedkeuring 3[...] of in geval van wijzigingen aan de begroting wordt het volledig
dossier door de zorg van het centrum vóór 15 november van hetzelfde jaar
ter goedkeuring overgelegd aan 5[het provinciecollege]5.
De
gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van de gemeenten en van de ziekenhuizen die van dit centrum afhangen,
ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, deze verminderen, vermeerderen
of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.
5[Het provinciecollege]5 heeft dezelfde bevoegdheid
betreffende de begroting van de 3[...] openbare centra voor maatschappelijk welzijn en betreffende de
begroting van de ziekenhuizen die afhangen van deze centra 3[...].]2
§ 2
Indien na
goedkeuring van de begroting kredieten moeten worden uitgetrokken of
vermeerderd om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, gaat de raad
voor maatschappelijk welzijn over tot wijziging van de begroting. Die wijziging
is onderworpen aan de 3[goedkeuringen]3 bepaald in § 1.
4[Ingeval de minste vertraging
onbetwistbare schade zou berokkenen, kan de raad voor maatschappelijk welzijn
met de toestemming van het 5[gemeentelijk
college]5, in de uitgave voorzien, onder
verplichting de begroting te wijzigen door er zo spoedig mogelijk de nodige
kredieten op te boeken.
Wat
betreft de betaling van het bestaansminimum of het verlenen van individuele
sociale hulp onder de vorm van een financiële tegemoetkoming, en ingeval de
minste vertraging onbetwistbare schade zou berokkenen aan een persoon die om
sociale hulp of om het bestaansminimum verzoekt, maakt het bevoegde orgaan dat
besloten heeft de hulp te verlenen, gebruik van de mogelijkheid bedoeld in het
vorige lid, zonder de toestemming van het 5[gemeentelijk college]5 te moeten vragen.
In de
gevallen bedoeld in het tweede en het derde lid zal de ontvanger de betaling
verrichten vóór de goedkeuring van de begrotingswijziging.]4
§ 3
2[4[De begrotingsontwerpen alsook de
algemene beleidsnota en de in § 1, eerste lid, bedoelde verslagen]4 of het ontwerp van
begrotingswijziging en de daarbijhorende verklarende en stavende nota,
opgemaakt door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden aan
ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn besteld ten minste zeven
vrije dagen vóór de dag van de vergadering waarop deze zullen worden
besproken.]2
§ 4
Blijft de
raad voor maatschappelijk welzijn in gebreke de 4[begrotingen]4 vast te stellen of te voorzien in
een begrotingswijziging die nodig blijkt hetzij om het hoofd te bieden aan
onvoorziene omstandigheden, hetzij tot betaling van een schuld van het centrum
die erkend en opeisbaar is, dan zal worden gehandeld overeenkomstig artikel
113.
3[Laat de raad voor maatschappelijk
welzijn na om de 4[begrotingen]4 van het centrum binnen de
wettelijke bepaalde termijn vast te stellen, dan kan het 5[gemeentelijk college]5 het centrum in gebreke stellen.
Indien de raad voor maatschappelijk welzijn nalaat om de 4[begrotingen]4 vast te stellen binnen de twee
maanden na de ingebrekestelling, kan de gemeenteraad zich in de plaats stellen
van de raad voor maatschappelijk welzijn en de 4[begrotingen]4 van het centrum vaststellen in de
plaats van de raad voor maatschappelijk welzijn. Deze 4[begrotingen]4 worden door de gemeenteraad
betekend aan de raad voor maatschappelijk welzijn en ter goedkeuring overgelegd
aan 5[het provinciecollege]5, die dezelfde bevoegdheid heeft
als deze bepaald in § 1, zevende lid.]3
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 7, 1° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1988) en gewijzigd bij art. 48, 1° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992), bij art. 21, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998
(B.S., 28 april 1998) en bij art. 11 en 15°, 2° Decr. W. Gew. R.
8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober
2006 (art. 22).
§ 2
gewijzigd bij art. 48, 3° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), bij art. 21, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998) en bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 3
vervangen bij art. 7, 2° W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1988) en gewijzigd bij art. 21, 4° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 4
gewijzigd bij art. 48, 4° W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992), bij art. 21, 5° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998) en bij art. 15, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 8 december
2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006
(art. 22).
Voorgeschiedenis
§ 1
vervangen bij art. 4 K.B. nr. 244, 31 december 1984 (B.S.,
25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[2[5[De raad voor maatschappelijk
welzijn legt de jaarrekeningen van het vorige boekjaar van het centrum
jaarlijks vast en laat ze vergezeld gaan van de lijst van de aannemers van
overheidsopdrachten van leveringen of diensten waarvoor de raad voor
maatschappelijk welzijn de gunningwijze gekozen en de voorwaarden bepaald
heeft. Hij legt jaarlijks ook de jaarrekeningen van het voorafgaande jaar vast
voor elk van de ziekenhuizen onder zijn beheer tijdens een zitting die vóór
1 juni plaatsvindt. Tijdens de vergadering waarop de raad voor maatschappelijk
welzijn deze jaarrekeningen vastlegt, brengt de voorzitter verslag uit over de
toestand van het centrum en over het tijdens het voorafgaande boekjaar gevoerde
beheer inzake de uitvoering van de budgettaire vooruitzichten, alsook wat
betreft de ontvangsten en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat
in het kader van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht
op een bestaansminimum en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten
laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn. Het jaarverslag wordt ten minste zeven vrije dagen vóór de vergadering
aan elk lid overgemaakt, samen met de rekeningen, maar zonder de
bewijsstukken.]5
Tijdens
de vergadering waarop de raad deze rekeningen vaststelt brengt de voorzitter
verslag uit over de toestand van het centrum en over het gevoerde beheer
tijdens het voorafgaande dienstjaar, inzake de uitvoering van de
begrotingsvooruitzichten 4[evenals
wat betreft de ontvangst en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat
in het kader van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht
op een bestaansminimum en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten
laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn]4. Het jaarverslag wordt vooraf
samen met de rekening doch met uitsluiting van de verantwoordingsstukken,
tenminste zeven vrije dagen vóór de vergadering aan elk raadslid meegedeeld.
De door
de raad vastgestelde rekeningen worden ten laatste op 1 juni volgend op
het sluiten van het dienstjaar onderworpen aan de goedkeuring van de
gemeenteraad 3[...]. Het jaarverslag wordt als
toelichting bij de rekeningen aan de gemeenteraad 3[...] meegedeeld.]2
6[Deze rekeningen worden door de
voorzitter van het centrum besproken tijdens de zitting van de gemeenteraad op
de agenda waarvan hun goedkeuring vermeld staat.]6
De
beslissing dient aan het centrum doorgestuurd binnen de twee maanden na
ontvangst van de rekeningen, bij gebreke waarvan de 3[...] gemeenteraad geacht wordt de
goedkeuring te hebben verleend.]1
1[Bij niet-goedkeuring 3[door de gemeenteraad]3 worden de rekeningen 3[samen met de beslissing van de
gemeenteraad]3 door de zorg van het centrum,
vóór 1 augustus van het voormelde jaar, ter goedkeuring overgelegd aan 6[het provinciecollege]6, die de rekeningen definitief
vaststelt.]1
Het
nazicht van de bewijsstukken door de afgevaardigden van de toezichthoudende
overheden gebeurt ter plaatse.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 5 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984), bij art. 8 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989),
met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), bij art. 49 W. 5 augustus
1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 10 W. 12 januari 1993 (B.S.,
4 februari 1993), bij art. 12 en 15 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005
(B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art.
22) en bij art. 13 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 2 januari 2006 (art. 22).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
5[§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn stelt elk jaar voor 1 mei de rekening vast
van het voorgaande dienstjaar van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder
zijn beheer staat.
Tijdens
de vergadering waarop de raad deze rekeningen vaststelt, brengt de voorzitter
verslag uit over de toestand van het centrum en over het gevoerde beheer
tijdens het voorafgaande dienstjaar, inzake de uitvoering van de
begrotingsvooruitzichten, evenals wat betreft de ontvangst en het gebruik van
de toelagen toegekend door de Staat krachtens de wet van 26 mei 2002
betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de wet van 2 april
1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn. Het jaarverslag wordt samen met de
rekeningen doch met uitsluiting van de verantwoordingsstukken, tenminste zeven
vrije dagen voor de vergadering, aan elk raadslid meegedeeld.
§ 2
De
jaarrekeningen vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn worden
voor 15 mei volgend op het afsluiten van het dienstjaar overgezonden aan
de gemeenteraad met het oog op het definitief vaststellen. Tegelijkertijd
worden deze documenten aan het Verenigd College overgezonden. De rekeningen
worden aangevuld met het in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde
jaarverslag. Binnen veertig dagen na de ontvangst, spreekt de gemeenteraad zich
uit over het definitief vaststellen van de jaarrekeningen. Zijn beslissing
wordt uiterlijk de laatste dag van bovenvermelde termijn doorgestuurd. Indien
binnen deze termijn geen beslissing aan het centrum wordt overgezonden, wordt
de gemeenteraad geacht de jaarrekeningen te hebben goedgekeurd.
Als de
gemeenteraad de jaarrekening niet goedkeurt, wordt zijn met redenen omklede
beslissing door het centrum binnen veertig dagen na de ontvangst van de
beslissing van niet-goedkeuring overgezonden aan het Verenigd College, dat de
rekeningen vaststelt. Het Verenigd College beschikt over een termijn van
veertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de ontvangst van de stukken om de
rekening definitief vast te stellen. Als er geen beslissing ter kennis wordt
gebracht binnen de voormelde termijn, dan wordt de rekening geacht te zijn
goedgekeurd. De raad voor maatschappelijk welzijn verleent tijdens de
eerstvolgende vergadering na de kennisgeving van de goedkeuring kwijting aan de
ontvanger. De kwijting is slechts rechtsgeldig voor zover de ware toestand niet
vrijwillig werd verborgen door weglatingen of onjuiste opgaven in de
jaarrekening.
Het niet
verlenen van kwijting aan de ontvanger kan alleen bij een met redenen omkleed
besluit. De ontvanger, de gemeenteraad en het Verenigd College worden zonder
verwijl van deze beslissing in kennis gesteld. Is er bij een definitieve
beslissing over de kwijting een tekort vastgesteld, dan verzoekt de raad voor
maatschappelijk welzijn de ontvanger, bij aangetekende brief, een gelijk bedrag
in de kas van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te storten; in
dat geval is artikel 93, § 4, van toepassing, onder dezelfde
voorwaarden en volgens dezelfde procedure.]5
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 30 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 5 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984), bij art. 8 W. 29 december 1988 (B.S.,
4 januari 1989), met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), bij art. 49
W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 10 W.
12 januari 1993 (B.S., 4 februari 1993).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
5[§ 1
6[...]
Nadat de
rekeningen in overeenstemming zijn gebracht met de gegevens van de inventaris
worden ze samengevat en beschreven in een staat, zijnde de jaarrekening.
De raad
voor maatschappelijk welzijn stelt elk jaar de jaarrekening van het voorgaande
boekjaar vast van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn 6[...].
Tijdens
de vergadering waarop de raad voor maatschappelijk welzijn deze jaarrekeningen
vaststelt, brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en
over het gevoerde beheer tijdens het voorafgaande boekjaar, inzake de
uitvoering van het budget alsook wat betreft de ontvangsten en het gebruik van
de toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 7 augustus
1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en de wet van
2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn. 6[...]
§ 2
De door
de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde jaarrekeningen worden voor
1 mei volgend op het sluiten van het boekjaar ter goedkeuring aan de
provinciegouverneur overgezonden. Zij worden terzelfder tijd overgezonden aan
de gemeenteraad, die binnen vijftig dagen na de overzending zijn opmerkingen
ter kennis kan brengen van de provinciegouverneur.
Binnen
driehonderd dagen na ontvangst van de jaarrekeningen spreekt de
provinciegouverneur zich uit over de goedkeuring en stelt hij de bedragen ervan
vast. Hij verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn.
Indien binnen de voormelde termijn geen besluit naar het centrum is verstuurd
wordt de provinciegouverneur geacht zijn goedkeuring te hebben verleend. Hij
deelt zijn beslissing samen met zijn eventuele opmerkingen en met het verslag
van de externe auditcommissie mee aan de gemeenteraad, de raad voor
maatschappelijk welzijn en de ontvanger. De raad voor maatschappelijk welzijn
verleent in de eerstvolgende vergadering na het verstrijken van de termijn
bedoeld in artikel 90, § 2, kwijting aan de ontvanger over de afgelegde
rekening. De kwijting is rechtsgeldig voor zover de ware toestand niet werd
verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de jaarrekening.
Het
niet-verlenen van kwijting aan de ontvanger kan alleen bij gemotiveerd besluit.
De ontvanger en de provinciegouverneur worden zonder verwijl en gelijktijdig
van deze beslissing in kennis gesteld.
Is er
blijkens een definitief geworden beslissing inzake de kwijting een tekort
vastgesteld, dan verzoekt de raad voor maatschappelijk welzijn de ontvanger,
bij een ter post aangetekende brief, een gelijkwaardig bedrag in de kas van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te storten.
§ 3
6[...]
§ 4
Wanneer
de functie van ontvanger eindigt, wordt een eindrekening opgesteld. Na
vaststelling door de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt de eindrekening
ter goedkeuring aan de provinciegouverneur gezonden en wordt de in § 2,
tweede tot vierde lid, bedoelde procedure gevolgd.
De
beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten en kwijting wordt verleend,
brengt van rechtswege de teruggave van de zekerheid mee.]5
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 16 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding kan vaststellen die uitwerking kan hebben vanaf 1 januari
1998 voor het geheel of voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van
17 december 1997 (art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg.
17 december 1997 (B.S., 8 april 1998), zelf gewijzigd bij art.
1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S., 18 juli 2000)).
§ 1
gewijzigd bij art. 276, 83° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, w) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 3
opgeheven bij art. 276, 83° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, w) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 5 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984), bij art. 8 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari 1989),
met ingang van 1 januari 1989 (art. 10), bij art. 49 W. 5 augustus
1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art. 10 W. 12 januari 1993
(B.S., 4 februari 1993).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
Toekomstig recht
Artikel 89 wordt gewijzigd bij art. 276, 83°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2014 (art. 206, 8°
B.Vl.Reg. 25 juni 2010 (BS 7 oktober 2010 (ed. 1)).
5[§ 1
6[...]
7[...]
§ 2
7[...]
§ 3
6[...]
§ 4
7[...]]5
1[De raad voor maatschappelijk
welzijn stelt elk jaar de rekening van het voorgaande dienstjaar van het
centrum en van elk ziekenhuis dat onder zijn beheer staat vast in een
vergadering die plaatsvindt voor 1 juni.
Tijdens
de vergadering waarop de raad deze rekeningen vaststelt brengt de voorzitter
verslag uit over de toestand van het centrum en over het gevoerde beheer
tijdens het voorafgaande dienstjaar, inzake de uitvoering van de
begrotingsvooruitzichten evenals wat betreft de ontvangst en het gebruik van de
toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 7 augustus
1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en de wet van
2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het jaarverslag wordt vooraf samen
met de rekening, doch met uitsluiting van de verantwoordingsstukken, tenminste
zeven vrije dagen voor de vergadering aan elk raadslid meegedeeld.
De door
de raad vastgestelde rekeningen worden ten laatste op 1 juni volgend op
het sluiten van het dienstjaar onderworpen aan de goedkeuring van de
gemeenteraad. Het jaarverslag wordt als toelichting bij de rekeningen aan de
gemeenteraad meegedeeld.
De
beslissing dient aan het centrum doorgestuurd binnen de twee maanden na
ontvangst van de rekeningen, bij gebreke waarvan de gemeenteraad geacht wordt
de goedkeuring te hebben verleend.
Bij
niet-goedkeuring door de gemeenteraad worden de rekeningen samen met de
beslissingen van de gemeenteraad door de zorg van het centrum voor
1 augustus van het voormelde jaar, ter goedkeuring overgelegd aan de
Regering; de Regering stelt de rekeningen definitief vast.
Het
nazicht van de bewijsstukken door de afgevaardigden van de toezichthoudende
overheid gebeurt ter plaatse.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 16 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 31 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 50 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
2[§ 1
5[...]
§ 2
De raad
voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad en de ontvanger kunnen bij de
Vlaamse regering beroep instellen tegen de in artikel 89, § 2, bedoelde
besluiten van de provinciegouverneur.
Het
beroep moet worden ingediend binnen een termijn van dertig dagen ingaande de
dag na het versturen van het betwiste besluit.
De
Vlaamse regering spreekt zich over het ingesteld beroep uit binnen een termijn
van vijftig dagen ingaande de dag na het inkomen ervan en stelt de bedragen van
de jaarrekeningen vast.
§ 3
De
ontvanger kan beroep instellen bij 4[het administratief rechtscollege vermeld in artikel 13 van het
Gemeentedecreet]4 tegen de in artikel 89, §§ 2,
3 en 4, bedoelde besluiten inzake het verlenen van kwijting en inzake het
tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies.
Het
beroep moet worden ingediend binnen een termijn van 3[zestig]3 dagen ingaande de dag na het
versturen van het betwiste besluit. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging.
4[Het administratief rechtscollege
doet]4 uitspraak over de
aansprakelijkheid van de ontvanger, en bepaalt het bedrag van het tekort dat
dientengevolge te zijnen laste wordt gelegd of verleent definitief kwijting.
De
ontvanger wordt van elke aansprakelijkheid ontheven wanneer het tekort ontstaan
is door het afwijzen van uitgaven bij het definitief goedkeuren van de
rekeningen, indien hij die vereffend heeft overeenkomstig artikel 46, § 2.
Indien
het tekort toe te schrijven is aan het definitief afwijzen van bepaalde
uitgaven, kan de ontvanger de personen die op onregelmatige wijze deze uitgaven
goedgekeurd of bevolen hebben, ter verantwoording roepen teneinde de beslissing
voor hen bindend en tegenstelbaar te laten verklaren. In dat geval doet 4[het administratief rechtscollege
vermeld in artikel 13 van het Gemeentedecreet]4 ook uitspraak over de
aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.
De
beslissing van 4[het administratief rechtscollege
vermeld in artikel 13 van het Gemeentedecreet]4 wordt hoe dan ook eerst ten
uitvoer gelegd na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 4, derde
lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van
de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; indien
de ontvanger op dat ogenblik niet tot vrijwillige uitvoering is overgegaan,
wordt de beslissing ten uitvoer gelegd op de zekerheid en, voor het eventueel
resterend gedeelte, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op voorwaarde
evenwel dat tegen de beslissing geen beroep is ingesteld, zoals bedoeld in
artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
Wanneer
de ontvanger geen beroep instelt bij 4[het administratief rechtscollege vermeld in artikel 13 van het
Gemeentedecreet]4 en bij het verstrijken van de
daartoe vastgestelde termijn niet heeft voldaan aan het verzoek om te betalen,
wordt op dezelfde wijze overgegaan tot de tenuitvoerlegging, door de
rijksontvanger, bij door de bestendige deputatie uitvoerbaar verklaard
dwangbevel.]2
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 17 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)), onverminderd § 1 die in werking treedt op
6 februari 1998, met betrekking tot het dienstjaar 1999 en volgende,
waarbij “budget” desgevallend dient te worden gelezen als “begroting” (art. 27,
§ 1, 3°, zelf gewijzigd bij art. 11 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S.,
30 juni 1999 (tweede uitg.)).
§ 1
opgeheven bij art. 276, 84° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, x) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
§ 3
gewijzigd bij art. 8 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S.,
30 juni 1999 (tweede uitg.)) en bij art. 44 Decr. Vl. Parl.
7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met
ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 50 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Toekomstig recht
Artikel 90, §§ 2 en 3 wordt opgeheven bij
art. 276, 84° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen
datum (art. 285, § 1).
2[§ 1
5[...]
§ 2
6[...]
§ 3
5[...]]2
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 17 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
De raad
voor maatschappelijk welzijn en de betrokken gemeenteraad 1[...] kunnen in beroep gaan bij de
2[Regering]2 tegen de onder de artikelen 88 en
89 bedoelde besluiten van de bestendige deputatie. Het beroep moet ingediend
worden binnen dertig dagen na de betekening van het betwiste besluit.
De
gouverneur kan eveneens bij de 2[Regering]2 in beroep gaan tegen de voormelde
besluiten van de bestendige deputatie. Zijn beroep dient evenwel ingediend te
worden binnen tien dagen na de datum van het besluit dat er het voorwerp van
uitmaakt.
Van de
beroepen wordt, uiterlijk de dag nadat zij zijn ingediend, door degene die
bezwaar uitbrengt kennis gegeven aan de bestendige deputatie.
De
tenuitvoerlegging van het betwiste besluit is geschorst gedurende veertig dagen
te rekenen van de dag volgend op die waarop het beroep en de daarbij horende
stukken ontvangen werden. Indien de 2[Regering]2 binnen die termijn geen uitspraak
heeft gedaan, wordt het betwiste besluit van de bestendige deputatie
uitvoerbaar.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 50 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 1
1[Geen betaling uit de kas van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mag geschieden dan op grond van
een behoorlijk goedgekeurde op de begroting voorkomende post of bijzonder
krediet.
Geen
artikel van de uitgaven der begroting mag worden overschreden, met uitzondering
van de ambtshalve opgenomen uitgaven.
Geen
enkele overschrijving mag geschieden dan na een behoorlijk goedgekeurde
wijziging van de begroting. In de loop van het ganse begrotingsjaar mag de raad
voor maatschappelijk welzijn evenwel interne aanpassingen van de kredieten
uitvoeren binnen eenzelfde begrotingsenveloppe zonder het oorspronkelijke
totale bedrag van de enveloppe te overschrijden. De lijst van de krachtens deze
paragraaf overgeschreven kredieten wordt in bijlage aan de rekening toegevoegd.
Een
begrotingsenveloppe omvat de kredieten ingeschreven op de verschillende
artikelen die dezelfde economische aard hebben in eenzelfde functionele code;
de economische aard wordt vastgesteld aan de hand van de eerste twee cijfers
van de economische code.]1
§ 2
Wanneer
bij het afsluiten van een dienstjaar sommige posten bezwaard zijn met
regelmatig aangegane verbintenissen, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om
de schuld af te betalen, naar het volgende dienstjaar overgeschreven.
Te dien
einde overhandigt de raad voor maatschappelijk welzijn aan de ontvanger vóór
10 april van ieder jaar, in duplo, de per schuldvordering gedetailleerde
opgave van de sommen die ten bezware van elke post der afgesloten begroting in
de begroting van het volgende dienstjaar moeten worden overgeschreven. Een
exemplaar van deze opgave wordt daarna gevoegd bij de rekening van het
afgelopen dienstjaar, een ander bij die van het volgend dienstjaar.
Over de
aldus overgeschreven kredieten mag beschikt worden zonder een nieuwe beslissing
van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de toezichthoudende overheden.
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 51 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
2[§ 1
Onverminderd
de bepalingen van artikel 88, § 2, tweede lid, kan geen betaling uit
de kas van het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn geschieden dan op
grond van een behoorlijk goedgekeurde op de begroting ingeschreven post. Geen
artikel van de uitgaven der begroting mag worden overschreden, met uitzondering
van de uitgaven die krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie
ambtshalve worden opgenomen. Geen enkele overschrijving mag geschieden dan na
een behoorlijk goedgekeurde wijziging van de begroting. In de loop van het
ganse begrotingsjaar mag de raad voor maatschappelijk welzijn evenwel interne aanpassingen
van de kredieten uitvoeren binnen eenzelfde begrotingsenveloppe zonder het
oorspronkelijke totale bedrag van de enveloppe te overschrijden. Een
begrotingsenveloppe omvat de kredieten ingeschreven op de verschillende
artikelen die dezelfde economische aard hebben in eenzelfde subfunctie, waarbij
de economische aard wordt vastgesteld aan de hand van de eerste twee cijfers
van de economische code.
§ 2
Wanneer
bij het afsluiten van een dienstjaar sommige posten bezwaard zijn met
regelmatig aangegane verbintenissen, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om
de schuld af te betalen, ingeschreven op een deel van de allocatie van de
kredieten die naar het volgend dienstjaar moeten worden overgeschreven,
overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven door het Verenigd College.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 32 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
§ 1
vervangen bij art. 51 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
2[3[...]
Binnen
eenzelfde activiteitencentrum mag de enveloppe voor de uitgaven niet
overschreden worden, met uitzondering van de ambtshalve uitgaven en de door de
Vlaamse regering bepaalde uitgaven.
3[...]]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 18 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)) en gewijzigd bij art. 276, 85° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, y) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
vervangen bij art. 51 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Toekomstig recht
Artikel 91 wordt gewijzigd bij art. 276, 85°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van 1 januari 2014 (art. 206, 8°
B.Vl.Reg. 25 juni 2010 (BS 7 oktober 2010 (ed. 1)).
2[3[...]
4[...]
3[...]]2
§ 1
1[2[De kasuitgaven van het O.C.M.W.
zijn slechts toegelaten voor een op de begroting voorkomende post, een
voorlopig krediet toegekend onder de voorwaarden en binnen de door de Regering
vastgestelde perken, een krachtens het derde lid en § 2 overgedragen
krediet of een overeenkomstig artikel 88, § 2, toegekend krediet.]2
Geen
artikel van de uitgaven der begroting mag worden overschreden, met uitzondering
van de ambtshalve opgenomen uitgaven.
Geen
enkele overschrijving mag geschieden dan na een behoorlijk goedgekeurde
wijziging van de begroting. In de loop van het ganse begrotingsjaar mag de raad
voor maatschappelijk welzijn evenwel interne aanpassingen van de kredieten
uitvoeren binnen eenzelfde begrotingsenveloppe zonder het oorspronkelijke
totale bedrag van de enveloppe te overschrijden. De lijst van de krachtens deze
paragraaf overgeschreven kredieten wordt in bijlage aan de rekening toegevoegd.
Een
begrotingsenveloppe omvat de kredieten ingeschreven op de verschillende
artikelen die dezelfde economische aard hebben in eenzelfde functionele code;
de economische aard wordt vastgesteld aan de hand van de eerste twee cijfers
van de economische code.]1
§ 2
2[Wanneer bij het afsluiten van een
boekjaar sommige posten bezwaard zijn met verbintenissen die regelmatig en
werkelijk werden aangegaan ten gunste van de schuldeisers van het centrum,
wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de uitgave af te betalen, naar het
volgende boekjaar overgedragen bij beslissing van de raad voor maatschappelijk
welzijn, die bij de rekening van het afgesloten boekjaar gevoegd wordt.
De aldus
overgedragen kredieten kunnen gebruikt worden zonder een nieuwe beslissing van
de raad voor maatschappelijk welzijn en van de toezichthoudende overheden.]2
2[§ 3
De leden
van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het orgaan waaraan dit laatste
een bevoegdheid heeft verleend, zijn persoonlijk verantwoordelijk voor de
uitgaven die ze in strijd met § 1 vastleggen of betaalbaar stellen.]2
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 51 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en gewijzigd bij art. 22, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).
§ 2
vervangen bij art. 22, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 3
ingevoegd bij art. 22, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Bij
weigering van of vertraging in het betaalbaar stellen van het bedrag der
uitgaven die de wet aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn oplegt,
beveelt 1[het Verenigd College]1 de betaling daarvan, na de raad
voor maatschappelijk welzijn gehoord te hebben. Zijn beslissing geldt als
bevelschrift tot betaling; de ontvanger van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn is verplicht, onder zijn persoonlijke
verantwoordelijkheid, het bedrag te betalen. Indien hij weigert, kan tegen hem
opgetreden worden door middel van een dwangbevel overeenkomstig artikel 46,
§ 1, laatste lid.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 33 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 85° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, z) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 19 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari 1998),
met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden voor
maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
1[Bij weigering van of vertraging
in het betaalbaar stellen van het bedrag der uitgaven die de wet aan de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn oplegt, beveelt de Regering de
betaling daarvan, na de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord te hebben.
Haar beslissing geldt als bevelschrift tot betaling; de ontvanger van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is verplicht, onder zijn
persoonlijke verantwoordelijkheid, het bedrag te betalen. Indien hij weigert,
kan tegen hem opgetreden worden door middel van een dwangbevel overeenkomstig
artikel 46, § 1, laatste lid.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 18 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
1[Als de betaalbaarstelling van het
bedrag van de uitgaven die krachtens de wet of een uitvoerbare rechterlijke
beslissing ten laste komen van de O.C.M.W.'s, geweigerd of vertraagd wordt,
geeft de gouverneur bevel tot betaling, na de raad voor maatschappelijk welzijn
te hebben gehoord; door de betaling van het bedrag wordt het krediet van
ambtswege op de begroting van het lopende boekjaar geboekt.]1 Zijn beslissing geldt als
bevelschrift tot betaling; de ontvanger van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn 1[of
de penningmeester van het ziekenhuis]1 is verplicht, onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, het
bedrag te betalen. Indien hij weigert, kan tegen hem opgetreden worden door
middel van een dwangbevel overeenkomstig artikel 46, § 1, laatste lid.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 23 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Op het
einde van elk trimester moet de raad voor maatschappelijk welzijn, die een of
meer van zijn leden daartoe aanstelt, de kas en de boeken van de ontvanger
nazien en het proces-verbaal van de vaststellingen opmaken naar een formulier
dat is opgelegd door de Minister tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk
welzijn behoort. Dat proces-verbaal wordt aan het college van burgemeester en
schepenen gezonden.
1[§ 1
Elk
trimester moet de raad voor maatschappelijk welzijn, die een of meer van zijn
leden daartoe aanstelt, de kas en de boeken van de ontvanger nazien en het
proces-verbaal van de vaststellingen opmaken waarvan het model wordt bepaald
door het Verenigd College. Dat proces-verbaal wordt aan het college van
burgemeester en schepenen gezonden.
§ 2
De
ontvanger brengt de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk op de hoogte
van elk tekort wegens diefstal of verlies.
Overeenkomstig
§ 1 wordt onmiddellijk een kascontrole uitgevoerd om het bedrag van het
tekort vast te stellen.
Het proces-verbaal
van de kascontrole wordt aangevuld met een feitenrelaas en een verslag over de
bewarende maatregelen die de ontvanger heeft genomen.
§ 3
Wanneer
de kascontrole op een tekort wijst, verzoekt de raad voor maatschappelijk
welzijn de ontvanger bij ter post aangetekende brief het bedrag van het tekort
op de rekening van het centrum te storten.
In het in
§ 2 bedoelde geval, moet het verzoek worden voorafgegaan door een
beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn waarbij bepaald wordt of en
in welke mate de ontvanger aansprakelijk gesteld moet worden voor de diefstal
of het verlies en waarbij het door hem te betalen bedrag van het tekort wordt
vastgesteld; een afschrift van deze beslissing wordt gevoegd bij het tot hem
gerichte verzoek om betaling.
§ 4
Binnen
zestig dagen na deze betekening kan de ontvanger een beroep instellen bij het
rechtscollege; dit beroep schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de
raad voor maatschappelijk welzijn.
Het
hierboven bedoeld college beslist over de aansprakelijkheid van de ontvanger en
stelt het bedrag van het tekort vast dat hij dienovereenkomstig moet betalen.
De
ontvanger wordt van elke verantwoordelijkheid ontheven als het tekort toe te
schrijven is aan de verwerping van uitgaven van definitieve rekeningen, wanneer
hij deze heeft gedaan overeenkomstig artikel 46, § 1. Voor zover het
tekort aan de definitieve verwerping van sommige uitgaven toe te schrijven is,
kan de ontvanger een beroep doen op de leden van de raad voor maatschappelijk
welzijn of van het bevoegde orgaan die, buiten zijn medeweten, deze uitgaven
onregelmatig zouden hebben vastgelegd of betaalbaar gesteld, opdat de
beslissing hen gemeen en inroepbaar zou worden verklaard; in dit geval spreekt
het rechtscollege zich ook uit over de aansprakelijkheid van de interveniënten.
In elk
geval wordt de beslissing van het rechtscollege slechts uitgevoerd na het
verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep tot vernietiging
bij de Raad van State; indien de ontvanger dan zijn taak niet vrijwillig heeft
vervuld, wordt de beslissing uitgevoerd op de zekerheid, en, voor het eventuele
overige, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op voorwaarde echter dat
ze niet het voorwerp is geweest van beroep bedoeld in artikel 14 van de
gecoördineerde wetten op de Raad van State is ingesteld.
Wanneer
de ontvanger geen beroep instelt bij de administratieve rechtsmacht en het
verzoek om betaling niet inwilligt na het verstrijken van de toegestane
termijn, wordt eveneens gehandeld door middel van een dwangbevel.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 34 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Ministerieel besluit van 26 november 1998 tot
vaststelling, in uitvoering van artikel 93 van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
van het formulier met toepassing van controle van de kas en de boekingen van
de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de uitvoeringsregels van dit onderzoek
(B.S., 23 januari 1999) |
Verwijzingen
Zie M.B.
23 juni 1977 houdende bepaling van het model van het proces-verbaal van
onderzoek van de kas van de ontvanger van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 8 juli 1977) gewijzigd bij M.B.
16 september 1977 (B.S., 28 oktober 1977).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 87° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, z) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 20 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
1[§ 1
De raad
voor maatschappelijk welzijn, of de door hem aangewezen leden, controleert de
kas van de plaatselijke ontvanger minstens één keer per trimester en neemt zijn
opmerkingen en die van de ontvanger op in een proces-verbaal dat ondertekend
wordt door de ontvanger en de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn
die de controle hebben uitgevoerd.
Het
proces-verbaal, waarvoor het door de Regering bepaalde formulier moet worden
gebruikt, wordt overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan het
2[gemeentelijk college]2.
Als de
plaatselijke ontvanger belast is met verschillende openbare kassen, worden deze
gelijktijdig gecontroleerd.
§ 2
De
plaatselijke ontvanger brengt de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk
op de hoogte van elk tekort wegens diefstal of verlies.
Overeenkomstig
§ 1 wordt onmiddellijk een kasinspectie uitgevoerd om het bedrag van het
tekort vast te stellen.
Het
proces-verbaal van de kasinspectie wordt aangevuld met een feitenrelaas en een
verslag over de bewarende maatregelen die de ontvanger heeft genomen.
§ 3
Wanneer
de kasinspectie op een tekort wijst, met name na verwerping van sommige
uitgaven van definitieve rekeningen, verzoekt de raad voor maatschappelijk
welzijn de ontvanger bij ter post aangetekende brief het bedrag van het tekort
op de rekening van het O.C.M.W. te storten.
In het in
§ 2 bedoelde geval moet het verzoek voorafgegaan worden door een
beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn waarbij bepaald wordt of en
in welke mate de ontvanger aansprakelijk gesteld moet worden voor de diefstal of
het verlies en waarbij het door hem te betalen bedrag van het tekort wordt
vastgesteld; een afschrift van deze beslissing wordt bij het verzoek om
betaling gevoegd.
§ 4
Binnen
zestig dagen na deze betekening kan de ontvanger een beroep bij de bestendige
deputatie instellen; dit beroep schorst de tenuitvoerlegging.
De
bestendige deputatie beslist als administratief gerecht over de
aansprakelijkheid van de ontvanger en stelt het bedrag van het tekort vast dat
hij dienovereenkomstig moet betalen; de Regering regelt de procedure.
De
ontvanger wordt van elke verantwoordelijkheid ontheven als het tekort toe te
schrijven is aan de verwerping van uitgaven van definitieve rekeningen, wanneer
hij deze heeft gedaan overeenkomstig artikel 46, § 1, eerste lid.
Voor zover
het tekort aan de definitieve verwerping van sommige uitgaven toe te schrijven
is, kan de ontvanger een beroep doen op de leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn of van het bevoegde orgaan die deze uitgaven
onregelmatig zouden hebben vastgelegd of betaalbaar gesteld, opdat de
beslissing hen gemeen en inroepbaar zou worden verklaard; in dit geval spreekt
de bestendige deputatie zich ook uit over de aansprakelijkheid van de
interveniënten.
In elk
geval wordt de beslissing van de bestendige deputatie slechts uitgevoerd na het
verstrijken van de termijn voor het instellen van een beroep tot
nietigverklaring bij de Raad van State. Indien de ontvanger dan zijn taak niet
vrijwillig heeft vervuld, wordt de beslissing uitgevoerd op de zekerheid en,
voor het eventuele overige, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op
voorwaarde echter dat ze niet het voorwerp is geweest van het beroep bedoeld in
artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
Wanneer
de ontvanger geen beroep instelt bij de bestendige deputatie en het verzoek om
betaling niet inwilligt na het verstrijken van de toegestane termijn, wordt
eveneens gehandeld door middel van een dwangbevel.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 24 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april
1998), met ingang van 1 januari 1998 (art. 35).
§ 1
gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 1
Per
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt door de gouverneur een uit
ambtenaren bestaande externe auditcommissie opgericht.
Deze oefent
controle uit op de getrouwheid van de boekhouding van het centrum, inzonderheid
op de jaarrekening en op de driemaandelijkse rapportage.
§ 2
De
auditcommissie kan te allen tijde ter plaatse inzage nemen van de boeken,
brieven, notulen en in het algemeen van alle documenten en geschriften van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Ze kan van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en
alle verificaties verrichten die het nodig acht.
De auditcommissie
kan vorderen in de zetel van de instelling in het bezit te worden gesteld van
inlichtingen betreffende verbonden instellingen, voor zover ze deze
inlichtingen nodig acht om de financiële toestand te controleren.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 21 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
Toekomstig recht
Artikel 93bis wordt opgeheven bij art. 276, 88°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum
(art. 285, § 1).
2[...]
]1
3[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 9 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998),
met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S.,
12 september 1998)) en opgeheven bij art. 276, 89° Decr. Vl. Parl.
19 december 2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met
ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009
(BS 29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 5 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004).
1[§ 1
5[De Regering]5 kan voor sommige diensten en
inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van
inventarissen en de boekhouding.
§ 2
De
ziekenhuizen die afhangen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
worden beheerd door een beheerscomité waarvan 5[de Regering]5 5[...] de samenstelling en de
werking bepaalt.
Het
beheerscomité dient evenwel dusdanig te worden samengesteld dat de meerderheid
van de stemgerechtigde leden tot de raad voor maatschappelijk welzijn behoort;
deze worden verkozen overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde lid.
Het
beheerscomité wordt van rechtswege voorgezeten door de voorzitter van de raad
of zijn afgevaardigde.
§ 3
Het
beheerscomité van het ziekenhuis is bevoegd om namens de raad voor maatschappelijk
welzijn:
|
a)alle daden van dagelijks beheer te stellen die
krachtens de wet niet uitdrukkelijk aan de raad zijn voorbehouden; |
|
b)binnen de goedgekeurde personeelsformatie personeel
contractueel aan te werven en te ontslaan; |
|
c)3[zolang
de beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht is, besluiten
te nemen inzake de opdrachten voor werken en leveringen van goederen en
diensten, tot het maximumbedrag van 6[125.000 €]6,
met inbegrip van de modaliteiten van financiering van deze opdrachten;]3 |
|
d)2[de
kostprijs te bepalen die het ziekenhuis dient te factureren voor de levering
van goederen en diensten aan andere diensten en inrichtingen van het centrum
of aan derden; |
|
e)met betrekking tot het ziekenhuis de beslissingen te
nemen tot toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de
uitvoering van de programma's ter bevordering van de werkgelegenheid.]2 |
§ 4
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan andere bevoegdheden aan het beheerscomité
overdragen. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken.
2[§ 4bis
5[De Regering]5 kan, 5[...], de bevoegdheden van het
Beheerscomité, bedoeld in § 3, onder de door hem bepaalde voorwaarden,
uitbreiden.]2
§ 5
Van
iedere beslissing die door het beheerscomité namens de raad voor
maatschappelijk welzijn genomen wordt, wordt binnen vijftien dagen een
afschrift aan de raad gezonden.
Voor de
handelingen van het beheerscomité die namens de raad worden verricht en
waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring
of machtiging is vereist, dient de beslissing van het beheerscomité
rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende
overheden als dit het geval zou zijn geweest indien de raad daaromtrent zelf
een beslissing had genomen.
§ 6
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan geen beslissingen met financiële weerslag voor
het ziekenhuis nemen dan nadat het beheerscomité hierover advies heeft
uitgebracht. 5[De Regering]5 bepaalt de termijn binnen dewelke
het beheerscomité advies dient uit te brengen.
De in het
vorige lid vastgestelde procedure geldt eveneens ten aanzien van 3[de algemene beleidsnota en de
verklarende en stavende nota waarvan sprake is in artikel 88, §§ 1 en 3,]3 de benoeming, de bevordering en
het in disponibiliteit stellen van statutaire personeelsleden die voor het
ziekenhuis werken, alsmede voor de toepassing van tuchtstraffen op deze
personeelsleden.
3[Het advies aangaande de
beleidsnota's vermeld in het vorige lid kan alleen slaan op het beheer en de
uitbating van de instelling die onder de bevoegdheid van het beheerscomité
ressorteert.]3
De
beslissingen van de raad die afwijken van het advies van het beheerscomité
dienen met redenen te worden omkleed.
De in het
tweede lid bedoelde bevoegdheden worden evenwel uitsluitend door de raad
uitgeoefend ten aanzien van de personeelsleden die in het beheerscomité zitting
hebben.
§ 7
5[De Regering]5 kan voor het beheer van de
ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een
gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1
2[§ 8
Het in
paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de
paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt
omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte
hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van
27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en
betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de
boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het
personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het
ziekenhuis.]2
2[Wanneer een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn een ziekenhuis beheert onder de vorm van een vereniging
opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet, wordt het gedeelte van een
ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfdienst voor de opneming van
personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5,
§ 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de
ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzoging, door het O.C.M.W.
beheerd.]2
4[§ 9
Indien
een plan, zoals bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op de
ziekenhuizen, niet wordt ingediend, goedgekeurd of uitgevoerd overeenkomstig de
regelen uitgevaardigd door 5[de
Regering]5 krachtens het voormelde artikel,
zal het Beheerscomité van het ziekenhuis worden uitgebreid met deskundigen
aangeduid door de Gemeenteraad van de gemeente wier openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn het ziekenhuis beheert.
Onverminderd
de verkiezingsmodaliteiten voor de samenstelling van het Beheerscomité van het
ziekenhuis, zoals voozien in artikel 27, § 3, vierde lid, van deze wet, is
inzake de leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn lid twee van § 2
van dit artikel niet van toepassing ingeval van aanwijzing van de in het vorige
lid bedoelde deskundigen.
5[De Regering]5 bepaalt de regelen voor de
toepassing van dit artikel.]4
4[§ 10
Zolang de
beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht zijn, kan het
Beheerscomité bepaalde van zijn bevoegdheden delegeren aan de directeur van het
ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken.
Voor de
handelingen van de directeur die namens het Beheerscomité worden verricht en
waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring
of machtiging is vereist, dient de beslissing van de Directeur rechtstreeks te
worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als
dit het geval zou zijn geweest indien het Beheerscomité daaromtrent zelf een
beslissing had genomen.]4
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 6 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984).
§§ 1 en 2
gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 3, enig
lid:
|
–c) vervangen bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S.,
5 januari 1989) en gewijzigd bij art. 55 Decr. D. Gem. R.
7 januari 2002 (B.S., 12 september 2002 (tweede uitg.)), met
ingang van 1 januari 2002 (art. 64); |
|
–d) en e) ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430,
5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986). |
§ 4bis
ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S.,
21 augustus 1986) en gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei
1995 (B.S., 30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996
(art. 30).
§§ 6 en 7
gewijzigd bij art. 9 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989) en bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december
1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 8
ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S.,
21 augustus 1986).
§ 9
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989) en gewijzigd bij art. 29 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S.,
30 december 1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 10
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 31 december 1983 tot
vaststelling van de regelen volgens dewelke de gemeenten die in het tekort
van openbare ziekenhuizen bijdragen aan het beheer van deze instellingen
deelnemen (B.S., 20 januari 1984) |
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende
bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van
de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13
augustus 1985) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 1 april 1999
betreffende het beheersplan van de ziekenhuizen die afhangen van openbare
centra voor maatschappelijk welzijn of van verenigingen die onder de
toepassing vallen van hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
4 juni 1999) |
1[§ 1
6[Het Verenigd College]6 kan voor sommige diensten en
inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van
inventarissen en de boekhouding.
§ 2
De
ziekenhuizen die afhangen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
worden beheerd door een beheerscomité waarvan 6[het Verenigd College]6 de samenstelling en de werking
bepaalt.
Het
beheerscomité dient evenwel dusdanig te worden samengesteld dat de meerderheid
van de stemgerechtigde leden tot de raad voor maatschappelijk welzijn behoort;
deze worden verkozen overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde lid.
Het
beheerscomité wordt van rechtswege voorgezeten door de voorzitter van de raad
of zijn afgevaardigde.
§ 3
Het
beheerscomité van het ziekenhuis is bevoegd om namens de raad voor
maatschappelijk welzijn:
|
a)alle daden van dagelijks beheer te stellen die
krachtens de wet niet uitdrukkelijk aan de raad zijn voorbehouden; |
|
b)binnen de goedgekeurde personeelsformatie personeel
contractueel aan te werven en te ontslaan; |
|
c)4[zolang
de beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht is, besluiten
te nemen inzake de opdrachten voor werken en leveringen van goederen en
diensten, tot het maximumbedrag van 5.000.000 frank, met inbegrip van de
modaliteiten van financiering van deze opdrachten;]4 |
|
d)2[de
kostprijs te bepalen die het ziekenhuis dient te factureren voor de levering
van goederen en diensten aan andere diensten en inrichtingen van het centrum
of aan derden; |
|
e)met betrekking tot het ziekenhuis de beslissingen te
nemen tot toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de
uitvoering van de programma's ter bevordering van de werkgelegenheid.]2 |
§ 4
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan andere bevoegdheden aan het beheerscomité
overdragen. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken.
4[§ 4bis
6[Het Verenigd College kan, onder
de voorwaarden die het bepaalt]6, de bevoegdheden van het Beheerscomité, bedoeld in § 3,
uitbreiden.]4
§ 5
Van
iedere beslissing die door het beheerscomité namens de raad voor
maatschappelijk welzijn genomen wordt, wordt binnen vijftien dagen een
afschrift aan de raad gezonden.
Voor de
handelingen van het beheerscomité die namens de raad worden verricht en
waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring
of machtiging is vereist, dient de beslissing van het beheerscomité
rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde
toezichthoudende overheden als dit het geval zou zijn geweest indien de raad
daaromtrent zelf een beslissing had genomen.
§ 6
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan geen beslissingen met financiële weerslag voor
het ziekenhuis nemen dan nadat het beheerscomité hierover advies heeft
uitgebracht.6[Het Verenigd College]6 bepaalt de termijn binnen dewelke
het beheerscomité advies dient uit te brengen.
De in het
vorige lid vastgestelde procedure geldt eveneens ten aanzien van 3[de algemene beleidsnota en de
verklarende en stavende nota waarvan sprake is in artikel 88, §§ 1 en 3,]3 de benoeming, de bevordering en
het in disponibiliteit stellen van statutaire personeelsleden die voor het
ziekenhuis werken, alsmede voor de toepassing van tuchtstraffen op deze
personeelsleden.
3[Het advies aangaande de
beleidsnota's vermeld in het vorige lid kan alleen slaan op het beheer en de
uitbating van de instelling die onder de bevoegdheid van het beheerscomité
ressorteert.]3
De
beslissingen van de raad die afwijken van het advies van het beheerscomité
dienen met redenen te worden omkleed.
De in het
tweede lid bedoelde bevoegdheden worden evenwel uitsluitend door de raad
uitgeoefend ten aanzien van de personeelsleden die in het beheerscomité zitting
hebben.
§ 7
6[Het Verenigd College]6 kan voor het beheer van de
ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een
gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1
2[§ 8
Het in
paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de
paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt
omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte
hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van
27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en
betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de
boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het
personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het
ziekenhuis.]2
5[Wanneer een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn een ziekenhuis beheert onder de vorm van een vereniging
opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet, wordt het gedeelte van een
ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfdienst voor de opneming van
personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5,
§ 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de
ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzoging, door het O.C.M.W.
beheerd.]5
4[§ 9
Indien
een plan, zoals bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op de
ziekenhuizen, niet wordt ingediend, goedgekeurd of uitgevoerd overeenkomstig de
regelen uitgevaardigd door de Koning krachtens het voormelde artikel, zal het
Beheerscomité van het ziekenhuis worden uitgebreid met deskundigen aangeduid
door de Gemeenteraad van de gemeente wier openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn het ziekenhuis beheert.
Onverminderd
de verkiezingsmodaliteiten voor de samenstelling van het Beheerscomité van het
ziekenhuis, zoals voozien in artikel 27, § 3, vierde lid, van deze wet, is
inzake de leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn lid twee van § 2
van dit artikel niet van toepassing ingeval van aanwijzing van de in het vorige
lid bedoelde deskundigen.
6[Het Verenigd College]6 bepaalt de regelen voor de
toepassing van dit artikel.
§ 10
Zolang de
beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht zijn, kan het
Beheerscomité bepaalde van zijn bevoegdheden delegeren aan de directeur van het
ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken.
Voor de
handelingen van de directeur die namens het Beheerscomité worden verricht en
waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring
of machtiging is vereist, dient de beslissing van de Directeur rechtstreeks te
worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als
dit het geval zou zijn geweest indien het Beheerscomité daaromtrent zelf een
beslissing had genomen.]4
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 6 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984).
§ 1
gewijzigd bij art. 35, 1° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
§ 2
gewijzigd bij art. 35, 2° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
§ 3:
|
–c) vervangen bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S.,
5 januari 1989); |
|
–d) en e) ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430,
5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986). |
§ 4bis
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989) en gewijzigd bij art. 35, 3° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm.
3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
§ 6
gewijzigd bij art. 9 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989) en bij art. 35, 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
§ 7
gewijzigd bij art. 35, 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003
(B.S., 18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004
(art. 52).
§ 8
ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S.,
21 augustus 1986) en gewijzigd bij art. 3 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm.
22 december 1995 (B.S., 7 februari 1996).
§ 9
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989) en gewijzigd bij art. 35, 4° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm.
3 juni 2003 (B.S., 18 juni 2003), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
§ 10
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december
1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 31 december 1983 tot
vaststelling van de regelen volgens dewelke de gemeenten die in het tekort
van openbare ziekenhuizen bijdragen aan het beheer van deze instellingen deelnemen
(B.S., 20 januari 1984) |
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende
bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van
de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13
augustus 1985) |
Geselecteerde
rechtspraak
Het advies van
het beheerscomité, bedoeld in art. 94, § 6 (zoals die bepaling thans nog
geldt voor tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad), heeft o.m. tot doel aan de raad
voor maatschappelijk welzijn alle objectieve gegevens te verstrekken voor de
uitspraak van tuchtmaatregelen. Dit advies dat een weerslag kan hebben op de
beslissing, moet aan het personeelslid voor zijn onderhoor worden meegedeeld
opdat hij zijn verdediging op grond van een volledig dossier zou kunnen
voordragen (R.v.St. nr. 34.885, 11 mei 1990).
Art. 94 bevat
voor de O.C.M.W.-ziekenhuizen een uitgewerkte regeling van verplicht
afzonderlijk beheer en van specifieke organisatie. De wet bepaalt m.a.w.
uitdrukkelijk op welke wijze een O.C.M.W. zijn ziekenhuis moet beheren (R.v.St.
nr. 49.708, 17 oktober 1994).
1[§ 1
De 5[Regering]5 kan voor sommige diensten en
inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van
inventarissen en de boekhouding.
§ 2
5[Het ziekenhuis dat van een
O.C.M.W. afhangt, wodt beheerd door een beheerscomité dat van rechtswege
voorgezeten wordt door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn
of door het raadslid dat hem vervangt.
Het
beheerscomité bestaat uit de voorzitter en uit vijf leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn. Het wijst onder zijn leden een vice-voorzitter aan
wiens bevoegdheden in het huishoudelijk reglement vastgelegd zijn. Bij staking
van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
De
secretaris van het centrum, de directeur van het ziekenhuis, de hoofdgeneesheer,
het hoofd van de verpleegafdeling, de penningmeester en de rekenplichtige
hebben zitting met raadgevende stem binnen het beheerscomité.
De
burgemeester of het door hem aangewezen lid van het college en een persoon die
door het 6[gemeentelijk college]6 aangewezen wordt op grond van
zijn bevoegdheden inzake ziekenhuisbeheer, wonen de zittingen van het
beheerscomité bij met raadgevende stem.
Het
beheerscomité kan andere al dan niet in het ziekenhuis tewerkgestelde personen
oproepen voor vergaderingen om gehoord te worden als deskundigen inzake
bepaalde aangelegenheden. Zij moeten de zaal verlaten vóór iedere stemming of
vooraleer het comité een beslissing neemt.
Voor de
verkiezing van de leden van het vast bureau worden de leden van het beheerscomité
door de raad aangewezen overeenkomstig de regels van artikel 27, § 3,
vierde, vijfde, zesde en zevende lid.
De
opdracht tot ondertekening van de voorzitter wordt mutatis mutandis geregeld
bij artikel 28, § 2, tweede lid, van de wet.]5
§ 3
5[Het beheerscomité van het
ziekenhuis regelt alles wat het ziekenhuis betreft, behalve de volgende
aangelegenheden die door de raad voor maatschappelijk welzijn geregeld worden:
|
–de begroting en begrotingswijzigingen; |
|
–de rekeningen; |
|
–het uitwerken van een beheersplan voor het ziekenhuis; |
|
–de personeelsformatie, het administratief en geldelijk
statuut van het ziekenhuispersoneel; |
|
–het arbeidsreglement dat van toepassing is op het
contractuele personeel van het ziekenhuis; |
|
–de vaste benoeming, de bevordering, de tuchtstraffen en
het in disponibiliteit stellen van het ziekenhuispersoneel; |
|
–het algemeen reglement tot regeling van de juridische
betrekkingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren; |
|
–de werving bij arbeidsovereenkomst of het ontslag van
de personeelsleden die met raadgevende stem zitting hebben binnen het
beheerscomité; |
|
–de toetreding tot een vereniging, zoals bepaald in
hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 augustus 1976 betreffende de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of tot een intercommunale; |
|
–de oprichting van nieuwe diensten en de uitbreiding van
bestaande structuren in het kader van het ziekenhuis; |
|
–de vervreemding en de aankoop van onroerende goederen; |
|
–het instellen van een beroep bij de Raad van State en
de rechtbanken; |
|
–de onteigeningen; |
|
–de giften en legaten; |
|
–de oprichting van en de toetreding tot een vereniging
zonder winstoogmerk, overeenkomstig artikel 79, § 3; |
|
–de rechtstreekse of onrechtstreekse overdracht van
ziekenhuisactiviteiten en de aankoop of overdracht van ziekenhuisbedden; |
|
–de aanwijzing van een bijzondere ontvanger voor het
ziekenhuis; |
|
–de vaststelling van de zekerheid van de bijzondere
ontvanger. |
Onder
voorbehoud van artikel 88, § 1, kan de raad voor maatschappelijk welzijn
de in het eerste lid bedoelde beslissingen slechts nemen na advies van het
beheerscomité van het ziekenhuis.
Indien
het beheerscomité geen advies heeft uitgebracht binnen twee maanden na de dag
waarop het het dossier heeft ontvangen, kan de procedure zonder zijn advies
worden voortgezet.
De raad
voor maatschappelijk welzijn moet zich uitspreken binnen één maand na de
betekening van het advies van het beheerscomité. Bij gebreke hiervan kan het
beheerscomité van het ziekenhuis de plaats innemen van de raad voor maatschappelijk
welzijn om de beslissing te nemen waarover het een advies heeft uitgebracht.]5
§ 4
5[De directeur van het ziekenhuis
behandelt de zaken, leidt de bestuurstaken, neemt het dagelijks beheer van het
ziekenhuis waar en bewaart de archieven ervan onder het toezicht van het
beheerscomité. De directeur is het hoofd van het ziekenhuispersoneel,
onverminderd het feit dat de secretaris bevoegd blijft om de dossiers te
behandelen die onder de bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn
vallen.
De directeur
moet de notulen van de vergaderingen van het beheerscomité van het ziekenhuis
opmaken. Hij is verantwoordelijk voor de opneming van deze notulen en van de
beraadslagingen van het beheerscomité in de daarvoor bestemde registers.
De
notulen en beraadslagingen worden door de voorzitter en de directeur
ondertekend.
De
directeur is verantwoordelijk voor zijn handelingen ten overstaan van het
beheerscomité.
Ten
gevolge van de beslissing tot betaalbaarstelling of invordering door het
bevoegde orgaan laat de directeur de bevelschriften tot betaling alsmede de
invorderingsstaten opmaken. Zij worden door de voorzitter en de directeur
ondertekend. De directeur maakt de voorontwerpen van de begroting van het
ziekenhuis op.
De
directeur moet zich richten naar de voorschriften die hem door de voorzitter en
de raad voor maatschappelijk welzijn of het beheerscomité worden opgelegd naar
gelang van hun respectievelijke bevoegdheden.
De
directeur handelt in nauwe samenwerking met de verantwoordelijken voor de
verschillende aspecten van de ziekenhuisactiviteiten, alsmede met de
verantwoordelijken voor de activiteiten van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn.
Het
beheerscomité kan welbepaalde bevoegdheden opdragen aan de directeur en aan de
personen die het belast heeft met het algemeen en dagelijks bestuur van het
ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan echter ieder ogenblik geheel
of gedeeltelijk ingetrokken worden.
De
directeur van het ziekenhuis kan zijn ondertekening opdragen met de goedkeuring
van het beheerscomité.
Voor de
handelingen van de overheid waaraan het beheerscomité machtiging heeft
verleend, is de beslissing rechtstreeks onderworpen aan de beoordeling van
dezelfde toezichthoudende overheden, zoals dat het geval zou zijn geweest
indien het beheerscomité zelf een beslissing daarover had genomen.]5
4[§ 4bis
5[...]]4
§ 5
5[Behoudens de aanwijzing van een
bijzondere ontvanger door de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt het ambt
van penningmeester van het ziekenhuis uitgeoefend door de ontvanger van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
De
penningmeester is verantwoordelijk voor de ontvangsten en uitgaven van het
ziekenhuis en moet de rekeningen aan het beheerscomité van het ziekenhuis
voorleggen.
Wat de
ziekenhuisactiviteiten betreft, staat de penningmeester onder het gezag van het
beheerscomité, mits inachtneming van de wetsvoorschriften betreffende zijn
verantwoordelijkheid.
De
bepalingen die op de ontvanger van toepassing zijn wat de zekerheid betreft, de
vervanging in geval van afwezigheid, de eindrekening en het kastekort alsmede
de artikelen 92 en 115 zijn van toepassing op de penningmeester.
De boeken
van het ziekenhuis worden gehouden door een speciaal daarvoor aangewezen
rekenplichtige. Hij moet zich houden naar de richtlijnen van de directeur.]5
§ 6
5[Een afschrift van iedere
beslissing van het beheerscomité, van de directeur van het ziekenhuis of de
gemachtigde diensthoofden wordt binnen vijftien dagen na goedkeuring ervan aan
de raad voor maatschappelijk welzijn overgemaakt.]5
§ 7
De 5[Regering]5 kan voor het beheer van de
ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een
gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1
2[§ 8
Het in
paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de
paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt
omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte
hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van
27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en
betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de boekhouding,
de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het personeelskader van
deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het ziekenhuis.]2
4[§ 9
5[Het beheer van het ziekenhuis dat
van een O.C.M.W. afhangt, kan het voorwerp uitmaken van een beheersovereenkomst
die door het centrum en de gemeente gesloten wordt na overleg met het
beheerscomité en na advies van de medische raad en van het
vakbondsoverlegcomité.
De
beheersovereenkomst wordt gesloten voor de duur van de uitoefening van de mandaten
van de adviseurs voor maatschappelijk welzijn ten gevolge van de volledige
hernieuwing van de raad. Ze kan gewijzigd worden volgens dezelfde procedure als
die voor haar goedkeuring.
De
beheersovereenkomst bepaalt:
|
a.de van het ziekenhuis verwachte opdrachten en de taken
die het vervult in het kader van zijn openbare opdrachten zonder te mogen
afwijken van de opdrachten die het moet vervullen krachtens de organieke wet
van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn; |
|
b.de voorschriften voor de uitoefening van een
betaalbare geneeskunde van hoog niveau, met inbegrip van de perken van
eventuele tarifering van de verleende diensten, ten behoeve van iedereen,
ongeacht het inkomstenniveau, de verzekeringsmogelijkheden, de herkomst en
filosofische opvattingen; |
|
c.de wijze waarop de patiënten in kennis gesteld worden
van de toegepaste prijzen en de waarborg voor de inachtneming ervan; |
|
d.de budgettaire doelstellingen; |
|
e.de organisatie van de diensten die samenwerken met de
andere diensten van het O.C.M.W. en/of van de gemeente; |
|
f.de te halen doelstellingen inzake het financiële
evenwicht en de aanvullende voorschriften om het O.C.M.W. en de gemeente op
de hoogte te houden van de begroting en de rekeningen van het ziekenhuis; |
|
g.de voorschriften om het in acht te nemen.]5]4 |
4[§ 10
5[De begroting van het ziekenhuis
moet sluitend zijn. Bij gebreke hiervan moet het ziekenhuis uiterlijk binnen
zes maanden na de goedkeuring van zijn begroting door de gemeenteoverheid aan
een beheersplan onderworpen worden.
Het
beheersplan wordt na advies van het beheerscomité door de raad voor
maatschappelijk welzijn opgemaakt en door de gemeenteraad goedgekeurd. Het
voorziet in de maatregelen die het ziekenhuis moet treffen om het financiële
evenwicht te bereiken of te handhaven, met inbegrip van de maatregelen voor de
controle en het toezicht op de goede uitvoering ervan.
Binnen de
door de Regering bepaalde perken kan de gemeenteraad de raad voor
maatschappelijk welzijn bij een met redenen omklede beslissing vrijstellen van
het opmaken van een dergelijk plan.
Indien de
gemeente verzoekt om de tussenkomst van het “Centre régional d'aide aux
communes” (Gewestelijk Hulpcentrum voor Gemeenten), wordt het beheersplan
opgemaakt onder de door de Regering bepaalde voorwaarden. Het wordt door de
gemeenteraad en de Regering goedgekeurd. Iedere wijziging in het beheersplan
wordt aan dezelfde procedure onderworpen.
Als het
vereiste beheersplan niet wordt vastgelegd, goedgekeurd of uitgevoerd binnen de
door de Regering bepaalde termijn, kan deze er één opleggen. In dit geval mogen
de raad voor maatschappelijk welzijn en het beheerscomité van het ziekenhuis
bijgestaan worden door een ziekenhuisdeskundige die door de Regering wordt
aangewezen op grond van de door haar bepaalde voorwaarden en kwalificaties.]5]4
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 6 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984).
§ 1
gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 2
vervangen bij art. 25, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R.
8 december 2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van
8 oktober 2006 (art. 22).
§ 3
vervangen bij art. 25, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 4
vervangen bij art. 25, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 4bis
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989) en opgeheven bij art. 25, 4° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 5
vervangen bij art. 25, 5° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 6
vervangen bij art. 25, 6° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 7
gewijzigd bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
§ 8
ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S.,
21 augustus 1986).
§§ 9 en 10
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989) en vervangen bij art. 25, 7° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Voorgeschiedenis
§ 3, enig
lid:
|
–c) vervangen bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S.,
5 januari 1989); |
|
–d) en e) ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430,
5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986). |
§ 6
gewijzigd bij art. 9 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989).
Bekrachtiging
K.B. nr. 244,
31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 31 december 1983 tot
vaststelling van de regelen volgens dewelke de gemeenten die in het tekort
van openbare ziekenhuizen bijdragen aan het beheer van deze instellingen
deelnemen (B.S., 20 januari 1984) |
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende
bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van
de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 13
augustus 1985) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 1 april 1999
betreffende het beheersplan van de ziekenhuizen die afhangen van openbare
centra voor maatschappelijk welzijn of van verenigingen die onder de
toepassing vallen van hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
4 juni 1999) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[§ 1
De Koning
kan voor sommige diensten en inrichtingen afhangende van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn bepaalde regelen treffen in verband met een
afzonderlijk beheer, het houden van inventarissen en de boekhouding.
§ 2
De
ziekenhuizen die afhangen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
worden beheerd door een beheerscomité waarvan de Koning bij een in Ministerraad
overlegd besluit de samenstelling en de werking bepaalt.
Het
beheerscomité dient evenwel dusdanig te worden samengesteld dat de meerderheid
van de stemgerechtigde leden tot de raad voor maatschappelijk welzijn behoort;
deze worden verkozen overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde lid.
Het
beheerscomité wordt van rechtswege voorgezeten door de voorzitter van de raad
of zijn afgevaardigde.
5[§ 3
Het
beheerscomité van het ziekenhuis regelt alles wat tot de bevoegdheid van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort inzake het beheer van het
ziekenhuis, behoudens het in § 4 bepaalde, met dien verstande dat in het
geval een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn meer dan één ziekenhuis
beheert, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bevoegd blijft voor
de vaststelling van het globale personeelsstatuut van deze ziekenhuizen.
§ 4
Volgende
bevoegdheden inzake het beheer van het ziekenhuis worden toevertrouwd aan de
raad voor maatschappelijk welzijn:
|
a)het aanwijzen en ontslaan van de leden van het
beheerscomité, behoudens de deskundigen aangewezen door de gemeenteraad,
bedoeld in § 9; |
|
b)de aanwerving, de evaluatie en het ontslag van
contractuele personeelsleden die in het beheerscomité zitting hebben; |
|
c)de benoeming, de evaluatie, de bevordering en het in
disponibiliteit stellen van statutaire personeelsleden die in het
beheerscomité zitting hebben, alsook het opleggen van tuchtstraffen aan deze
personeelsleden; |
|
d)elke beslissing tot toetreding of uittreding bij een
vereniging bedoeld in hoofdstukken XII en XIIbis van deze wet; |
|
e)elke beslissing die het ziekenhuisaanbod op
belangrijke punten wijzigt; |
|
f)de besluiten bedoeld in artikelen 88 en 89. |
§ 5
Voor de
handelingen van het beheerscomité waarvoor met toepassing van de bepalingen van
deze wet, een advies, goedkeuring of machtiging vereist is, dient de beslissing
van het beheerscomité rechtstreeks te worden onderworpen aan het oordeel van
dezelfde toezichthoudende overheden als dit het geval zou zijn geweest indien
de raad hieromtrent een beslissing had genomen.
§ 6
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan geen beslissing met financiële weerslag voor
het ziekenhuis nemen dan nadat het beheerscomité hierover advies heeft
uitgebracht. De Vlaamse regering bepaalt de termijn binnen dewelke het
beheerscomité advies dient uit te brengen.
De
beslissingen van de raad die afwijken van het advies van het beheerscomité
dienen met redenen te worden omkleed.]5
§ 7
De Koning
kan voor het beheer van de ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale
vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van
deze wet een gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die
afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1
2[§ 8
Het in
paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de
paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt
omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte
hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van
27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en
betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de
boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het
personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het
ziekenhuis.]2
4[§ 9
Indien
een plan, zoals bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op de
ziekenhuizen, niet wordt ingediend, goedgekeurd of uitgevoerd overeenkomstig de
regelen uitgevaardigd door de Koning krachtens het voormelde artikel, zal het
Beheerscomité van het ziekenhuis worden uitgebreid met deskundigen aangeduid
door de Gemeenteraad van de gemeente wier openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn het ziekenhuis beheert.
Onverminderd
de verkiezingsmodaliteiten voor de samenstelling van het Beheerscomité van het
ziekenhuis, zoals voozien in artikel 27, § 3, vierde lid, van deze wet, is
inzake de leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn lid twee van § 2
van dit artikel niet van toepassing ingeval van aanwijzing van de in het vorige
lid bedoelde deskundigen.
De Koning
bepaalt de regelen voor de toepassing van dit artikel.]4
4[§ 10
Zolang de
beheersrekeningen van het ziekenhuis financieel in evenwicht zijn, kan het
Beheerscomité bepaalde van zijn bevoegdheden delegeren aan de directeur van het
ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan evenwel steeds geheel of
gedeeltelijk worden ingetrokken.
Voor de
handelingen van de directeur die namens het Beheerscomité worden verricht en
waarvoor met toepassing van de bepalingen van deze wet, een advies, goedkeuring
of machtiging is vereist, dient de beslissing van de Directeur rechtstreeks te
worden onderworpen aan het oordeel van dezelfde toezichthoudende overheden als
dit het geval zou zijn geweest indien het Beheerscomité daaromtrent zelf een
beslissing had genomen.]4
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 6 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984).
§§ 3 tot 6
vervangen bij art. 10 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S.,
10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl.
Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).
§ 8
ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S.,
21 augustus 1986).
§§ 9 en 10
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989).
Voorgeschiedenis
§ 3, enig
lid:
|
–c) vervangen bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S.,
5 januari 1989); |
|
–d) en e) ingevoegd bij art. 4 K.B. nr. 430,
5 augustus 1986 (B.S., 21 augustus 1986). |
§ 4bis
ingevoegd bij art. 71 W. 30 december 1988 (B.S., 5 januari
1989).
§ 6
gewijzigd bij art. 9 W. 29 december 1988 (B.S., 4 januari
1989) en bij art. 22 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S.,
6 februari 1998).
Beperking
toepassing
Opgeheven, met
uitzondering van de verwijzing naar de bepalingen van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn,
waarvoor de federale overheid bevoegd is, bij art. 276, 90° Decr. Vl. Parl. 19 december
2008 (B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van
1 juli 2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 31 december 1983 tot
vaststelling van de regelen volgens dewelke de gemeenten die in het tekort
van openbare ziekenhuizen bijdragen aan het beheer van deze instellingen
deelnemen (B.S., 20 januari 1984) |
|
–Koninklijk besluit van 20 december 1984 houdende
bepaalde regelen volgens dewelke de uitgaven en de ontvangsten worden
bijgehouden van ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, van een intercommunale vereniging of van een
vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 8 januari 1985) |
|
–Koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende
bepaalde regelen in verband met het afzonderlijk beheer en de boekhouding van
de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht
overeenkomstig hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S.,
13 augustus 1985) |
Geselecteerde
rechtspraak
Art. 94
bevat voor de O.C.M.W.-ziekenhuizen een uitgewerkte regeling van verplicht
afzonderlijk beheer en van specifieke organisatie. De wet bepaalt m.a.w.
uitdrukkelijk op welke wijze een O.C.M.W. zijn ziekenhuis moet beheren (R.v.St.
nr. 49.708, 17 oktober 1994).
De
openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen beslissen hun niet-bebouwde
onroerende goederen hetzij aan een afzonderlijk eigen beheer te onderwerpen
hetzij het beheer ervan toe te vertrouwen aan het bedrijf dat de gronden
beheert van de gemeente, zetel van het centrum.
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 91° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
De
openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen beslissen hun niet-bebouwde
onroerende goederen hetzij aan een afzonderlijk eigen beheer te onderwerpen
hetzij het beheer ervan toe te vertrouwen aan het bedrijf dat de gronden
beheert van de gemeente, zetel van het centrum.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[Het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn kan een bijzondere ontvanger benoemen voor diensten en
inrichtingen met afzonderlijk beheer. De bepalingen van artikel 46 zijn op hem
van toepassing.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 52 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling
van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te
stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
1[Het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn kan een bijzondere ontvanger benoemen voor diensten en
inrichtingen met afzonderlijk beheer. De bepalingen 2[van deze wet zijn van toepassing
op de ontvanger.]2]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 52 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd
bij art. 36 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling
van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te
stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 92° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 23 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
1[Het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn kan een bijzondere ontvanger benoemen voor diensten en
inrichtingen met afzonderlijk beheer. De bepalingen van artikel 46 2[en in voorkomend geval 94,
§ 5,]2 zijn op hem van toepassing.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 52 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en gewijzigd
bij art. 26 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april
1998).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 14 juni 1978 houdende bepaling
van de voorwaarden en grenzen voor de vaststelling van de zekerheid te
stellen door de plaatselijke ontvangers van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 27 juni 1978) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[Voor de toepassing van de
bepalingen van Hoofdstuk VII dient onder “kosten van de maatschappelijke
dienstverlening” te worden verstaan:
|
1°de betalingen in speciën; |
|
2°de kosten van de in natura verleende hulp; |
|
3°de kosten van hospitalisatie; |
|
4°de kosten van huisvesting met inbegrip van die welke
gemaakt zijn in de inrichtingen van het centrum; |
|
5°de kosten berekend volgens vooraf vastgestelde
algemene tarieven.]1 |
Zijn
uitgesloten de administratie- en onderzoekskosten, alsmede de kosten van de
prestaties van het centrum bedoeld door artikel 60, § 1, 2 en 4.
2[Het voorgaande lid heeft geen
toepassing op de door een OCMW, bij toepassing van de wet van 5 juli 1998
betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit
de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gemaakte kosten inzake
schuldbemiddeling.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 7 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984) en bij art. 18 W. 5 juli 1998 (B.S., 31 juli 1998), met
ingang van 1 januari 1999 (art. 21).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 9 juni 1981 tot bepaling
van de grenzen en voorwaarden voor het verhaal op de onderhoudsplichtigen
bedoeld bij artikel 98, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 18
juni 1981) |
Geselecteerde
rechtspraak
Uit art. 97
OCMW-wet blijkt dat het OCMW bij de terugbetaling door particulieren van de
kosten van maatschappelijke dienstverlening enkel aanspraak kan maken op
terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening bedoeld in dit
artikel. Het OCMW kan op grond van die bepaling niet de terugbetaling door de
onderhoudsplichtige zonen vorderen van de door het OCMW vrijwillig betaalde
belastingen voor rekening van wijlen hun moeder. Het is daarbij irrelevant of
de betaling of het voorschieten van de belastingen de verblijfhouder in de
mogelijkheid stelt een menswaardig bestaan te leiden (Cass., nr. C.06.0275.N,
23 februari 2007).
1[§ 1
Onverminderd
de toepassing van andere wettelijke en reglementaire bepalingen, bepaalt het
openbaar centrum voor maatschappelijke welzijn, rekening houdend met de
inkomsten van de betrokkene, de bijdrage van de begunstigde in de kosten van de
maatschappelijke dienstverlening.
2[Deze laatste heeft in ieder geval
het recht op een zakgeld, waarvan het bedrag door het centrum wordt
vastgesteld.]2
3[Wanneer de maatschappelijke
dienstverlening wordt verstrekt in de vorm van betaling van de kosten van het
verblijf in een rusthuis en de begunstigde bijdraagt in deze kosten
overeenkomstig het eerste lid, bedraagt het zakgeld minstens 900 EUR per
jaar, uitbetaald in maandelijkse schijven. Dit bedrag kan bij koninklijk
besluit opgetrokken worden en wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van
1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven
in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden
gekoppeld.
De Koning
bepaalt welke kosten in geen geval op dit zakgeld mogen worden aangerekend. Hij
bepaalt eveneens het statuut van het zakgeld, in het bijzonder bij niet
aanwending in geval van overlijden.]3
In geval
van vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte vanwege de begunstigde, vordert
het centrum het geheel van die kosten terug, ongeacht de financiële toestand
van de betrokkene.
§ 2
De kosten
van de maatschappelijke dienstverlening worden eveneens krachtens een eigen
recht door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verhaald:
|
–op de onderhoudsplichtigen van de begunstigde tot
beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp; |
|
–op degenen die aansprakelijk zijn voor de verwonding of
ziekte die het verstrekken van de hulpverlening noodzakelijk heeft gemaakt. |
Wanneer
de verwonding of ziekte het gevolg is van een misdrijf, kan de vordering
terzelfdertijd en voor dezelfde rechters als de publieke vordering worden
ingesteld.]1
5[§ 3
In
afwijking van § 2 kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
algemeen afzien van het verhalen van de maatschappelijke dienstverlening
verleend aan personen die ten laste zijn genomen in instellingen, waar
bejaarden worden gehuisvest, op de onderhoudsplichtigen, met de goedkeuring van
de gemeentelijke overheid.]5
6[Ingeval van toepassing van het
eerste lid, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitzonderlijk
toch de maatschappelijke dienstverlening op de onderhoudsplichtigen verhalen,
wanneer het patrimonium van de persoon die deze hulp geniet opzettelijk in
aanzienlijke mate is verminderd tijdens de vijf laatste jaren vóór de aanvang
van de maatschappelijke hulp 7[of tijdens de maatschappelijke hulp]7.]6
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 8 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984, err., B.S., 28 november 1984).
§ 1
gewijzigd bij art. 53 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992) en bij art. 2 W. 3 mei 2003 (B.S., 16 mei 2003
(derde uitg.)).
§ 3
ingevoegd bij art. 101 W. 9 juli 2004 (B.S., 15 juli 2004
(tweede uitg.)), gewijzigd bij art. 78 W. 23 december 2005 (B.S.,
30 december 2005 (tweede uitg.)) en bij art. 2 W. 26 oktober 2006 (B.S.,
30 maart 2007 (derde uitg.)).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Aanpassing
van bedragen
Aanpassing van
de bedragen:
|
–1 augustus 2005: zie B.S., 7 september
2005; |
|
–1 januari 2008: zie B.S., 11 januari
2008 (eerste uitg.); |
|
–1 mei 2008: zie B.S., 26 mei 2008; |
|
–1 september 2008: zie B.S.,
17 september 2008 (tweede uitg.); |
|
–1 september 2010: zie BS 13 september
2010. |
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 9 juni 1981 tot bepaling
van de grenzen en voorwaarden voor het verhaal op de onderhoudsplichtigen
bedoeld bij artikel 98, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 18
juni 1981) |
|
–Koninklijk besluit van 25 april 2004 tot vaststelling
van het statuut van het zakgeld van sommige rusthuisbewoners en tot bepaling
van de kosten die niet op dit zakgeld mogen worden aangerekend in uitvoering
van artikel 98, § 1, derde lid, van de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn
(B.S., 30 april 2004) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Geselecteerde
rechtspraak
De vordering
van het O.C.M.W. waarvan het enig doel erin bestaat de kosten voor
maatschappelijke dienstverlening terug te vorderen op grond van een eigen recht
van het O.C.M.W., is geen vordering tot uitkering die overeenkomstig art. 591,
7° Ger. W. onder de bevoegdheid valt van de vrederechter, al is de vordering
tegen een onderhoudsplichtige gericht (Cass. AR 3431, 17 september 1982).
Wanneer het
O.C.M.W. het eigen recht uitoefent dat hem is verleend bij art. 98, § 2
O.C.M.W.-Wet, is het geen `benadeelde' in de zin van art. 1 W.A.M.-Wet; die
wetsbepalingen worden door de rechter derhalve niet geschonden wanneer hij, op
een burgerlijke rechtsvordering van een O.C.M.W. die strekt tot terugbetaling
van de kosten van de aan het slachtoffer van een verkeersongeval verstrekte
ziekenhuisverpleging en maatschappelijke dienstverlening en die zowel is ingesteld
tegen de voor het ongeval aansprakelijke beklaagde als tegen de verzekeraar van
diens burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de rechtsvordering van het centrum
tegen de beklaagde toewijst, maar de rechtsvordering van het centrum tegen de
verzekeraar afwijst, op grond dat het centrum geen `benadeelde' is, in de zin
van art. 1 W.A.M.-Wet, aangezien het, verre van schade te lijden, enkel zijn
verplichtingen nakomt in het kader van zijn opdracht (Cass. AR 7737,
2 december 1992 ; (in dezelfde zin Cass. AR P.95.508.F, 11 oktober 1995).
Het O.C.M.W.
kan slechts zijn verhaalvordering tot terugbetaling van de kosten van de
maatschappelijke dienstverlening voor de strafrechter instellen, wanneer de
verwonding of ziekte, die ze noodzakelijk heeft gemaakt, het gevolg is van een
misdrijf dat bij het strafgerecht aanhangig is (Cass. (2e k.) AR P.95.0896.N,
3 juni 1997).
De bij art. 98,
§ 2, ingevoerde rechtstreekse vordering strekt niet tot vergoeding van een uit
het ongeval voortvloeiende schade die de O.C.M.W.’s zouden hebben geleden, maar
tot terugvordering van de kosten die zij hebben gedaan op grond van de hun
toevertrouwde wettelijke opdracht van hulpverlening. Noch art. 98, § 2, W.
8 juli 1976, noch art. 12 W. 21 november 1989 betreffende de
verplichte aansprakelijkheidsvergoeding inzake motorrijtuigen, noch het
onderling verband van die twee bepalingen, kennen de O.C.M.W’s een
rechtstreekse vordering toe tegen de verzekeraar van de beklaagde (Cass. AR
P.97.1396.F, 25 februari 1998).
De
omstandigheid dat de door een O.C.M.W. geholpen persoon tevens een fout in
oorzakelijk verband met zijn schade heeft begaan, ontneemt de met het
maatschappelijk welzijn belaste instelling niet het haar bij de wet toegekende
eigen recht om al haar kosten terug te vorderen van de aansprakelijke derde of
van diens verzekeraar (Cass. AR P.97.1396.F, 25 februari 1998).
Geen enkele
bepaling van de O.C.M.W.-Wet maakt het verkrijgen van individuele
maatschappelijke dienstverlening afhankelijk van een eis die moet worden
ingesteld door de steunaanvrager tegen de schuldenaars van alimentatiegelden.
Art. 98, § 2 opent voor het O.C.M.W. trouwens de mogelijkheid om van die
schuldenaars de terugbetaling te bekomen van de verstrekte hulp (R.v.St. nr.
32.565, 12 mei 1989).
§ 1
1[Wanneer een persoon de
beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de
periode waarvoor hem hulp werd verleend door het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, vordert dit laatste de kosten van de hulpverlening van
hem terug tot beloop van het bedrag van de bovenbedoelde inkomsten, rekening
houdende met de vrijgestelde minima.]1
§ 2
Met
afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, treedt het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn, dat een voorschot toekent op een pensioen
of op enige andere sociale uitkering, van rechtswege en tot het bedrag van dat
voorschot, in de rechten op de achterstallen die de gerechtigde kan doen
gelden.
Wetshistoriek
§ 1
vervangen bij art. 9 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Geselecteerde
rechtspraak
De vordering
krachtens indeplaatsstelling waarover het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn beschikt nadat het een voorschot op een pensioen of op enige andere
sociale uitkering, zoals de gezinsbijslagen heeft toegekend, is geen vordering
tot terugbetaling. Zij verjaart niet door verloop van vijf jaren, maar valt
onder de verjaring van de vordering die de gerechtigde kan instellen tot
betaling van een pensioen of van enige andere sociale uitkering (Cass. AR 9319,
6 april 1992).
2[§ 1]2
1[Elke materiële individuele
dienstverlening ten voordele van een begunstigde die roerende of onroerende
goederen nalaat, geeft aanleiding tot een vordering tot verhaal op zijn
erfgenamen of legatarissen, van de daaraan verbonden kosten door het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn gemaakt gedurende de laatste vijf jaren
vóór zijn overlijden, of een gedeelte ervan, maar slechts ten belope van het actief
van de nalatenschap.]1
2[§ 2
De
roerende goederen, zoals onder meer contant geld, juwelen en andere voorwerpen,
meegebracht door de zieken en door de kostgangers overleden in de instellingen
van het centrum en die er geheel of gedeeltelijk ten laste van het centrum
verzorgd of gehuisvest waren, worden door het centrum bewaard gedurende drie
jaar te rekenen vanaf het overlijden.]2
2[§ 3
De
erfgenamen en legatarissen van de zieken en kostgangers waarvan de verzorgings-
en onderhoudskosten werden vereffend, kunnen hun rechten laten gelden op alle
zaken bedoeld in § 2.]2
2[§ 4
Bij
gebreke van erfgerechtigden, of indien de zaken bedoeld in § 2,
meegebracht naar het centrum, niet werden teruggevraagd binnen de termijn van
drie jaar na het overlijden, behoren deze goederen van rechtswege het centrum
toe.
Dezelfde
roerende goederen nagelaten door een overleden persoon, voor wiens rekening het
centrum opdracht heeft gekregen van de vrederechter om de gehuurde plaatsen te
ontruimen die deze bewoonde voor zijn overlijden, behoren, nadat voornoemde
termijn verstreken is, het centrum toe.]2
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 10 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984).
§ 1
genummerd en §§ 2 tot 4 ingevoegd bij art. 54 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
§ 1
De Koning
kan regels en voorwaarden vaststellen betreffende:
|
a)de berekening van de kosten van de maatschappelijke
dienstverlening bedoeld onder 2°, 4° en 5°, van artikel 97; |
|
b)het bepalen van de bijdrage van de begunstigde zoals
bedoeld in artikel 98, § 1; |
|
c)4[het
verhaal op de begunstigde, de onderhoudsplichtigen of op zijn debiteurs zoals
bepaald in artikel 98, §§ 2 en 4, en artikel 99, § 1.]4 |
§ 2
3[Onverminderd artikel 98,
§ 3, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts afzien
van het bepalen van de bijdrage van de begunstigde, van de terugvordering of
het verhaal bedoeld in de artikelen 98, §§ 1 en 2, 99 en 100, bij een
individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing
worden vermeld.]3]1
Het
openbaar centrum moet niet optreden wanneer de kosten of inspanningen hieraan
verbonden niet opwegen tegen het verwachte resultaat.
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 11 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984).
§ 1, enig
lid, c) vervangen bij art. 79 W. 23 december 2005 (B.S.,
30 december 2005 (tweede uitg.)).
§ 2
gewijzigd bij art. 102 W. 9 juli 2004 (B.S., 15 juli 2004
(tweede uitg.)).
Voorgeschiedenis
§ 2
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
Beperking
toepassing
Opgeheven voor
wat betreft de bepalingen die van toepassing zijn op de wet van 7 augustus
1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, bij art. 64 K.B.
11 juli 2002 (B.S., 31 juli 2002), met ingang van
1 oktober 2002 (art. 67).
Bekrachtiging
K.B.
nr. 244, 31 december 1984 werd bekrachtigd bij art. 11 W.
6 december 1984 (B.S., 18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Koninklijk besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering
van artikel 100bis, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 24
mei 1984) |
|
–Ministerieel besluit van 2 maart 2005 tot
vaststelling van de schaal van tussenkomsten bedoeld in artikel 16 van het
koninklijk besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering van artikel 100bis,
§ 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare
centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 23 maart 2005) |
Geselecteerde
rechtspraak
Krachtens
art. 98, § 2, O.C.M.W.-wet worden de kosten van de maatschappelijke
dienstverlening krachtens een eigen recht door het O.C.M.W. verhaald op de
onderhoudsplichtigen van de begunstigde, tot beloop van het bedrag waartoe zij
gehouden zijn voor de verstrekte hulp. Krachtens art. 100bis, § 2,
kan het O.C.M.W. slechts afzien van het verhaal bedoeld in art. 98, bij
een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing
worden vermeld. Aangezien de onderhoudsplichtigen van de begunstigde geen
subjectief recht hebben om te worden vrijgesteld van hun wettelijke
verplichting te betalen, behoort het niet aan de rechterlijke macht om te
oordelen of het O.C.M.W. om redenen van billijkheid van het verhaal moest afzien
(Cass. (3e k.) AR C.98.0245.N, 17 april 2000).
De
terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening kan
gewaarborgd worden door een wettelijke hypotheek op al de voor hypotheek
vatbare goederen die aan de begunstigde van de dienstverlening toebehoren of
van zijn nalatenschap afhangen.
Deze
hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de dag van haar inschrijving.
Ten
opzichte van de erfgenamen of legatarissen van de begunstigde, die tot betaling
van de schuldvordering gehouden zijn, kan deze hypotheek ten allen tijde geldig
ingeschreven worden. Onverminderd de bepalingen van artikel 112 van de
hypothecaire wet van 16 december 1851, wordt de inschrijving, wanneer ze
binnen drie maanden na het overlijden gevorderd wordt, onder de naam van de overledene
genomen, zonder dat de erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden
in de borderellen die aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In
dit geval wordt de overledene door zijn naam, voornamen en door de data en
plaatsen van zijn geboorte en overlijden aangeduid.
1[Behalve wanneer de raad voor
maatschappelijk welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke
hypotheek dient te geschieden, wordt die inschrijving door de ontvanger van het
centrum gevorderd voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen
waarop de inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel
aangewezen door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en
de plaats waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.
De
inschrijving wordt doorgehaald of verminderd en de rang wordt afgestaan
krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde ontvanger. De vordering, te
dien einde opgesteld door deze laatste en neergelegd op het kantoor van de
hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte bedoeld door de artikelen 92 en
93 van de hypotheekwet van 16 december 1851.
De kosten
betreffende de inschrijving, de doorhaling, de vermindering en de rangafstand
komen ten laste van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 55 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
De terugbetaling van de kosten van
maatschappelijke dienstverlening kan gewaarborgd worden door een wettelijke
hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen die aan de begunstigde van
de dienstverlening toebehoren of van zijn nalatenschap afhangen.
Deze hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de
dag van haar inschrijving.
Ten opzichte van de erfgenamen of legatarissen
van de begunstigde, die tot betaling van de schuldvordering gehouden zijn, kan
deze hypotheek ten allen tijde geldig ingeschreven worden. Onverminderd de
bepalingen van artikel 112 van de hypothecaire wet van 16 december 1851,
wordt de inschrijving, wanneer ze binnen drie maanden na het overlijden
gevorderd wordt, onder de naam van de overledene genomen, zonder dat de
erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden in de borderellen die
aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In dit geval wordt de
overledene door zijn naam, voornamen en door de data en plaatsen van zijn
geboorte en overlijden aangeduid.
1[Behalve wanneer de raad voor maatschappelijk
welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke hypotheek dient te
geschieden, wordt die inschrijving door de ontvanger van het centrum gevorderd
voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen waarop de
inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel aangewezen
door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en de plaats
waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.
De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd
en de rang wordt afgestaan krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde
ontvanger. De vordering, te dien einde opgesteld door deze laatste en
neergelegd op het kantoor van de hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte
bedoeld door de artikelen 92 en 93 van de hypotheekwet van 16 december
1851.
De kosten betreffende de inschrijving, de
doorhaling, de vermindering en de rangafstand komen ten laste van het betrokken
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1
(...)
Toekomstig recht
Artikel 101 wordt gewijzigd bij art. 272, 12°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum
(art. 285, § 1).
De terugbetaling van de kosten van
maatschappelijke dienstverlening kan gewaarborgd worden door een wettelijke
hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen die aan de begunstigde van
de dienstverlening toebehoren of van zijn nalatenschap afhangen.
Deze hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de
dag van haar inschrijving.
Ten opzichte van de erfgenamen of legatarissen
van de begunstigde, die tot betaling van de schuldvordering gehouden zijn, kan
deze hypotheek ten allen tijde geldig ingeschreven worden. Onverminderd de
bepalingen van artikel 112 van de hypothecaire wet van 16 december 1851,
wordt de inschrijving, wanneer ze binnen drie maanden na het overlijden
gevorderd wordt, onder de naam van de overledene genomen, zonder dat de
erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden in de borderellen die
aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In dit geval wordt de
overledene door zijn naam, voornamen en door de data en plaatsen van zijn
geboorte en overlijden aangeduid.
1[Behalve wanneer de raad voor maatschappelijk
welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke hypotheek dient te
geschieden, wordt die inschrijving door de ontvanger van het centrum gevorderd
voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen waarop de
inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel aangewezen
door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en de plaats
waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.
De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd
en de rang wordt afgestaan krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde 3[financieel beheerder]3. De vordering, te dien
einde opgesteld door deze laatste en neergelegd op het kantoor van de
hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte bedoeld door de artikelen 92 en
93 van de hypotheekwet van 16 december 1851.
De kosten betreffende de inschrijving, de
doorhaling, de vermindering en de rangafstand komen ten laste van het betrokken
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1
De
vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 verjaart
overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.
De
vordering bedoeld in artikel 98, § 2, laatste lid, verjaart overeenkomstig
de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van 17 april 1878 houdende
voorafgaandelijke titel van het Wetboek van Strafvordering.
1[De vordering bedoeld in artikel
100, § 1, verjaart drie jaar na het overlijden van de betrokkene.]1
1[Deze verjaringen kunnen gestuit
worden door een aanmaning gedaan tenzij bij een ter post aangetekende brief,
hetzij tegen ontvangstbewijs.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 56 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Geselecteerde
rechtspraak
Krachtens art.
102, lid 1 O.C.M.W.-Wet verjaart de in art. 98 en 99 van die wet bedoelde
rechtsvordering tot terugbetaling door particulieren van maatschappelijke
dienstverlening overeenkomstig art. 2277 B.W., d.i. door verloop van 5 jaar
(Cass. AR 6248, 28 april 1989).
De
verjaringstermijn van twee jaar die geldt voor de rechtsvordering van een
verplegings- en verzorgingsinstelling, m.b.t. de door haar geleverde of
gefaktureerde geneeskundige verstrekkingen, diensten, goederen en bijkomende
kosten, is ook toepasselijk wat betreft de kosten van hospitalisatie die tevens
kosten van maatschappelijke dienstverlening zijn (impliciet) (Cass. AR
C.96.0068.N, 24 januari 1997).
De
inkomsten van de goederen en van de kapitalen die toebehoren aan de kinderen,
die toevertrouwd zijn aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of
onder zijn voogdij staan, kunnen tot het vertrek van die kinderen ten bate van
dit centrum geïnd worden tot beloop van de gemaakte kosten.
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
§ 1
Indien
het kind dat aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is
toevertrouwd of onder zijn voogdij staat, overlijdt en geen enkele erfgenaam
zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan dit centrum dat daarvan in bezit
kan gesteld worden op verzoek van de ontvanger en op de conclusies van het
openbaar ministerie.
Erfgenamen
die zich later zouden aanmelden, kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van
hun aanvraag terugvorderen. Deze moet, op straffe van verjaring, ingediend
worden binnen 1[drie]1 jaar na het overlijden van het
kind.
§ 2
De
erfgenamen die de nalatenschap zouden verkrijgen, moeten het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn vergoeden, ten belope van het actief van die
nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het overleden kind aanleiding heeft
gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, onder voorbehoud
van aftrekking van de door het centrum gedurende diezelfde periode ontvangen
inkomsten.
De
vordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verjaart 1[drie]1 jaar na de datum van het
overlijden van het kind.
Wetshistoriek
§§ 1 en 2
gewijzigd bij art. 57 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 3 W. 7 januari 2002 (B.S., 23 februari 2002
(eerste uitg.)), met ingang van 1 februari 2004 (art. 5).
§ 1
Indien het kind dat aan een openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd of onder zijn voogdij staat,
overlijdt en geen enkele erfgenaam zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan
dit centrum dat daarvan in bezit kan gesteld worden op verzoek van de ontvanger
en op de conclusies van het openbaar ministerie.
Erfgenamen die zich later zouden aanmelden,
kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van hun aanvraag terugvorderen. Deze
moet, op straffe van verjaring, ingediend worden binnen 1[drie]1 jaar na het overlijden
van het kind.
§ 2
De erfgenamen die de nalatenschap zouden
verkrijgen, moeten het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergoeden,
ten belope van het actief van die nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het
overleden kind aanleiding heeft gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór
zijn overlijden, onder voorbehoud van aftrekking van de door het centrum
gedurende diezelfde periode ontvangen inkomsten.
De vordering van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn verjaart 1[drie]1 jaar na de datum van het overlijden van het
kind.
(...)
Toekomstig recht
Artikel 104 wordt gewijzigd bij art. 272, 12°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen datum
(art. 285, § 1).
§ 1
Indien het kind dat aan een openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd of onder zijn voogdij staat,
overlijdt en geen enkele erfgenaam zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan
dit centrum dat daarvan in bezit kan gesteld worden op verzoek van de 3[financieel beheerder]3 en op de conclusies
van het openbaar ministerie.
Erfgenamen die zich later zouden aanmelden,
kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van hun aanvraag terugvorderen. Deze
moet, op straffe van verjaring, ingediend worden binnen 1[drie]1 jaar na het overlijden
van het kind.
§ 2
De erfgenamen die de nalatenschap zouden
verkrijgen, moeten het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergoeden,
ten belope van het actief van die nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het
overleden kind aanleiding heeft gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór
zijn overlijden, onder voorbehoud van aftrekking van de door het centrum
gedurende diezelfde periode ontvangen inkomsten.
De vordering van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn verjaart 1[drie]1 jaar na de datum van het overlijden van het
kind.
Wetshistoriek
Hoofdstuk VIIbis
(art. 104bis en 104ter) ingevoegd bij art. 45 Decr. Vl. Parl.
7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met
ingang van 30 augustus 2006 (art. 53, § 2).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 45 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53,
§ 2) en opgeheven bij art. 276, 93° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 45 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S., 30 augustus
2006 (tweede uitg.)), met ingang van 30 augustus 2006 (art. 53,
§ 2) en opgeheven bij art. 276, 94° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008
(B.S., 24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli
2009 (art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS
29 april 2009)).
Na
verdeling van het Gemeentefonds onder de gewesten, wordt een deel van het aan
elk gewest toegekend fonds, onder de benaming “Bijzonder Fonds voor
maatschappelijk welzijn” omgeslagen over de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van het gewest.
2[Elke Gewestexecutieve stelt, voor
haar Gewest, het percentage vast dat aan het Bijzonder Fonds wordt toegekend.
Bovendien, stelt de Executieve van het Waalse Gewest het percentage vast dat
respectievelijk aan het Bijzonder Fonds voor de Franse Gemeenschap en het
Bijzonder Fonds voor de Duitstalige Gemeenschap wordt toegekend; evenwel zal
het aan de Duitstalige Gemeenschap toegewezen bedrag nooit geringer zijn dan
datgene dat in 1980 werd toegewezen, aangepast aan de procentuele verandering
van de gemiddelde index van de consumptieprijzen.
De
objectieve normen voor de verdeling van deze percentages worden vastgesteld
door:
|
1°de Vlaamse Regering, voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest; |
|
2°de Executieve van de Franse Gemeenschap, voor de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Waalse Gewest. Wanneer deze gelegen zijn in één van de gemeenten van
het Duits taalgebied, zoals omschreven in artikel 5 van de wetten op het
gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966,
worden de objectieve normen voor de verdeling vastgesteld door de Executieve
van de Duitstalige Gemeenschap; |
|
3°de bevoegde overheid voor het tweetalig gebied van
Brussel-Hoofdstad, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in
dat gebied gevestigd.]2 |
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 80 W. 31 december 1983 (B.S., 18 januari 1984).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 47 W. 9 augustus 1980 (B.S., 15 augustus 1980).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad van 23 april
1998 tot vaststelling van de verdelingsregelen van het Bijzonder Fonds voor
maatschappelijk welzijn bestemd voor de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 3 juni 1998) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 10 april 2003 tot
vaststelling, voor het jaar 2003, van het aan het Bijzonder Fonds voor
maatschappelijk welzijn toe te kennen bedrag en tot vaststelling van het
aandeel dat aan de Duitstalige Gemeenschap toekomt alsook van het aandeel
voor de O.C.M.W.'s van de Franstalige gemeenten van het Waalse Gewest (B.S.,
9 mei 2003) |
Verwijzingen
Zie B. Ver.
Coll. Gem. Gem.Comm. 23 april 1998 tot vaststelling van de
verdelingsregelen van het Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn bestemd
voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 3 juni
1998).
Na
verdeling van het Gemeentefonds onder de gewesten, wordt een deel van het aan
elk gewest toegekend fonds, onder de benaming “Bijzonder Fonds voor
maatschappelijk welzijn” omgeslagen over de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van het gewest.
3[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 32 Decr. D. Gem. Parl. 15 december 2008 (B.S.,
27 januari 2009 (tweede uitg.), err., BS 10 december 2010 (ed.
2)), met ingang van 1 januari 2009 (art. 35).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 47 W. 9 augustus 1980 (B.S., 15 augustus 1980) en bij
art. 80 W. 31 december 1983 (B.S., 18 januari 1984).
Na
verdeling van het Gemeentefonds onder de gewesten, wordt een deel van het aan
elk gewest toegekend fonds, onder de benaming “Bijzonder Fonds voor
maatschappelijk welzijn” omgeslagen over de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van het gewest.
2[Elke Gewestexecutieve stelt, voor
haar Gewest, het percentage vast dat aan het Bijzonder Fonds wordt toegekend.
Bovendien, stelt de Executieve van het Waalse Gewest het percentage vast dat
respectievelijk aan het Bijzonder Fonds voor de Franse Gemeenschap en het
Bijzonder Fonds voor de Duitstalige Gemeenschap wordt toegekend; evenwel zal
het aan de Duitstalige Gemeenschap toegewezen bedrag nooit geringer zijn dan
datgene dat in 1980 werd toegewezen, aangepast aan de procentuele verandering
van de gemiddelde index van de consumptieprijzen.
De
objectieve normen voor de verdeling van deze percentages worden vastgesteld
door:
|
1°de Vlaamse Regering, voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest; |
|
2°de Executieve van de Franse Gemeenschap, voor de
openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Waalse Gewest. Wanneer deze gelegen zijn in één van de gemeenten van
het Duits taalgebied, zoals omschreven in artikel 5 van de wetten op het
gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966,
worden de objectieve normen voor de verdeling vastgesteld door de Executieve
van de Duitstalige Gemeenschap; |
|
3°de bevoegde overheid voor het tweetalig gebied van
Brussel-Hoofdstad, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in
dat gebied gevestigd.]2 |
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 80 W. 31 december 1983 (B.S., 18 januari 1984).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 47 W. 9 augustus 1980 (B.S., 15 augustus 1980).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van de Waalse Regering van 10 april 2003 tot
vaststelling, voor het jaar 2003, van het aan het Bijzonder Fonds voor
maatschappelijk welzijn toe te kennen bedrag en tot vaststelling van het
aandeel dat aan de Duitstalige Gemeenschap toekomt alsook van het aandeel
voor de O.C.M.W.'s van de Franstalige gemeenten van het Waalse Gewest (B.S.,
9 mei 2003) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 30 april 2009
tot vastlegging van de objectieve criteria voor de verdeling van het
"Fonds spécial de l'aide sociale" (Speciaal fonds voor sociale
hulpverlening) die toekomt aan de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn van het Waalse Gewest, met uitzondering van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn van de Duitstalige Gemeenschap (BS,
11 juni 2009) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 21, § 1 Decr. Vl. Parl. 14 mei 1996 (B.S., 1 juni
1996), met ingang van 14 mei 1996 (art. 23).
§ 1
Wanneer
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen
beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn
opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente 1[...].
§ 2
Het
verschil bedoeld in voorgaande paragraaf wordt geraamd in de begroting van het
centrum.
Een
dotatie voor dit centrum gelijk aan het bedrag van bovenbedoeld verschil wordt
in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven.
1[...]
1[De dotatie wordt aan het centrum
in maandelijkse schijven uitbetaald.]1
§ 3
1[...]
Wetshistoriek
§§ 1 en 2
gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 58 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 1
Wanneer
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen
beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn
opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente 1[...].
§ 2
Het verschil
bedoeld in voorgaande paragraaf wordt geraamd in de begroting van het centrum.
Een
dotatie voor dit centrum gelijk aan het bedrag van bovenbedoeld verschil wordt
in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven.
1[...]
1[De dotatie wordt aan het centrum
in maandelijkse schijven uitbetaald.]1
§ 3
1[...]
Wetshistoriek
§§ 1 en 2
gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 58 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[§ 1
Wanneer
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen
beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn
opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente.
§ 2
Het
verschil bedoeld in voorgaande paragraaf wordt geraamd in de begroting van het
centrum. De voorzieningen betreffende de exploitatie- en investeringsdiensten
worden in acht genomen om dit verschil te berekenen.
Een
dotatie voor dit centrum gelijk aan het bedrag van bovenbedoeld verschil wordt
in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven.
Bij het
begin van elke maand wordt de dotatie aan het centrum betaald in twaalfden.
Nochtans kan ze met instemming van het centrum, volgens andere modaliteiten
betaald worden.
§ 3
De
definitieve goedkeuring, stilzwijgend of uitdrukkelijk, van de
begrotingsrekening van het vorige dienstjaar brengt de vermindering of de
vermeerdering met zich mee van de gemeentelijke dotatie opgenomen in de
begroting van het centrum van het lopende dienstjaar in functie van het
eindresultaat van de begrotingsrekening.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 37 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
§§ 1 en 2
gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 58 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
3[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 95° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, aa) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Art. vervangen
bij art. 24 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
§§ 1 en 2
gewijzigd en § 3 opgeheven bij art. 58 W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
In
afwijking van de bepalingen van artikel 46, § 1, eerste lid, mogen de
sommen die aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toekomen uit het
Bijzonder Fonds en in het algemeen alle sommen die de Staat, de provincies en
de gemeenten om niet verlenen aan deze centra rechtstreeks gestort worden aan
de naamloze vennootschap “Gemeentekrediet van België” voor boeking op de
onderscheiden rekeningen van de gerechtigde openbare centra voor
maatschappelijk welzijn.
Dezelfde
vennootschap is gemachtigd het bedrag van de schulden, door openbare centra
voor maatschappelijk welzijn tegenover haar aangegaan, ambtshalve in mindering
te brengen van het tegoed van de rekeningen die zij ten behoeve van die centra
heeft geopend.
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 38 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 25 Decr. Vl. Parl. 17 december 1997 (B.S., 6 februari
1998), met ingang van 1 januari 2003 behalve ten aanzien van die raden
voor maatschappelijk welzijn waarvoor de Vlaamse regering een datum van
inwerkingtreding heeft vastgesteld vanaf 1 januari 1998 voor het geheel of
voor een gedeelte van de bepalingen van het decreet van 17 december 1997
(art. 27, § 2 juncto art. 95 B. Vl. Reg. 17 december 1997 (B.S.,
8 april 1998), zelf gewijzigd bij art. 1 B. Vl. Reg. 31 maart 2000 (B.S.,
18 juli 2000)).
2[In afwijking van de bepalingen
van artikel 46, § 1, mogen rechtstreeks gestort worden op de rekeningen
die uitsluitend namens het rechthebbende O.C.M.W. geopend zijn bij financiële
instellingen die volgens het geval voldoen aan de voorschriften van de
artikelen 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en
het toezicht op de kredietinstellingen:
|
1°het bedrag van zijn aandeel in de krachtens de wet of
het decreet ingestelde fondsen, ten behoeve van de O.C.M.W.'s; |
|
2°de toelagen, de bijdragen in de uitgaven van het
centrum en in het algemeen alle sommen die de Europese Gemeenschap, de Staat,
de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies en de gemeenten om niet
verleend aan de centra. |
De in het
eerste lid bedoelde financiële instelling wordt ertoe gemachtigd het bedrag van
de door het centrum jegens haar aangegane schulden ambtshalve in mindering te
brengen van het tegoed van de rekeningen die uitsluitend namens het centrum
zijn geopend.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 8 Decr. W. Gew. R. 30 mei 2002 (B.S., 12 juni 2002
(tweede uitg.)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 27 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Verwijzingen
Zie:
|
–Omz. WEL/ 98-07 van Vl. Min. Cult., Gezin en Welzijn
van 24 november 1998 betreffende nieuwe regels inzake het administratief
toezicht op de O.C.M.W.’s; decreet van 14 juli 1998 tot wijziging van de
organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 5 februari 1999). |
|
–Omz. BA-1999/10 van Vl. Min. Binn. Aangel. van
10 november 1999 betreffende de behandeling van vragen, klachten en
bezwaren (B.S., 21 december 1999). |
|
–Omz. BA-2004/2 van Vl. Min. Binn. Aangel. van
14 juli 2004 betreffende het administratief toezicht op de Openbare
Centra voor maatschappelijk welzijn – Wijzigingen aan de organieke wet van
8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor maatschappelijk welzijn
door het decreet van 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004; err., B.S.,
16 augustus 2004). |
De
Minister, tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort, beschikt
over een inspectiedienst, die belast is met het toezicht op en de controle van
de werking van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de
verschillende diensten en inrichtingen die ervan afhangen.
Te dien
einde hebben de inspecteurs onder meer het recht deze diensten en inrichtingen
te bezoeken en, in het algemeen, alle inlichtingen in te winnen die zij nodig
hebben om hun taak te vervullen.
Zij
verstrekken de centra advies inzake alle vraagstukken die betrekking hebben op
het uitvoeren van hun opdracht.
De Minister, tot wiens bevoegdheid het
maatschappelijk welzijn behoort, beschikt over een inspectiedienst, die belast
is met het toezicht op en de controle van de werking van de openbare centra
voor maatschappelijk welzijn en van de verschillende diensten en inrichtingen
die ervan afhangen.
Te dien einde hebben de inspecteurs onder meer
het recht deze diensten en inrichtingen te bezoeken en, in het algemeen, alle
inlichtingen in te winnen die zij nodig hebben om hun taak te vervullen.
Zij verstrekken de centra advies inzake alle
vraagstukken die betrekking hebben op het uitvoeren van hun opdracht.
(...)
Toekomstig recht
Artikel 108 wordt opgeheven bij art. 276, 96°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van de datum van inwerkingtreding van art. 265
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (art. 285, § 2).
1[...]
Het
college van burgemeester en schepenen heeft eveneens de opdracht, toezicht en
controle uit te oefenen op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Dit
toezicht brengt het recht mede, voor het lid door dit college afgevaardigd,
alle inrichtingen te bezoeken, kennis te nemen, ter plaatse zelf, van alle
stukken en bescheiden 1[met
uitzondering van de dossiers van individuele hulpverlening en verhaal]1 en erover te waken dat de centra
de wet naleven en niet afwijken van de wilsbeschikking van de schenkers en
erflaters betreffende de wettelijk gevestigde lasten.
1[Het lid door het college
afgevaardigd is tot geheimhouding verplicht.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 59 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Het
college van burgemeester en schepenen 2[en het Verenigd College hebben eveneens de opdracht]2, toezicht en controle uit te
oefenen op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Dit
toezicht brengt het recht mede, voor het lid door 2[het college van burgemeester en
schepenen en voor de afgevaardigde van het Verenigd College]2 afgevaardigd, alle inrichtingen
te bezoeken, kennis te nemen, ter plaatse zelf, van alle stukken en bescheiden 1[met uitzondering van de dossiers
van individuele hulpverlening en verhaal]1 en erover te waken dat de centra de wet naleven en niet
afwijken van de wilsbeschikking van de schenkers en erflaters betreffende de
wettelijk gevestigde lasten.
2[Het door het college van
burgemeester en schepenen afgevaardigd lid en de afgevaardigde van het Verenigd
College zijn tot geheimhouding verplicht.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 39 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 59 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
4[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 97° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 59 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
11 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september 1998), met
ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli 1998 (B.S.,
12 september 1998)) en vervangen bij art. 46 Decr. Vl. Parl.
7 juli 2006 (B.S., 30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met
ingang vanaf de eerstvolgende algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor
maatschappelijk welzijn (art. 53, § 1).
2[De overheid die met betrekking
tot een beslissing van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een
ongunstig advies geeft of haar machtiging of goedkeuring onthoudt dient haar
beslissing te motiveren. Wanneer uiterlijk de laatste dag van de bij deze wet
bepaalde termijn van geen advies of beslissing aan het centrum kunnen worden
gegeven, wordt de toezichthoudende overheid geacht een gunstig advies of de
vereiste machtiging of goedkeuring te hebben verleend. Wanneer de termijn niet
is bepaald, bedraagt die veertig dagen. Deze termijn gaat in de dag na de
ontvangst van de akte bij de bevoegde overheid. De toezichthoudende overheid
kan de termijn éénmaal verlengen met veertig dagen, voor zover deze verlenging
per aangetekend schrijven ter kennis wordt gebracht uiterlijk de laatste dag
van de eerste termijn van veertig dagen.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 40 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 60 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
De
overheid die met betrekking tot een beslissing van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn genomen in toepassing van deze wet een ongunstig advies
verleent of haar machtiging of goedkeuring onthoudt, dient haar beslissing te
motiveren. Wanneer binnen de bij de wet bepaalde termijn van geen advies of
beslissing kennis wordt gegeven, wordt de toezichthoudende overheid geacht een
gunstig advies of de vereiste machtiging of goedkeuring te hebben verleend.
Wanneer
de termijn niet is bepaald, 1[bedraagt die veertig dagen]1 vanaf de dag 2[waarop
de akte door de bevoegde overheid ontvangen werd]2; 3[...]
1[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 60 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992), bij art. 6
Decr. D. Gem. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995) en bij art.
19 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995), met
ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
2[De overheid die met betrekking
tot een besluit van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, bedoeld
in deze wet, een ongunstig advies geeft of haar machtiging of goedkeuring
onthoudt, dient haar besluit te motiveren.
Wanneer
uiterlijk de laatste dag van de bij deze wet bepaalde termijn geen advies of
beslissing naar het centrum wordt verstuurd, wordt de toezichthoudende overheid
geacht een gunstig advies of de vereiste machtiging of goedkeuring te hebben
verleend. Wanneer de termijn niet is bepaald, bedraagt die dertig dagen voor
een advies en veertig dagen voor een goedkeuring. Deze termijnen gaan in de dag
na het inkomen van de akte bij de bevoegde overheid.
Wat de
gegevens betreft die haar moeten worden doorgestuurd, bepaalt de Vlaamse
regering de aard van de informatiedrager en de vorm waarin die gegevens zijn
vastgesteld.]2
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 12 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september
1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli
1998 (B.S., 12 september 1998)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 60 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
4[§ 1
Van
iedere beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met
uitzondering van de beslissingen met betrekking tot het verstrekken van
individuele dienstverlening en tot verhaal, wordt binnen twintig dagen, ingaand
de dag na de vergadering, een afschrift gezonden aan het college van
burgemeester en schepenen en aan het Verenigd College.
§ 2
Met
uitzondering van de beslissingen tot individuele dienstverlening en verhaal,
kan het college van burgemeester en schepenen, bij een met redenen omkleed
besluit, de uitvoering schorsen van elke beslissing van het openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn die het gemeentelijk belang, en inzonderheid de
financiële belangen van de gemeente schaadt. De schorsingsbevoegdheid van het
college van burgemeester en schepenen kan evenwel niet uitgeoefend worden in
geval van beslissingen die, in toepassing van deze wet, onderworpen zijn aan de
goedkeuring of de machtiging van de toezichthoudende overheid. In deze gevallen
kan het college van burgemeester en schepenen zijn advies binnen twintig dagen
geven aan de toezichthoudende overheid.
Het
college dient van het schorsingsbesluit ter kennis te brengen van het centrum
en van het Verenigd College binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag
na het ontvangen van de betrokken beslissing. De raad voor maatschappelijk
welzijn kan de geschorste beslissing intrekken. Deze beslissing dient zonder
verwijl aan het college van burgemeester en schepenen en het Verenigd College
te worden medegedeeld. De raad voor maatschappelijk welzijn kan deze geschorste
beslissing handhaven. Deze beslissing dient binnen een termijn van honderd
dagen, ingaand de dag na het ontvangen van het schorsingsbesluit, te worden
overgezonden aan het college van burgemeester en schepenen en aan het Verenigd
College. Bij gebreke hieraan is de beslissing automatisch nietig. Het Verenigd
College kan bij een met reden omkleed besluit de gehandhaafde beslissing vernietigen.
Het vernietigingsbesluit moet binnen een termijn van veertig dagen, ingaand de
dag na het ontvangen van de beslissing tot handhaving en uiterlijk de laatste
dag van de voormelde termijn, ter kennis gebracht worden van het centrum. Na
het verstrijken van deze termijn wordt de schorsing opgeheven.
§ 3
De
bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op de ziekenhuizen die
afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zolang de met
toepassing van artikel 89 goedgekeurde rekeningen aantonen dat de
exploitatie ervan in evenwicht is. Paragraaf 2 houdt op van toepassing te
zijn of wordt opnieuw van toepassing, al naar het geval, vanaf het ogenblik dat
de rekeningen goedgekeurd of definitief vastgesteld zijn in toepassing van
artikel 89.
§ 4
Het
Verenigd College kan bij een met redenen omkleed besluit, de beslissing
schorsen waarbij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet
schendt of het algemeen belang schaadt.
Het
schorsingsbesluit dient binnen een termijn van veertig dagen, ingaand de dag na
het ontvangen van de betrokken beslissing en uiterlijk de laatste dag van de
vastgestelde termijn, ter kennis gebracht van het centrum. Voor de begroting en
voor de rekening wordt de termijn op zestig dagen gebracht, te rekenen vanaf de
overzending respectievelijk voorgeschreven in de artikelen 88, § 1,
tweede lid, en 89, § 2, eerste lid.
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan de geschorste beslissing intrekken. Deze
beslissing dient zonder verwijl aan het Verenigd College te worden meegedeeld.
De raad voor maatschappelijk welzijn kan de geschorste beslissing handhaven.
Deze beslissing dient binnen een termijn van honderd vijftig dagen, ingaand de
dag na het ontvangen van het schorsingsbesluit te worden gestuurd aan het
Verenigd College. Bij gebreke is de beslissing automatisch nietig. Het Verenigd
College kan bij een met reden omkleed besluit de gehandhaafde beslissing
vernietigen. Het vernietigingsbesluit dient binnen een termijn van veertig
dagen, ingaand de dag na het ontvangen van de beslissing tot handhaving en
uiterlijk de laatste dag van de voormelde termijn,betekend te worden aan het
centrum. Na het verstrijken van deze termijn is de schorsing opgeheven.]4
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 41 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Art. vervangen
bij art. 12 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984), zelf bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
§ 1 en
§ 2 gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 2bis
ingevoegd bij art. 5 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S.,
21 augustus 1986).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van het Verenigd College van de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest van 23 oktober 2008 betreffende de elektronische verzending van
akten die onderworpen zijn aan het administratief toezicht overeenkomstig de
organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 6 november 2008) |
2[§ 1
Een
samenvattende lijst met een korte beschrijving van alle beslissingen, met
uitzondering van de beslissingen tot individuele dienstverlening en verhaal,
alsmede een afschrift van elke beslissing van het beheerscomité van het
ziekenhuis met toepassing van artikel 94, § 4, wordt door het centrum
binnen vijftien dagen gezonden aan de Regering en aan het college van burgemeester
en schepenen.
§ 2
Bovendien
moet het centrum, binnen vijftien dagen na de beslissing op de datum van
inwerkingtreding van de beslissingen, de Regering en het college van
burgemeester en schepenen een afschrift van volgende beslissingen zenden:
|
–beslissingen tot vaststelling van de voorwaarden voor
het gunnen en houdende het gunnen van overheidsopdrachten voor aanneming van
werken, leveringen en diensten, wanneer de globale waarde van de opdracht 3[€ 25.000]3, BTW niet inbegrepen,
overschrijdt; |
|
–beslissingen tot aankoop of verkoop van onroerende
goederen, waarvan de waarde 3[€ 50.000]3,
BTW niet inbegrepen, overschrijdt; |
|
–beslissingen over uitgaven die wegens dringende en niet
voorzienbare omstandigheden noodzakelijk zijn geworden; |
|
–beslissingen tot vaststelling van de huishoudelijke
reglementen bedoeld in artikel 40; |
|
–beslissingen tot vaststelling van de
personeelsformaties bedoeld in artikel 42; |
|
–beslissingen tot vaststelling van de begrotingen
bedoeld in artikel 88; |
|
–beslissingen tot vaststelling van de rekeningen bedoeld
in artikel 89.]2 |
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 20 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december
1995), met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
§ 2
gewijzigd bij art. 11 Decr. D. Gem. R. 1 maart 2004 (B.S.,
3 juni 2004 (tweede uitg.)), met ingang van 1 januari 2004 (art. 18).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 12 K.B. nr. 244, 31 december 1984 (B.S., 25 januari
1984), bekrachtigd bij art. 11 W. 6 december 1984 (B.S.,
18 december 1984).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van de Waalse Regering van 4 mei 1995 tot
uitvoering van artikel 111, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 19
juli 1995) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997
betreffende de inventaris van het patrimonium van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997
betreffende de gemeentelijke comptabiliteit voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997) |
8[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 98° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Art. vervangen
bij art. 12 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S.,
25 januari 1984) en bij art. 13 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S.,
10 september 1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl.
Reg. 14 juli 1998 (B.S., 12 september 1998)).
§ 1
gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992).
§ 2
gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992) en vervangen bij art. 6 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S.,
28 juli 2004).
§ 2, lid
1, 2° en 3° en lid 2 opgeheven bij art. 9 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S.,
30 juni 1999 (tweede uitg.)).
§ 2bis
ingevoegd bij art. 5 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S.,
21 augustus 1986).
§ 3
gewijzigd bij art. 47 Decr. Vl. Parl. 7 juli 2006 (B.S.,
30 augustus 2006 (tweede uitg.)), met ingang vanaf de eerstvolgende
algehele vernieuwingsprocedure van de raden voor maatschappelijk welzijn
(art. 53, § 1).
Redactionele
opmerking
De Franse tekst
van art. 13 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september
1998) werd onvolledig in het B.S. opgenomen en de ontbrekende § 2
werd gewijzigd bij art. 9 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S.,
30 juni 1999 (tweede uitg.)).
Het
college van burgemeester en schepenen kan, bij een met redenen omkleed besluit,
de uitvoering van de in artikel 111, §1, bedoelde beslissingen van het
centrum voor maatschappelijk welzijn schorsen die niet onderworpen zijn aan de
goedkeuring of machtiging, noch van de Regering noch van de gemeenteraad en die
de belangen, inzonderheid de financiële belangen, van de gemeente schaden.
De
regering kan bij een met redenen omkleed besluit de uitvoering van de in
artikel 111, § 1, bedoelde beslissingen van het centra voor
maatschappelijk welzijn schorsen die in strijd zijn met de wet.
Het
schorsingsbesluit wordt onverwijld betekend aan het centrum en, naargelang het
geval, aan de regering of aan het college van burgemeester en schepenen.
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan een geschorste beslissing intrekken; hij deelt
het aan het college van burgemeester en schepenen en aan de Regering mede.
De raad
voor maatschappelijk welzijn kan een geschorste beslissing rechtvaardigen; op
straffe van nietigheid van de geschorste beslissing deelt hij het aan het
college van burgemeester en schepenen en aan de Regering mede binnen 30 dagen
na de verzendingsdatum van het schorsingsbesluit.
Binnen 40
dagen na de ontvangst van de rechtvaardiging kan de Regering, bij een met
redenen omkleed besluit, een door de Regering of het college van burgemeester
en schepenen geschorste beslissing opheffen. Dit opheffingsbesluit wordt het
centrum en het college van burgemeester en schepenen ten laatste op de laatste
dag van de termijn van veertig dagen betekend. Indien het opheffingsbesluit
binnen de vastgelegde termijn niet wordt betekend aan het centrum en aan het
college van burgemeester en schepenen, dan vervalt de schorsing.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 21 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
De
bepalingen van artikel 111bis zijn niet van toepassing op de ziekenhuizen
die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zolang de
met toepassing van artikel 89 goedgekeurde rekeningen aantonen dat de
exploitatie ervan in evenwicht is.
Artikel 111bis
houdt op van toepassing te zijn of wordt opnieuw van toepassing, al naar het
geval, vanaf het ogenblik dat de rekeningen goedgekeurd of definitief
vastgesteld zijn met toepassing van artikel 89.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 22 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
1[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 42 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003, err., B.S., 18 maart 2004), met ingang van
1 januari 2004 (art. 52).
1[De beslissingen van het centrum,
waarvan met toepassing van artikel 111, § 1, geen afschrift moet
worden gezonden aan de Regering en aan het college van burgemeester en
schepenen, kunnen niet meer geschorst worden na verstrijken van een termijn van
30 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de samenvattende lijst.
Deze
termijn wordt gestuit door de verzending van een aangetekende brief, waarin de
Regering of het college van burgemeester of schepenen een bepaald dossier of
bijkomende inlichtingen aanvraagt.
De
beslissing van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die door een
toezichthoudende overheid aangevraagd werd, kan niet meer geschorst worden na
verstrijken van een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het
dossier of van de bijkomende inlichtingen.
De
beslissingen van het centrum, waarvan met toepassing van artikel 111,
§ 2 zonder aanvraag een afschrift moet worden gezonden aan het college van
burgemeester en schepenen en aan de Regering, kunnen niet meer geschorst worden
na verstrijken van een termijn van 40 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van
de beslissing.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 23 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 99° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
Vervangen bij
art. 14 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september
1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli
1998 (B.S., 12 september 1998)).
4[...]
]1
Wetshistoriek
Art. ingevoegd
bij art. 15 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september
1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli
1998 (B.S., 12 september 1998)) en opgeheven bij art. 276, 100°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb)
B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
gewijzigd bij art. 7, 1° Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli
2004).
§ 2
gewijzigd bij art. 10 Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999 (B.S.,
30 juni 1999 (tweede uitg.)) en bij art. 7, 2° Decr. Vl. Parl. 7 mei
2004 (B.S., 28 juli 2004).
§§ 3 en 4
gewijzigd bij art. 7, 2° Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S.,
28 juli 2004).
2[...]
]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 8 Decr. Vl. Parl. 7 mei 2004 (B.S., 28 juli 2004) en
opgeheven bij art. 276, 101° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Na twee
achtereenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan 2[het Verenigd College]2 een of meer commissarissen
gelasten zich ter plaatse te begeven, op de persoonlijke kosten van de
raadsleden of van de personeelsleden van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn, die verzuimd hebben aan de waarschuwingen gevolg te
geven, ten einde de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de
maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten en
algemene verordeningen.
1[Als een in het vorige lid
bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de
gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing
op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde
college van provinciegouverneurs.]1
2[De kosten bedoeld in het eerste
lid, worden ingevorderd door de ontvanger op voorlegging van een daartoe
getroffen besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld en dat
geldt als een door de ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift.]2
2[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 18 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en bij
art. 43, 1° tot 3° Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
2[Na twee achtereenvolgende, uit de
briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan de Regering een of meer ambtenaren
gelasten zich ter plaatse te begeven, op de kosten van de raadsleden of van de
personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die
verzuimd hebben aan de waarschuwingen gevolg te geven, ten einde de gevraagde
inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te
brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten en algemene verordeningen.]2
1[Als een in het vorige lid
bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de
gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing
op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde
college van provinciegouverneurs.]1
De
invordering van de bovenbedoelde kosten geschiedt, zoals inzake directe
belastingen, door de Rijksontvanger nadat 2[de Regering]2 het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.
2[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 18 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988), en bij
art. 24 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
2[De Vlaamse regering of de
provinciegouverneur kan, na het verstrijken van de termijn bepaald in een uit
briefwisseling blijkende uitdrukkelijke waarschuwing, één of meer
commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven om de gevraagde
inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te
brengen die zijn voorgeschreven bij de wetten, decreten, verordeningen en besluiten
van de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de provinciale instellingen.
Dit gebeurt op de persoonlijke kosten van de raadsleden of personeelsleden die
verzuimd hebben aan de waarschuwing gevolg te geven.]2
1[Als een in het vorige lid
bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de
gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing
op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde
college van provinciegouverneurs.]1
2[De kosten, bedoeld in het eerste
lid, worden ingevorderd door de ontvanger op zicht van een daartoe getroffen
besluit van de overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld, en dat geldt als
een door de ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift.]2
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 18 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en bij
art. 16 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september
1998), met ingang van 1 januari 1999 (art. 1, 1° B. Vl. Reg. 14 juli
1998 (B.S., 12 september 1998)).
Beperking
toepassing
Artikel 113,
leden 1 en 3, behoudens voor de gemeente Voeren, opgeheven bij art. 276, 102°
Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december 2008
(eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009 (art. 1, 48°, bb)
B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april 2009)).
Toekomstig recht
Artikel 113, lid 2 wordt gewijzigd bij art.
272, 14° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S., 24 december
2008 (eerste uitg.)), met ingang van een door de Vlaamse Regering te bepalen
datum (art. 285, § 1).
2[De Vlaamse regering of de provinciegouverneur
kan, na het verstrijken van de termijn bepaald in een uit briefwisseling
blijkende uitdrukkelijke waarschuwing, één of meer commissarissen gelasten zich
ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te
zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn voorgeschreven bij de
wetten, decreten, verordeningen en besluiten van de Staat, de Gemeenschappen,
de Gewesten en de provinciale instellingen. Dit gebeurt op de persoonlijke
kosten van de raadsleden of personeelsleden die verzuimd hebben aan de
waarschuwing gevolg te geven.]2
1[4[Als een in artikel 264 van het decreet van
19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn]4 bedoelde maatregel het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt
de gouverneur zijn beslissing op eensluidend advies van het in artikel 131bis
van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]1
2[De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden
ingevorderd door de ontvanger op zicht van een daartoe getroffen besluit van de
overheid die de dwangprocedure heeft ingesteld, en dat geldt als een door de
ontvanger ambtshalve uit te voeren bevelschrift.]2
Wetshistoriek
Opschrift
ingevoegd bij art. 28, 1° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
De 1[Regering]1, beschikt over een
inspectiedienst, die belast is met het toezicht op en de controle van de
werking van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de
verschillende diensten en inrichtingen die ervan afhangen.
Te dien
einde hebben de inspecteurs onder meer het recht deze diensten en inrichtingen
te bezoeken en, in het algemeen, alle inlichtingen in te winnen die zij nodig
hebben om hun taak te vervullen.
Zij
verstrekken de centra advies inzake alle vraagstukken die betrekking hebben op
het uitvoeren van hun opdracht.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 16 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Het 2[gemeentelijk college]2 heeft eveneens de opdracht,
toezicht en controle uit te oefenen op het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn.
Dit
toezicht brengt het recht mede, voor het lid door dit college afgevaardigd2[, die geen voorzitter van de raad
voor maatschappelijk welzijn mag zijn]2, alle inrichtingen te bezoeken, kennis te nemen, ter plaatse zelf,
van alle stukken en bescheiden 1[met uitzondering van de dossiers van individuele hulpverlening en
verhaal]1 en erover te waken dat de centra
de wet naleven en niet afwijken van de wilsbeschikking van de schenkers en
erflaters betreffende de wettelijk gevestigde lasten.
1[Het lid door het college
afgevaardigd is tot geheimhouding verplicht.]1
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 59 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
14 en 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S., 2 januari
2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De
overheid die met betrekking tot een beslissing van een openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn genomen in toepassing van deze wet een ongunstig advies
verleent of haar machtiging of goedkeuring onthoudt, dient haar beslissing te
motiveren. Wanneer binnen de bij de wet bepaalde termijn van geen advies of
beslissing kennis wordt gegeven, wordt de toezichthoudende overheid geacht een
gunstig advies of de vereiste machtiging of goedkeuring te hebben verleend.
Wanneer
de termijn niet is bepaald, 1[bedraagt die veertig dagen]1 vanaf de dag 2[waarop
de akte door de bevoegde overheid ontvangen werd]2; deze laatste kan echter de
eerste termijn 1[met veertig dagen verlengen]1, indien zij, vóór het verstrijken
van die eerste termijn, ter kennis brengt dat zij slechts binnen de verlengde
termijn uitspraak kan doen.
1[...]
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 60 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992) en bij art.
6 Decr. W. Gew. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De dag
van ontvangst van de akte, waarop de aan de toezichthoudende overheid
toegestane termijn aanvangt, is er niet in begrepen.
De
vervaldag van een aan de toezichthoudende overheid toegestane termijn is in de
termijn berekend. Maar als die dag een zaterdag, zondag of een officiële
feestdag is, dan wordt de vervaldag naar de volgende werkdag verschoven.
In de zin
van dit decreet worden de volgende dagen als een “officiële feestdag”
beschouwd: 1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Hemelvaart, Pinkstermaandag,
21 juli, 15 augustus, 27 september, 1, 2, 11 en
15 november, 25 en 26 december alsook de dagen bepaald bij decreet of
besluit van de Regering.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 7 Decr. W. Gew. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995).
Wetshistoriek
Opschrift
ingevoegd bij art. 28, 2° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
1[§ 1
Van iedere
beslissing van 3[het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn]3, met
uitzondering van de beslissingen tot individuele dienstverlening en verhaal 4[...] wordt binnen vijftien dagen
een afschrift gezonden aan het 5[gemeentelijk college]5 en aan de provinciegouverneur.
§ 2
Het 5[gemeentelijk college]5 kan, bij een met redenen omkleed
besluit, de uitvoering schorsen van elke beslissing bedoeld in § 1, 3[die het gemeentelijk belang en,
inzonderheid, de financiële belangen van de gemeente schaadt]3.
De
schorsingsbevoegdheid van het college kan evenwel niet uitgeoefend worden in
geval van beslissingen die met toepassing van deze wet onderworpen zijn aan de
goedkeuring of de machtiging van de toezichthoudende overheid.
In deze
gevallen kan het 5[gemeentelijk college]5 zijn advies uitbrengen op de
zitting van de gemeenteraad of binnen de dertig dagen bij de toezichthoudende
overheid.
Het
schorsingsbesluit moet worden genomen binnen dertig dagen nadat het besluit op
het gemeentebestuur is ingekomen; van het schorsingsbesluit wordt dadelijk
kennis gegeven aan het centrum, aan 5[het provinciecollege]5 en aan de gouverneur. Het regelmatig geschorste besluit kan eveneens
worden ingetrokken.
Indien de
raad voor maatschappelijk welzijn zijn beslissing handhaaft, wordt deze
medegedeeld aan het 5[gemeentelijk college]5, aan de gouverneur en aan 5[het provinciecollege]5, welke deze beslissing binnen de
veertig dagen kan vernietigen bij een met redenen omkleed besluit.
Na het
verstrijken van deze termijn is de schorsing van het 5[gemeentelijk college]5 opgeheven, onverminderd de
toepassing van de bepalingen van § 3 van dit artikel.
2[§ 2bis
4[...]]2
§ 3
De
gouverneur kan bij een met redenen omkleed besluit, de uitvoering schorsen van
het besluit waarbij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet
schendt of het algemeen belang schaadt.
Het
schorsingsbesluit moet worden genomen binnen veertig dagen nadat het besluit op
het provinciaal gouvernement is ingekomen; van het schorsingsbesluit wordt
dadelijk kennis gegeven aan het centrum; de raad neemt er onverwijld kennis van
en kan het geschorste besluit rechtvaardigen. Het regelmatig geschorste besluit
kan eveneens worden ingetrokken.
Na
verstrijken van de in artikel 112, tweede lid, gestelde termijn, is de schorsing
opgeheven.
De
termijn van veertig dagen begint slechts te lopen nadat 5[het provinciecollege]5 heeft medegedeeld dat het
geschorste besluit niet werd vernietigd overeenkomstig § 2, vierde lid,
van dit artikel.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen
bij art. 12 K.B. nr. 244, 31 december 1983 (B.S., 25 januari
1984).
§ 1
gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992), bij art. 28, 3° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998) en bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 2
gewijzigd bij art. 61, 1° en 2° W. 5 augustus 1992 (B.S.,
8 oktober 1992) en bij art. 15, 1° en 2° Decr. W. Gew. R. 8 december
2005 (B.S., 2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006
(art. 22).
§ 2bis
ingevoegd bij art. 5 K.B. nr. 430, 5 augustus 1986 (B.S.,
21 augustus 1986) en opgeheven bij art. 28, 4° Decr. W. Gew. R.
2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
§ 3
gewijzigd bij art. 15, 2° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Uitvoeringsbesluiten
|
–Besluit van de Waalse Regering van 4 mei 1995 tot
uitvoering van artikel 111, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976
betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S., 19
juli 1995) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997
betreffende de inventaris van het patrimonium van de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn (B.S., 13 augustus 1997) |
|
–Besluit van de Waalse Regering van 22 mei 1997 betreffende
de gemeentelijke comptabiliteit voor de openbare centra voor maatschappelijk
welzijn (B.S., 13 augustus 1997) |
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
De 2[Regering]2 en, voor de openbare centra voor
maatschappelijk welzijn wier gebiedsomschrijving volgens de jongste
tienjaarlijkse volkstelling minder dan twintigduizend inwoners telt, de
provinciegouverneur, kunnen bij een met redenen omkleed besluit, de beslissing
vernietigen waarbij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet
schendt of het algemeen belang schaadt.
Het
vernietigingsbesluit moet worden genomen binnen veertig dagen nadat het besluit
op het provinciaal gouvernement is ingekomen of, in voorkomend geval, binnen
veertig dagen nadat het door de gouverneur of door de bestendige deputatie is
goedgekeurd of nadat het besluit waarbij de raad voor maatschappelijk welzijn
kennis heeft genomen van de schorsing, op het provinciaal gouvernement is
toegekomen.
Het door
de gouverneur genomen vernietigingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt
in het Bestuursmemoriaal van de provincie en aan de betrokkenen wordt er kennis
van gegeven. Het kan, onverminderd de onmiddellijke toepassing ervan, door de 2[Regering]2 vernietigd worden binnen de
termijn van één maand, te rekenen van de dag waarop een uitgifte ter
kennisgeving bij ter post aangetekende zending aan het centrum is doorgestuurd.
1[Het Openbaar Centrum voor
maatschappelijk welzijn of elke betrokkene mag binnen dertig dagen na
kennisgeving van het vernietigingsbesluit van de gouverneur een beroep bij de
Regering indienen. In dit geval wordt de beslissing van de Regering binnen
veertig dagen na ontvangst van het beroep aan de betrokkenen meegedeeld. De
Regering kan deze termijn met een termijn van dezelfde duur verlengen.]1
Na het
verstrijken 1[van deze termijnen]1 kunnen de besluiten van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, behoudens beroep bij de Raad van
State, alleen door de wetgevende macht worden vernietigd.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 9 Decr. W. Gew. R. 6 april 1995 (B.S., 25 mei 1995) en
bij art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april
1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 en 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
In
afwijking van de artikelen 111 en 112 worden de beraadslagingen van de raad
voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid
i.v.m. het ziekenhuis, die niet onder een bijzondere toezichtsmaatregel vallen,
onderworpen aan het schorsingstoezicht van het 2[gemeentelijk college]2 en aan een vernietigingstoezicht
van de Regering
Daartoe
moeten de goedgekeurde notulen van de zittingen van de raad voor
maatschappelijk welzijn en van het beheerscomité alsmede de lijst van de door
de gemachtigde overheid genomen beslissingen binnen vijftien dagen na hun
goedkeuring gelijktijdig aan het 2[gemeentelijk college]2 en aan de Regering worden overgemaakt.
De
beraadslagingen kunnen binnen een termijn van dertig dagen worden opgeëist door
het 2[gemeentelijk college]2 en door de Regering.
Elke
beslissing die op verzoek van het 2[gemeentelijk college]2 wordt meegedeeld, wordt gelijktijdig aan de Regering gericht. Het 2[gemeentelijk college]2 beschikt over een termijn van
tien dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de beraadslaging, om de
schorsing wegens strijdigheid met het gemeentelijk belang en, meer bepaald, met
de financiële belangen van de gemeente te betekenen aan de raad voor
maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid en de
Regering.
In geval
van schorsing kunnen de raad voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of
de gemachtigde overheid de geschorste akte hetzij bij het 2[gemeentelijk college]2 rechtvaardigen, hetzij intrekken.
Indien de
raad voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid
hun beslissing handhaven, wordt deze door het 2[gemeentelijk college]2 aan de Regering overgemaakt.
Het
vernietigingsbesluit dat door de Regering is genomen wegens schending van de
wet of strijdigheid met het algemeen belang, moet binnen veertig dagen betekend
worden, te rekenen hetzij van de ontvangst van de beslissing waarbij de raad
voor maatschappelijk welzijn, het beheerscomité of de gemachtigde overheid de
handhaving van het besluit rechtvaardigen, hetzij vanaf het verstrijken van de
termijn van tien dagen die aan het 2[gemeentelijk college]2 opgelegd is om te schorsen, hetzij van de ontvangst van de beslissing
die de Regering aan zich heeft getrokken.
Bij
gebreke hiervan kan de beslissing van kracht worden.
Het in
het vierde lid bedoelde schorsingstoezicht van het 2[gemeentelijk college]2 is niet van toepassing op de
ziekenhuizen die van een O.C.M.W. afhangen, zolang uit de overeenkomstig
artikel 89 goedgekeurde rekeningen blijkt dat hun exploitatie in evenwicht is.
Het
schorsingstoezicht van het college is, al naar gelang het geval, niet meer of
opnieuw van toepassing zodra de rekeningen goedgekeurd of definitief zijn
vastgelegd overeenkomstig artikel 89.]1
Wetshistoriek
Ingevoegd bij
art. 28, 4° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april
1998) en gewijzigd bij art. 15, 1° Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Wetshistoriek
Opschrift
ingevoegd bij art. 28, 5° Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S.,
28 april 1998).
Na twee
achtereenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan de
gouverneur een of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven, op
de persoonlijke kosten van de raadsleden of van de personeelsleden van het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, die verzuimd hebben aan de
waarschuwingen gevolg te geven, ten einde de gevraagde inlichtingen of
opmerkingen in te zamelen of de maatregelen ten uitvoer te brengen die zijn
voorgeschreven bij de wetten en algemene verordeningen.
1[Als een in het vorige lid
bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de
gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing
op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde
college van provinciegouverneurs.]1
De
invordering van de bovenbedoelde kosten geschiedt, zoals inzake directe
belastingen, door de Rijksontvanger nadat de provinciegouverneur het
bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.
In alle
gevallen staat beroep open bij de 2[Regering]2.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 18 W. 9 augustus 1988 (B.S., 13 augustus 1988) en bij
art. 34 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 44 Ord. Ver. Verg. Gem. Gem. Comm. 3 juni 2003 (B.S.,
18 juni 2003), met ingang van 1 januari 2004 (art. 52).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 62 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 17 Decr. Vl. Parl. 14 juli 1998 (B.S., 10 september
1998), met ingang van 1 januari 2003 (art. 1, 2° B. Vl. Reg. 14 juli
1998 (B.S., 12 september 1998)).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 62 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
1[De beslissingen genomen met
toepassing van de artikelen 40, 42 en 53 worden door de Regering ter
kennis gebracht aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
en aan het betrokken college van burgemeester en schepenen.
Indien
bij gebrek aan een beslissing van de Regering, het besluit van het centrum met
toepassing van artikel 110 geacht wordt een stilzwijgende machtiging of
goedkeuring te hebben verkregen, wordt hiervan door dit centrum kennis gegeven
aan het betrokken college van burgemeester en schepenen.]1
Wetshistoriek
Vervangen bij
art. 25 Decr. D. Gem. R. 2 mei 1995 (B.S., 30 december 1995),
met ingang van 1 januari 1996 (art. 30).
De
beslissingen van de gouverneur genomen met toepassing 2[van de artikelen 40, 42 en 79]2 worden door zijn zorgen ter
kennis gebracht aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
en aan het betrokken 3[gemeentelijk college]3.
Indien
bij gebrek aan een beslissing van de gouverneur, het besluit van het centrum
met toepassing van artikel 110 geacht wordt een stilzwijgende machtiging of
goedkeuring te hebben verkregen, wordt hiervan door dit centrum kennis gegeven
aan het betrokken 3[gemeentelijk college]3.
Tegen de
beslissingen van de gouverneur en tegen de bedoelde stilzwijgende machtiging of
goedkeuring staat voor het centrum en het 3[gemeentelijk college]3 een beroep open bij de 3[Regering]3. Dit beroep moet op straffe van
nietigheid worden ingediend binnen vijftien dagen na de dag waarop de bij de
eerste twee leden van dit artikel bedoelde kennisgeving ontvangen werd.
1[...]
De 3[Regering]3 dient te beslissen veertig dagen
na de dag dat het beroep hem werd betekend. Die termijn kan worden verlengd met
één maand bij een met redenen omklede beslissing genomen voor hij verstrijkt.
Bij
gebrek aan een ministerieel besluit tussengekomen binnen de voorgeschreven
termijnen, is de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn uitvoerbaar.
Wetshistoriek
Gewijzigd bij
art. 29 Decr. W. Gew. R. 2 april 1998 (B.S., 28 april 1998) en
bij art. 15, 1° en 16 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
Voorgeschiedenis
Gewijzigd bij
art. 62 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober 1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 19 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 1
1[...]
§ 2
In
afwijking van artikel 28, vierde lid, worden de rechtsgedingen als eiser inzake
de verrichtingen waarvan sprake in artikel 46, § 1, alsmede die inzake het
beheer van de goederen en de terugvordering van de kosten voor verleende hulp,
overeenkomstig de beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn, in naam
van het centrum gevoerd op vervolging en benaarstiging van de ontvanger of, in
voorkomend geval, van de bijzondere ontvanger bedoeld door artikel 96.
In geval
van verhindering of afwezigheid van een van die ambtenaren, worden de in het
vorige lid bedoelde handelingen verricht door de ambtenaar die de voornoemde
ontvanger onder zijn aansprakelijkheid heeft aangeduid of door de waarnemende
ontvanger; bij gebreke hiervan wordt daartoe een ambtenaar afgevaardigd door de
raad voor maatschappelijk welzijn.
Wetshistoriek
§ 1
opgeheven bij art. 63 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Geselecteerde
rechtspraak
Uit de
artt. 24, 27 en 115 W. 8 juli 1976 volgt dat alleen de raad bevoegd
is om te beslissen beroep in te stellen bij de Raad van State en dat die
bevoegdheid niet kan worden gedelegeerd aan het vast bureau. De beslissing van
de raad werd genomen nadat de termijn om beroep in te stellen verstreken was.
(R.v.St. nr. 35.021, 29 mei 1990).
2[...]
Wetshistoriek
Opgeheven bij
art. 276, 103° Decr. Vl. Parl. 19 december 2008 (B.S.,
24 december 2008 (eerste uitg.)), met ingang van 1 juli 2009
(art. 1, 48°, bb) B.Vl.Reg. 3 april 2009 (BS 29 april
2009)).
Voorgeschiedenis
§ 1
opgeheven bij art. 63 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
§ 1
1[...]
§ 2
In
afwijking van artikel 28, vierde lid, worden de rechtsgedingen als eiser inzake
de verrichtingen waarvan sprake in artikel 46, § 1, alsmede die inzake het
beheer van de goederen en de terugvordering van de kosten voor verleende hulp,
overeenkomstig de beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn, in naam
van het centrum gevoerd op vervolging en benaarstiging van de ontvanger of, in
voorkomend geval, van de bijzondere ontvanger bedoeld door artikel 96.
In geval
van verhindering of afwezigheid van een van die ambtenaren, worden de in het
vorige lid bedoelde handelingen verricht door de ambtenaar die de voornoemde
ontvanger onder zijn aansprakelijkheid heeft aangeduid of door de waarnemende
ontvanger; bij gebreke hiervan wordt daartoe een ambtenaar afgevaardigd door de
raad voor maatschappelijk welzijn.
Wetshistoriek
§ 1
opgeheven bij art. 63 W. 5 augustus 1992 (B.S., 8 oktober
1992).
Franse tekst
gewijzigd bij art. 17 Decr. W. Gew. R. 8 december 2005 (B.S.,
2 januari 2006), met ingang van 8 oktober 2006 (art. 22).
§ 1
Het
Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn is burgerlijk aansprakelijk voor
de betaling van de boetes opgelegd aan zijn voorzitter of aan diens
plaatsvervanger, aan het lid of de leden van het vast bureau en de bijzondere
comités of aan elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het
comité een specifieke opdracht toevertrouwt, als gevolg van een overtreding
begaan bij de gewone uitoefening van hun functies, behalve in geval van
herhaling.
De
vordering tot beroep van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn
jegens zijn voorzitter of diens plaatsvervanger, jegens het lid of de leden van
het vast bureau en de bijzondere comités of elke andere adviseur aan wie het
centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt,
wordt in geval van veroordeling beperkt tot de gevallen van bedrog, zware
schuld of gewoonlijk voorkomende lichte schuld.
§ 2
Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk